Posts tonen met het label werkloosheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label werkloosheid. Alle posts tonen

dinsdag 31 januari 2023

De Nederlandse polycrisis: een moedeloos makende waslijst van problemen - die met elkaar samenhangen en een gemeenschappelijke oorzaak hebben - deel 6

In het bericht van drie dagen geleden, het vijfde in de reeks over de Nederlandse polycrisis, nam ik de volgende twee bullets op in het lijstje van praktisch-politieke concretiseringen van de vuistregel van de markt als eigenlijke bron van welvaart: 

  • loslaten van beleid gericht op volledige werkgelegenheid,
  • rentebeleid en dus werkloosheid als het middel voor prijsstabiliteit

Het lijkt goed om, als een intermezzo, daar enige toelichting op te geven.

Na de Tweede Wereldoorlog, toen de vuistregel van het grote belang van de democratische overheid voor het menselijk welzijn nog het politiek-economische denken domineerde ("de gemeenschap georganiseerd in de staat"), was het nastreven van volledige werkgelegenheid als vanzelfsprekend een van de doelen van het sociaal-economische overheidsbeleid. De ervaringen met de ellende van de massawerkloosheid van de recessie van de jaren 30, en de daarmee samenhangende opkomst van het nationaalsocialisme in Duitsland, lagen nog vers in het geheugen. Dat iedereen die wilde werken en werk nodig had voor een menswaardig bestaan, ook dat werk kon vinden, moest voortaan een overheidszorg zijn.  Want iedereen telde mee.

Dat moest zo worden opgevat dat iedereen recht op werk had, niet in juridische zin, zoals met een baangarantie, maar in materiële zin. Werkloosheid zou alleen mogen bestaan als een kortdurende overgangsperiode tussen twee banen en de Werkloosheidswet (in 1952 ingevoerd als de "Wachtgeld en Werkloosheidsverzekering" (WW)) zorgt dan voor een uitkering om die periode te kunnen overbruggen. 

Volledige werkgelegenheidsbeleid moest dan inhouden dat de overheid er voor moest zorgen dat de capaciteiten van de reële economie altijd maximaal worden benut. En dat betekende dat de overheidsbegroting daaraan functioneel moest zijn. Als er niet gebruikte capaciteit dreigde te ontstaan, moest de economie worden aangejaagd door de overheidsuitgaven te vergroten en/of de belastingen te verlagen. Om werkloosheid te voorkomen.

Maar wat als er overspanning van de economie en dus inflatie dreigde? De economie moest dan worden "afgekoeld". Maar hoe? De destijds heersende vuistregel hield in dat in dat geval de lonen moesten worden gematigd. De totale omvang van de lonen beslaat zo'n driekwart van het nationale inkomen. Als je die proportie iets minder kunt laten groeien of zelfs iets kunt terugdringen, dan heeft dat een flink "afkoelend" effect. Daarom, en om andere redenen, voerden regeringen een "geleide loonpolitiek", of beter gezegd, probeerden ze die te voeren, want dat lukte niet altijd even goed. 

Ik googelde net even "geleide loonpolitiek" en kwam terecht bij deze interessante bespreking door Willem Dercksen en Geert Woltjer van De effectiviteit van geleide loonpolitiek in theorie en practijk uit 1984 van N. van Hulst.  Over die effectiviteit en over de voor- en nadelen van die politiek valt van alles te zeggen, maar hoe dan ook, een belangrijk idee erachter was dat werkloosheid moest worden voorkomen. Conjunctuurbeleid, het bevorderen van stabiele economische groei, behoorde tot het takenpakket van opeenvolgende regeringen. Als economische afkoeling nodig was, dan moest dat bereikt worden door loonmatiging en niet door het laten oplopen van de werkloosheid. 

Dat veranderde drastisch met de opkomst van de (neoliberale) vuistregel van de markt als eigenlijke bron van welvaart. Dat de rol van de overheid moest worden teruggedrongen, betekende ook dat loonvorming aan de markt moest worden overgelaten. En dat betekende weer dat conjunctuurbeleid geheel moest worden overgedragen aan de centrale bank en dus aan het rentebeleid. 

Als inflatie dreigde, moest de rente worden verhoogd, zodat de investeringen zouden afnemen en daardoor de werkloosheid zou toenemen. Inflatiebestrijding betekende werkloosheidstoename. De kosten van die bestrijding moesten niet meer door alle werknemers samen worden gedeeld, door loonmatiging, maar konden worden afgewenteld op degenen die werkloos werden. In de plaats van het doel van de volledige werkgelegenheid kwam werkloosheid als middel om inflatie te bestrijden. Dat was het afscheid van het iedereen-telt-mee.

Daarmee werden de grote negatieve effecten van werkloosheid, voor de werklozen zelf, maar ook voor iedereen in de vorm van toegenomen bestaansonzekerheid, genegeerd of op de koop toegenomen. En er was al helemaal geen oog voor de negatieve politieke effecten van die toename van bestaansonzekerheid, in de vorm van het opnieuw opkomen van rechts-extremisme. 

Kortom, het loslaten van dat doel van volledige werkgelegenheid als onderdeel van de overgang naar die vuistregel van de markt, dat heeft nogal wat me zich meegebracht. En is mede een oorzaak geweest van de polycrisis die we nu meemaken. In het volgende bericht gaan we daar weer naar terug.

dinsdag 2 augustus 2022

Over een minister voor Armoedebeleid en over de machtsstrijd tussen kapitaal en arbeid - En over kabinetten-Rutte

We hebben een armoedeminister, voluit een Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen. De minister, Carola Schouten, wordt geïnterviewd in het blad Binnenlands Bestuur: 'Overheid moet menselijker gezicht krijgen'. De minister vertelt dat ze niet alleen noodhulp wil bieden aan mensen die de hoge energierekeningen niet kunnen betalen, maar dat ze ook bezig is met "een fundamentele hervorming van de sociale zekerheid". 

Wat is er dan mis met die sociale zekerheid? Welnu, die is in de afgelopen decennia, zeg de jaren van de kabinetten-Rutte, zo verschraald en tegelijkertijd ingewikkelder geworden, dat mensen de overheid zijn gaan wantrouwen. En dat het nu tijd wordt dat de overheid "een menselijker gezicht" krijgt. Dat moet gebeuren door het minimumloon en daarmee de bijstandsuitkeringen te verhogen. En door mensen in de bijstand niet meer te bestraffen als ze mantelzorg verlenen, als ze een bijbaan hebben, als ze hun kinderen na hun 21e in huis houden of als ze af en toe een boodschappentas van de buurvrouw krijgen.

Is dat allemaal eigenlijk niet heel vanzelfsprekend, is de vraag aan de minister. Waarop de minister antwoordt:

Het is inderdaad zo vanzelfsprekend dat het eigenlijk raar is dat we dit eerder niet hebben toegestaan. Die vanzelfsprekendheid wil ik weer terugbrengen in de wet. 

Dat klinkt allemaal goed en het verdient natuurlijk instemming. Maar wat opvallend mist, is reflectie op hoe het allemaal zo gekomen is. Niet alleen bij deze minister, maar bij vrijwel de hele Nederlandse politiek en de media die daarover berichten. Waardoor kreeg de overheid een onmenselijk gezicht, waardoor waren de uitkeringen te laag en waardoor werd uitkeringsgerechtigden het leven zo zuur gemaakt? Waar is de eis van een tegenprestatie vandaan gekomen? Waar kwam het arbeidsmarktbeleid vandaan dat het fenomeen van de werkende armen creëerde? Waardoor nam in die afgelopen decennia alom de bestaansonzekerheid toe?

Het antwoord is eenvoudig en zou bekend behoren te zijn. Dat alles was politiek gemotiveerd. Dat was wat vrijwel alle politieke partijen, de VVD van Mark Rutte voorop, wilden en nastreefden. Het was het neoliberale beleid, gericht op zoveel mogelijk bevordering van marktwerking, niet alleen op de gebieden van goederen- en dienstenmarkten, maar ook op het gebied van de arbeidsmarkt. Die moest zoveel mogelijk worden gedereguleerd, opdat ondernemers efficiënter en met lagere arbeidskosten konden opereren. 

Dat hield meteen ook in dat de sociale zekerheid moest worden versoberd. Want slechtere arbeidsomstandigheden en lagere lonen dienden te worden geaccepteerd. Denk aan VVD-verkiezingsslogans waarin uitkeringen met een lekkere hangmat werden vergeleken en waarin werd gesuggereerd dat mensen liever hun hand ophouden dan uit de mouwen te steken. Het moest ondernemers zoveel mogelijk naar de zin worden gemaakt en dus verschoven risico's van werkgevers naar werknemers. En voor de laatsten moest de uitwijkmogelijkheid van de sociale zekerheid zoveel mogelijk worden geblokkeerd.

Dat leek allemaal verstandig en pragmatisch beleid, een beleid van "economische hervormingen", en zo werd het ook gepresenteerd en verkocht, maar het was in feite een ideologische gemotiveerde verschuiving in de maatschappelijke machtsverhoudingen. Meer macht voor het kapitaal, minder macht voor de arbeid. De politiek wordt nu geconfronteerd met de nadelige gevolgen daarvan en denkt dat op te kunnen lossen door een ministerie voor Armoedebeleid te introduceren. En voor de rest zoveel mogelijk door te gaan op de ingeslagen weg. Voer een beleid dat armoede creëert en zadel een minister op met armoedebeleid. De weg van de kabinetten-Rutte.

Het is precies die machtsverschuiving die we ook hebben gezien in het evenzeer neoliberale macro-economische beleid waarin de naoorlogse overheidsdoelstelling van volledige werkgelegenheid werd verlaten en waarin werkloosheid niet meer als een onaanvaardbaar maatschappelijk kwaad werd gezien, maar slechts als een middel om inflatie te bestrijden. 

Die kwestie is weer opvallend actueel nu we ineens hoge inflatiecijfers meemaken. En centrale banken de rente verhogen, met als oogmerk om via een recessie en oplopende werkloosheid de inflatie terug te brengen. Mensen in de werkloosheid duwen omdat dat nu eenmaal noodzakelijk zou zijn voor de prijsstabiliteit. En om maar te voorkomen dat de machtsstrijd tussen arbeid en kapitaal in het voordeel van de arbeid uitvalt. 

Daarover meer in een volgend bericht.

maandag 30 augustus 2021

Het is bovenal de toegenomen inkomensongelijkheid die de daling van de rente in de afgelopen veertig jaar verklaart. En dus de stagnatie van de economie en de hogere werkloosheid.

Update 3. Servaas Storm heeft uitgebreide en diepgravend kritiek op de studie van Mian, Straub en Sufi. En komt met een alternatieve verklaring voor het verband tussen toenemende  ongelijkheid en dalende rente.  Daarin speelt een grote rol het verlaten van het streven naar volledige werkgelegenheid door overheden eind jaren zeventig. Interessant en belangrijk. Zie Why the Rich Get Richer and Interest Rates Go Down.

Update 2.  Lees nu ook Maarten Schinkel: De ongelijkheid jaagt nu zijn staart achterna. Met als slot:  "de maatschappelijke ontwrichting door ongelijkheid kan veel sneller gaan dan we nu nog beseffen."

Update 1. Zie nu ook het bericht in de Financial Times: The rich get richer and rates get lower. Maybe it’s not about demographics, after all. Waarin ook kort wordt ingegaan op wat er met al dat geld gebeurt dat steeds meer bij de hoogste inkomens terechtkomt en dat niet wordt geïnvesteerd. Het wordt uitgeleend aan de overheid en aan de lage inkomenshuishoudens. Bedenk daarbij dat de overheid diezelfde middelen ook had kunnen verkrijgen door hogere belastingen voor de rijken. En bedenk dat die armere huishoudens ook graag een hoger loon hadden gehad, zodat ze zich minder in de schulden hadden hoeven te steken.

En bedenk tenslotte dat dit alles een neerdrukkend effect heeft op de totale vraag naar goederen en diensten. De overheid en de lagere inkomens moeten lenen om nog wat geld te kunnen uitgeven. Als de belastingen voor de hogere inkomens en de lonen hoger waren, dan was dat niet nodig geweest en was de totale vraag groter. En dan zouden ondernemingen meer investeren en zouden de rente en de inflatie en de economische groei hoger zijn.

We leven in een geldeconomie en in een geldeconomie is de economie een kringloop. Dat leerde ik lang geleden in de colleges van Jan Pen, die voor Groningse sociologiestudenten het bijvak economie gaf. Maar die kringloop kan worden verstoord als geld wordt "opgepot", dat wil zeggen, gespaard zonder te worden geïnvesteerd. De economie verkeert dan in een toestand van seculiere, of eeuwigdurende of langdurige, stagnatie. Met weinig of geen economische groei, lage of zelfs negatieve inflatie en lage rente. Doordat geld niet "benut" wordt, worden ook de beschikbare hulpbronnen, waaronder arbeid, niet benut. Dus hoge werkloosheid en armoede.

Een belabberde toestand, die niet zou hoeven. Meer investeren zou helpen. Waardoor gebeurt dat dan niet? Hoe te verklaren dat we de laatste decennia, zo'n veertig jaar, met lage groei, lage rente, lage inflatie en met werkloosheid hebben te kampen? 

In de nieuwe studie What explains the decline in r∗?Rising income inequality versus demographic shifts wordt dat voor de Verenigde Staten onderzocht. Het gaat daarin om twee mogelijke verklaringen. Er kan een demografische oorzaak zijn, die erin ligt dat de bevolking vergrijst en er daardoor meer gespaard wordt om pensioen op te bouwen. Maar ook de toename van inkomensongelijkheid kan een rol spelen. Want hogere inkomens sparen meer en als het aandeel hogere inkomens toeneemt, wordt er dus meer gespaard.

Het is lastig om uit te maken welke oorzaak het belangrijkste is, omdat beide ontwikkelingen zich in dezelfde tijd afspeelden. Maar in die nieuwe studie gebruiken de onderzoekers een databestand van gegevens over het huishoudinkomen en de leeftijd van het hoofd van het huishouden over de periode van 1950 tot 2019. 

Uit die (voor mij veel te ingewikkelde) analyses komt inderdaad naar voren dat de 10 procent hoogste inkomens tussen de 10 en 20 procent meer van hun inkomen sparen dan de 90 procent laagste inkomens. Dat verschil bestaat over de hele periode en neemt met de tijd toe. Maar bovendien was er tussen 1983 en 2019 een grote verschuiving in het aandeel van het inkomen naar die top 10 procent. In 2019 had de top 10 procent een aandeel dat 15 procent hoger was dan het aandeel van de top 10 procent voorafgaand aan de jaren 80.  Daar zie je dus de toename van de hogere inkomens, van inkomensongelijkheid.

De combinatie van die twee, meer sparen door hogere inkomens plus de toename van het aandeel inkomen dat naar de 10 procent hoogste inkomens gaat, verklaart dat de 10 procent hoogste inkomens in de periode tussen 1995 en 2019 3 tot 3,5 procent van het nationale inkomen meer spaarde dan voorafgaand aan de jaren 80. Dat komt overeen met 30 tot 40 procent van de totale private besparingen in dezelfde periode.

Daartegenover wijst er weinig op dat de vergrijzing een grote rol speelde, omdat er maar weinig variatie is in hoeveel verschillende leeftijdsgroepen spaarden. 

Daarom concluderen de onderzoekers dat het bovenal de toegenomen inkomensongelijkheid is die de daling van de rente in de afgelopen veertig jaar verklaart. En dus de stagnatie van de economie en de hogere werkloosheid.

Dat is voor economen een belangrijke conclusie. Want die hebben de neiging om zich niet zo te interesseren voor de inkomensverdeling. Maar de afgelopen veertig jaar leert dus dat een toename van inkomensongelijkheid macro-economische gevolgen heeft. 

Er waren natuurlijk al aanwijzingen dat inkomensongelijkheid slecht is voor (stabiele) economische groei. Zie hier en hier.

En dan hebben we het nog niet over de vele negatieve sociale en maatschappelijke gevolgen van grote inkomensongelijkheid.

woensdag 29 januari 2020

Aanwijzingen voor het vermoeden dat de toename van bestaansonzekerheid een belangrijke oorzaak was van het toegenomen rechts-extremistisch populisme blijven komen.

Aanwijzingen voor het vermoeden dat de toename van bestaansonzekerheid een belangrijke oorzaak was van het toegenomen rechts-extremistisch populisme blijven komen. In The Great Recession and the Rise of Populism doet Evgenia Passari verslag van een analyse van veranderingen in werkloosheid en veranderingen in de aanhang van populistische partijen in 220 regio's in 26 Europese landen tussen 2000 en 2017. De volledige analyse is na te lezen in The European Trust Crisis and the Rise of Populism.

De uitkomst is in het onderstaande plaatje samen te vatten. Daarin worden die landen onderscheiden in Centrum (Oostenrijk, België, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Zwitserland), Noord (Denemarken, Finland, IJsland, Ierland, Verenigd Koninkrijk), Oost (Bulgarije, Tsjechië, Estland, Hongarije, Polen, Roemenië, Slovakije, Slovenië) en Zuid (Cyprus, Griekenland, Italië, Portugal, Spanje).

Al met al zie je dat een toename van werkloosheid gepaard gaat met een toename van de aanhang van populistische partijen. Een werkloosheidstoename van een procent wordt gevolgd door een  groei van stemmen op populistische partijen van een procent. En we weten dat een toename van werkloosheid gepaard gaat met een toename van bestaansonzekerheid, niet alleen van hen die werkloos werden, maar ook van degenen die vrezen het te worden. Als het bestaan onzekerder wordt, als mensen zich onveiliger en bedreigd voelen, dan zijn ze vatbaarder voor populistische boodschappen.



Dat zou er aan kunnen liggen dat mensen door die grotere bestaansonzekerheid het vertrouwen verliezen in het politieke establishment, in hun parlement en in de instellingen van de Europese Unie. En dat blijkt uit analyses van de data van de European Social Survey over de periode tussen 2000 en 2014 ook precies het geval te zijn.

Dat het een met het ander samenhangt is plausibel als je bedenkt dat er in diezelfde periode geen verband was tussen de toename van werkloosheid en het interpersonele vertrouwen (het vertrouwen in andere mensen).

Interessant is dat toenames van werkloosheid ook gepaard gaan met een negatievere houding tegenover immigranten, maar dan specifiek in de zin dat de toename van immigranten wordt gezien als een economische bedreiging. Er is geen aanwijzing voor toenames van aanhang voor de populistische stelling dat immigranten een culturele bedreiging zouden vormen.

Wat betekent dit nu voor het beleid? Evgenia Passari is daar heel duidelijk over: ga niet mee met met dat culturele anti-immigranten frame, maar doe wat aan die bestaansonzekerheid. Voorkom werkloosheid door anticyclisch macro-economisch en fiscaal beleid:
If populism is entrenched in deeply rooted cultural differences, addressing it is a non-trivial endeavor. Our results, however, show that the rise in unemployment results in increased support for anti-establishment parties via the loss of trust in political institutions. Economic factors seem to be an important part of the populism story, and a key determinant of its recent pan-European electoral success. This presents an exceptional opportunity to address populism through the implementation of countercyclical macroeconomic and fiscal policies that will fight unemployment and foster growth.

donderdag 19 september 2019

Waarom stagneren de lonen? Er is nog veel verborgen werkloosheid

Hoe komt het dat in veel landen de werkloosheid sinds de jaren na de Grote Financiële Crisis flink gedaald is en dat toch de lonen niet of nauwelijks zijn gestegen? (En dat daarmee samenhangend de inflatie maar niet echt wil toenemen?) Je zou immers verwachten dat dalende werkloosheid leidt tot een grotere krapte op de arbeidsmarkt, die maakt dat werkgevers hogere lonen moeten aanbieden om werknemers aan te kunnen trekken.

Dat de lonen toch stagneren, zou eraan kunnen liggen dat die werkloosheid minder gedaald is dan uit het meestal gehanteerde werkloosheidscijfer (wel of geen betaald werk hebben) naar voren komt. Want dat cijfer houdt geen rekening met de verborgen werkloosheid, die eruit bestaat dat er mensen zijn die in deeltijd werken en graag meer uren zouden willen werken. Dat kunnen werkende armen zijn die graag uit hun armoede zouden willen ontsnappen. In de Engelstalige literatuur wordt die verborgen werkloosheid aangeduid met underemployment.

Vandaag vraagt Norbert Häring daar aandacht voor: Wie unfreiwillige Teilzeitarbeit die Reservearmee der Arbeitslosen ersetzt.

Daarin verwijst hij naar het NBER-paper Underemployment in the US and Europe, dat al een jaar geleden verscheen, maar nu als artikel uitkomt in de Industrial and Labor Relations Review. David N.F. Bell en David G. Blanchflower laten daarin voor de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en veel van 25 andere Europese landen zien dat weliswaar de werkloosheid is teruggekeerd op het niveau van voor de crisis, maar dat zulks niet geldt voor de verborgen werkloosheid.

En bovendien blijkt dat een verklaring te zijn voor die achterblijvende loongroei. Want als je met die verborgen werkloosheid rekening houdt, dan is die achterblijvende loongroei precies wat je zou verwachten.

Het valt anders gezegd nogal mee, of eigenlijk tegen, met die krapte op de arbeidsmarkt. De echte werkloosheid, dat wil zeggen de niet-gerealiseerde vraag naar uren arbeid, is veel hoger dan uit het eenvoudige werkloosheidscijfer blijkt. Vooral in landen waarvan gezegd wordt dat "het nu beter gaat", zoals in Italië, Spanje, Portugal en Ierland, is dat het geval. Zo veel beter gaat het dus helemaal niet.

We kennen dus nog in hoge mate het verschijnsel van het industriële reserveleger, zoals Karl Marx dat beschreef in zijn Das Kapital (1867).

Of we kennen het weer, want het na-oorlogse sociaaleconomische beleid was tot in de jaren 70 immers nog gericht op de doelstelling van de volledige werkgelegenheid. Een beleid waarmee dat vernederende en inhumane reserveleger voorgoed tot de geschiedenis zou gaan behoren. Zie nog eens het bericht van begin vorig jaar: De verschuiving van full employment naar full employability loopt tegen zijn grenzen aan - Over de taaleis, de sollicitatieplicht en de tegenprestatie.

Update. Ook voor Nederland geldt dat de verborgen werkloosheid een verklaring vormt voor de achterblijvende loongroei. Zie De Nederlandse loon-Phillips-curve opnieuw bekeken.

dinsdag 24 juli 2018

De kleine overheid is dodelijk - Hoe de bezuinigingspolitiek in Spanje de mortaliteit opdreef

Of het kapitalisme zich als een economisch stelsel kan blijven handhaven, zal er waarschijnlijk van afhangen of de politiek, en dus wij met zijn allen, wel voldoende inzicht hebben in het belang van de verzorgingsstaat. Inzicht dus in het belang van zaken als sociale bescherming, toegankelijke gezondheidszorg, inkomensbeleid en macro-economisch werkgelegenheidsbeleid. Kapitalisme zonder een uitgebreide verzorgingsstaat lijkt niet levensvatbaar.

Dit valt te baseren op de ervaringen die landen hebben opgedaan met de wijze waarop ze reageerden op de Grote Financiële Crisis van 2008-2010. In Europa en met name in de eurozonelanden bestond die reactie eruit dat overheden gingen bezuinigen. De groeiende tekorten op de overheidsbegrotingen en de groeiende staatsschulden moesten zo snel mogelijk worden teruggedrongen.

Dat werd als de beste, ja, zelfs als de enige, oplossing gezien voor de gerezen problemen.Ook al omdat hij goed spoorde met de neoliberale ideologie van de kleine overheid, die zo'n grote invloed had op de regels van de euro.

Vrijwel alle economen waarschuwden en pleitten juist voor een expansief beleid. Want als de private sector bezig is om zijn schulden terug te dringen, valt de economie stil, groeit de werkloosheid en dalen de overheidsinkomsten. Maar de politici luisterden vooral naar elkaar en zo ontstond een sociale zeepbel, die ik vanaf 2011 de bezuinigingszeepbel noemde.

Het enige voordeel, maar dan ook echt het enige, van die ontwikkeling is dat we nu kunnen leren wat de rampzalige gevolgen zijn voor de bevolking van een overheidsbeleid dat erop gericht is om snel de overheidsuitgaven terug te dringen. Van een beleid dus dat ontspruit aan de neo-liberale ideologie van de kleine overheid.

In vorige berichten maakte ik al melding van studies die die gevolgen laten zien, waarin het ging om Griekenland, Groot-Brittannië en de Amerikaanse staat Kansas:
Daar is nu de nieuwe studie Austerity Policies and Mortality in Spain After the Financial Crisis of 2008, waarin het gaat over Spanje.

De onderzoekers vergeleken de ontwikkeling van de mortaliteit (het aantal sterfgevallen per jaar per 100.000 inwoners) in Spanje tussen 2010, toen de bezuinigingen begonnen, en 2015 met de trend daaraan voorafgaand en met de ontwikkeling in de Verenigde Staten, waar Obama met verhoging van uitgaven juist de economie stimuleerde (niet genoeg, maar daar gaat het nu niet om). 

Dat levert het volgende plaatje op:


Links laat de rode lijn de waargenomen ontwikkeling van de mortaliteit in Spanje tussen 2000 en 2015 zien. De zwarte lijn is de trend, met de twee onderbroken lijnen als de onzekerheidsmarges. Wat natuurlijk meteen opvalt is de abrupte en sterke toename vanaf 2010, toen de bezuinigingen begonnen. Rechts zie je de ontwikkeling in de Verenigde Staten. Ook daar is er met ingang van 2010 een verandering, maar die komt pas in 2015 boven de onzekerheidsmarge van de trend uit.

In getallen uitgedrukt, waren er in de periode 2010 - 2015 in Spanje 505.559 meer sterfgevallen dan je op grond van de trend van de voorafgaande tien jaar had mogen verwachten. De onderzoekers vermelden dat het aantal extra doden vergelijkbaar is met het aantal slachtoffers van de Spaanse Burgeroorlog, die van 1936 tot 1939 werd uitgevochten. Dit zou toch eigenlijk voorpaginanieuws moeten zijn, verzuchtte ik toen ik dat las.

Dat rampzalige bezuinigingsbeleid verlengde de economische recessie, met hoge en langdurige werkloosheid als gevolg. En we kennen de negatieve gezondheidseffecten van werkloosheid: Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders.

Maar daarnaast waren er ook de brute bezuinigingen op de gezondheidszorg, die heel rechtstreeks in verband staan met die mortaliteit. De onderzoekers melden dat tussen 2011 en 2015 het aantal artsen met 3000 afnam, het aantal verplegers met 5000 en het aantal andere posities in de gezondheidszorg met 40.000. En de wachttijden voor operaties, die voorheen vergelijkbaar waren met die in Zweden, namen sterk toe.

Kortom: de kleine overheid is dodelijk.

woensdag 31 januari 2018

De verschuiving van full employment naar full employability loopt tegen zijn grenzen aan - Over de taaleis, de sollicitatieplicht en de tegenprestatie

De verschuiving van het na-oorlogse sociaal-economische beleid gericht op volledige werkgelegenheid en verzorgingsstaat naar het neoliberale beleid van het geloof in de markt en de kleine overheid begon zo omstreeks 1970. Een prachtige beschrijving van die verschuiving gaven Bill Mitchell en Joan Muysken al in 2008 in Full employment abandoned: shifting sands and policy failures (zie hier voor de boekuitgave).

Een aspect van die verschuiving ligt op het vlak van de rechten waar je als burger op mag rekenen. Het Keynesiaanse beleid gericht op volledige werkgelegenheid ging samen met de opbouw van de verzorgingsstaat en in het bijzonder met de bijstandswet. Als je geen andere bron van inkomsten had, was er een recht op een bijstandsuitkering. Met als voorwaarde dat je werk moest zoeken en passend werk moest accepteren. Grote problemen leverde dat niet op, want er was immers die overheidsverantwoordelijkheid voor volledige werkgelegenheid. Banen waren er. En de overheid trad op als werkgever in laatste instantie. Tot de jaren 70 was de werkloosheid dan ook laag.

Dat veranderde dus daarna. Volledige werkgelegenheid als doelstelling van (macro-)economisch beleid verdween uit het zicht. De markt moest immers zijn werk doen. Werkloos zijn betekende dat je je eisen die je aan een baan stelde, nog niet genoeg naar beneden had bijgesteld. Werkloosheid was een keuze en werd dus ook in de economische modellen als "vrije tijd" beschouwd. De overheidsverantwoordelijkheid voor banen verdween en daarvoor in de plaats kwam de individuele verantwoordelijkheid voor inzetbaarheid (employability).

Dat leidde inderdaad tot hogere werkloosheid en daarmee op den duur tot de afbraak van rechten. Dat begon met verschillende aanpassingen van de bijstandswet. En meer recentelijk hebben we de tegenprestatie leren kennen en de taaltoets. Burgers hebben niet meer een voor ieder geldend recht op bijstand, maar er kan van hen worden verlangd dat ze "in ruil voor hun uitkering" een "maatschappelijk nuttige tegenprestatie verrichten". Of dat ze voldoende goed Nederlands spreken en dus met succes een taaltoets afleggen.

We lopen nu tegen de grenzen aan van waar dit soort beleid toe kan leiden. Want het handhaven van de eis van een tegenprestatie leidde aanvankelijk tot misstanden. Zie Mensenrechten van bijstandsgerechtigden geschonden?  Waarna, voor zover bekend, de gemeenten de uitvoering ervan versoepelden. Monique Kremer, Jelle van der Meer en Marcel Ham schreven daarover in het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken: Werkt de zachte hand in de bijstand? Voor ruwweg de helft van de mensen in de bijstand krijgt de tegenprestatie vorm als vrijwilligerswerk, mantelzorg of werken aan je schulden of gezondheid.

En gisteren was er het bericht dat gemeenten de wettelijke taaleis voor de bijstand niet of nauwelijks handhaven: Gemeenten negeren wettelijke taaleis bijstand, taaltoets nauwelijks afgenomen. Handhaving zou inhouden dat bij het niet voldoende beheersen van de Nederlandse taal of het zich niet voldoende inspannen om die taal te leren, de uitkering gekort zou moeten worden. De eis is door de landelijke politiek bedacht, maar de gemeenten lopen aan tegen de grenzen van de uitvoering ervan.

Heel langzaam wordt duidelijk wat die neoliberale verschuiving van overheidsverantwoordelijkheid naar individuele verantwoordelijkheid allemaal concreet inhoudt. En komt de vraag op of we dat eigenlijk wel willen.

En natuurlijk kunnen dan de pleidooien voor de invoering van het onvoorwaardelijke basisinkomen geen verrassing meer zijn.

donderdag 23 november 2017

De neoliberale fantasiewereld van "bezuinigen", "hervormen" en "de kleine overheid" kost mensenlevens

Update. Zie nu ook Simon Wren-Lewis over dit onderzoek: Austerity and mortality. Ook over de curieuze beslissing van de BBC om er geen aandacht aan te besteden. Wat doet denken aan Door slechte media hebben we slecht geïnformeerde kiezers die slecht geïnformeerde leiders kiezen.
In Groot-Brittannië is beroering gaande over een wetenschappelijke studie die inschat dat het sinds 2010 gevoerde bezuinigingsbeleid (austerity) verantwoordelijk kan worden gehouden voor 120.000 sterfgevallen.

Zie hier het bericht Is austerity linked to 120,000 unnecessary deaths? op de site van THE UK’S INDEPENDENT FACTCHECKING CHARITY. En zie hier de studie zelf: Effects of health and social care spending constraints on mortality in England: a time trend analysis, verschenen in de British Medical Journal.

Die beroering is meer dan terecht. Maar de dodelijke effecten van het alom gevoerde bezuinigingsbeleid, als antwoord op de Grote Financiële Cris van 2008-2010, waren natuurlijk al bekend. In 2013 verscheen al het indrukwekkende boek The Body Economic. Why Austerity Kills van David Stuckler en Sanjay Basu, Zie het bericht op dit blog dat ik daar toen over schreef: Als bezuinigen in een depressie als een geneesmiddel getest was, dan zou er al lang mee gestopt zijn vanwege de dodelijke bij-effecten.

De neoliberale ideologie van bezuinigen, hervormen en de kleine overheid zal in een wolk van goede bedoelingen en vermeende wijsheid naar boven zijn gekomen. Maar door het gebrek aan empirische onderbouwing, ja, het ingaan tegen wat bekend was, kreeg hij het karakter van een sociale zeepbel. Niemand was goed geïnformeerd en allen keken naar elkaar om te bepalen wat ze moesten vinden en moesten zeggen. Een toestand waarin een ondoordachte en foute opvatting die wel enig "gezag" lijkt te hebben, zomaar voor iedereen als de vanzelfsprekende waarheid kan doorgaan.

Daarbij heeft ongetwijfeld geholpen dat politici het wel stoer vonden overkomen om bezuinigingen en een kleinere overheid te bepleiten. En om de werkloosheid te laten oplopen, omdat dat nu eenmaal onvermijdelijk zou zijn, want noodzakelijk voor de aanpassing van de economie. Het spoorde goed met het adagium "No pain, no gain". En die stoerdoenerij bleek het goed te doen bij de al even slecht geïnformeerde kiezers.

Maat het was en is een onverantwoordelijke, want dodelijke stoerdoenerij. (Zie over de negatieve effecten van werkloosheid ook nog eens Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders.)

Het is hoog tijd om afscheid te nemen van de neoliberale fantasiewereld. Hij kost mensenlevens.

zondag 5 maart 2017

De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?

Op verzoek van het Trendbureau Overijssel schreef ik het essay De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding? Verschenen als Hoofdstuk 3 in: Hans Peter Benschop (red.), Nieuwe tegenstellingen. Wat doen we ermee? Den Haag: Boom bestuurskunde (p. 75-91)

Lees hieronder het begin en lees hier verder.


De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?

Inleiding: “De gemeenschap, georganiseerd in de staat …”

Na de Tweede Wereldoorlog vond er een klein wonder plaats. Vrijwel voor het eerst in de geschiedenis van staten werd besloten om de fundamentele morele intuïties van samenwerking en delen op het niveau van de nationale staat te institutionaliseren. Er was een les geleerd van de crisis van de jaren dertig en van het toen opkomen van het nationaalsocialisme. De vreselijke gevolgen van gebrek aan bestaanszekerheid op grote schaal waren duidelijk geworden, zowel individueel als maatschappelijk. Zo overweldigend groot dat er grote tegenstellingen, maatschappelijke ontwrichting, oorlog en zelfs genocide uit bleken te kunnen voortkomen. 
 
Het algemeen gedeelde gevoelen was dat de maatschappij moest worden ingericht met het oog op het tegengaan van grote tegenstellingen door het streven naar bestaanszekerheid voor iedereen en dat een cruciale rol van de overheid daarin onvermijdelijk was. De Commissie-Van Rhijn, die al gedurende de oorlog aan het werk was gezet (Kappelhof 2004), formuleerde dit als volgt:
‘De gemeenschap, georganiseerd in de staat, is aansprakelijk voor sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek van al haar leden, op voorwaarde dat deze leden het redelijke doen om zich die sociale zekerheid en vrijwaring te verschaffen.’
Dit werd het rechtsbeginsel voor de opbouw van de verzorgingsstaat (Giebels 2009). Het behelst de gedachte dat de staat uitvoerder is van de in de bevolking levende morele beginselen van de gemeenschap. De aansprakelijkheid “voor sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek” kun je lezen als het gemeenschapsbeginsel dat burgers elkaar via de omweg van de staat bijstaan in het streven naar bestaanszekerheid. Volgens datzelfde beginsel mogen burgers van elkaar verwachten dat ze “het redelijke” doen om te voorkomen dat ze die bijstand nodig hebben.

dinsdag 31 januari 2017

Bij meer bestaansonzekerheid meer schietpartijen op scholen in de V.S.

De negatieve gevolgen van een economisch (neoliberaal) beleid dat het grote belang van bestaanszekerheid voor mensen uit het oog verloren heeft, integendeel, bestaansonzekerheid als instrument gebruikt, worden steeds duidelijker.

We kennen al de negatieve gevolgen van werkloosheid en van armoede. Evenzo weten we dat bestaansonzekerheid samenhangt met anti-immigrantensentiment en rechts-extremisme. En we hebben gezien dat bestaanszekerheid bevorderlijk is voor sociale cohesie.

Er is nu nieuw onderzoek dat een bijzonder licht werpt op de vervelende gevolgen van bestaansonzekerheid in de levensfase van de overgang van onderwijs naar de arbeidsmarkt. De studie Economic insecurity and the rise in gun violence at US schools wijst namelijk op een verband tussen economische onzekerheid en schietpartijen op scholen (school shootings) in de Verenigde Staten.

De onderzoekers stelden voor de periode 1990 - 2013 een dataset samen van zulke schietpartijen en kunnen laten zien dat er een statistisch significant verband bestaat tussen toenames van schietpartijen en toenames van economische onzekerheid. Bij die onzekerheid gaat het om landelijke en regionale gegevens over werkloosheid, gedwongen verkopen van woningen en consumentenvertrouwen. Door de onderzoekers samengevat:
In the last 25 years, there have been two periods of elevated gun violence at schools in the United States and the timing of these periods significantly correlates with increased economic insecurity. With the unemployment rate as an indicator, this effect persists at the national, regional and city levels of geographic aggregation. Further, we find that this effect is measurable across several economic indicators, which underscores the robustness of our findings.
Het is voorstelbaar dat een toename van bestaansonzekerheid juist in de levensfase van de overgang van school naar arbeidsmarkt ernstige gevolgen kan hebben. Het is een levensfase waarin het er op aankomt of je zult slagen of niet. Als de kans op slagen kleiner wordt, zal dat over de hele linie leiden tot meer frustratie, minder zelfvertrouwen en zorgen over de toekomst. Gevoelens die allerlei gevolgen zullen hebben, maar kennelijk dus ook bij sommigen het overgaan tot zulke vreselijke gewelddaden.

Denk ook weer even aan die anomietheorie.

maandag 2 januari 2017

Tony Atkinson overleden - Econoom die wel de gebreken van de markt en de noodzaak van overheidsingrijpen zag

De Britse econoom Tony Atkinson is overleden. Ik stond vorig jaar bij zijn werk stil naar aanleiding van de lezing die hij toen in Amsterdam gaf en het interview dat de Volkskrant toen met hem had. Zie Atkinson: werkloosheidsbestrijding moet (weer!) veel hoger op de agenda. Die lezing en dat interview waren weer naar aanleiding van het verschijnen van wat zijn laatste boek zou worden: Inequality. What Can Be Done.

Atkinson is vooral bekend geworden door zijn ongelijkheidsonderzoek, maar zijn werkterrein was breder. Het ging hem om de gebreken van de markt en om de overheidstaken die daaruit voortkomen. Hij noemde dat public economics en hij was de oprichter van de Journal of Public Economics.

Zijn ongelijkheidsonderzoek was een deel van dat werkterrein. Voortkomend uit het inzicht dat de markt niet als vanzelf een optimale inkomen- en vermogensverdeling genereert. En daardoor een overheid nodig heeft die niet alleen reageert op uitkomsten van de markt, door belastingheffing en herverdeling, maar ook actief omstandigheden schept die economische groei voor iedereen en rechtvaardige verhoudingen bevordert.

Daarmee is zijn werk een verademing vergeleken met de neoliberale fantasiewereld waarin veel andere economen en, helaas, veel politici de laatste tientallen jaren verkeren. Je mag wel zeggen dat hij bij uitstek iemand was die de inspanning en toewijding opbracht om onze inzichten in de goede werking van het publieke domein te vergroten. Denk aan mijn vorige bericht, op de drempel van 2017.

Kijk even naar dit korte YouTube-filmpje waarin Atkinson aan het woord is (en lees dan hieronder verder):



Wijze woorden, waarvan ik de volgende even opschrijf:
Economics is not being just a positive subject, it's a moral science. If you hold particular values about the situation, then how should we translate those into measures that the government can apply and use to analyze how the society is performing. (...) I think the key thing, in fact, is not to focuas on taxes and transfers but on what happens before that, on the incomes people get. What happens to them when they leave school, the jobs they can get in to, the pay they get, the wealth they get from inheritances or other sources, all these things determine their start in life and what their incomes are before the government gets to work on taxes.and transfers.
Inequality has been in all the headlines. But the key question, to my mind, is what we're going to do about it. There has been less concrete in terms of proposals which we could realistically think of introducing to have a serious effect on helping people and providing a fairer society.
Lees ook Beatrice Cherrier (Remembering Tony Atkinson as the architect of modern public economics). En Geoff Riley (RIP Sir Tony Atkinson).

En lees vooral ook The 15 Proposals from Tony Atkinson’s ‘Inequality – What can be done?’. Daar gaat het o.a. over de noodzaak van een werkgelegenheidsdoelstelling, over een kapitaalsuitkering aan iedereen bij het bereiken van de volwassen leeftijd, over progressievere tarieven in de inkomstenbelasting en over een participatie-inkomen (basisinkomen).

Zouden voorstellen als deze alstublieft weer deel mogen gaan uitmaken van het politieke debat? Zou de sociaaldemocratie zich alstublieft weer eens willen bezinnen op waar het ook al weer om ging?

woensdag 21 december 2016

Miezerig herstel? Zelfs helemaal geen herstel, volgens Breed Welvaartsbegrip

Door het domme bezuinigingsbeleid van achtereenvolgende kabinetten als reactie op de crisis van 2008 zien we dat er weliswaar herstel is, maar veel trager dan na vorige crises. Door het beleid van Rutte II was er de bekende dubbele dip: het ontluikende herstel werd de kop ingedrukt. Zie hier het laatste bericht in de serie over de bezuinigingszeepbel: Coen Teulings over de schade van het bezuinigingsbeleid - De continuing story van de bezuinigingszeepbel.

Maar in feite is de situatie nog ernstiger. Dat blijkt als je onze welvaart niet alleen meet met de bekende indicatoren als het Bruto Binnenlands Product, de werkloosheid en het aantal banen, maar er breder naar kijkt,

Precies dat gebeurt in de vandaag gepresenteerde Brede Welvaartsindicator van de Rabobank en de Universiteit Utrecht. Zie hier het persbericht van de UU: Eerste integrale welvaartsindicator van Nederland gelanceerd. Economische groei vertaalt zich niet in welvaart Nederlandse huishoudens. En zie hier de toelichting van Jan Luiten van Zanden: Een brede welvaartsindex in het statistisch polderland.

In die Brede Welvaartsindicator gaat het ook om zaken als baanzekerheid, onderwijs, gezondheid, milieu, huisvesting, veiligheid, politieke participatie en geluk. Hier zie je het plaatje de infographic waarin een en ander wordt samengevat. Lees daaronder verder.


Je ziet dat het vooral de indicatoren zijn op de dimensie Banen die de brede welvaart naar beneden drukken. En dan gaat het niet alleen over werkloosheid, maar vooral ook over de flexibilisering en de baanonzekerheid.

Natuurlijk is de uitkomst van zo'n exercitie sterk afhankelijk van welke indicatoren je kiest en hoe je ze weegt. Maar wat blijft staan is dat je nog helemaal geen herstel ziet als je er voor kiest om naar meer indicatoren te kijken. Zelfs als daar ook indicatoren bij zitten die zich wel gunstig hebben ontwikkeld, zoals veiligheid, levensverwachting en milieu.

Dat werkloosheid en baanonzekerheid zo sterk meewegen, kan zeer goed worden gerechtvaardigd. We kennen immers de sterk negatieve effecten van werkloosheid: Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders.

Die er overigens ook zijn voor degenen die (nog) niet werkloos zijn: Werkloosheid maakt werklozen én werkenden ongelukkiger. Want het klopt ook dat het ervaren van baanonzekerheid sterke negatieve effecten heeft: Over rotbanen, baanonzekerheid en psychische aandoeningen.

Wat er mee te maken heeft dat mensen nu eenmaal bestaansonzekerheid slecht verdragen: Meer fysieke pijn bij grotere bestaansonzekerheid - Komt door verlies van controle over het leven.

Vandaar ook dat overheden ooit, toen het neoliberalisme nog niet had toegeslagen, een anticyclisch macro-economisch beleid voerden en de financiële sector aan banden legden.

donderdag 15 december 2016

Harry van Dalen over de actualiteit van A Christmas Carol van Charles Dickens - En over I, Daniel Blake

Onder de titel Waarom ‘A Christmas Carol’ verplichte kost voor economen is heeft Harry van Dalen een fraaie beschouwing over de maatschappijkritiek die Charles Dickens met dit kerstverhaal beoogde. 

Het boek verscheen in 1843 en werd meteen veel gelezen. Het verhaal van Scrooge, die vindt dat de armen niet moeten worden geholpen, omdat ze daar maar lui van worden en meer kinderen verwekken, waardoor er nog meer armen komen, leert ons hoe in die tijd door economen en de overheid over armoede werd gedacht.

Maar tegelijk zegt de populariteit van Dickens' aanklacht ons iets over hoe gewone mensen daarover dachten en denken.

Volgens de toen invloedrijke Thomas Malthus (1766 - 1834) waren honger en armoede onvermijdelijk en was het verkeerd om de armen te helpen. Wat er aan sociale zekerheid bestond, de Poor Laws, werkte alleen maar averechts.
Door de armen geld en eten te geven zouden ze lui worden en meer kinderen nemen dan ze zelfstandig konden onderhouden. Met andere woorden, het bieden van een armenhulp creëerde alleen nog maar meer armen. Volgens Malthus was dan ook het beste als de lokale Poor Laws zouden worden opgeheven waarbij alleen nog de workhouses als laatste toevluchtsoord voor de armen over moesten blijven. Armenhulp mocht echter geen pretje zijn omdat afhankelijkheid als een kwaad werd gezien. In 1834 werd de visie van Malthus min of meer overgenomen in de nieuwe wet. ‘Outdoor relief’ – dus het bieden van geld of voedsel – werd afgeschaft en lokale Workhouses moesten gaan functioneren als zogenaamde Union Workhouses, waar armen in verschillende categorieën bij elkaar werden gezet. Mannen bij mannen, vrouwen bij vrouwen, kinderen bij kinderen.
Dickens was bekend met die workhouses, waarvan het idee was dat het leven er zo onaangenaam mogelijk moest zijn omdat het anders maar luiaards zou aantrekken. Waarbij dit citaat van Malthus een inspiratiebron moet zijn geweest:
A man who is born into a world already possessed, if he cannot get subsistence from his parents on whom he has a just demand, and if the society do not want his labour, has no claim of right to the smallest portion of food, and, in fact, has no business to be where he is. At nature's mighty feast there is no vacant cover for him. She tells him to be gone, and will quickly execute her own orders.
Dit is gemakkelijk te herkennen als het soort economie dat egoïsme rechtvaardigt. Armen hebben geen recht op bestaan en dus ook geen recht op onze hulp en solidariteit. Sterker, het zou onjuist zijn om hen te helpen.

Maar Dickens laat Scrooge 's nachts bezoek krijgen van drie geesten die het hem flink lastig maken en waarvan de laatste hem toevoegt:
“Man,” said the Ghost, “if man you be in heart, not adamant, forbear that wicked cant until you have discovered What the surplus is, and Where it is. Will you decide what men shall live, what men shall die? It may be, that in sight of Heaven, you are more worthless and less fit to live than millions like this poor man’s child.”
Met the surplus wordt het bevolkingsoverschot bedoeld, waarmee Malthus de armen aanduidde.

En tenslotte komt Scrooge tot inkeer en betert hij zijn leven.

Van Dalen is er niet zo expliciet over, maar, helaas, Dickens' aanklacht is in 2016 nogal actueel. Ook nu zijn er onder economen en politici ideeën over werkloosheid en armoede waar de honden geen brood van lusten.

In de neoklassieke economische modellen bestaat geen onvrijwillige werkloosheid. Iedereen zonder werk weigert om een voldoende laag loon te accepteren. Politici wijzen macro-economisch beleid gericht op volledige werkgelegenheid af. Werkgelegenheid is niet een doel, maar een middel om marktevenwicht te bereiken.

In dat wereldbeeld past het om het uitkeringstrekkers niet te gemakkelijk te maken en van hen een tegenprestatie te eisen. En het past om bij het minste of geringste tekortschieten een sanctie op te leggen. Werkloos zijn is je eigen schuld. Dat er zoveel voedselbanken zijn, wordt er mee afgedaan dat er natuurlijk altijd mensen op afkomen als je dingen gratis uitdeelt.

We lijken in sommige opzichten weer terug te zijn in het midden van de negentiende eeuw. Waarin dus de populariteit van Dickens' aanklacht er op wees dat gewone mensen dat wereldbeeld afwijzen.

We zouden nu zo'n aanklacht ook goed kunnen gebruiken.

Maar wacht, die is er al. Gisteren de film I, Daniel Blake van Ken Loach gezien. Lees hier wat The Guardian daarover schrijft: I, Daniel Blake review – Ken Loach's quiet rage against injustice. Met aan het eind een verwijzing naar, jawel, Charles Dickens.

dinsdag 18 oktober 2016

Meer over het littekeneffect en het angsteffect van werkloosheid - En over het belang van volledige werkgelegenheid

In het huidige sociaal-economische beleid, dat sterk geïnspireerd is door de neo-liberale fantasiewereld van zoveel mogelijk marktwerking en een zo klein mogelijke overheid, wordt lichtzinnig omgesprongen met werkloosheid. Het lijkt al weer lang geleden dat volledige werkgelegenheid als doel van het macro-economische en het begrotingsbeleid vanzelfsprekend was.

Die vanzelfsprekendheid kwam voort uit het inzicht dat je als overheid (wij met zijn allen) een verantwoordelijkheid draagt voor het realiseren van bestaanszekerheid voor je burgers. En in de maatschappij waarin wij leven is betaald werk voor vrijwel iedereen de basis van die bestaanszekerheid.

De toename van bestaansonzekerheid als gevolg van dat neo-liberale beleid is goed gedocumenteerd door Cok Vrooman in zijn oratie Meedoen in onzekerheid. De negatieve gevolgen daarvan zijn bekend. Mensen hechten aan stabiliteit. Bestaansonzekerheid blijkt gepaard te gaan met fysieke pijn en een een groter gebruik van pijnstillers. Zie Het basisinkomen is een (de?) oplossing voor het probleem van de toegenomen bestaansonzekerheid.

En we weten dat werkloosheid de bestaansonzekerheid aanwakkert, niet alleen bij de werklozen zelf, maar ook bij de werkenden. Waardoor werkloosheid een breed scala aan ernstige negatieve effecten heeft, ook voor de kinderen van werklozen. Zie Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders. En we kennen de negatieve effecten van baanonzekerheid. Zie Gezondheid en sociale omgeving (11): sociaal-economische statusverschillen, baanonzekerheid.

Er waren dus heel goede redenen om als overheid volledige werkgelegenheid als belangrijk doel voorop te stellen. Temeer omdat het macro-economische instrumentarium ook voorhanden is om dat doel te bereiken.

Maar in de neo-liberale fantasiewereld is werkgelegenheid slechts een middel om andere doelen te bereiken. De fantasie is dat het voor economische groei, de maat voor menselijk welzijn, noodzakelijk is dat het bereik van het marktmechanisme zo groot mogelijk moet zijn en dat van de overheid zo klein mogelijk. En dat de markt altijd weer als vanzelf naar evenwicht tendeert als je dat proces maar zijn gang laat gaan. Update. En de fantasie dat het bereikte evenwicht ook altijd het best mogelijke is.

Werkloosheid is in die fantasie niet meer dan een middel op weg naar dat evenwicht. Een aanwijzing dat de lonen te hoog zijn. En dus zorgt het leger van
werklozen er als vanzelf voor dat de lonen omlaag gaan. Werkloosheid wordt dus eigenlijk weg gedefinieerd: iedereen vindt werk, als hij maar niet een te hoog loon wil. Vandaar ook die neo-liberale behoefte om uitkeringen te verlagen en uitkeringstrekkers het leven moeilijk te maken.

Al met al een lange inleiding tot waar het vandaag eigenlijk om gaat. Onderzoekers van de Gentse Universiteit hebben gegevens van de European Social Survey (ESS) geanalyseerd op het verband tussen werkloosheid en de latere levenstevredenheid. En ze doen daarvan verslag in ESB: De gevolgen van (jeugd)werkloosheid voor de latere levenstevredenheid.

Hun analyses zijn belangrijk voor hoe we de langdurende negatieve gevolgen van werkloosheid moeten begrijpen. Bekend is dat werkloosheid een zogenaamd littekeneffect heeft en een angsteffect. Het littekeneffect houdt in dat werkloos geweest zijn een blijvend lagere levenstevredenheid tot gevolg heeft. Ook als je daarna weer werk gevonden hebt, blijft er een litteken achter.

Een deel van dat negatieve effect hangt er mee samen dat werkloos geweest zijn de angst vergroot dat nog een keer te worden. Anders gezegd, de werk- of baanonzekerheid neemt er door toe.

Uit de analyses blijkt nu dat beide effecten bestaan voor de gehele steekproef, dat wil zeggen voor alle 25 tot 69-jarigen. Dus ook als je dat angsteffect meeneemt, blijft het littekeneffect significant. Mensen zijn angstiger geworden, maar ook zonder die vrees om weer werkloos te worden, is de levenstevredenheid blijvend lager.

Maar als je kijkt naar de groep van jongeren (25 tot 34 jaar), dan blijkt dat daar de gehele achteruitgang van levenstevredenheid als gevolg van werkloosheid kan worden toegeschreven aan het angsteffect. Werkloos geweest zijn op jonge leeftijd verlaagt het welzijn door de toegenomen angst voor herhaling. Maakt jongeren onzeker en met die angst en onzekerheid staan ze dus aan het begin van hun werkzame leven.

Wel curieus, en tekenend voor de neo-liberale tijdgeest, dat de auteurs volstaan met beleidsaanbevelingen op het vlak van de begeleiding van werklozen en het vergroten van hun inzetbaarheid. De gedachte dat hun bevindingen aanleiding zouden kunnen geven om weer eens na te denken over dat belang van volledige werkgelegenheid, die komt niet bij hen op.

donderdag 23 juni 2016

Zullen we door het basisinkomen betere keuzes gaan maken over hoeveel we werken?

De vierde en vijfde vraag over het basisinkomen, die ik hier stelde naar aanleiding van Ik werk, dus ik ben, luidden:
Wat zijn de gevolgen als werken een keuze wordt? Is het niet zo dat mensen hun identiteit voor een groot deel ontlenen aan hun werk en hun baan? Komt daar wel iets voor in de plaats als je een basisinkomen invoert?
Wat zijn de gevolgen als mensen niet meer zoals nu gedwongen zijn om slecht betaalde banen en/of banen met slechte arbeidsomstandigheden te accepteren? Zal de invoering van het basisinkomen niet een kwaliteitsverhogend effect hebben op het aangeboden werk?
Die vragen hangen met elkaar samen. Het gaat er enerzijds om wat (betaald) werk voor mensen betekent, anders en meer dan dat je er geld mee verdient. Dat behelst overigens meer dan dat je aan je werk, meer of minder, je identiteit ontleent. Het hebben van werk (in plaats van werkloos te zijn) en het werk als bezigheid hebben ook effecten op geluk en welbevinden. Zie Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee, waarover zo meteen meer.

Anderzijds hangt het antwoord op die vraag er natuurlijk mede van af wat het werk te bieden heeft. Van de kwaliteit van de banen en van de arbeidsomstandigheden. En een van de verwachte effecten van invoering van een basisinkomen is dat mensen gemakkelijker een baan kunnen weigeren, waardoor werkgevers er toe aangezet worden om betere banen aan te bieden.

Maar wat weten we van de effecten van werk op geluk en welbevinden?

Allereerst weten we dat het hebben van werk in vergelijking met werkloosheid een grote bijdrage levert aan geluk en welbevinden. Maar dat komt vooral door de grote negatieve effecten van werkloosheid. Zie Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders. De ervaring van werkloosheid doet de tevredenheid met het leven ongeveer 2 punten dalen op een schaal van 1-10. Bovendien laat werkloos geweest te zijn een litteken achter. Je houdt er angst en onzekerheid aan over, waardoor het vroegere tevredenheidsniveau niet meer bereikt wordt. En we weten dat werkloosheid van een ouder negatief uitwerkt op de kinderen.

Naast een groot individueel, is werkloosheid ook een maatschappelijk kwaad. Alleen al doordat hoge werkloosheid ook de werkenden ongelukkiger maakt. De vrees voor baanverlies neemt toe en daardoor staan ook de werkenden onzekerder in het leven.

Je kunt een en ander verklaren met behulp van de zelfbeschikkingstheorie van Edward L. Deci en Richard M. Ryan. Volgens die theorie hebben mensen drie basisbehoeften: competentie, autonomie en verbondenheid met anderen. Het hebben van werk betekent dat je iets kunt en dat je in je eigen levensonderhoud kunt voorzien en dat zorgt dus voor competentie en autonomie.

We leven in een maatschappij waarin betaald werk dus van groot belang is voor in ieder geval twee van de drie basisbehoeften.

Maar dit alles betekent bepaald niet dat werk ons zo gelukkig maakt. Het is vooral het schrikbeeld van de werkloosheid dat ons er zo toe aanzet om een baan te hebben, werkzekerheid te hebben en carrière te maken. Dat verklaart ook dat het geluk sterk toeneemt bij werklozen die de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Ze zijn dan immers verlost van dat stigma van incompetentie.

Het is misschien vooral dat schrikbeeld dat jong-volwassenen er toe aanzet om zoveel te investeren in opleiding, baan en carrière. Waarna met het ouder worden de opbrengsten van al die inspanningen toch wat blijken tegen te vallen. Neem nu de U-vorm van het geluksniveau gedurende de levensloop. Tot zo ongeveer 40 jaar blijkt de tevredenheid met het leven af te nemen, waarna er weer een toename is. Dat zou kunnen komen doordat we in de eerste helft van ons leven nog teveel verwachten van de opbrengsten van werk en carrière en dat we dat pas later doorkrijgen.

Dat zou goed kloppen met het inzicht van onderzoekers als Easterlin, Layard en Kahneman dat de tevredenheid met ons leven zou toenemen als we minder zouden werken. Want boven een redelijk inkomensniveau maakt meer geld ons niet of nauwelijks duurzaam gelukkiger. En de vrijkomende tijd zouden we goed kunnen besteden aan het onderhouden van sociale contacten, waarvan de bijdrage aan ons geluk groot en wel duurzaam is. Het belang van die basisbehoefte aan verbondenheid met anderen lijken we te onderschatten.

Bij wijze van conclusie: het zou goed kunnen zijn dat de invoering van een basisinkomen een gunstige invloed heeft op onze keuzes met betrekking tot betaald werk en carrière.

donderdag 4 februari 2016

Het economisch herstel is maar miezerig. Waardoor?

Ter aanvulling op het bericht Hoe hoog is de echte werkloosheid? Er is nog helemaal geen economisch herstel van een paar weken geleden nu deze fraaie grafiek van het CBS, waarin we de ontwikkeling van werkloosheid en banen sinds 2008 zien afgebeeld.
Vanaf 2010 had de werkloosheid kunnen dalen als de bezuinigingsobsessie toen niet had toegeslagen. In plaats daarvan begon de werkloosheid in 2011 weer snel op te lopen. Met in 2014 het hoogtepunt. En het dieptepunt wat het aantal banen betreft. Het "herstel" is bepaald niet indrukwekkend. In vergelijking met het herstel na eerdere crisissen en in vergelijking met het herstel in de Verenigde Staten, waar de economie wél gestimuleerd werd.

Door dat miezerige herstel zien we allerlei vervelende verschijnselen. Steeds meer leegstaande winkelpanden in de binnensteden. Steeds meer langdurige werklozen en bijstandstrekkers. Zie het verhaal in de Volkskrant van twee dagen geleden: Bijstand voor velen eindstation - één op tien krijgt al 15 jaar uitkering. Steeds grotere problemen met pensioenopbouw en pensioenuitkeringen.

We hebben te maken met een zelfgecreëerde economische stagnatie. En dan komt aan het licht dat allerlei regelingen en voorzieningen die we in het verleden hebben tot stand gebracht, er op gebaseerd waren dat overheden het als verantwoordelijkheid zouden blijven zien om door macro-economisch beleid voldoende economische groei te genereren. En dat ze niet zouden gaan leiden aan een kortzichtige obsessie met het overheidstekort.

Een ander vervelend gevolg van dat miezerige herstel is dat de oorzaak van de crisis in en na 2008, de opeenhoping van private schulden, gewoon blijft bestaan. Als de lonen stagneren en de inflatie in de buurt van de nul ligt en als schuldkwijtschelding taboe is, dan schiet het niet op. Lees vooral even Dirk Bezemer in De Groene:
Zeven jaar later denken we dat we uit de crisis zijn (Dijsselbloem zei het anderhalf jaar geleden al), omdat het krediet weer stroomt – al zijn het dan ook hypotheken en ECB-leningen. Maar zolang de schulden nog zo hoog blijven, zijn we niet écht uit de crisis. Dus moeten groeivoorspellingen steeds weer naar beneden bijgesteld worden.

dinsdag 19 januari 2016

Hoe hoog is de echte werkloosheid? Er is nog helemaal geen economisch herstel

Onze regering wil ons graag laten geloven dat het bezuinigingsbeleid succesvol is geweest, dat we daardoor nu uit de crisis zijn en dat beter tijden op het punt staan aan te breken. Omdat verkiezingen dichterbij komen, heeft de regering er voor gezorgd dat de belastingen worden verlaagd en we er bijna allemaal iets in koopkracht op vooruit gaan. En de media doen graag mee met het aanwakkeren van dit succesverhaal.

Maar er is weinig reden tot juichen. Want de aanwijzingen dringen zich op dat de economie van de eurozone stagneert. Zie EURO ZONE: IN THE GRIP OF ‘SECULAR STAGNATION’?

Daar mee komt overeen dat in ons land de werkloosheid sinds het hoogste punt begin 2014 nog maar weinig is gedaald en in de tweede helft van 2015 weer is gaan oplopen. Zie CBS: Werkloosheid toegenomen. In november waren er 616.000 mensen werkloos.

Maar zegt dat wel alles? Nee, want als je kijkt naar de mensen die in deeltijd werken en graag meer uren zouden willen werken, dan blijken dat er 537.000 te zijn. Zie Wil meer uren werken. Omdat het hier gaat om een groep die ook direct beschikbaar is voor meer uren, mag je aannemen dat het extra werk ook echt nodig is met het oog op extra inkomen. Een groot deel van deze groep bestaat uit de werkende armen. Anders gezegd: verborgen werkloosheid.

Maar vandaag krijgen we bovendien zicht op een andere vorm van verborgen werkloosheid. Het CBS publiceert cijfers over aantallen werkenden die onder het niveau van hun opleiding werken. En dat zijn grote aantallen. Van de hoger opgeleiden werken er 769.000 onder hun niveau en van de middelbaar opgeleiden 225.000. Samen 994.000. Die dus niet de werkervaring opdoen die bij hun opleiding zou horen.

Update. Als je al deze aantallen zou optellen, dan kom je op het verbijsterende aantal van 2 miljoen en 183.000. Maar dan tel je een onbekend aantal mensen dubbel die zowel meer uren zouden willen werken als onder hun niveau werken.

Al met al niet alleen een menselijk, maar ook een economisch drama. Aangericht door het rampzalige bezuinigingsbeleid. Lees ook nog even weer Voorpaginanieuws: schade bezuinigingsbeleid 20-30 miljard euro per jaar, 200.000 tot 300.000 banen.

En blijf je er over verbazen hoe zorgvuldig de media vermijden om hier ruchtbaarheid aan te geven.

Update. En zie ook hier hoe het consumentenvertrouwen, dat weliswaar sinds april 2015 weer positief is, miezerig net boven de nullijn blijft schommelen en sinds december weer daalt. Bepaald geen overtuigend herstel.

Update. En zie nu ook De Nederlandsche Bank: Arbeidsmarkt ruimer dan werkloosheid doet vermoeden.

maandag 26 oktober 2015

Varoufakis over de werkloosheidsontkenners - waarom lagere lonen de vraag naar arbeid doen afnemen

Lezende in De economie volgens Yanis Varoufakis, zoals uitgelegd aan zijn dochter, kwam ik in hoofdstuk 6 aan bij het betoog waarin het er om gaat waarom de werkloosheidsontkenners ongelijk hebben.

Economie uitgelegd aan mijn dochterDie werkloosheidsontkenners zijn die economen, en politici, die denken dat onvrijwillige werkloosheid niet bestaat. Want, zo redeneren ze, iedereen die (nog) werkloos is, heeft zijn gewenste loon nog niet genoeg laten zakken. Als hij dat laatste wel zou doen, dan zou er onmiddellijk een werkgever opstaan die hem zou aannemen.

De kern van deze redenering is dat arbeid net zo iets is als huizen, auto's en tomaten: als je de vraagprijs maar genoeg laat zakken, is er altijd een koper te vinden. Net als iemand niet moet klagen dat hij zijn fraai gelegen vakantiehuis niet kwijtraakt (vraag dan minder!), moet ook iemand zonder werk niet klagen (ga dan voor een lager loon werken!).

Het probleem met die redenering is dat de kopers van huizen, auto's en tomaten die producten aanschaffen om ze te "consumeren", om de genoegens die daaruit voortvloeien. En iedere koper bepaalt individueel welke prijs door die genoegens wordt gerechtvaardigd.

Daarentegen neemt een potentiële werkgever een werkloze pas in dienst als hij verwacht dat winstgevend te kunnen doen. En die verwachting hangt er vanaf wat de vooruitzichten zijn. Die weer afhangen van het algemenere economische klimaat. Als de economische activiteit groeit en als de consumenten optimistisch zijn, dan maakt een werkloze meer kans om ergens aangenomen te worden.

Dat maakt dat er een zichzelf versterkend proces kan voordoen. Werkgevers kijken naar elkaar, naar het "producentenvertrouwen", en als dat omhoog gaat, als iedereen optimistisch is, dan worden ze zelf ook optimistisch. Waardoor ze meer mensen aannemen. Maar als het vertrouwen laag is, gebeurt het omgekeerde en krijgen werklozen geen kans.

Maar stel dat werklozen bereid zijn om voor nog lagere lonen aan de slag te gaan? Dan wordt het toch op een gegeven moment wel voordelig voor werkgevers om hen aan te nemen?

Nee, dat kon wel eens niet zo zijn. Omdat de ondernemers een algehele verlaging van de lonen gaan zien als een voorloper van minder economische bedrijvigheid. Iedere werkgever betaalt natuurlijk graag een lager loon, omdat hij daarmee zijn kosten verlaagt. Maar tegelijk zou iedere ondernemer graag hebben dat andere werkgevers hogere lonen betalen, omdat zulks zou bijdragen aan de algehele economische activiteit en het algehele optimisme. De koopkracht die door anderen wordt aangewakkerd, daar profiteert iedere ondernemer van, die desalniettemin zelf graag de lonen zou verlagen.

Dat dilemma is analoog aan het uit de speltheorie bekende dilemma van de hertenjagers (Stag Hunt), dat bij Rousseau vandaan schijnt te komen. Varoufakis verwijst er ook naar. Ik sta nu bij deze passage stil omdat hij er zo duidelijk en beknopt mee laat zien dat een loonsverlaging juist kan leiden tot het afnemen van de vraag naar arbeid.

Die werkloosheidsontkenners hebben dus niet door dat arbeid iets anders is dan huizen, auto's of tomaten. Dat is pijnlijk, want het ontkennen van werkloosheid is onder de huidige politici welhaast gemeengoed.

maandag 21 september 2015

Atkinson: werkloosheidsbestrijding moet (weer!) veel hoger op de agenda

De eminence grise van het economische ongelijkheidsonderzoek, Tony Atkinson, was in Amsterdam om er op uitnodiging van het Amsterdams Instituut voor Arbeidsstudies een lezing te houden voor de Industriële Grote Club. De Volkskrant plaatste een interview met hem met het citaat "Hoge werkloosheid is niet te tolereren" als kop. Dit naar aanleiding van het verschijnen van zijn nieuwe boek Inequality. What Can Be Done?, hier besproken in The Guardian.

In dat boek bepleit Atkinson dat overheden veel meer moeten doen om ongelijkheid tegen te gaan. Ik heb het zelf nog niet gelezen, maar maak uit die bespreking op dat hij van oordeel is dat de oorzaken van de in de afgelopen tientallen jaren toegenomen ongelijkheid niet liggen op het vlak van de economie zelf, maar op dat van de politiek. Er is bij politici de onjuiste gedachte gaan rondzingen dat meer ongelijkheid goed zou zijn voor de economische groei en dat het met de negatieve effecten er van wel zou meevallen.

De mogelijkheden om die ongelijkheid te verminderen, moeten dus ook op het vlak van politieke maatregelen gezocht worden. Zo betoogt Atkinson bijvoorbeeld dat het hoogste belastingtarief best flink hoger zou kunnen zijn. Benieuwd wat Bas Jacobs daar van vindt.

Maar opmerkelijk, en van belang voor Nederland en voor de eurozone, is dat Atkinson er voor pleit om het bestrijden van de werkloosheid weer veel hoger op de agenda te zetten. Wéér te zetten, want het streven naar volledige werkgelegenheid was voorheen een van de centrale macro-economische doelstellingen van overheidsbeleid. Ergens moeten politici, aangestoken door de neo-liberale waan van de dag, zijn gaan denken dat je de werkgelegenheid wel aan de markt kon overlaten.

En heel interessant is wat die werkloosheidsbestrijding volgens Atkinson zou betekenen. In de eerste plaats zou de Europese Centrale Bank net als vrijwel alle andere centrale banken een dubbel mandaat moeten hebben: niet alleen zorgen voor prijsstabiliteit (een inflatie van tegen de 2 procent), maar daarnaast ook een werkgelegenheidsdoelstelling. Het is lichtzinnig om een monetair beleid te voeren dat de mogelijkheid negeert van een langdurig marktevenwicht met lage inflatie en hoge werkloosheid. Een toestand die we nu in de eurozone meemaken. Lees nog eens James Galbraith daarover.

Maar zo'n dubbelmandaat is niet voldoende als de overheid niet ook een beleid voert gericht op volledige werkgelegenheid. Dus moet de overheid de rol aannemen van werkgever-in-laatste-instantie. Ook met het goede monetaire beleid is er geen garantie dat de markt voor iedereen een baan creëert. Daar ligt een overheidstaak. Een citaat uit dat interview:
Als ultieme reddingsboei tegen de werkloosheid zouden overheden aan mensen die dat willen gegarandeerd werk moeten bieden tegen het minimumloon: bijvoorbeeld in verzorgingstehuizen, kinderopvang, de thuiszorg, bibliotheken of in een ondersteunende rol bij de politie. In veel van deze sectoren zijn de afgelopen tijd veel banen wegbezuinigd, zonder dat daar via de markt banen voor in de plaats zijn gekomen. Als we vinden dat banken too big to fail zijn, waarom zijn mensen dat dan ook niet op de arbeidsmarkt, aldus Atkinson.
Hoe actueel is dat voor Nederland, waar in de politiek nagenoeg de consensus heerst dat de sociale werkvoorziening dient te worden afgeschaft. Vanuit een o zo naïef geloof dat je met wat afspraken met werkgevers kunt bereiken dat er in de marktsector voor iedereen wel een plekje is.

vrijdag 19 juni 2015

Afname werkloosheid in perspectief (drie grafieken)

Het CBS twitterde gisteren dit plaatje waarop je ziet dat de werkloosheid voor mannen en vrouwen aardig aan het afnemen is.

Permalink voor ingesloten afbeelding
Maar hoe groot is die afname nu eigenlijk? Doordat de verticale as niet bij nul begint, lijkt hij op het oog behoorlijk groot. Want als je alleen maar door je oogharen kijkt, denk je misschien dat de verticale as bij nul begint. Dus ik twitterde naar het CBS met de vraag waarom ze die as niet gewoon bij nul laten beginnen. Omdat dat een beter perspectief geeft. En ik kreeg dit plaatje terug:

Permalink voor ingesloten afbeelding
Dat maakt al meteen duidelijk dat die afname op het totaal heel wat minder voorstelt dan je misschien eerst dacht.

Maar ik vroeg me ook af hoe het perspectief wordt als je de horizontale as laat beginnen in 2008, bij de aanvang van de crisis. Wat stelt de huidige afname voor vergeleken met de toename die we na 2008 beleefd hebben? Desgevraagd kreeg ik een link opgestuurd naar dit plaatje dat ik hieronder kopieer uit Statline, maar dat door een of andere oorzaak de neiging heeft om weer te verdwijnen. Daarom voor de zekerheid hier ook de link naar de pagina van Statline, waar je links het vakje voor de grafiek kunt aanklikken..




Nu begint de horizontale as in januari 2008. Helaas begint de verticale as nu weer niet bij nul, maar bij 2 procent. Maar goed, als je nu kijkt, dan valt het echt tegen wat er, na januari 2014, aan afname is geweest. Als dat in dezelfde lijn doorgaat, hoe lang zal het dan wel niet duren voor we weer terug zijn bij begin 2008? Met percentages van rond de 3 voor mannen en rond 4,5 voor vrouwen? Vergelijk voor de aardigheid nog even met het eerste plaatje.

Echt goed ziet dat er nog lang niet uit. Dat idee dat je met snel en veel bezuinigen de economie gauw weer aan de praat krijgt, hm, dat lijkt niet te kloppen. Niet alleen is de werkloosheid wel erg lang blijven oplopen, een snelle teruggang zien we al helemaal niet.

Maar dat is niet de boodschap die het CBS nu naar buiten wil brengen.
(Met dank aan het CBS.)