Posts tonen met het label fraude. Alle posts tonen
Posts tonen met het label fraude. Alle posts tonen

vrijdag 2 oktober 2020

Nu de overheid terug is, kun je dan als het vak economie of het vak sociologie morele oordelen buiten de deur blijven houden?

Nadat Dirk Bezemer in Een land van kleine buffers heeft uiteengezet hoe het aandeelhouderskapitalisme waar we de afgelopen tientallen jaren onder geleden hebben, uitliep op een grootschalige vermogensopbouw, die ten koste ging van inkomens (stagnatie van lonen), private en publieke investeringen en overheidsvoorzieningen, is hij in hoofdstuk 10 (Afromen of investeren?) aangekomen bij de vraag hoe dit precies kon gebeuren. Wat was er precies aan de hand in dat aandeelhouderskapitalisme dat dat afromen ten behoeve van vermogensopbouw mogelijk maakte?

Bezemer komt het dichtst bij een antwoord op p. 183:

De tendens tot ongezonde uitdijing van vermogensmarkten zit ingebakken in de structuur van de economie, gecombineerd met de menselijke aard, althans in de kapitalistische maatschappij. Dat wil niet zeggen dat het een onvermijdelijke gang van zaken is - de problemen die zich de afgelopen decennia ontwikkelden, ontstonden op zijn best door de misvatting dat liberalisering van die tendens ons een mooiere wereld zou geven, en op zijn slechtst door blinde hebzucht. Er is continu publieke begrenzing en sturing nodig om deformaties en pathologieën in de financiële sector te voorkomen en te corrigeren. De bonafide, rationele acties van banken en hun klanten leiden immers te vaak tot ongewenste uitkomsten: hoge schuld, lage buffers, grote kwetsbaarheid. Hetzelfde geldt voor pensioenfondsen, verzekeraars, vastgoedontwikkelaars, rating agencies en andere vastgoed- en financiële bedrijven.

Daarbij komt nog dat wel erg veel gedrag in de sector bepaald niet bonafide is. Het wemelt er van de schandalen, zoals de Vestia-affaire en de mkb-derivaten, of de Libor-rentemanipulatie en de vastgoedschandalen. Met zoveel geld, en zo weinig toezicht en zoveel grip op de politiek is fraude en misleiding gemakkelijk; zeker met klanten die best graag misleid willen worden als dat geld lijkt op te leveren. Maar het gaat verder.

In een te grote disfunctionele financiële sector móét er wel fraude en misleiding zijn om inkomsten te genereren.

En op die plek volgt er een interessante noot, waarin Bezemer verwijst naar de theorie van control fraud van William Black (p. 308). Daarin gaat het erom dat aan die zucht naar financiële rendementen op een gegeven moment niet anders kan worden tegemoetgekomen dan door een pyramidespel, zonder enig verband met de fundamentals van de reële economie. En dat brengt onvermijdelijk fraude en misleiding met zich mee.

Waarop deze interessante zin volgt:

Blacks analyse is geen morele veroordeling (mag ook best, trouwens), maar een beschrijving van de mechanismen die tot endemische fraude leiden.

Want wat te denken van die tussenvoeging "mag ook best, trouwens'? Dat kun je met Bezemer volmondig eens zijn. Maar het punt is dat het niet meer is dan een tussenopmerking. Die ons er dus op wijst dat die morele veroordeling weliswaar van de auteur best mag, maar niet onderdeel is van de economische analyse.

En daarmee is die tussenopmerking onderdeel van een opvatting van het vak economie, en breder van de sociale wetenschappen, waarin morele beoordeling wordt beschouwd als extern aan het vak. Oordelen over goed en kwaad zijn natuurlijk prima, maar niet uit de mond van de wetenschapper als hij zijn vak beoefent.

Hoewel die opvatting gebruikelijk is, nodigt hij wel uit tot kritisch nadenken. Bedenk dat het vak economie tot nu toe de moraal buiten de deur kon houden door het postulaat (geloof?) in het marktmechanisme als oplossing voor alle problemen. Ja, ook de morele. Maar die neoliberale ideologie loopt op zijn einde en het inzicht verbreidt zich dat we veel meer moeten vertrouwen op de overheid, dus, in een democratie, op "wij met zijn allen". Een overheid die niet alleen maar marktfalen corrigeert, maar optreedt als behartiger van het algemeen belang.

Wat moeten dan de richtlijnen zijn voor die overheid? En dus voor het vak economie en voor de sociale wetenschappen die de rol van de overheid serieus nemen? Kunnen dan ook morele oordelen buiten het speelveld van het vak geplaatst worden? En hoogstens als een soort tussenvoeging binnen komen?

Als voorlopig antwoord nu eerst maar een verwijzing naar mijn reeks van dertien berichten over de vraag hoe de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak kan worden, waarvan hier het eerste bericht. Volg steeds de link naar het volgende bericht.

En hier het vervolg van dit bericht: De overheid is terug. Het vak economie kan niet meer terugvallen op "de markt doet het wel". En de sociologie moet haar maatschappelijke opdracht nu toch echt serieus nemen.

zaterdag 28 juli 2018

Meedoen aan de statuscompetitie in de wetenschap vergroot de kans op dubieuze onderzoekspraktijken

In de wetenschap horen integriteit en waarheidsvinding voorop te staan. Maar hoe organiseer je universiteiten en andere onderzoeksorganisaties zo dat zulke zaken ook worden bevorderd?

In ieder geval lijkt het verstandig om ervoor te zorgen dat de statuscompetitie tussen onderzoekers binnen de perken blijft. Want daarmee zou je de kans vergroten dat onderzoekers door oneigenlijke doelen worden gemotiveerd. Status, dus, en door anderen erkend en bewonderd willen worden en anderen willen aftroeven en willen verslaan.

Wat universiteiten in werkelijkheid hebben gedaan is het tegenovergestelde. Door de prestatie-eisen op te voeren hebben ze een publicatiedruk laten ontstaan, die uitdrukkelijk uitnodigt tot statuscompetitie.

En daarmee tot onderzoekspraktijken die moeilijk zijn te rijmen met integriteit en waarheidsvinding. Denk even terug aan de affaire-Stapel en het naar aanleiding daarvan uitgebrachte rapport van de Commissie-Levelt: Bevordert publicatiedruk onderzoekscultuur van sloppyness en fraude? De affaire-Stapel.

Maar is het wel zo dat statuscompetitie de kans op dubieuze onderzoekpraktijken vergroot? Ja, de nieuwe studie Dark Pathways to Achievement in Science. Researchers’ Achievement Goals Predict Engagement in Questionable Research Practices verschaft aanwijzingen in die richting.

Junior psychologie-onderzoekers die lid waren van de Deutsche Gesellschaft für Psychologie en die aan een universiteit werkzaam waren, kregen de vraag voorgelegd of ze zich wel eens aan of meer van negen dubieuze onderzoekpraktijken hadden bezondigd, zoals het presenteren van een onverwacht resultaat als van te voren voorspeld, en of ze zich wel eens aan fraude hadden schuldig gemaakt (het vervalsen van data). Dat zulke praktijken in de sterk competitieve Duitse universitaire cultuur inderdaad niet zeldzaam zijn, bleek eruit dat 85,71 procent van de ondervraagden melding maakte van tenminste een dubieuze onderzoekspraktijk.

De onderzoekers was ook gevraagd of ze zich in hun werk meer lieten leiden door het streven zoveel mogelijk hun eigen kennis en competenties te vergroten of meer door het streven op anderen zo competent mogelijk over te komen. Het eerste streven kun je zien als een intrinsiek motief en het tweede als een statuscompetitiemotief.

Het bleek toen dat dubieuze onderzoekpraktijken significant meer werden gemeld door degenen die meer werden geleid door het statuscompetitiemotief en minder door degenen die meer werden geleid door het intrinsieke motief van het vergroten van eigen kennis en competenties.

Er was ook een Donkere Drie-vragenlijst afgenomen, om narcisme, psychopathie en Machiavellianisme te meten. Opvallend was dat degenen die hoger scoorden op narcisme meer het statuscompetitiemotief aanhingen.

woensdag 9 maart 2016

Wangedrag hoort bij de financiële advisering. In de VS. En in Nederland

Luigi Zingales, auteur van A Capitalism for the People, verzuchtte vorig jaar in zijn Presidential Address aan de American Finance Association:
I fear that in the financial sector fraud has become a feature and not a bug.
Anders gezegd: wangedrag is in plaats van een zo nu en dan voorkomend foutje een normaal ingrediënt geworden van de financiële sector.

Daarbij denken we natuurlijk meteen aan de grote schandalen, waaraan in de media veel aandacht is besteed. Maar hoe zit het met fraude en wangedrag in de dagelijkse routine in die sector, zoals in de financiële advisering?

Het vereist grondig onderzoek om daar zicht op te krijgen. En precies zulk onderzoek is nu uitgevoerd als het gaat om de financiële advisering in de Verenigde Staten: The Market for Financial Adviser Misconduct.

Op basis van openbare gegevens construeerden de onderzoekers een dataset van alle, ongeveer 1,2 miljoen, financiële adviseurs over de periode 2005 tot 2015. Van ongeveer 7 procent van hen zijn een of meer gevallen van geregistreerd wangedrag bekend, met een bedrag van 40.000 dollar als mediaan van de aan de benadeelden uitbetaalde compensaties.

Deze gevallen van wangedrag zijn niet willekeurig over alle adviseurs verdeeld: een derde van hen is recidivist. En degenen die eerder in de fout gingen, gaan vijf maal zoveel opnieuw in de fout dan gemiddeld. Daaruit blijkt dat de marktwerking (reputatie) noch de regulering er voor zorgen dat de rotte appels uit de mand worden verwijderd.

Bovendien blijkt het wangedrag zich in bepaalde bedrijven te concentreren. En vaak zijn dat bedrijven waar ook meer wangedrag is geregistreerd van bestuurders en leidinggevenden.

Dat alles wil niet zeggen dat er niet tegen misdragingen wordt opgetreden. In de helft van de gevallen volgt ontslag, maar het blijkt dat de gestraften vrij snel weer bij een ander bedrijf aan de slag kunnen. En dat zijn, inderdaad, overwegend die bedrijven waar meer wangedrag voorkomt.

Als al deze gegevens openbaar zijn, hoe komt het dan dat consumenten zich hier niet tegen wapenen? Dat zal er aan liggen dat veel van hen daar niet genoeg deskundig en bijdehand voor zijn. Dat klopt, want het blijkt dat het wangedrag meer voorkomt in de bedrijven die zich specialiseren in de advisering aan zulke consumenten. Er bestaat kennelijk een soort niche in de markt waar fraude het meeste loont en waar bedrijven zich op richten.

De markt voor financiële advisering is wel heel duidelijk een geval van informatie-asymmetrie, een bekende vorm van marktfalen. Een vertrouwensmarkt dus. En reputatie en regulering blijken maar beperkt het misbruik van dat vertrouwen tegen te gaan.

Dat versterkt de redenen om te denken dat markten zonder vertrouwen niet goed kunnen werken.

En het laat weer eens zien dat er veel werk aan de winkel blijft om de monsterachtige kant van de vrije markt te temmen.

Blijft de vraag hoe het zit met de markt voor financiële advisering in Nederland. Je gedachten gaan natuurlijk meteen uit naar de woekerpolisaffaire. En nu naar het rentederivatendossier.

Update. Naar aanleiding van dit onderzoek bepleit Nir Kaissar veel hogere toelatingseisen en meer professionalisering van financieel adviseurs, evenals een ethische code. Net als medici kunnen financieel adviseurs veel schade aanrichten. Dat pleit voor met medische beroepen vergelijkbare eisen. Zie You Deserve a Better Financial Adviser. In dezelfde geest: Brokers Behaving Badly door Barry Ritholtz.

In Nederland is als ik het goed heb de zorgplicht van financiële dienstverleners geregeld in de Wijzigingswet financiële markten 2014. Die zorgplicht houdt onder meer in dat de dienstverlener in het belang van de klant dient te handelen. Veelzeggend dat zulks wettelijk dient te worden vastgelegd.

En zie nu ook over de Rabobank en de rentederivaten: Rabo-baas Draijer krijgt tuchtklacht aan z'n broek om renteswapdossier.

Het gaat nog even door. Nu in De Groene Amsterdammer over het gebrekkige toezicht op de bankensector: Toezichthouder AFM: een waakhond zonder tanden.

vrijdag 20 november 2015

Over het succesvol aanmoedigen tot moreel gedrag

Als je bedenkt dat onze morele intuïties van samenwerking, hulpvaardigheid, eerlijk delen en rechtvaardigheid hun oorsprong hebben in het verre verleden waarin we in kleine groepen de problemen van onderlinge afhankelijkheid oplosten, dan verbaast het niet dat we tegenwoordig veel gedrag zien dat niet met die gemeenschapsintuïties in overeenstemming is.

Want er zijn ten minste twee opvallende verschillen tussen die vroegere sociale omgeving en die van tegenwoordig.

Het ene is dat we nu te maken kunnen hebben met contacten tussen verschillende groepen of leden van verschillende groepen. Die gemeenschapsmoraal is er niet goed op toegesneden om voor zulke intergroepscontacten een leidraad te bieden. Voorbeelden uit de actualiteit liggen voor het oprapen. Voor contacten tussen groepen en voor het oplossen van problemen tussen groepen hebben we daarom, volgens Joshua Greene, een metamoraal nodig.

Joshua Greene is de auteur van Moral tribes. Emotion, Reason, and the Gap Between Us and Them en hij was vorige week een van de twee interessantste sprekers op de conferentie Institutions for moral behavior in Utrecht, die ik bijwoonde. (De andere van de twee was Frans de Waal.) Die metamoraal zou utilitaristisch moeten zijn, in de zin dat de leidraad zou moeten zijn dat het geluk van iedereen even zwaar zou moeten wegen. Greene werkt dat idee in dat boek verder uit, maar dat heb ik nog pas sinds gisteren in huis.

Het andere opvallende verschil is dat we tegenwoordig veel met anderen contact hebben van wie niet duidelijk is tot welke groep ze behoren. Anders gezegd, de groepsgrenzen zijn vaak diffuus, zelfs ook in die zin dat we vaak zelf niet eens weten of we wel tot een groep behoren en tot welke. Nog anders gezegd, we hebben in ons dagelijks leven veel met anderen te maken die we niet of nauwelijks persoonlijk kennen. Maar wat we doen of laten, kan voor die anderen wel grote gevolgen hebben.

Denk aan de zogenaamde onpersoonlijke criminaliteit: fraude, belastingontduiking, corruptie, verduistering, winkeldiefstal. Misdragingen die objectief gezien immoreel zijn, maar omdat er tussen pleger en benadeelden geen persoonlijke relatie bestaat, zijn onze morele intuïties meestal weinig werkzaam. En dat is tragisch, want de maatschappelijke kosten van zulk gedrag zijn hoog.

Het punt is dat we om zulk gedrag tegen te gaan niet zozeer een nieuwe moraal nodig hebben, zoals die metamoraal van Greene. Onze gemeenschapsmoraal zou naar inhoud volstaan. Het probleem is dat we hem in zulke onpersoonlijke situaties gemakkelijk terzijde schuiven. De bijbehorende emoties komen niet spontaan voldoende naar boven. Waardoor we onszelf en anderen kunnen wijsmaken dat we ze zijn "vergeten".

Vandaar dat Dan Ariely en anderen pleitten voor interventies die moreel gedrag aanmoedigen. Zie  Three Principles to REVISE People’sUnethical Behavior (betaalpoort). Want uit onderzoek blijkt dat zulke aanmoedigingen wel degelijk effect kunnen hebben. Het blijkt te helpen als je belastingbetalers
er aan herinnert dat belastingopbrengsten aan iedereen ten goede komen. En de aanwezigheid van een eenvoudig bord met als tekst "Wees aardig voor elkaar" krijgt het voor elkaar dat een parkeerplek voor gehandicapten minder vaak door anderen gebruikt wordt.

Ook helpt het als je de situatie persoonlijker maakt. Het schijnt dat belastingformulieren met reeds ingevulde persoonlijke gegevens eerlijker worden ingevuld. En winkeldiefstal schijn je succesvol tegen te kunnen gaan door bij de kassa en de uitgang grote spiegels op te hangen.

En tenslotte schijnt het effect te hebben als je mensen er toe brengt om zichzelf als een moreel persoon te zien. Zo bevorder je het eerlijk invullen van een belastingaangifte of een verzekeringsclaim als je het formulier begint met het ondertekenen van een eerlijkheidsverklaring. In plaats van aan het eind ("ik heb dit formulier naar waarheid ingevuld").

donderdag 12 februari 2015

Gaat geloof in de vrije markt samen met meer immoreel gedrag? Over VVD'ers

Vandaag maakt Kustaw Bessems zich kwaad op drie VVD'ers. Allereerst op Kamerlid Mark Verheijen, die in zijn vorige functie als gedeputeerde in Limburg duizenden euro's ten onrecht declareerde, maar dat afdoet met "Waar gewerkt wordt, worden fouten gemaakt". En op fractievoorzitter Halbe Zijlstra en premier Rutte, die vinden dat het verhaal is opgeblazen. Zo erg is het volgens hen nou ook weer niet, om foute declaraties in te dienen.

Bessems trekt een vergelijking met het bovenal door de VVD gewilde strenge en onrechtvaardige sanctioneringsbeleid van de UWV als het gaat om uitkeringstrekkers. Die krijgen hoge boetes opgelegd voor het niet of onjuist verstrekken van informatie, ook als opzet niet duidelijk of zelfs onwaarschijnlijk is. Het contrast is nogal groot.

Uiteraard denkt iedereen meteen ook aan René Leegte, dat andere VVD-Kamerlid, die zich bellend in de trein neerbuigend had uitgesproken over de zorgen van Groningers over de aardgaswinning in hun regio. Hij sprak onder meer over het 'pappen' van de Groningers en over de VVD-strategie om gaswinning gaande te houden. Dat kwam in het nieuws doordat andere treinpassagiers konden meeluisteren.

En zo kwam het cynisme naar buiten waarmee de VVD de problemen benadert die voor de Groningers zijn ontstaan door de gaswinning. In het economisch onzinnige streven naar begrotingsevenwicht komt het de VVD niet goed uit dat de aardgasinkomsten zouden moeten teruglopen. Het optreden van René Leegte werd "stom" gevonden, maar dat leek meer te slaan op dat bellen in een eersteklascoupé, dan op dat cynisme zelf.

Nu gaat het natuurlijk te ver om hier meteen een beschouwing aan te verbinden dat VVD'ers meer geneigd zijn tot immoreel gedrag dan leden van andere politieke partijen. Maar desalniettemin zijn er wel aanwijzingen dat het aanhangen van een sterk geloof in de weldadige werking van het marktmechanisme, zoals VVD'ers geneigd zijn te doen, samen gaat met minder moreel gedrag.

Een sterk vertrouwen in de onzichtbare hand kan het gevoel geven dat egoïsme en zelfverrijking gelegitimeerd zijn, omdat het marktmechanisme er wel voor zorgt dat alles dan toch op zijn pootjes terechtkomt. Het is een wat primitieve gedachte, maar als die je goed uitkomt, dan stap je daar wel overheen. Zie voor aanwijzingen die in deze richting wijzen: Bankiers zijn, als bankiers, oneerlijk - Dat wijst op een bankencultuur van bedrog, Maakt het marktdenken mensen minder pro-sociaal? en De markt erodeert morele waarden. En niet te vergeten Zouden we beter af zijn als minder jongeren economie of bedrijfskunde studeerden?

Natuurlijk komt die financiële crisis van 2008, waar we nu nog steeds onder te lijden hebben, ook voor een groot deel voort uit datzelfde overdreven geloof in de wonderen van het vrije en ongereguleerde marktmechanisme. Bankiers gingen zich te buiten aan onbegrensde zelfverrijking, met grote risico's voor anderen. Het mag ieder weldenkend mens ondertussen wel duidelijk zijn geworden dat fraude in het drama een grote rol heeft gespeeld. En nog speelt. Update. Zie nu How Mortgage Fraud Made the Financial Crisis Worse.

En dat maakt de ontwikkelingen daarna wel ironisch. Want je had kunnen verwachten dat de financiële crisis die politieke en maatschappelijke stromingen had versterkt die met wat meer scepsis naar het marktmechanisme kijken. En wat meer inzicht hebben in de noodzaak van overheidsingrijpen en de wenselijkheid van regulering, macro-economische beleid, sociale bescherming en sociale en publieke voorzieningen. Die stromingen dus die zich meer in het linker gedeelte van het politiek spectrum ophouden.

Maar geheel tegengesteld aan die verwachtingen hebben we een ruk naar rechts meegemaakt. Dat gaat misschien wel snel veranderen, maar voorlopig zitten we daar nog mee. En dus ook met figuren in publieke functies als Mark Verheijen, René Leegte, Halbe Zijlstra en Mark Rutte.
Update 27-2-2015.  Na dit bericht is er in de media uitgebreid aandacht geweest voor integriteitssschendingen (keurig woord trouwens) van VVD-leden. RTL Nieuws stelde een overzicht samen: Corruptie, dubbele petten, omkoping: VVD'ers en hun affaires. En vandaag wordt bekend dat Mark Verheijen zijn lidmaatschap van de Tweede kamer neerlegt, nadat de Permanente Commissie Integriteit van de VVD concludeerde dat alles bij elkaar opgeteld de feiten en de dynamiek rondom zijn persoon niet passen in het integriteitskader van de partij. (Ook weer keurig onder woorden gebracht.) Reactie van VVD-fractievoorzitter Halbe Zijlstra: een persoonlijk drama, maar een logisch besluit. Geen drama voor de VVD. Geen drama voor de politiek.

donderdag 4 december 2014

Is er naast een cultuur van bedrog bij banken ook een cultuur van vernedering bij uitkeringsinstanties?

De Nationale Ombudsman heeft vandaag een vernietigend rapport uitgebracht over de aanpak van uitkeringsfraude. De uitkeringsinstanties (UWV, SVB en gemeentes) leggen hoge boetes op ook in die gevallen waarin overduidelijk geen opzet in het spel is. Dat gebeurt niet incidenteel, maar in 70 procent van de gevallen dat een boete werd opgelegd. Zie hier het rapport van de Ombudsman.

Eerder besliste de Centrale Raad van Beroep dat het UWV een veel te hoge boete had opgelegd aan iemand die een verandering in zijn situatie te laat had gemeld. Naar aanleiding daarvan heeft het UWV nu de boetes opgeschort. Zie het bericht in Trouw van vandaag.

Als je kennis neemt van voorbeelden van bizarre toekenningen van boetes, dan schrik je behoorlijk. Neem de drie gevallen waar Trouw melding van maakt:
'Ik word als een crimineel behandeld'
Na 42 jaar werken raakt mijnheer Smetsers zijn baan kwijt en meldt zich voor een uitkering bij het UWV. Al snel vindt hij werk bij de bezorgdienst van een apotheek. Hij geeft dit door op de website van het UWV, maar weet nog niet hoeveel uren hij gaat werken en meldt ook dat. Hij belt ook nog twee keer met het UWV en krijgt te horen dat alles wordt verrekend met zijn uitkering. Vervolgens krijgt hij een boete van 1700 euro. Omdat Smetsers aantoont dat hij heeft gemeld dat hij werkt, wordt de boete verlaagd naar 440 euro. "Ik bied aan om terug te betalen, maar word als een crimineel behandeld."
'Er is gewoon niets met mijn formulier gedaan'
Meneer Gaal vindt een baan en meldt dat onmiddellijk bij de sociale dienst. De bijstandsuitkering wordt nog een paar maanden doorbetaald. Hij meldt nogmaals dat hij werk heeft gevonden en reserveert het te veel ontvangen bedrag. Plotseling valt er een acceptgiro op de deurmat met een bedrag dat veel hoger is dan een paar maanden uitkering. Het bedrag is verhoogd met een boete van 100 procent. De heer Gaal: "Degene die mijn dossier behandelde, is inmiddels weg. Er zijn acht mensen betrokken bij mijn dossier. In een gesprek met de sociale dienst voel ik mij overrompeld. Het leek wel een verhoor. Ik heb een formulier ingevuld en er is gewoon niets mee gedaan."
'We dachten persoonlijk te gaan praten'
Een vrouw heeft een flexibel contract en vraagt per e-mail aan het UWV of zij moet blijven solliciteren. Ja, dat moet, laat het UWV weten. Maar wat de regels zijn, is mevrouw Van Vliet niet helemaal duidelijk en zij vraagt, samen met haar man, een persoonlijk gesprek aan. In dat onderhoud vertelt zij dat zij inmiddels een aantal uren heeft gewerkt. Het UWV laat weten dat zij dat binnen zeven dagen had moeten melden, dat er inmiddels tien zijn verstreken en legt een boete op van 150 euro. Haar man: "Wij dachten er goed aan te doen persoonlijk te gaan praten. Wij waren ons van geen kwaad bewust."
Hoe kunnen zulke dingen gebeuren? Je kunt redeneren dat mensen de inlichtingenplicht niet zijn nagekomen. Die plicht is geregeld in de Wet aanscherping handhaving en sancties SZW-wetten, die sinds 1 januari 2013 van kracht is. Met een negatief advies van de Raad van State, die de omvang van de fraude niet zodanig vond dat er zulke hoge straffen zouden moeten worden opgelegd.

Opvallend is dat de waarborgen in het strafrecht hoger zijn dan in het bestuursrecht, waar deze wet onderdeel van is. In het strafrecht moet kwade opzet worden aangetoond. Maar in deze Fraudewet moet de uitkeringsgerechtigde aantonen dat hij het niet zo bedoelde, dat zijn nalatigheid niet of verminderd verwijtbaar is. Wat is er met onze politici aan de hand dat ze zo een wet hebben aangenomen?

Maar ook kun je je natuurlijk afvragen wat er met die ambtenaren aan de hand is die die bizarre boetes opleggen. Geldt misschien voor hen net als voor de bankiers dat ze onderhevig zijn aan een cultuur op het werk die maakt dat zulk gedrag als vanzelfsprekend wordt gezien? Want waarom hebben ze niet geprotesteerd? Of veel meer de randen van de wet opgezocht?

We hebben gezien dat een cultuur van bedrog in de bankensector is gaan heersen. Zie Bankiers zijn, als bankiers, oneerlijk - Dat wijst op een bankencultuur van bedrog. Wat ze in het gewone leven niet zouden doen, dat werd op de werkvloer vanzelfsprekend.

Is er ook zoiets aan de hand met de ambtenaren bij die uitkeringsinstanties? Is daar een cultuur van vernedering gaan heersen? In de hand gewerkt door populistische politici die zo graag daadkracht willen uitstralen en fraude "keihard willen aanpakken"?

Dat zou wel eens een uitvloeisel kunnen zijn van een algemenere golf van minachting voor en neerkijken op de onderkant van de samenleving. Zijn we al in een maatschappij verzeild geraakt waarin je het wel kunt vergeten als je pech hebt of waarin je niet zo goed kunt meekomen? En waarin je moet dulden door anderen te worden vernederd? Een maatschappij dus waarin de statuscompetitie het heeft gewonnen van de gemeenschap?

zondag 23 november 2014

Bankiers zijn, als bankiers, oneerlijk - Dat wijst op een bankencultuur van bedrog

Het heeft al veel aandacht gehad, het onderzoek dat er op wijst dat er in de bankensector een cultuur van bedrog is ontstaan en dat de vele fraudeschandalen door die cultuur in de hand zijn gewerkt. Het gaat om de studie Business culture and dishonesty in the banking industry (betaalpoort), met o.a. Ernst Fehr als onderzoeker. Zie als voorbeeld voor die aandacht dit artikeltje in Trouw (met dank aan Joop Böhm).

Het onderzoek is belangrijk omdat het handen en voeten geeft aan een vermoeden dat wijdverbreid is, namelijk dat in de financiële sector fraude en bedrog tot het normale gedrag is gaan behoren. Kennelijk heeft dat gedrag daar iets vanzelfsprekends gekregen, waardoor je inderdaad van een cultuur kunt spreken.

Hoe hebben de onderzoekers dat aangetoond? Als het echt om een cultuur in de sector zelf gaat, dus een cultuur die heerst op de werkvloer, dan zou je verwachten dat de bankwerknemers oneerlijker zijn in hun rol van bankier dan wanneer ze gewoon als persoon worden aangesproken. En precies dat hebben de onderzoekers aangetoond.

Ze wisten een groep werknemers uit de bankensector zover te krijgen om aan een onderzoek mee te doen. Die werden willekeurig verdeeld over twee experimentele condities. De ene groep kreeg de "experimentele manipulatie" toegediend. Dit hield in dat ze een aantal vragen over hun werk moesten beantwoorden, zoals "Bij welke bank werkt u?" en "Welke functie heeft u daar?" De andere groep moest vragen beantwoorden als "Hoeveel uren per dag kijkt u televisie?"

Na nog een aantal vragen, waarover straks meer, moesten ze tien maal een munt opgooien, waarbij ze van te voren wisten dat het aantal keren kruis of het aantal keren munt hen een financiële beloning op kon leveren, die tot 20 dollar kon oplopen. Het opgooien van die munt gebeurde geheel privé. Niemand anders dan zijzelf kon de resultaten zien. Na afloop rapporteerden ze zelf hoeveel keren ze kruis of munt hadden gegooid en op grond daarvan werden ze al of niet betaald.

Een opzet dus die het mogelijk maakt om bedrog te plegen. Maar ook een opzet waarmee je dat bedrog kunt ontdekken. Want als het aantal keren munt (of kruis) significant afwijkt van 50 procent, in de richting van het resultaat dat gewin oplevert, dan is dat een aanwijzing voor bedrog. Deze opzet is ook in eerder onderzoek gebruikt en het is al gebleken dat de resultaten betrouwbaar zijn. Iemand die in dit spelletje bedrog pleegt, blijkt met een grotere kans in andere situaties ook oneerlijk te zijn.

En wat bleek? De groep bankwerknemers die vragen over hun werk hadden beantwoord, weken significant af van de 50 procent en in de voor hen gunstige richting. Dit in tegenstelling tot het gedrag van de groep collega's die andere vragen hadden beantwoord. Ze waren dus oneerlijker. Dit wijst er op dat bankwerknemers als persoon niet oneerlijker zijn, maar alleen als ze herinnerd worden aan het werk dat ze doen. In de woorden van de onderzoekers: als ze hun identiteit als bankwerknemer aannemen. Op het moment dat ze dat doen, zijn ze onderhevig aan de invloed van de bankencultuur, die hen er toe brengt om meer bedrog te plegen.

Het verschil tussen de twee groepen is niet heel groot, maar dus wel statistisch significant. En dat lijkt toch een belangrijk resultaat. Ik stel me zo voor dat ook als bankwerknemers een ietsje meer neigen tot oneerlijkheid, dat dat gezien de aard van hun werk en de grote sommen geld waar ze mee omgaan, grote gevolgen kan hebben.

En het blijkt dus dat het de heersende cultuur op de werkvloer is die hen oneerlijker maakt. Het zou ook nog kunnen dat de bankensector aantrekkelijker is voor mensen die het niet zo nauw nemen en dat die dus al oneerlijker waren voor ze tot de sector toetraden. Dat zou het zogenaamde selectie-effect zijn, dat in ander verband ook wel is gevonden. Maar dit onderzoek wijst er dus op dat de cultuur echt een oorzaak is van die neiging tot bedrog.

Belangrijk om te weten. Het onderzoek kan ook nog iets zeggen over hoe die invloed van de cultuur dan verloopt. Want een van de vragen die de proefpersonen moesten beantwoorden, was de vraag of ze het er mee eens waren dat sociale status in de eerste plaats wordt bepaald door hoeveel financieel succes je hebt. En het bleek dat degenen die aan hun werk bij de bank herinnerd waren, daar meer mee instemden. En bovendien waren degenen die meer instemden, ook degenen die meer bedrog pleegden. De onderzoekers concluderen daaruit dat materialisme het cruciale element van die bankencultuur is dat mensen oneerlijker maakt.

Dat is om over na te denken. Want materialisme komt natuurlijk meer voor dan in de bankensector.

Maar er is ook een interessante link met eerder onderzoek dat liet zien dat materialisme, het najagen van status, geld en bezit, mensen ongelukkiger maakt. Maar dat blijkt minder het geval te zijn als je werkzaam bent in een sector waarin dat materialisme meer verbreid is.

Zoals: in de bankensector! Dat betekent dus dat een "nadeel" van materialisme, namelijk dat je je er ongelukkiger door voelt, in de cultuur van de bankensector is opgeheven. Interessant hoe een cultuur op mensen kan uitwerken. Zie het bericht Materialisme maakt ongelukkig - daarover is nu weinig twijfel meer.

donderdag 5 december 2013

Het klopt dat het streven naar status, macht en succes samen gaat met fraude en bedrog

Klopt het dat de neoliberale ideologie, waarin het streven naar macht, status en succes ruim baan krijgt, omdat het via de onzichtbare hand van het marktmechanisme tot maatschappelijk wenselijke uitkomsten zou leiden, aanzet tot fraude en bedrog?

Je zou het gaan denken als je het nieuws volgt. Bijna elke dag zijn er berichten over machtige en succesvolle leiders in het bedrijfsleven en de bankensector die zich voor de rechter moeten verantwoorden voor pogingen tot zelfverrijking door oneerlijke praktijken. Praktijken die ook zijn doorgedrongen tot het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek, blijkend uit de berichten over plagiaat en fraude door studenten en onderzoekers. Wat er mee zou kunnen samen hangen dat neoliberale waarden van individueel succes en onderlinge competitie ook in het wetenschappelijk bedrijf zijn gaan domineren. (Update. Zie ook nog eens hier.) Maar ook in het openbaar bestuur en in semi-overheidsinstellingen zoals op het terrein van de volkshuisvesting, lijken zelfverrijking en fraude gangbare praktijken.

Je gaat kortom vermoeden dat de neoliberale ideologie met zijn rotsvaste geloof in de weldadige werking van de markt en zijn wantrouwen tegenover de overheid een rol speelt in de golf van fraude en bedrog die door ons publieke domein trekt. De ideologie van de onzichtbare hand lijkt te fungeren als een morele vrijbrief.

Er is nu de studie Why Neoliberal Values of Self-Enhancement Lead to Cheating in Higher Education. A Motivational Account (betaalpoort) die deze vermoedens bevestigt. De onderzoekers vroegen Zwitserse studenten van een managementopleiding hoe belangrijk ze het vonden: om beter dan anderen te zijn, om rijk te zijn, om ambitieus te zijn, om te laten zien hoe goed je bent, om succesvol te zijn en om degene te zijn die besluiten neemt en de leiding heeft. Allemaal waarden in de sfeer van zelfverheffing, die volgens die neoliberale ideologie via het marktmechanisme zo weldadig zouden uitwerken op de gezamenlijke welvaart.

Het bleek toen dat degenen die deze waarden meer onderschreven, meer geneigd waren om academische fraude goed te praten. Het ging dan om het overschrijven van het werk van anderen of van internet en om het als eigen prestatie presenteren van werk waarbij anderen hadden geholpen. En het bleek dat dit verband verklaard kon worden doordat deze studenten meer gemotiveerd werden door het indruk op anderen  maken en beter te zijn dan anderen. Blijkbaar is het statuscompetitieve element in het aanhangen van die neoliberale waarden dat maakt dat fraude en bedrog er gemakkelijk uit voortvloeien.

Dat laatste gebeurde ook inderdaad feitelijk. Want de onderzoekers lieten de studenten ook opdrachten uitvoeren en hen daarna rapporteren welke ze succesvol hadden uitgevoerd. Die opdrachten bestonden er uit dat je verschillende figuren moest natekenen zonder je pen van het papier te halen. Sommige van die opdrachten waren echter onuitvoerbaar, zonder dat ze op het oog moeilijker leken. Het bleek toen dat de studenten die meer die statuscompetitieve waarden aanhingen, meer rapporteerden dat ze die onuitvoerbare opdrachten tot een succesvol einde hadden gebracht.

Oké, maar kun je die negatieve uitwerking van die neoliberale waarden ook tegengaan door de studenten in aanraking te laten komen met tegenovergestelde ideeën? Ja, dat bleek inderdaad mogelijk te zijn. Want studenten die vlak daarvoor een (fictieve) speech hadden gelezen van een Nobelprijswinnaar die opriep om het vak economie in dienst te stellen van het goede leven en dat het goede leven er uit bestond dat je hulpvaardig bent, rechtvaardig, verantwoordelijk bent en vrijheid en vrede nastreeft, dan bleek dat het effect van die neoliberale waarden was weggevallen. Die morele oproep bleek voldoende tegenwicht te bieden.

We kunnen dus beïnvloed worden door de ideologie van de weldadige werking van het marktmechanisme, die ons een morele vrijbrief verschaft voor fraude en bedrog. Maar als we er aan herinnerd worden, door een gerespecteerde bron, dat ander gedrag van ons verwacht wordt, dan blijkt dat verschil te maken. Dat geeft te denken over de werking van sociale beïnvloeding en het belang van die werking. Ideologieën zijn niet onschuldig. En morele oproepen kunnen effectief zijn.

Deze resultaten komen overigens overeen met onderzoek waaruit blijkt dat het volgen van colleges economie waarin het marktdenken wordt uitgedragen en het streven naar eigenbelang als vanzelfsprekend wordt verondersteld, minder pro-sociaal maakt. Zie eerder dit bericht.

woensdag 3 april 2013

Fraude en zelfverrijking en onze morele verontwaardiging - Banks gone bad: Our evolved morality has failed us - Christopher Boehm

Sociale controle op basis van het vermogen tot morele verontwaardiging is ouder dan de mens, maar kwam toch vooral tot ontwikkeling in de samenlevingen van jagers-verzamelaars. Dus in de Paleo Sociale Omgeving, die zeker al zo'n 45.000 jaar geleden bestond. Onze verre voorouders wisten met dit vermogen het voor elkaar te krijgen dat profiteurs en bedriegers en bazige types door sociale sancties, zoals genegeerd  of uitgesloten te worden, onder de duim werden gehouden. Sterker, door die sancties wisten de overtreders van de normen zich waarschijnlijk minder goed voort te planten, waardoor hun genen ook min of meer werden "uitgewied". Min of meer, want we kennen dit gedrag natuurlijk ook nog in onze huidige maatschappij.

Of misschien neemt het in onze tijd juist weer toe. Dat zou kunnen omdat die morele verontwaardiging tegenwoordig niet altijd zo gemakkelijk in sancties kan worden omgezet. Christopher Boehm, een van de grote kenners van de Paleo Sociale Omgeving, schrijft daarover in de NewScientist. Zie de link hieronder. Aanleiding is het wangedrag in de financiële sector, dat de kredietcrisis van 2008 en daarmee tot op de dag van vandaag veel menselijke ellende heeft veroorzaakt. Terwijl de kans dat een bankrover zijn straf niet ontgaat, behoorlijk groot is, lukt het de financiële fraudeurs en zelfverrijkers tot nu toe heel goed om er zonder kleerscheuren af te komen.

Terwijl onze morele verontwaardiging over hun wangedrag groot is. Dit wijst er op dat de grote mate van machtsongelijkheid die er in onze maatschappij bestaat, samen met de ingewikkeldheid en ondoorzichtigheid van ons democratische en juridische stelsel, er voor zorgen dat degenen die zich hebben misdragen door intensieve lobby's de dans weten te ontspringen.

Christopher Boehm vraagt zich af waar dat toe moet leiden. (Tot revolutie? Zoals in te hiërarchisch geworden samenlevingen natuurlijk niet ongewoon is.) In ieder geval is duidelijk dat dat oeroude systeem van op morele verontwaardiging gebaseerde sanctionering nu in zijn voegen kraakt.

Banks gone bad: Our evolved morality has failed us - opinion - 25 March 2013 - New Scientist:

'via Blog this'

donderdag 20 december 2012

James K. Galbraith: 1 crisis met 3 oorzaken: energie, technologie en fraude

James K. Galbraith heeft een belangrijke toespraak gehouden voor de IG Metall, de grootste Duitse vakbond. Mark Thoma geeft hier de volledige tekst. In het eerste deel bespreekt hij de aard van de huidige crisis en de oorzaken er van. In dit bericht ga ik daar op in. Meer in een volgend bericht.

Galbraith (zoon van de grote John Kenneth Galbraith; zie ook dit bericht) denkt dat de crisis die we nu meemaken één enkele, globale crisis is. In mijn vertaling:
Het is niet een cluster van verschillende en onderscheiden gebeurtenissen; een rommelhypothekencrisis in de Verenigde Staten; een overheidsschuldencrisis in Griekenland; een bankencrisis in Ierland; een uiteenspattende onroerend goed-zeepbel in Ierland en Spanje; evenmin zijn er aparte crises in de Verenigde Staten en Europa, noch kan de financiële crisis gescheiden worden van de economische crisis, noch is Duitsland een land waar de crisis nog niet gearriveerd is met de suggestie dat er een speciale vluchtweg is. Er is een crisis, slechts een crisis, een fundamenteel onderling samenhangende crisis van het wereldsysteem.
Die crisis heeft drie oorzaken, die teruggaan naar de vroege 70-er jaren van de vorige eeuw: de toenemende kosten van energie, de arbeidsbesparende technologie en de opkomst van de neo-liberale ideologie.

Het energieprobleem begin in de jaren 70, leek een poos beheersbaar te zijn, maar het aanpakken er van kan niet langer worden uitgesteld.
De kosten van energie zijn ongeveer twee keer zo hoog als ze tien jaar geleden waren en de toekomst is nog veel onzekerder. Beide factoren, kosten en onzekerheid, drukken het surplus of de winstgevendheid in regio's, continenten en landen die energie importeren. En als we het probleem van klimaatverandering aanpakken, en dat moeten we, en als we beginnen met de prijs van klimaatverandering te betalen, en dat moeten we, dan wordt dit probleem moeilijker en moeilijker. Dat is eenvoudig een economische realiteit die we het hoofd moeten bieden als we deze uitdaging onder ogen zien.
De technologische veranderingen maken onze tijd anders.
Als je de digitale revolutie combineert met de globalisering, het gemak van transnationale productie en ook tot op zekere hoogte de outsourcing van dienstverlening, dan constateren we dat we leven in een tijd waarin technologie radicaal arbeidsbesparend is.Hij vervangt werkers. Wat we zonder veel overdrijving kunnen zeggen is dat de computer en de vele daaruit afgeleide technologieën nu met de kantoorwerker doen wat de stoommachine een eeuw geleden met het paard heeft gedaan.
En de derde grote oorzaak is ideologisch van aard.
Het is het neo-liberale idee dat ons deregulering en de-supervisering heeft gegeven; dat ons de notie heeft gegeven dat markten op zichzelf kunnen functioneren zonder in elkaar te storten of zichzelf op te blazen. Het gaat om deze notie zoals speciaal toegepast op de financiële wereld. Dit is de grote illusie van de vorige generatie en hij heeft een vorm van economische groei in het leven geroepen die intrinsiek onstabiel en onhoudbaar was. Waarom? Omdat hij gebaseerd was op dalende standaarden voor leningen en op laks toezicht op de opbrengsten van die leningen. Of, om het eenvoudig te zeggen, hij was gebaseerd op financiële fraude, op de meest massieve golf van financiële fraude die de wereld ooit gezien heeft. En de wereld heeft veel financiële fraude gezien. En het was aan de kredietverschaffers bekend dat het fraude was. Dit was zo voor de hypotheken in de Verenigde Staten, die door tientallen miljoenen werden gesloten en die bij de kredietverschaffers bekend stonden als "liar's loans", als "ninja loans", no income, no job, no assets; als "neutron loans" voorbestemd om te exploderen en daarbij de gebouwen intact te laten, maar de mensen te vernietigen. Dit was toentertijd bekend. Dit waren leningen die geherfinancierd moesten worden of niet afgelost zouden worden.
Het was ook zo als het ging om leningen aan de publieke sector, bijvoorbeeld Griekenland. Dat Griekenland een zwakke publieke sector en een zwak belastingstelsel had, was voorafgaand aan de crisis geen staatsgeheim. Het was bekend aan beide zijden van deze transacties. Net zo met het commerciële onroerend goed in Ierland en met de huizen in Spanje. Je hoefde er maar heen te gaan om te kunnen zien wat er aan de hand was. Om de acquisities van de IJslandse Banken nog maar niet te noemen. Het is een fundamenteel feit, denk ik, dat overal zichtbaar is, maar waar in beleefd gezelschap niet over wordt gesproken, in het bijzonder niet als economen bankiers toespreken. (...)
De toenemende ongelijkheid wordt vaak met deze verschijnselen in verband gebracht. Maar ik denk dat we duidelijk moeten zijn over de aard van dat verband. Het is niet zo dat de ongelijkheid toenam en dat mensen daarvoor compenseerden door meer te lenen zodat ze zich een hoger consumptiepeil konden veroorloven. Dit is niet wat er gebeurde. Het gebeurde zeker niet in de Verenigde Staten. Wat er gebeurde was dat de kredietverschaffers probeerden nieuwe markten te vinden op zoek naar frauduleuze leningen aan slecht geïnformeerde leners, arme leners, huiseigenaren in de binnensteden bijvoorbeeld, daarbij die leningen zo herfinancierend dat de klant slechts een fractie van de schuld kreeg te zien waarmee hij uiteindelijk werd opgezadeld. En de ongelijkheid kwam voort uit de honoraria voor het sluiten van deze leningen. Dit is hoe bankiers rijk werden. Op deze manier halen ze hun geld binnen. En je kunt dat zien in hun belastingopgaven en in de geografische verspreiding van inkomensgroei in de Verenigde Staten.
En toen de omvang van de fraude niet langer verborgen kon worden, was er paniek en ineenstorting. Dit gebeurde zowel in de Verenigde Staten als in Europa en het veroorzaakte een schade aan de financiële structuur die, laat ik dat zeggen, in essentie onomkeerbaar is. Het vernietigde de onderliggende grondslag voor economische groei die ons voor enige tijd op de been had gehouden.  Dat wil zeggen dat het de hypotheekmarkt in de Verenigde Staten vernietigde en de markt voor overheidskredieten in Europa. En omdat het in Europa de markt voor overheidskredieten vernietigde, kwamen de effecten terecht bij de publieke dienstverlening en bij de daarvan afhankelijke bevolking. In beide continenten gingen bovendien miljoenen banen verloren. Dat was de "nevenschade".
In het tweede deel van zijn lezing gaat Galbraith in op de vraag wat er nu moet gebeuren. Daarover een volgende keer. Nu alvast: de fundamentele keuze is die tussen "we zitten allemaal in hetzelfde schuitje" of "ieder voor zich". Update. Lees hier het vervolg.

donderdag 29 november 2012

Bevordert publicatiedruk onderzoekscultuur van sloppyness en fraude? De affaire-Stapel

De Commissie-Levelt, die de fraude door de sociaal-psycholoog Diederik Stapel onderzocht en daarvan gisteren verslag uitbracht, is ook nagegaan in hoeverre de werkwijze van Stapel onderdeel was van een onderzoekscultuur, dus niet alleen maar een geïsoleerd incident is. Hierover is de conclusie van de Commissie glashelder:
Het gaat om een meer algemeen falen van de wetenschappelijke kritiek en om een onderzoekscultuur die te zeer gericht is op het onkritisch vaststellen van het eigen gelijk en, zoals uit de gesprekken met de Commissies bleek, op het vinden van interessante maar theoretisch oppervlakkige ad hoc resultaten. (p. 49 van het eindrapport)
De Commissies kunnen niet anders concluderen dan dat er van laag tot hoog sprake was van een algemene veronachtzaming van fundamentele wetenschappelijke standaarden en methodologische eisen. (p. 55) 
Die cultuur zoals die uit de bevindingen van de Commissie naar voren komt, kun je beschrijven als een waarin het doel, publiceren, de middelen heiligt. Waarin van alles gedaan mag worden om interessante resultaten te behalen en gepubliceerd te krijgen, ook als dat met wetenschappelijke eisen van transparantie, controleerbaarheid en repliceerbaarheid onverenigbaar is. Het verzinnen van data en het rapporteren van niet uitgevoerd onderzoek, waar Stapel zo bedreven in was, blijkt een extreem geval te zijn van een gedragspatroon dat veel meer voorkwam.

Hoe kan zo een cultuur ontstaan? In een tak van sport die juist het bestaansrecht ontleent aan de idealen van integriteit en waarheidsvinding? Waarvan het de bedoeling is om mensen aan te trekken die het als een roeping voelen om die idealen te verwezenlijken? (Ik denk even aan Max Webers Wissenschaft als Beruf, waarvan net een nieuwe Nederlandse vertaling is verschenen en waarop ik aan het slot terugkom.)

Is deze cultuur bevorderd door de sterk toegenomen publicatiedruk aan de universiteiten? Die publicatiedruk heeft er toe geleid dat onderzoekers meer worden afgerekend op de meetbare resultaten van hun werk (hun output). Dat kan, net als in de bankensector waar prestatiebeloning en bonussen werden ingevoerd, leiden tot een oriëntatie op het gemeten eindproduct samen met een puur instrumentele houding tegenover de middelen waarmee dat tot stand is gekomen. En het is bekend dat daarmee in de bankensector fraude en onethisch gedrag in de hand zijn gewerkt. Zie ook nog eens dit bericht en dit bericht.

Nu is aan de universiteiten de financiële beloning niet direct gekoppeld aan de prestaties (de publicaties), maar het prestige en de reputatie zijn dat wel. (Trouwens, uit het eindrapport van de Commissie-Levelt blijkt dat de "top-onderzoeker" Stapel behoorlijk financieel werd "gefaciliteerd".)

Het zou dus goed kunnen dat die publicatiedruk een rol heeft gespeeld. Wat zegt de Commissie-Levelt daarover? Het woord publicatiedruk komt op twee plekken in het eindrapport voor, hier:
In gesprekken met betrokkenen en met de heer Stapel kwam duidelijk naar voren dat veel van de hiervoor genoemde procedures, die overigens door hen niet als onzorgvuldig onderzoek werden gekwalificeerd, vooral gericht waren op een snelle positieve afhandeling van dataverzameling, -analyse en -rapportage, met het oog op het halen van publicatiecriteria. Ook het nauwelijks uitvoeren van replicatieonderzoek kan hieronder worden gerangschikt. De publicatiedruk werd door velen genoemd als belangrijke oorzakelijke verklaring voor de door hen gevolgde werkwijzen. De Commissies doen geen uitspraak over of deze verklaring steek houdt, dan wel alleen als excuus wordt gebezigd. Het verdient aanbeveling hiernaar in groter verband nader onderzoek te verrichten.( p. 53)
en hier:
Visitatiecommissies die de sociale psychologie hebben beoordeeld hebben er onvoldoende blijk van gegeven een aantal van de in dit rapport gesignaleerde feiten te hebben doorzien. Te denken valt aan het onkritisch volgen van de door tijdschriften verrichte beoordelingen zowel op het punt van de methodologie als de bijdrage aan de theorievorming. Een ander aandachtspunt in dit verband is voorts in hoeverre de visitatiecommissies bijdragen aan het in stand houden van de veronderstelde grote publicatiedruk en daarmee verbonden conventies. Met name betreft dit conventies ten aanzien van het aantal, de volgorde en de verantwoordelijkheid van de coauteurs en het meervoudig publiceren van soortgelijke onderzoeksresultaten.
De Commissies adviseren de VSNU extra aandacht te besteden aan die aspecten van het SEP-protocol die de inhoudelijke kwaliteit voorop stellen. (p. 63)
Hoewel de Commissie dus zelf geen standpunt inneemt, dringt ze wel aan op nader onderzoek naar de ongewenst effecten van die publicatiedruk. En ze vindt dat die Visitatiecommissies niet alleen maar publicaties moeten tellen, maar ook moeten beoordelen naar inhoudelijke kwaliteit.

Dat de Commissie het punt van die publicatiedruk serieus genoeg neemt om nader onderzoek aan te bevelen, lijkt mij van groot belang. Want als je een keer prestaties beoordeelt op grond van gemeten output, dan zet je een proces in werking waarmee de onderzoekers die daarmee het beste scoren, aan de top van de statushiërarchie terecht komen. En zij zijn dus ook precies degenen die bij het in standhouden van dit beoordelingssysteem belang hebben. Als er dus terechte kritiek op het systeem mogelijk is, dan is de kans klein dat die kritiek gehoor vindt. De Commissie heeft gelijk om nader onderzoek te laten doen.

Datzelfde proces van het ontstaan van die statushiërarchie zorgt er trouwens ook voor dat verdenkingen van wangedrag van "top-onderzoekers" niet gemakkelijk gemeld worden. De Commissie maakt zich juist daarover behoorlijk druk:
Er zijn in 2010 en 2011 drie meldingen verricht aan leden van de wetenschappelijke staf binnen de psychologie. De eerste twee hebben in eerste of tweede instantie niet geleid tot follow-up. Daarin heeft de haast onaantastbare positie van de heer Stapel wellicht een rol gespeeld. De derde melding, aan de departementsvoorzitter en buitengewoon zorgvuldig voorbereid door een drietal jonge en zeker in hun positie kwetsbare klokkenluiders, is wel direct professioneel opgepakt met het bekende resultaat.
Ook bij collega-hoogleraren zijn gedurende het laatste jaar tweemaal verdenkingen gerezen ten aanzien van door de heer Stapel aangereikte data. Aan die verdenkingen is geen follow-up gegeven. De Commissie concludeert dat de drie jonge klokkenluiders meer moed, alertheid en speurzin hebben getoond dan zittende hoogleraren. (p.46-47)
Ja, als je statushiërarchieën laat ontstaan, dan heb je die "onaantastbare posities" er altijd gratis en voor niets bij. En die kunnen heel subtiel werken. Ik had zelf enige twijfel toen ik dat destijds net verschenen Science-artikel las waarin het (gefingeerde) onderzoek naar het verband tussen chaos en geneigdheid tot discriminatie werd gerapporteerd. Hoe kon dat, op het Utrechtse Centraal Station, zijn uitgevoerd? Hoe kon je precies tellen hoeveel plekken stationsbezoekers van iemand met een donkere huidskleur af gaan zitten? Als de nabijgelegen plekken wisselend bezet kunnen zijn? Ik zocht in het artikel en in het Supplement naar nadere uitleg, maar vond die niet. Maar mijn twijfel werd volledig overheerst door ontzag voor het prestige van de onderzoekers.

Wat dat nadere onderzoek zal uitwijzen, ik weet het niet. Rudi Wielers wijst in zijn bespreking in Sociologie Magazine van de nieuwe vertaling van Webers Wissenschaft als Beruf op het gevaar dat door de affaire-Stapel niet de publicatiedruk wordt verminderd, maar dat de universitaire bureaucratie door meer en meer regels gaat proberen om desondanks integer gedrag af te dwingen:
Op dergelijke regels zit geen inhoudelijk geïnteresseerde wetenschapper te wachten, en die regels zullen het bedrijven van wetenschap ook bepaald niet aantrekkelijker maken. Een wetenschappelijke praktijk, waarin goede trouw moet worden afgedwongen door bureaucratische regels, is geen prettig vooruitzicht.
Een terugkeer van het door Weber benoemde ideaal van wetenschap als beargumenteerde bezinning over de werkelijkheid zou daarom meer dan welkom zijn. Het zou helpen voorkomen dat collega’s de verkeerde afslag nemen, en wetenschap waarschijnlijk ook voor jonge mensen weer tot een aantrekkelijke praktijk kunnen maken. We zouden als wetenschappers moeten beginnen dat ideaal uit te dragen.

vrijdag 16 november 2012

Hogere status maakt mensen minder pro-sociaal - Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (18)

In een onpersoonlijke sociale omgeving zoals wij die in onze maatschappij kennen, ontwikkelen we gemakkelijk oordelen over mensen en categorieën mensen die we niet persoonlijk kennen. En in een maatschappij met veel ongelijkheid naar sociaal-economische status ontwikkelen we gemakkelijk oordelen over hoe arme mensen zijn en over hoe rijke mensen zijn.

Zo denken velen dat de overheid niet te royaal moet zijn met werkloosheidsuitkeringen, bijstand en andere voorzieningen voor de onderkant van de samenleving, want "daar wordt toch alleen maar misbruik van gemaakt". Een voorbeeld van dat oordeel was dat van de Amerikaanse presidentskandidaat Mitt Romney, die van mening was dat bijna de helft van de  bevolking niets liever doet dan bij de overheid de hand ophouden. En denk aan de VVD die vindt dat uitkeringstrekkers de handen uit de mouwen moeten steken in plaats van de handen op te houden.

Maar tegelijk bestaat er ook een beeld van de bovenkant van de samenleving, van de elite, dat inhoudt dat juist daar egoïsme en hebzucht hoogtij viert. Dat beeld wordt bijna dagelijks versterkt door berichten over hebzucht in de hogere regionen van de financiële en de semi-publieke sector.

Beide beelden kunnen waarheid bevatten. Maar deze studie van Piff, Stancato, Côté, Mendoza-Denton en Keltner, die begin dit jaar verscheen, wijst er op dat hogere sociaal-economische status meer tot onethisch gedrag leidt dan lagere. Dat zou er dus op wijzen dat het tweede beeld meer met de werkelijkheid overeenkomt dan het eerste. Hoe hoger de status, hoe minder pro-sociaal.

De onderzoekers laten zien dat mensen met hogere sociaal-economische status (bestuurders van duurdere auto's) minder rekening houden met mede-weggebruikers dan mensen met lagere status (bestuurders van goedkopere auto's). En dat mensen met hogere status meer geneigd zijn tot gedrag dat henzelf bevoordeelt ten koste van anderen. Ook zijn ze meer geneigd om hebzucht goed te keuren, minder geneigd om de waarheid te vertellen als die een ander ten goede zou komen en meer geneigd tot bedrog als hen dat meer oplevert.

Je zou kunnen denken (en ik dacht dat ook) dat er achter deze samenhang een dynamiek zit, die inhoudt dat het hier allemaal om eigenschappen gaat die het in een maatschappij als de onze gemakkelijker maken om hogerop te komen. Dus dat het wat oneerlijker zijn en wat minder last hebben van morele remmingen goed is om rijkdom te verwerven. Mensen zouden dus al minder pro-sociaal zijn geweest toen ze nog niet rijk waren, als ze al ooit niet rijk zijn geweest.

Ik denk nog wel dat daar iets in zit, want we leven nu eenmaal in een maatschappij met een hoge mate van statuscompetitie. En dat bevoordeelt mensen die wat opportunistischer zijn. Maar deze studie wijst op de omgekeerde dynamiek: het verkrijgen van een hoge sociaal-economische status maakt mensen minder pro-sociaal. Dat blijkt er uit dat als je hoge status bij mensen saillant maakt (door priming), dus doordat ze zich voorstellen een hoge status te hebben, ze zich ook minder pro-sociaal gedragen. De hoge status zou dus de oorzaak zijn van het minder pro-sociale gedrag.

woensdag 2 november 2011

Wetenschappelijke fraude: een individueel of collectief fenomeen?

Ik kan in dit blog niet vermijden om in te gaan op de fraude die de sociaal-psycholoog Diederik Stapel heeft gepleegd en die hij ook zelf heeft toegegeven. Ik doe dat met terughoudendheid, want ik ken hem van enkele ontmoetingen. Te oppervlakkig om daar veel inzicht aan te ontlenen. En als het minder oppervlakkig was geweest, dan zou ik er voor terugschrikken om het persoonlijke publiek te maken. Dus ik baseer me voor dit bericht geheel op wat de Volkskrant van 1 november over de affaire meldde.

Eerder kenschetste ik pro-sociaal gedrag als altijd een collectieve prestatie. En asociaal gedrag dus als een collectieve misdraging. Mensen hebben nu eenmaal niet een volledig autonoom moreel kompas. En worden dus beïnvloed door wat ze anderen om hen heen zien doen, door wat ze daaruit op maken over wat normaal en geaccepteerd is en over wat dan weliswaar niet door de beugel kan, maar toch eigenlijk ook weer niet een heel ernstig vergrijp is. Door dat sociale proces kunnen verschillende culturen ontstaan, ook culturen met een zekere tolerantie voor misdragingen. Je denkt dan bijvoorbeeld aan de cultuur die kennelijk bestond (bestaat?) in de Nederlandse bouwsector. (Om maar even over de financiële sector te zwijgen.) Bestaat die cultuur ook in de wereld van het sociaalpsychologisch onderzoek?

Ik kan dat zelf niet goed beoordelen. Van de wereld van het sociologisch onderzoek, voorzover ik die ken(de), weet ik dat onderzoekers verplicht zijn om hun databestanden voor collega-onderzoekers toegankelijk te maken. In lijn daarmee bestaat er voor de alfa- en gammawetenschappen het DANS (Data Archiving and Networked Services). En het lijkt mij dat alleen al het bestaan van de eis dat je je data laat archiveren, je attendeert op het belang van controleerbaarheid. En attendeert op de vanzelfsprekendheid dat die data dan ook "echt" moeten zijn. Naar aanleiding van de affaire-Stapel wijst de website van DANS daarom ook nog eens op het belang van die data-archivering.

Nu had ik al wel eens gehoord dat er in de wereld van de sociaal-psychologen niet veel aan data-archivering wordt gedaan. En de Commissie-Levelt, die de affaire onderzoekt, meldt in zijn tussenrapport dat data-archivering niet in Stapels woordenboek stond. Maar hij is daarin waarschijnlijk niet uniek. Levelt meldt dan ook, via de Volkskrant:
"Uiteindelijk heeft de wetenschap laten zien zelfreinigend te zijn, maar dat heeft veel te lang geduurd", zegt Levelt. Hij constateert dat de cultuur onder sociaal-psychologen de fouten van Stapel mogelijk heeft gemaakt. "Die is te zeer gericht op snel scoren met mediagenieke onderwerpen. Bovendien heeft iedereen zijn eigen winkeltje, in plaats van een gezamenlijke verantwoordelijkheid."
 Er zijn dus tenminste twee culturen mogelijk, die van elk het eigen winkeltje en die van de gezamenlijke verantwoordelijkheid. De kunst is dus om die eerste cultuur te vermijden en die tweede te bevorderen. En het blijkt, onder meer uit sociaalpsychologisch onderzoek(!), dat het daarbij helpt om mensen er aan te herinneren in wat voor cultuur ze opereren of geacht worden te opereren. En dan is zo'n eis van data-archivering een goede herinnering. Een soort duwtje of nudge in de goede richting. De Commissie-Levelt beveelt daarom ook aan om die archiveringsregel vast te leggen. En ze beveelt aan om een gedragscode in te voeren, ook een duwtje in de rug.