Posts tonen met het label machtsongelijkheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label machtsongelijkheid. Alle posts tonen

vrijdag 10 maart 2023

In organisaties wordt statuscompetitie, en dus "grensoverschrijdend gedrag", structureel aangewakkerd - Met maar weinig hoop op succes van een "cultuuromslag"

De berichten over grensoverschrijdend gedrag bij de redactie van NOS Sport over een periode van twintig jaar zijn een goede aanleiding om nog even stil te staan bij wat ik op dit blog schreef naar aanleiding van hetzelfde soort gedrag achter de schermen van de talkshow De Wereld Draait Door. Het gaat om deze vier berichten:

Een sociaalwetenschappelijk zicht op sociale onveiligheid achter de schermen van een talkshow (1) - Hoe het statuscompetitiepatroon zich voltrekt

Een sociaalwetenschappelijk zicht op sociale onveiligheid achter de schermen van een talkshow (2) - Hoe het ontstaan van een angstcultuur te voorkomen

Een sociaalwetenschappelijk zicht op sociale onveiligheid achter de schermen van een talkshow (3) - De reactie van de morele afwijzing en die van het bepleiten van sociale hervorming

Het punt is dat we hier met een maatschappelijk probleem te maken hebben, dat terecht veel aandacht krijgt, waarin de sociale wetenschap inzicht in kan verschaffen, terwijl dat sociaalwetenschappelijke gezichtspunt in de berichtgeving ontbreekt.

Het gedrag waar het hier over gaat, in het Volkskrantartikel omschreven als "onacceptabel gedrag op de werkvloer, waaronder seksueel grensoverschrijdend gedrag, intimidatie en pesterijen", in het algemeen als "grensoverschrijdend gedrag", behoort sociaalwetenschappelijk gezien tot het statuscompetitiepatroon. Als dat patroon het gedrag overheerst, zijn mensen in een statusstrijd verwikkeld, waarin ze een hogere status proberen te verwerven. altijd ten koste van anderen, of hun eigen hoge status tegenover anderen, door intimidatie,  willen laten gelden. Preciezer gezegd is dat "de ene helft" van het statuscompetitiegedrag. De "andere helft" is die van de slachtoffers van dat gedrag, het vluchtgedrag, als dat mogelijk is (je ziek melden, ontslag nemen) of de onderdanigheid en de immobilisatie door angst. In deze toestand is er altijd de ervaring van sociale onveiligheid, niet alleen bij de slachtoffers, maar ook bij de daders, omdat die altijd moeten vrezen voor aanvallen op hun positie. (Hoe die onveiligheid door een slachtoffer kan worden ervaren, wordt hier indringend beschreven door Marijn de Vries: Stel je voor dat je in dat sfeertje van NOS Sport de leuke tv-analist moet zijn.)

Eveneens sociaalwetenschappelijk gezien, weten we dat mensen ook in staat zijn tot heel ander gedrag, namelijk tot gemeenschapsgedrag. Dan geldt niet het ieder-voor-zich van de strijd om status, maar integendeel het morele beginsel van iedereen-telt-mee. Mensen hebben het dan goed met elkaar voor, vertrouwen elkaar en staan open voor samenwerking ten gunste van iedereen. De morele gemeenschapsintuïtie van het respecteren van elkaars autonomie en evenwaardigheid stuurt het onderlinge gedrag. In deze toestand ervaren mensen sociale veiligheid.

Sociaalwetenschappelijk is er niet alleen het besef van dit onderscheid in twee, aan elkaar tegengestelde, gedragspatronen en de twee daarmee samenhangende sociale toestanden, maar ook het inzicht dat de gemeenschapstoestand er naar menselijk welzijn en gezondheid beter uitkomt. Empirische aanwijzingen daar voor, en voor dat onderscheid, gaf ik in Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen. Een aanwijzing is natuurlijk ook dat het "grensoverschrijdend gedrag", de naam zegt het al, eigenlijk altijd maatschappelijke verontrusting en morele veroordeling oproept.

En er zijn de sociaalwetenschappelijke inzichten in de voorwaarden waaronder die twee sociale toestanden zijn te verwachten. De meest algemene formulering daarvan is er in de vorm van Stelling 2 van de Dual Mode-theorie, de stelling namelijk dat mensen met hetzelfde gedrag zullen reageren op het gedrag dat ze van anderen verwachten. Als ik een strijd om status verwacht, dan zal ik met statuscompetitiegedrag reageren, met het aangaan van de strijd (de ene helft) of met vluchten of onderdanigheid (de andere helft). En als ik gemeenschapsgedrag verwacht, dan zal ik daaraan meedoen. Anders gezegd, verwacht ik sociale onveiligheid? Dan wordt mijn statuscompetitiegedrag geactiveerd. Verwacht ik sociale veiligheid? Dan komt mijn gemeenschapsgedrag naar boven.

Het kan dus niet anders dan dat die verwachtingen veel vertellen over welke toestand, statuscompetitie of gemeenschap, zich zal voordoen. En veel vertellen over de mogelijkheden om de statuscompetitietoestand (de toestand van "grensoverschrijdend gedrag") zoveel mogelijk te voorkomen en de gemeenschapstoestand zoveel mogelijk te bevorderen. 

Wat dat laatste betreft, gaat het in de berichtgeving dan al gauw over de noodzaak van een "cultuuromslag". Daarin zit al besloten dat die gedeelde verwachtingen ("cultuur") cruciaal zijn. En het wijst op de mogelijkheid om door onderlinge communicatie over die verwachtingen gezamenlijk de sociale veiligheid te garanderen die de gemeenschapstoestand tot stand kan brengen.

Maar daar zitten beperkingen aan, namelijk die van de meer "structurele randvoorwaarden". Want het is natuurlijk niet toevallig dat het in die berichten over grensoverschrijdend gedrag altijd gaat over gedrag in formele organisaties. Met bazen en hoger en lager personeel en arbeidsovereenkomsten. Met verschillen in salarissen, extraatjes en baanzekerheid. Dus in toestanden waarin er al een statushiërarchie bestaat, met ingebakken machtsverhoudingen. En machtsongelijkheid roept onvermijdelijk de verwachtingen op van sociale onveiligheid en van statuscompetitiegedrag. Met weinig hoop op succes van een cultuuromslag naar de gemeenschapstoestand. 

We hebben in de loop van de mensheidsgeschiedenis sociale toestanden doen ontstaan waarin statuscompetitiegedrag, dus grensoverschrijdend gedrag, structureel wordt aangewakkerd. Als we dat gedrag echt niet willen, en daar valt veel voor te zeggen, moeten we diep nadenken over andere organisatievormen.

dinsdag 22 november 2022

Een sociaalwetenschappelijk zicht op sociale onveiligheid achter de schermen van een talkshow (2) - Hoe het ontstaan van een angstcultuur te voorkomen

Wat valt er sociaalwetenschappelijk te zeggen over hoe het statuscompetitiepatroon achter de schermen van de populaire talkshow DWDD alle ruimte kreeg? Onder welke voorwaarden valt het statuscompetitiepatroon te verwachten en waren die voorwaarden in dit geval aanwezig? Zie hier het vorige bericht. 

Gedrag volgens het statuscompetitiepatroon valt te verwachten als mensen hun sociale omgeving als onveilig waarnemen. Dat kan het geval zijn als ze omringd worden door anderen die zich volgens dat patroon gedragen. Statuscompetitiegedrag van de een lokt dat van de ander uit. Het is ieder-voor-zich. Denk aan Stelling 2 van de Dual Mode-theorie. Maar het kan ook het geval zijn dat ze signalen waarnemen die zulk gedrag doen verwachten. 

Zulke signalen kunnen het proces van het zich uitbreiden van statuscompetitiegedrag in werking zetten. Als mensen statuscompetitiegedrag verwachten, zullen ze ook zelf voor dat gedrag kiezen. In dit geval zijn er twee van zulke signalen aan te wijzen.

In de eerste plaats het signaal dat televisieprogramma's met elkaar concurreren om de kijkcijfers. Ook bij de publieke omroep is de financiering afhankelijk van de reclame inkomsten en dus van de kijkcijfers. Die concurrentie, de terreur van de kijkcijfers, maakt dat de kwaliteit van programma's gereduceerd wordt tot de kijkcijferscore in vergelijking met andere programma's. Dat lokt dus competitie uit, niet alleen om die kijkcijfers, maar ook om de status die daarmee kan worden verworven. Want dat streven naar status heeft maar weinig nodig om getriggerd te worden. 

Het heeft tot gevolg dat programmamakers minder gemotiveerd worden tot het maken van goede programma's en meer tot het behalen van zo hoog mogelijke kijkcijfers. Wat "goed" is, dat valt natuurlijk te bediscussiëren, maar dat het niet samen valt met de kijkcijferscore, dat is niet een gekke gedachte.

Er valt hier een analogie te trekken met de introductie van de publicatiescores aan universiteiten. Die heeft de intrinsieke, wetenschappelijke motivatie van onderzoekers zeker voor een deel verdrongen en omgebogen naar de jacht op publicaties. En heeft de statuscompetitie aangewakkerd en daardoor "een algemene veronachtzaming van fundamentele wetenschappelijke standaarden en methodologische eisen" bevorderd.

Uiteindelijk zet dus de financiering door middel van reclame inkomsten het proces van statuscompetitie tussen programmamakers in werking. In plaats van de voldoening die het maken van goede programma's kan opleveren, komt de stress van het moeten "presteren" en dus van het mogelijke tekortschieten. De stress van het willen spelen "in de Champions League". de stress die ook zal doorwerken in hoe programmamakers omgaan met hun medewerkers.

We spelen Champions League’, zegt Van Nieuwkerk vaak. Nadat eindredacteur Van der Horst in 2008 is vertrokken, laat hij zich steeds vaker gelden. ‘De maestro’, zoals Van Nieuwkerk wordt genoemd, is extreem perfectionistisch. En dat verwacht hij ook van anderen. Voor middelmaat is geen plaats. Iedere uitzending voelt hij opnieuw dat hij kan falen.

‘Mijn kop ligt op het hakblok’, schreeuwt hij geregeld. Hij is bang voor verslapping. De druk moet maximaal zijn. Altijd. Tot het einde toe. (In de succesvolle tv-machine van DWDD werd menig redacteur vermalen.)

Dat brengt ons op het tweede signaal, dat van de machtsongelijkheid binnen het team dat een programma maakt. Niet alleen was de leider van het team van DWDD iemand die in de competitie om kijkcijfers een hoge status had verworven, hij kon ook zijn medewerkers maken of breken. Want die medewerkers hadden meestal niet een vast contract. En het was lastig om tussentijds op te stappen:

Wat het voor medewerkers met een jaarcontract ook lastig maakt, is dat ze vaak een fors bedrag moeten betalen om tijdens een lopend seizoen weg te ­mogen bij DWDD. Doordat medewerkers (tot 2018) in de zomer drie maanden vrijaf hebben maar wel doorbetaald worden, bouwen sommigen van hen een ‘schuld’ op aan vrije dagen. Een schuld die tijdens een seizoen makkelijk te compenseren is met alle gemaakte overuren, maar die zij bij een tussentijds vertrek moeten terugbetalen – soms tot een bedrag van wel twee maandsalarissen. ‘Veel twintigers zonder vast contract konden zich dat niet veroorloven’, zegt een medewerker. (In de succesvolle tv-machine van DWDD werd menig redacteur vermalen.)

Net zo als inkomensongelijkheid, wakkert machtsongelijkheid het statuscompetitiepatroon aan. De machtigen willen hun macht doen gelden, al was het maar om hun ondergeschikten er voortdurend aan te herinneren hoe de verhoudingen liggen. (Ook de machtige voelt zich onveilig. Denk aan dat hakblok.) En de machtelozen rest, bij gebrek aan alternatieven, niets anders dan zich bij die verhoudingen neer te leggen. Zo lang dat gaat.

Er is dus een sociaalwetenschappelijk zicht op wat je kunt doen om het ontstaan van een angstcultuur in de televisiewereld te voorkomen. Schaf de financiering door reclame inkomsten af en maak daarmee een einde aan de kijkcijferterreur. Want een publieke voorziening, zoals de publieke omroep, moet je met publieke middelen financieren. En zorg door middel van arbeidsovereenkomsten voor machtsnivellering binnen de organisatie. Hier het vervolg.

donderdag 13 december 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 13 - Over gelijkheid, klassenstrijd, tegengestelde machten en de actualiteit van John Kenneth Galbraith

Als gelijkheid zo cruciaal is voor de democratie (zie het vorige bericht in deze reeks), dan is het op zijn minst een van de belangrijkste opgaven voor de democratische overheid om gelijkheid te bevorderen. Daarbij gaat het uiteraard niet om gelijkheid als eenvormigheid, maar om gelijkheid in economische levenskansen en bestaanszekerheid en daarmee in de vrijwaring van onderdrukking en vernedering.

We zien ook dat veel van het overheidsbeleid (mede) gericht is op gelijkheidsbevordering. Denk alleen maar aan het onderwijsbeleid, de gezondheidszorg, de sociale zekerheid en de progressieve belastingheffing.

Maar er is daarnaast ook het beleid dat erop gericht is om op de markt gegroeide machtsposities te neutraliseren door het bevorderen van tegengestelde machtsposities. Dan komen we op het terrein van de leer van de countervailing powers, die John Kenneth Galbraith na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde (zie het elfde bericht in deze reeks).

Volgens die leer is het wel degelijk mogelijk dat op een markt machtsposities ontstaan en blijven bestaan. Als die niet als vanzelf een tegenmacht oproepen, zoals de vakbeweging tegen de macht van de werkgevers, is het zaak voor de overheid om zo'n tegenmacht te bevorderen.

Volgens de redenering die we in deze reeks van berichten volgen, is zo'n beleid gemotiveerd door onze morele gemeenschapsintuïties. Die ons ertoe brengen om onderlinge verbondenheid te benadrukken (iedereen telt mee) en rechtvaardige verhoudingen en onderlinge samenwerking als wenselijk te zien.

Waarbij we ons realiseren dat de menselijke sociale natuur ambivalent is en dat er dus altijd een strijd zal zijn met onze neigingen tot statuscompetitie en dus tot het willen overheersen van anderen. Die strijd is deels een innerlijke strijd en deels, doordat mensen verschillen, een interpersonele, zeg maar politieke, strijd.
Hier ligt, bedenk ik me nu, enige overeenkomst met wat Karl Marx (1818 - 1883) dacht over de menselijke soort (das Gattungswesen), die volgens hem een innerlijke drijfveer heeft om de communistische gemeenschap na te streven, maar dat doel alleen langs de weg van de klassenstrijd kan bereiken.
Ik vroeg me af wat er bij Galbraith is te vinden over de motivering achter zijn theorie van de tegengestelde machten.  Ik geef hieronder een aantal citaten door die in dat verband interessant zijn (uit de Nederlandse vertaling van American Capitalism, de Aula-pocket editie van 1965).
Het scheppen van een tegenwicht tegen alle machtsposities op een markt is op z'n minst theoretisch te rechtvaardigen. (p. 138)
Men zal het er zeker over eens zijn dat in deze eeuw het politieke en economische leven in Amerika aan kracht gewonnen heeft als gevolg van de verbeterde positie van arbeiders en boeren - twee belangrijke en vroeger achtergestelde groepen. Een kleine vijftig jaar geleden werden de arbeidsverhoudingen in Amerika gekarakteriseerd door gemelijkheid, haat en angst. De houding van de boeren onderscheidde zich door diep gewortelde gevoelens van onveiligheid en minderwaardigheid. (...) Arbeiders en boeren leefden in het besef dat zij hoe dan ook onderworpen waren aan de macht van anderen. Het was daardoor onvermijdelijk dat met het tot ontwikkeling komen van tegengestelde machtsposities deze gevoelens zouden veranderen, en dat gebeurde dan ook. In plaats van minderwaardigheids- en onveiligheidsgevoelens kwam er een goed ontwikkeld besef van gelijkwaardigheid en zelfvertrouwen.(...)
Harmonische sociale verhoudingen lijken een aannemelijke doelstelling. Het lijkt bevorderlijk voor het algemeen welzijn dat er op een gegeven moment niet een openlijke of onderdrukte revolutie ontstaat. Verandering en vernieuwing, die als voornaamste doel het verminderen van sociale spanningen hebben, zijn in de economie echter niet erg in tel, althans niet bij hen die zich helemaal richten op het concurrentiemodel als maatschappelijke norm. Er zijn sommigen die wel een beetje onrust willen accepteren als dat dienstig kan zijn voor zo'n bewonderenswaardig doel. Voor anderen is dit niet iets waar de economen zich druk over moeten maken. Zij kunnen het straatoproer gadeslaan vanuit hun vensters. (p. 145-6) 
En ik herken daarin zowel het gemeenschapsstreven (harmonische sociale verhoudingen, verminderen van sociale spanningen) als het idee van een strijd die gevoerd moet worden (met de aanhangers van het concurrentiemodel, die wel wat onrust willen accepteren, omdat ze die veilig van achter hun vensters kunnen gadeslaan).

Tot slot van dit bericht kan ik de verleiding niet weerstaan om een passage te citeren waarin Galbraith de toenmalige toestand in de Verenigde Staten beschrijft die bestond door het nog ontbreken van tegengestelde machtsposities. Want hoewel allerlei omstandigheden verschillen, we hebben het over de jaren 40 en 50 van de vorige eeuw, zou die beschrijving met enige aanpassingen (vervang de arbeiders uit die tijd door de Amazon-werknemers van nu) ook zo maar kunnen slaan op wat wij nu, in 2018, meemaken.
Er zijn nog enkele miljoenen Amerikanen die over geen enkele organisatie beschikken om zich op de markt te doen gelden en wier levensstandaard en welvaart duidelijk blijk geven van de gevolgen daarvan. Hierbij zijn bijvoorbeeld een twee miljoen landarbeiders inbegrepen, de volkomen vergetenen in Amerika. Zij kennen geen enkele sociale zekerheid in hun werk - er zijn maar weinigen die niet per dag opgezegd kunnen worden. Ze genieten slechts in beperkte mate de voordelen van sociale zekerheid; gewoonlijk worden ze niet beschermd door een compensatie voor wat een nogal riskant beroep is; velen hebben geen vaste verblijfplaats; wat hun betaald wordt, is verre van fraai. Een aandeel in de winsten uit de recent ontwikkelde machtspositie van de boeren op de markt moet nog overgeheveld worden naar degenen die bij hen in loondienst zijn.
Dan zijn er ook nog de ongeorganiseerde arbeiders in de stad, zij die aan de rand van de georganiseerde arbeidersbeweging staan en - misschien de belangrijkste van allemaal - de beroepscategorieën die in het verleden alle streven naar economische macht hebben afgezworen. Onderwijzers, intellectuelen, gemeente- en rijksambtenaren hebben over het algemeen vermeden zich te organiseren als iets dat niet helemaal netjes was; ook omdat men geloofde dat werkgevers en de samenleving als geheel hun belangrijkheid wel zouden erkennen en hen dienovereenkomstig zouden betalen. (p. 148-149)
Galbraith was in die tijd een zeer invloedrijke econoom. Overheden namen zijn lessen ter harte.

Lessen die na de opkomst van het neo-liberalisme in de jaren 80 van de vorige eeuw weer werden vergeten. Of wetens en willens aan de kant werden gezet.

Ook dat was een episode in de onophoudelijke strijd om waar we met zijn allen met de maatschappij naartoe willen: meer of juist minder democratie, verzorgingsstaat, gelijkberechtiging en mensenrechten. Lees hier het volgende bericht.

dinsdag 11 december 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 12 - De strijd om de democratie is de strijd voor gelijkheid

Zal de sinds de jaren 80 van de vorige eeuw sterk toegenomen ongelijkheid ons verhinderen om de derde stap van de mensheidsgeschiedenis, die naar democratie, gelijkberechtiging, verzorgingsstaat en mensenrechten, te voltooien? Zie hier het vorige bericht in deze reeks.

Waarom is die ongelijkheid de grote hinderpaal? Een antwoord op die vraag komt naar voren als je bedenkt dat die derde stap een collectieve poging is om onze samenlevingen en de internationale orde vorm te geven langs de lijnen van onze morele gemeenschapsintuïties. De intuïties die ons er in de lange periode van de jagers-verzamelaarssamenlevingen toe brachten om samen te werken en te delen.

Maar die jagers-verzamelaarssamenlevingen waren, als voorwaarde en als uitkomst, sterk egalitair. Alleen bij een grote mate van gelijkheid lukt het om samen te werken en te delen. En door dat samenwerken en delen en daarmee gelijk op de altijd sluimerende neigingen tot statuscompetitie en het vestigen van een statushiërarchie te onderdrukken, bleef die gelijkheid in stand.

Diezelfde morele intuïties motiveren ons om nu al ruim een eeuw te streven naar democratie, verzorgingsstaat, gelijkberechtiging en mensenrechten, de vier wenselijkheden die nauw met elkaar zijn verbonden. En dat is zo gekomen doordat de Industriële Revolutie de vraag naar geschoolde arbeid deed toenemen, een beweging die de voorwaarden schiep voor een toename van gelijkheid en dus voor de wens naar democratie en wat daarmee samenhangt.

De achterliggende gedachte is dus dat gelijkheid de cruciale factor is die de beweging richting de democratie in werking stelt. En dat diezelfde democratie ervoor zorgt dat gelijkheid in stand blijft.

Dat betekent dat de strijd die we nu gevoerd zien worden voor de democratie samenvalt met de strijd voor gelijkheid. En dat de tegenstanders in die strijd degenen zijn die die gelijkheid juist niet willen. Die zich ertegen verzetten omdat ze zichzelf zien als verheven boven anderen. Boven anderen die niet dezelfde voorrechten behoren te hebben als zijzelf.

Degenen dus bij wie het statuscompetitiepatroon overheerst boven het gemeenschapspatroon. Zie de berichten achter het label Dual-Mode theorie, in het bijzonder:
Lees hier het volgende bericht.

dinsdag 4 december 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 11 - Ongelijkheid is ook altijd machtsongelijkheid en macht heeft tegenmacht nodig

We zijn bij de derde stap van de mensheidsgeschiedenis aangekomen. De stap richting de democratie, de gelijkberechtiging, de verzorgingsstaat en de mensenrechten. Maar of de mensheid in staat zal zijn om die stap te voltooien is bepaald nog niet zeker. Zie het vorige bericht in deze reeks.

Het allesoverheersende probleem waar we mee geconfronteerd worden is dat van de sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw sterk toegenomen ongelijkheid.

Er zijn al talloze rapporten en artikelen en boeken verschenen die die toename documenteren. Ik verwijs nu maar even naar het eerder op dit blog verschenen bericht Was de explosie van CEO-beloningen een kwestie van normverandering?

Daarin zie je voor de Verenigde Staten een grafiek van hoe de beloningen van de ondernemingsbestuurders (CEO's) zich ontwikkelden in vergelijking met de van de gewone werknemers. Je ziet de plotselinge en sterke stijging van die ratio eind jaren tachtig, waarna er fluctuaties optreden die samenhangen met het barsten van de internetzeepbel (1997 - 2000) en de Grote Financiële Crisis van 2008 - 2010). Die er op wijzen dat de economie met de toename van de ongelijkheid instabieler werd. De grafiek eindigt in 2011, toen de CEO's bijna 300 maal meer verdienden dan de gewone werknemer, vergeleken met 20 maal zoveel in de jaren 60 en 70.

In datzelfde bericht zie je ook een veelzeggend plaatje dat iets zegt over de oorzaken van die sterke toename van de ongelijkheid. De grafiek namelijk die laat zien hoe de marginale belastingtarieven van de hoogste inkomens zich ontwikkelden tussen 1916 en 2011. Je ziet dat het tarief voor de inkomstenbelasting in de jaren 50, 60 en 70 nog op 90 procent lagen, maar daarna stapsgewijs en snel halveerden. In ieder geval een deel van die toegenomen ongelijkheid is dus een gevolg geweest van bewust beleid. Het neoliberale beleid dat meer ongelijkheid juist goed zou zijn voor iedereen.

Grote ongelijkheid bergt grote gevaren in zich, doordat er processen optreden die maken dat die ontwikkeling onomkeerbaar wordt. Ik heb ze opgesomd in het bericht Loopt het kapitalisme op zijn laatste benen? Economische, maar ook sociaalwetenschappelijke inzichten.

Een van die gevaren is dat ongelijkheid altijd ook machtsongelijkheid is. En machtsongelijkheid vormt uiteraard een bedreiging voor de democratie en de gelijkberechtiging. De verleiding van machtigen om hun macht uit te oefenen ter behartiging van hun eigen belangen is over het algemeen onweerstaanbaar.

Vandaar dat John Kenneth Galbraith in de jaren 50 van de vorige eeuw zijn, nu nagenoeg vergeten, maar wel heel actuele, theorie van de tegengestelde machten (countervailing powers) ontwikkelde. Je kunt zijn betoog lezen alsof het nu geschreven is.

Als je naar "reëel bestaande" markten kijkt, in tegenstelling tot de markten met volledige concurrentie uit sommige leerboeken, dan zie je dat daar machtsconcentraties kunnen optreden. Die kunnen soms als vanzelf een tegengestelde macht oproepen, maar dat is niet gegarandeerd. Als dat niet zo is, dan ligt daar een taak voor de overheid. Meer daarover in het volgende bericht, maar nu alvast Galbraith zelf aan het woord (geciteerd uit de Nederlandse vertaling van American Capitalism):
Aangezien het verschijnsel der tegengestelde (vind ik beter dan het "contrasterende" van de vertaler) machtsposities van groot praktisch belang is, ook al vond het lange tijd in de economische en politieke theorie geen erkenning, zouden we, in overeenstemming met onze sterk pragmatische benadering, van de overheid verwachten dat zo'n machtspositie voorwerp zou zijn van een groot stuk wetgeving en overheidsbeleid. (...)
In feite is in de moderne tijd het steunen van tegengestelde machtsposities misschien wel de voornaamste binnenlandse taak in vredestijd geworden van de federale regering.
Dat komt nogal actueel over, nu de Verenigde Staten worstelen met een groot monopolieprobleem:
The Monopolization of America.

En dan hebben we het nog niet eens over de macht van de grote internationale ondernemingen: Break up Facebook (and while we're at it, Google, Apple and Amazon).
Lees hier het volgende bericht.

maandag 18 april 2016

Waarom toch die obsessie met stambomen in Genesis? - Een biologische antropologie van de Bijbel - 8

Carel van Schaik en Kai Michel attenderen de lezer in hoofdstuk 3 van hun Het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel op de merkwaardige passages in Genesis waarin genealogische overzichten worden uiteengezet. Die uitvoerige opsommingen stellen het geduld van de lezer op de proef. Vanwaar deze obsessie met stambomen?

Volgens Van Schaik en Michel kwam die voort uit een in de tijd van de landbouwrevolutie opkomende anti-chaosstrategie:
De samenleving moest een sociaal netwerk knopen om tegenwicht te kunnen bieden aan de centrifugale krachten (...). Er moest van alles worden gedaan om te voorkomen dat het egoïstische belang van een enkeling de samenleving in chaos zou doen verzinken.
Er moest iets in de plaats komen van de grote mate van onderlinge vertrouwdheid waarop in de jagers-verzamelaarssamenlevingen de sociale orde van samenwerking en delen was gebaseerd. Omdat mensen vrij plotseling veel meer onder vreemden kwamen te verkeren, en die kring van onderlinge vertrouwdheid een klein eilandje werd in een grote zee van alle mensen die je tegenkwam, ontstond er een tot dan onbekend probleem. Hoe ga je om met vreemden? Wat kun je verwachten van vreemden?

Het uitzoeken van wie met wie verwant
is en of een vreemde misschien toch nog in een steeds maar uitdijende stamboom met jou verbonden is, dat werd een algemeen gedeelde interesse. Een obsessie, kun je wel zeggen. Want als zo verwantschap is ontdekt of via vele omwegen is gereconstrueerd, dan creëer je daarmee een soort gezamenlijkheid die een substituut wordt van de vertrouwdheid die je eigenlijk zou willen. En dan ga je daarnaar handelen en verwacht je dat de ander dat ook zal doen.

Dan kan zo ver gaan dat we het sjabloon van verwantschap ook gaan toepassen in die gevallen waarin een "echte" verwantschap niet gevonden is. Want we zijn toch allemaal familie?
Fascinerend wat er gebeurt: hier wordt een oeroude bron van menselijk altruïsme aangeboord. Als genealogieën een 'fictieve verwantschap' construeren, hebben we te maken met een 'culturele manipulatie van familiepsychologie' met als oogmerk om in grootschalige samenlevingen solidariteit tot stand te brengen. De Bijbel simuleert één grote familie en vervangt anonimiteit door een uit een gezamenlijk verleden voortkomende vertrouwdheid.
Vandaar het gebruik in religieuze groepen om elkaar als "broeders" en "zusters" aan te spreken. En vandaar het godsbeeld van een vaderfiguur.
(In het citaat hierboven wordt verwezen naar het artikel The Evolution of Religion: How Cognitive By-Products, Adaptive Learning Heuristics, Ritual Displays, and Group Competition Generate Deep Commitments to Prosocial Religions van Scott Atran en Joseph Henrich, dat nu op mijn leeslijst staat.)
Bedenk daarbij hoe ambivalent de Bijbelverhalen als geheel zijn. Want terwijl hier de boodschap is dat we eigenlijk allemaal familie van elkaar zijn, en we ons dus ook als familie zouden behoren te gedragen, dienen weer andere verhalen om grote machtsverschillen te legitimeren. In feite handelen we natuurlijk maar beperkt volgens die familieboodschap.

Waardoor er machtigen en machtelozen ontstaan. En de machtigen verspreiden de verhalen die uitdragen dat dat zo hoort en nu eenmaal onvermijdelijk is.

Het is eigenlijk maar een klein stapje van die Bijbelverhalen naar de mediaberichtgeving en de ideologieën van vandaag de dag.

(De figuur toont de stamboom van Abraham en is ontleend aan de wiki-pagina De geschiedenis van Abraham.)

vrijdag 1 april 2016

Het afscheid uit het paradijs was niet goed voor vrouwen (Wat leert ons een biologische antropologie van de Bijbel? - 6)

De overgang naar landbouw in de mensheidsgeschiedenis had ingrijpende gevolgen voor de positie van de vrouw. Daarmee zijn we beland bij het derde thema in de Bijbelverhalen. Zie voor het eerste thema hier en het tweede hier.

In jagers-verzamelaarssamenlevingen was er een grote mate van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. En dat hing samen met de grote mate van gelijkheid tussen mannen. Voor hun overleving waren jagers-verzamelaars aangewezen op samenwerking en delen van voedsel en dus op sociale harmonie. Ten behoeve daarvan werd de neiging tot statuscompetitie individueel en zo nodig collectief onderdrukt.

Voor vrouwen betekende die gelijkheid dat ze nooit gedwongen konden worden zich aan een man te binden. Van Schaik en Michel daarover in Het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel:
Weliswaar was er sprake van een zekere dominantie van de man, maar een vrouw kon altijd naar haar familie terugkeren of van man wisselen als haar eigen man zich te eigenmachtig gedroeg. De paarbinding was nog niet specifiek exclusief. Er bestonden wel monogame relaties, maar dat een vrouw zich haar hele leven lang zou moeten binden aan één man, was geen vaste praktijk.
Een vrouw kon diverse partners na elkaar hebben. Soms had ze ook op hetzelfde moment diverse relaties. Dat ging gemakkelijk, omdat de precieze vaderschapsverhoudingen niet vastgesteld konden worden. Het verkeer met meerdere mannen was in het belang van de vrouw; zo kon een netwerk van potentiële vaders worden opgebouwd die zich verantwoordelijk voor haar voelden.
En voor haar kinderen.

Dat veranderde met de introductie van eigendom in de landbouwsamenleving. Bezit moest worden beschermd en dat leidde er toe dat zonen bij hun vader bleven. Dus werden dochters uitgehuwelijkt en werden vrouwen van elders gehaald. Het fenomeen van de bruidsschat ontstond, waarmee vrouwen handelswaar werden.

Waardoor vrouwen ondergeschikt moesten worden aan mannen. En trouw aan hun man. Want omdat je bezit had en dat wilde doorgeven aan je kinderen, wilde je als man zekerheid over het vaderschap. Waar jagers-verzamelaarsmannen niet om maalden, werd voor landbouwers een prioriteit.

Bovendien leidde de toegenomen ongelijkheid er toe dat een man meer vrouwen kon nemen ('kopen"). Voor vrouwen hield dat in dat ze voor de keus konden komen te staan om een van de vrouwen van een rijke man te worden of de enige vrouw van een arme man. Het eerste was dan vaak aantrekkelijker.

En dat creëerde weer de omstandigheden waaronder de obsessie met de maagdelijkheid van de vrouw voor het huwelijk zich kon ontwikkelen. Door de omgang met huisdieren, ook in de vorm van sodomie, ontstonden de infectieziekten. Die sodomie werd juist ook uitgelokt doordat de rijke mannen de vrouwen monopoliseerden, waardoor een reservoir aan overgebleven mannen ontstond. Wat bijdroeg aan de cultus van de maagdelijkheid en de "reinheid" van vrouwen.

Kortom, de overgang naar de landbouw zorgde voor een terugkeer naar het alfa-mannetjes-model van de chimpansees en veel andere primaten. Terwijl het bij die primaten vooral gaat om verschillen in de fysieke kracht van de mannetjes, vandaar de seksuele dimorfie, gaf bij de landbouwers het bezit de doorslag. En de vrouwen delfden het onderspit.

En natuurlijk moeten we daarbij bedenken, aldus Van Schaik en Michel, dat de Bijbelverhalen werden geschreven door mannen en met het oog op de doeleinden van mannen. Dat vrouwen zouden moeten gehoorzamen aan hun man, is duidelijk niet te rijmen met de egalitaire morele intuïties van de jagers-verzamelaars. Vandaar dat in de Bijbelverhalen die gehoorzaamheid zo moest worden benadrukt.

donderdag 11 februari 2016

Machtige leiders falen als ze moeten samenwerken - En over waarom dat zo is

We kennen de gevaren van macht en leiderschap. Onderzoek laat zien dat mensen die op een machtspositie terecht komen, de kans lopen om hoogmoedig te worden, om op anderen neer te kijken, om krediet voor prestaties van anderen te claimen, om egoïstischer te worden, om zich onbeschofter te gaan gedragen en anderen niet te laten uitpraten en om zich minder van de opvattingen van anderen aan te trekken.

Die opsomming van negatieve gevolgen van leiderschap vind je in de studie Failure at the top: How power undermines collaborative performance. Dat is allemaal al erg genoeg, denk je dan. Maar dit onderzoek gaat over de vraag of leiders wel in staat zijn om onderling samen te werken.

Dat is een belangrijke vraag, omdat in onze maatschappij een goede samenwerking tussen leiders in politiek, organisaties en bedrijfsleven nogal belangrijk lijkt. Om zaken van algemeen belang goed te regelen is veel overleg en samenwerking nodig tussen degenen die in de verschillende maatschappelijke sectoren machtsposities bekleden. Om nog maar niet te spreken over de noodzaak van overleg en samenwerking tussen leiders van nationale staten, zoals in de eurozone (!) en in de internationale politiek.

Welnu, de uitkomst van dit onderzoek stemt niet vrolijk. De onderzoekers vergeleken de kwaliteit van de samenwerking tussen groepen van leiders en groepen van niet-leiders. Dat deden ze zowel in het laboratorium, waar ze macht en leiderschap manipuleerden, als in een real-life setting, waarin echte leiders samenwerkten en werden vergeleken met echte niet-leiders.

De uitkomsten zijn eenduidig. Als machtigen onderling moeten samenwerken, is de uitkomst slechter, zowel wat creativiteit betreft als de kans op het bereiken van overeenstemming.

En dat ligt er aan dat leiders meer onderling bezig zijn met statuscompetitie (Wie is hier nu de machtigste?) en ruziemaken en minder informatie delen en minder taakgericht bezig zijn.

Kortom, als je machtige leiders bij elkaar zet, dan is de kans klein dat ze er iets van bakken. En ach, is dat niet wat we maar al te vaak zien gebeuren?

Voor een deel zal dit er ook aan liggen dat narcisten een grotere kans hebben om op leiderschapsposities terecht te komen. En we weten dat narcisten niet uitblinken in het vermogen tot samenwerking. Zie Hoe komt het dat we zoveel last hebben van narcistische leiders? en Zijn narcisten goed in verwerven van leiderschap en slecht in uitoefenen daarvan?

Maar omdat de leiderschapsposities in het laboratorium willekeurig werden toegewezen, is dat dus niet de volledige verklaring. Nee, het lijkt vooral te liggen aan dat sociale proces van statuscompetitie, waaraan leiders zich overgeven als ze onder elkaar zijn. Dat blijkt er ook uit dat leiders als ze in hun eentje een taak moeten uitvoeren, juist opvallend creatief zijn.

Nee, we mogen blij zijn als onze machtige leiders het er in onderling overleg en onderhandeling het er zo nu en dan goed van af brengen.

donderdag 25 juni 2015

Machtig zijn maakt mensen wantrouwend, waardoor ze anderen willen vernederen

Onderzoekers van de Universiteit van Leiden tonen in de studie Why leaders punish: A power perspective (betaalpoort) aan dat mensen door het innemen van een machtspositie wantrouwend worden tegenover anderen en dat ze daardoor meer de neiging hebben om overtreders af te schrikken met zwaardere en voor publiek zichtbare straffen.

Anders gezegd, overtreders zouden een bedreiging kunnen vormen van de macht die jij verworven hebt en daarom moeten ze publiekelijk worden vernederd. Daaraan lijkt ten grondslag te liggen dat voor degenen die macht hebben verworven, het behoud van die macht op de allereerste plaats komt te staan. De onderzoekers tonen een en ander aan door middel van 9 experimenten, waarin gekeken werd naar zowel de effecten van hoeveel macht mensen denken te hebben in hun dagelijks leven als de effecten van manipulaties in het laboratorium die hen in een machtspositie brachten.

Het blijkt dan dat het gevoel van macht en het bekleden van een machtspositie het wantrouwen in anderen vergroot. En dat het vervolgens het dat grotere wantrouwen is dat er toe leidt dat het afschrikkingseffect van straffen gaat overheersen. Anderen deugen niet en horen aan de schandpaal te worden genageld. Macht creëert via wantrouwen de lust tot vernederen.

Uiteraard gaat het hier over statushiërarchie en statuscompetitie. Er van uitgaande dat macht en status vergaand overlappen. En het onderzoek wijst ons weer eens op de gevaarlijke uitwassen die naar boven komen als we de statuscompetitie niet voldoende aan banden leggen. Als we grote machtsverschillen en grote inkomens- en vermogensongelijkheid ruim baan geven.

De bevindingen liggen geheel in de lijn van eerder onderzoek dat er op wijst dat het bekleden van een machtspositie en het machtsgevoel dat daarmee gepaard gaat, mensen minder empathisch maakt. Zie Gevoel van macht maakt mensen minder empathisch.

De onderzoekers leggen een link met het fenomeen dat de landen met de grootste inkomensongelijkheid ook de landen zijn met de meeste gedetineerden. Denk aan de Verenigde Staten.

En je denkt natuurlijk ook meteen aan de bekende rij dictatoriale machthebbers die de mensheidsgeschiedenis tot nu toe heeft opgeleverd, zoals Hitler, Stalin, Mao, Pol Pot. Bij wie machtshonger, paranoia en zucht tot vernedering zo overduidelijk samengingen.

Maar ik moest ook even denken aan hoe op het ogenblik de Europese machthebbers hun uiterste best doen om de Griekse regering, die het aandurft om het zomaar met hen oneens te zijn (hoe brutaal!), te vernederen. Die moeten op hun nummer worden gezet en daar moet alles voor wijken.

maandag 8 juni 2015

De (zelf-)verontmenselijking van de machtelozen

We wisten al dat machtsongelijkheid er toe leidt dat de machtigen neerkijken op de machtelozen. Dat kan zover gaan dat de machtelozen worden verontmenselijkt, niet meer als mens worden gezien. En dat is een verontrustend verschijnsel, want het creëert de voorwaarden voor discriminatie, vernedering en genocide.

Maar wat doet machtsongelijkheid met hoe machtelozen zichzelf zien? Nieuw onderzoek wijst er op dat machtelozen ook zichzelf verontmenselijken. En dat zou wel eens een deel van de verklaring kunnen zijn voor het verschijnsel dat machtelozen in hun lot berusten en zo lang wachten met in opstand te komen.

De onderzoekers van de studie The Impact of Power on Humanity: Self-Dehumanization in Powerlessness brachten proefpersonen op verschillende manieren in een positie van machteloosheid. Zo moesten ze zich een vroegere situatie voor de geest halen waarin ze in een machteloze positie verkeerden. Of ze moesten een taak uitvoeren waarin ze de rol van ondergeschikte speelden. Of ze zaten in een bezoekersstoel in een kantoor, terwijl iemand anders imposant achter het bureau zat.

Vervolgens werd gekeken hoe de "machtelozen" zichzelf zagen en hoe ze dachten dat anderen hen zagen. In vergelijking met hoe de "machtigen" zichzelf zagen. Daarbij ging het om de vraag of ze een verontmenselijkt beeld van zichzelf hadden.

Dat begrip verontmenselijking (dehumanization) werd eerder in kaart gebracht door Nick Haslam. In Dehumanization: An Integrative Review onderscheidt hij twee vormen van verontmenselijking, de animalistische en de mechanistische. De eerste slaat op het niet deel uitmaken van een cultuur en het amoreel, ongeremd, irrationeel en kinderlijk zijn. En de mechanistische verontmenselijking is gekenmerkt door afwezigheid van emotionele responsiviteit, door starheid, passiviteit, uitwisselbaarheid en oppervlakkigheid.

In het onderzoek werd de mate van beide vormen van verontmenselijking vastgesteld met uitspraken als
I felt like I was an object, not a human
I felt like I was mechanical and cold, like a robot
I felt superficial, like I had no depth
I felt like I lacked self-restraint, like an animal
I felt like I was unsophisticated
Het blijkt dan dat degenen die in een machteloze positie waren gebracht, zichzelf als meer verontmenselijkt zagen dan de machtigen. Bovendien geloofden ze dat ze door anderen, de machtigen en buitenstaanders, ook als meer verontmenselijkt werden gezien. En dit resultaat bleef in stand als gecontroleerd werd voor hoe goed of slecht ze zich voelden en voor hoeveel belang ze hechtten aan de kenmerken van menselijkheid. Opvallend dat zulke op het oog onbeduidende manipulaties toch zulke aantoonbare effecten hebben.

Machtsongelijkheid werkt dus naar beide kanten negatief uit, zowel naar de machthebbers als naar de machtelozen. Dit ligt geheel in de lijn van eerder onderzoek dat liet zien dat een gevoel van macht mensen minder empathisch maakt.

En je moet natuurlijk ook denken aan de uitwerking die totale instituties hebben op mensen die daar deel van moeten uitmaken. Zoals beschreven door Erving Goffman in zijn prachtige Asylums: Essays on the Social Situation of Mental Patients and Other Inmates uit 1961.

Zoals je ook te binnen schiet wat er gebeurde in dat Stanford Prison Experiment, niet alleen met de bewakers, maar ook met de gevangenen. Zie nog eens het bericht Over de verklaring van gruwelijk gedrag - Stanley Milgram en Philip Zimbardo.