Posts tonen met het label Kenneth E. Boulding. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kenneth E. Boulding. Alle posts tonen

donderdag 8 april 2021

Hoe de "liberale geloofsovertuiging" (Polanyi) met de werkelijkheid geconfronteerd werd - toen en nu. Waardoor we nu gespannen afwachten of er een Rutte IV komt

Thomas Piketty beschrijft in zijn Capital and Ideology wat Karl Polanyi The Great Transformation noemt als de overgang van de ternary (drieledige) naar de ownership societies. In de drieledige maatschappijen was de bevolking verdeeld in de geestelijkheid, de adelstand en het gewone volk, het overgrote deel dat het werk verrichtte. We zagen hoe Polanyi beschrijft hoe in die drieledige Engelse maatschappij tot eind achttiende eeuw min of meer gehandeld wordt naar de morele gemeenschapsintuïtie van het iedereen telt mee. Op lokaal niveau, in de dorpen en in de parochies en de kerkelijke gemeentes, diende er voor gezorgd te worden dat niemand van honger hoefde om te komen. Hoewel dat gebeurde, overheerste voor het overige de grote ongelijkheid van de statushiërarchie.  Zie het vorige bericht.

Maar tegen het eind van de achttiende eeuw bleek die sociale en dus morele inbedding van het economisch leven moeilijker te handhaven. De opkomst van de industrie en de schaalvergroting van de handel creëerden niet alleen meer welvaart, maar ook een overheveling van het armoedeprobleem naar het bovenlokale niveau. (Bedenk dat de Industriële Revolutie aanvankelijk niet alleen rijkdom, maar ook pauperisme voortbracht.) Dat was een nieuwe uitdaging. Daarvoor gesteld, was het eerste antwoord daarop dat van het laissez faire. 

Volgens de Malthusiaanse gedachte zou het helpen van de armen alleen maar leiden tot het verstoren van het evenwicht tussen de omvang van de bevolking en de beschikbare middelen om die te voeden. Analoog aan evenwichten in de natuur tussen roofdieren en prooidieren zou ook in de mensenmaatschappij altijd een evenwicht tot stand moeten komen. En zou het dus juist onverstandig zijn om de moreel geïnspireerde zorg voor de armen op het lokale niveau over te hevelen naar het nationale niveau. Dat zou het tot stand komen van dat evenwicht alleen maar vertragen. 

En zo ontstond het moreel luchtledige economisch denken, waarin niet de moraal, maar de markt de maat der dingen is. Met daaraan gekoppeld het (één-)evenwichtsdenken dat in het vak economie sindsdien gedomineerd heeft. Van de morele gemeenschapsintuïties werd alleen de intuïtie van de vrijheid van overheersing nog van belang geacht. En die werd belichaamd in dat nieuwe sociale mechanisme van de markt, waar immers alle transacties, met veel goede wil, kunnen worden beschouwd als vrijwillig gesloten. Voor de rest kon de moraal terzijde worden geschoven, evenals de complicatie dat de markt zou kunnen worden verstoord door machtsverhoudingen. 

Polanyi karakteriseert dit denken als de "liberale geloofsovertuiging" (hoofdstuk 12), als "a veritable faith in man's secular salvation through a self-regulating market" (p. 135), als "a crusading passion" en "a militant creed" (p. 137) en als een utopie (p. 141). En hij kijkt er in 1944 met verbazing en ongeloof op terug. 

Want hij kan er dan al op wijzen hoe die utopie met de werkelijkheid geconfronteerd werd. Na de uitbraak van twee wereldoorlogen en de crisis van 1929 en depressie van de jaren 30 en de New Deal in de Verenigde Staten. En na de Tweede Wereldoorlog kon hij nog getuige zijn (hij overleed in 1964) van de opbouw van de verzorgingsstaten, waarin juist ook de morele gemeenschapsintuïties van iedereen telt mee, van wij-met-zijn-allen en van rechtvaardigheid vorm kregen. Nog maar weer eens: van de gemeenschap georganiseerd in de staat.

En dan besef je hoe opmerkelijk het is dat die "liberale geloofsovertuiging", die utopie, zo overduidelijk met de maatschappelijke en politieke werkelijkheid geconfronteerd werd, terwijl tegelijkertijd de implicaties daarvan voor het vak economie nauwelijks werden getrokken. Want het vak economie ging gewoon door met dat één-evenwichtsdenken, met de markt als maat der dingen. Met het tot op de dag van vandaag negeren van andere morele gemeenschapsintuïties dan die van vrijheid van overheersing. (Met Kenneth Boulding als opvallende uitzondering, die dan ook weinig aandacht kreeg en nagenoeg werd vergeten.) 

Waardoor na die opbouw van verzorgingsstaten in de jaren 70 en 80 die liberale geloofsovertuiging keihard kon terugkeren, nu als het neoliberalisme van Thatcher en Reagan. En de opeenvolgende Nederlandse kabinetten, tot en met Rutte I, II en III. Met steeds de zogenaamde topeconomen die de weg wezen (Friedman, Buchanan en anderen). De overheid diende in dienst te staan van de markt en kon dus in het nagenoeg moreel luchtledige opereren. En weer een confrontatie met de werkelijkheid, nu met die van de Grote Financiële Crisis van 2008-2010, de eurocrisis, de klimaatcrisis en de coronapandemie.

We wachten dus met spanning af of er een Rutte IV komt.

Hier het volgende bericht.

dinsdag 15 september 2020

Een wettelijke taakopdracht tot maatschappelijk verantwoord ondernemen - Over morele intuïties en het domein van de markt

Wat mogen we van ondernemingen verwachten? Natuurlijk dat ze zich net als iedereen aan de wet houden. Maar er is naast de wet ook nog de moraal. Dus het geheel van onze gemeenschapsintuïties, die gaan over elkaar bijstaan, of in ieder geval elkaar geen schade berokkenen, en over eerlijk delen. Dat zijn inderdaad intuïties, dus geen vastomlijnde inzichten die voor alle omstandigheden in wetsteksten vertaald kunnen worden. Vandaar dat we naast en boven en onder de wet ook altijd nog de moraal hebben.

Daarom verwachten we van elkaar, als "natuurlijke personen", niet alleen het volgen van de wet, maar ook moreel gedrag. Een helpende hand toesteken als dat nodig is, eerlijk delen, elkaars autonomie respecteren en loyaal zijn. En omdat het in dit geval om inbedding in persoonlijke relaties gaat, creëren we dat morele gedrag met elkaar. We verwachten het van elkaar en het voelt meestal goed om aan die verwachtingen te voldoen. In die gevallen waarin we verwachtingen beschamen, laten anderen ons weten dat ze teleurgesteld of zelfs boos zijn. Wat ons weer herinnert aan het belang van moreel gedrag in het sociale verkeer. Moreel gedrag is dus een uitkomst van een sociaal proces, zoals ook pro-sociaal gedrag dat is.

Maar ondernemingen, en dus hun directeuren, opereren meestal niet in dat web van persoonlijke relaties. Ze zijn marktdeelnemers en hebben in die hoedanigheid vooral vluchtige, onpersoonlijke en zelfs anonieme relaties met anderen. Maar hun gedrag kan voor die anderen wel grote gevolgen hebben. 

Dat is een sociale omgeving die niet als vanzelf moreel gedrag doet ontstaan. En hoewel mensen morele wezens zijn, zijn ze niet onvoorwaardelijk moreel. Als moreel gedrag niet verwacht wordt, kun je er dus niet van uitgaan dat anderen zich moreel gedragen. Er is dan dus niet de sociale veiligheid die moreel gedrag uitlokt. Sterker, op de markt concurreer je met elkaar. 

Een sociale omgeving dus die gemakkelijk dat andere patroon, dat van de statuscompetitie uitlokt. In de aanvalsvariant, anderen de loef afsteken of te slim afzijn, of in de verdedigingsvariant. En dan kan  moreel gedrag geheel of gedeeltelijk uit het zicht verdwijnen. Dat kan dus betekenen dat een en dezelfde persoon zich binnen dat web van persoonlijke relaties als vanzelfsprekend moreel gedraagt en als ondernemingsdirecteur morele normen aan zijn laars lapt. Denk aan Bankiers zijn, als bankiers, oneerlijk - Dat wijst op een bankencultuur van bedrog.

Er is dus naast dat domein van de persoonlijke relaties ook het domein van de markt. Maar er is ook nog het domein van de democratische overheid, van wat wij met zijn allen willen. Denk aan het OMOP-schema. En wij met zijn allen kunnen via het democratische proces te kennen geven wat wij van marktdeelnemers, van ondernemingen en ondernemingsdirecteuren, verwachten.

Precies daarover gaan de discussies over "maatschappelijk verantwoord ondernemen". Discussies die niet toevallig de kop weer opsteken nu een periode van neoliberalisme op zijn eind lijkt te lopen. Waarin het Friedman-adagium domineerde dat ondernemingen niets anders behoren te doen dan het behartigen van de belangen van de aandeelhouders. Natuurlijk met als restrictie dat ze zich aan de wet dienen te houden. Maar afgezien daarvan zou het speelveld vrij moeten zijn van morele verwachtingen. Dat speelveld zou immers de wonderlijke eigenschap hebben dat het juist ook zonder verwachtingen van moreel gedrag tot voor iedereen heilzame uitkomsten zou leiden. U weet wel, de beroemde onzichtbare hand.

We zagen al dat nog voor deze periode een aanvang nam, in 1965, Kenneth Boulding zich in de discussie met Milton Friedman met argumenten tegen deze opvatting keerde. Lees nog eens de reeks berichten die ik daaraan wijdde, te beginnen met Wat mogen we van ondernemingen verwachten? En over Milton Friedman en Kenneth Boulding. Nu we de gevolgen van dat Friedman-adagium hebben meegemaakt, gaan we inzien dat we misschien beter naar Kenneth Boulding hadden moeten luisteren.

In dat kader is het boeiend om te zien dat er nu weer, geheel in de geest van Kenneth Boulding, gepleit wordt voor het expliciet en wettelijk invoeren van morele verwachtingen voor het gedrag van ondernemingen. Zie het pleidooi van 25 Nederlandse hoogleraren dat verscheen in het blad Ondernemingsrecht: Naar een zorgplicht voor bestuurders encommissarissen tot verantwoorde deelname aan hetmaatschappelijk verkeer.  Hier is de samenvatting: 

De liberalisering van de kapitaalmarkten heeft als neveneffect dat andere productiefactoren verhoudingsgewijs aan belang hebben ingeboet. Het denken in aandeelhouderswaarde is in de praktijk dominant geworden, ook in de Nederlandse context. De norm van het vennootschapsbelang waarborgt blijkens periodieke maatschappelijke erupties onvoldoende dat vennootschappen zich daadwerkelijk verantwoordelijk gedragen in de samenleving. Om die reden bepleiten 25 hoogleraren ondernemingsrecht de introductie van responsible corporate citizenship in de wettelijke taakopdracht van bestuurders en commissarissen. Bestuurders dienen ervoor te zorgen dat de vennootschap aan het maatschappelijk verkeer deelneemt als een verantwoordelijke vennootschap; commissarissen houden hierop toezicht. Verder stellen zij voor in de wet op te nemen dat vennootschappen een statutaire bestaansgrond (purpose of raison d’être) kunnen formuleren. Daarmee leggen zij op vrijwillige basis hun uiteindelijke doel en hun leidende beginselen vast. Over de verantwoordelijkheid voor de impact van de vennootschap op menselijk, sociaal en natuurlijk kapitaal kan expliciete verantwoording in de jaarstukken worden voorgeschreven. Zo kan het vennootschapsrecht de inbedding van ondernemingen in de samenleving versterken.

Ik vind het een fraai en doordacht pleidooi, dat precies op het goede moment komt. We hebben immers geleerd hoe dat moreel vrije speelveld van de markt zich kan ontwikkelen. Lees Een land van kleine buffers van Dirk Bezemer. 

En merk op hoe wet en moraal zich in dit voorstel verhouden. De opdracht tot "verantwoordelijk" handelen wordt in de wet opgenomen. Terwijl tegelijk niet precies kan worden omschreven wat die verantwoordelijkheid inhoudt:

Een verantwoordelijke vennootschap draagt verantwoordelijkheid jegens haar werknemers, is verantwoordelijk voor de gevolgen van haar handelen in de gemeenschappen waarin zij opereert en voor de gevolgen van haar handelen voor milieu en klimaat. Het streven naar winstgevende continuïteit op lange termijn moet ingebed zijn in deze brede verantwoordelijkheid. De inhoud van de zorgplicht van het bestuur en de raad van commissarissen voor een verantwoordelijke deelname van de vennootschap aan het maatschappelijk verkeer moet mede aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid in de concrete omstandigheden van het geval worden bepaald.

In die laatste zin staat precies wat nu eenmaal inherent is aan onze morele gemeenschapsintuïties. Ze sturen ons gedrag, maar als intuïties, niet als voorschriften. Beoordelingen "in de concrete omstandigheden van het geval" zijn dus onvermijdelijk. Net zo als dat in het domein van de persoonlijke relaties het geval is. Maar die onderliggende morele intuïties, die zijn bij iedereen aanwezig. Ook, als het goed is, bij de bedrijfselite die nu zegt niets te voelen voor "wettelijk opgelegd 'goed gedrag'".

vrijdag 11 september 2020

Dirk Bezemer over het aandeelhouderkapitalisme - Lees Een land van kleine buffers!

Iedereen moet Een land van kleine buffers van Dirk Bezemer lezen. Ik ben nog niet zo heel ver gevorderd - er is veel te veel dat gelezen moet worden - , maar wil er al wel aandacht aan besteden. Want al in het begin geeft Bezemer een wel heel heldere en beknopte omschrijving van wat er zich afspeelt onder het regime van het aandeelhouderkapitalisme waar wij nu al tientallen jaren onder leven. 

Denk nog even terug aan de discussie tussen Milton Friedman, de aanjager van dat aandeelhouderkapitalisme, en Kenneth Boulding in 1965. Ik schreef daarover in het bericht Wat mogen we van ondernemingen verwachten? En over Milton Friedman en Kenneth Boulding en de berichten die daarop volgden. Iedereen liep achter Friedman aan, maar het begint nu eindelijk tot velen door te dringen dat we beter naar Kenneth Boulding hadden moeten luisteren.

Wat dat achter Milton Friedman aanlopen ons heeft opgeleverd, daarvan geeft Dirk Bezemer een fraaie samenvatting, die op p. 37 begint. Het gaat daar over financiële stromen die reële doelen hadden kunnen dienen, maar die naar de vermogensmarkten zijn toegeleid. Ik citeer een passage:

Lonen zijn een reservoir dat afgetapt kan worden door hervormingen naar een flexibele arbeidsmarkt. Hierdoor stijgt de bedrijfswinst. De toekomstige verdiencapaciteit van adolescenten is een reservoir dat afgetapt kan worden door het studieleningstelsel. Huishoudinkomens zijn een reservoir dat afgetapt kan worden door het te verpanden via hypotheekschuldgroei, Hierdoor stijgt de winst in de financiële sector. Bedrijfswinst op haar beurt, en winst in de financiële sector, is een reservoir dat afgetapt kan worden door dividenden, inkoop van aandelen en onttrekkingen en bonussen, waardoor het vermogen van aandeelhouders, directeuren-grootaandeelhouders en topmanagement wordt vergroot. Zo ziet 'financieel gaat voor reëel' eruit.

De publieke sector is een reservoir dat afgetapt kan worden door 'hervormingen' die leiden tot overschotten, waardoor de staatsschuld daalt en de buffer van de staat groeit. De buffer van de staat is een reservoir dat afgetapt kan worden door belastingontwijking en steunoperaties aan banken en grote bedrijven. Hierdoor stijgt de bedrijfswinst, die weer afgetapt kan worden door dividenden, inkoop van aandelen, onttrekkingen en bonussen... en zo verder.

En zo verder. En dan zijn we nog maar op p. 38. Lezen dat boek.

Na de Grote Financiële Crisis van 2008 - 2010 hadden we natuurlijk al moeten inzien dat niet Friedman, maar Boulding gelijk had, toen in 1965. Maar toen dachten de kiezers nog dat het een goed idee was om juist de VVD de grootste partij te maken. 

donderdag 2 januari 2020

Nu, in 2020, kun je wel zeggen dat het niet zo goed is afgelopen. We hadden beter naar Kenneth Boulding moeten luisteren.

Waar waren we ook al weer gebleven in de terugblik op de discussie die Kenneth Boulding op 6 mei 1965 in Chicago voerde met Milton Friedman? (Lees hier het vorige bericht.)

Boulding maakte gebruik van zijn gewone mensenverstand en bracht naar voren dat je in onze huidige maatschappij naast het domein ("ordeningsprincipe") van de ruil, dus van de markt, ook de domeinen van de bedreiging/dwang en van de integratie kunt onderscheiden. En dat in een wenselijke maatschappelijke ordening die domeinen van bedreiging/dwang en ruil dienen te zijn ingekaderd in het integratiedomein.

Dat integratiedomein omschrijft hij al improviserend als "an enormous package of religion, ethics, love, security and all this great big ball of wax which I call the integrative system." Ik wees al op de overeenkomst met wat ik het domein van het gemeenschapsgedrag noem. Net zo is er de overeenkomst van bedreiging/dwang met de statuscompetitie.

Merk nog eens op dat daar de academisch-gekunstelde visie van Friedman tegenover staat, die inhoudt dat (1) het integratiedomein beperkt wordt en beperkt dient te worden tot de relaties tussen naasten (familie, vrienden) en (2) het domein van de bedreiging/dwang nagenoeg kan worden verwaarloosd, omdat de markt immers, als enige, zorgt voor vrijheid. Een opvatting die inderdaad het gewone mensenverstand terzijde schuift.

Maar tegelijkertijd ook een opvatting die als zogenaamd wetenschappelijke rechtvaardiging kon dienen voor de maatschappelijke ideologie van het neoliberalisme. Die de weldadigheid van de onbelemmerde marktwerking kon prediken als dekmantel voor degenen die belang hadden bij groeiende ongelijkheid en dus van bedreiging, dwang en uitbuiting. De markt als ogenschijnlijk onschuldige weg naar een maatschappij waarin statuscompetitie en statushiërarchie domineren.

Wat betekent het om daarin niet mee te gaan? Om met Boulding (en het gewone mensenverstand) in te zien dat in een wenselijke maatschappij de domeinen van bedreiging/dwang en van ruil moeten zijn ingekaderd in het integratiedomein?

Boulding is daar heel duidelijk over. In de huidige maatschappij dient het integratiedomein vorm te krijgen in de verzorgingsstaat. Want de verzorgingsstaat representeert
an expansion of the integrative system in the sense that it involves the responsibility of each for all. This is an element in human life and in human motivation that cannot be denied and cannot be neglected.
Anders gezegd, zonder de verzorgingsstaat als collectieve poging om de morele intuïties van het gemeenschapsgedrag (verantwoordelijkheid van ieder voor allen) vorm te geven, loopt het niet goed af.

Boulding zag dat in. in 1965. Maar vervolgens liepen de meesten achter Friedman aan.

Nu, in 2020, kun je wel zeggen dat het besef is doorgedrongen dat het inderdaad niet zo goed is afgelopen. De verzorgingsstaten zijn in veel landen zozeer uitgekleed ("hervormd") dat de bestaansonzekerheid voor grote delen van de bevolking sterk is toegenomen.

En die ontkenning en verwaarlozing van de gemeenschapsintuïties blijft niet zonder gevolgen. De evenzeer menselijke neigingen tot statuscompetitie en dus tot "ieder voor zich" en minachting voor en vernedering van de zwakkeren krijgen er ruim baan door. Bestaansonzekerheid schept rechtsextremistisch populisme.

We hadden kortom beter naar Kenneth Boulding moeten luisteren. Lees hier het volgende bericht: Over waar Boulding en Friedman in 1965 hun mens- en maatschappijvisies vandaan haalden.

dinsdag 17 december 2019

Over waar Boulding en Friedman in 1965 hun mens- en maatschappijvisies vandaan haalden

In de discussie tussen Kenneth Boulding en Milton Friedman op 6 mei 1965 in Chicago (zie hier het vorige bericht) ging het om twee visies op hoe de maatschappij in elkaar steekt en hoe verbeteringen mogelijk zijn. Friedmans visie is die van de neoliberale econoom (door Boulding aangeduid met libertarianism) en Bouldings visie is die van de econoom die inziet dat het in de maatschappij om meer draait en om meer behoort te draaien dan alleen de markt.

Friedman propageert een maatschappij waarin het domein van de markt de bron is van welvaart en waarin dat domein van de vrijwillige transacties (ruil) dus zoveel mogelijk moet worden uitgebreid. Er is weliswaar een ander domein, maar dat is beperkt tot de kring van naasten die mensen om zich heen hebben. En dat kunnen we volgens deze visie buiten beschouwing laten. (Later begonnen economen, onder aanvoering van Gary Becker, die in Chicago hoogleraar werd in de economie en de sociologie, zich ook met dat domein van naasten bezig te houden.)

Boulding stelt daar tegenover dat er in de maatschappij drie ordeningsprincipes zijn en behoren te zijn: naast de markt het principe van de bedreiging en het principe van de integratie. Met dien verstande dat er een gewenste maatschappelijke ordening bestaat die inhoudt dat bedreiging en markt zijn ingekaderd en begrensd door het integratieprincipe.

Bedreiging (dwang) draagt alleen dan bij aan de gewenste maatschappelijke ordening als hij legitiem is, dat wil zeggen als hij gedrag sanctioneert dat in strijd is met het integratieprincipe (kwaadaardigheid, bedrog, uitbuiting, onderdrukking).

En de markt kan alleen een gewenste bijdrage leveren in een atmosfeer van vertrouwen, respect en gelijkheid. Als die gelijkheid er onvoldoende is, dan hebben we niet meer te maken met ruil tussen gelijken, maar met onderdrukking en uitbuiting. Het domein van de markt hoort dus begrensd te zijn door zoveel gelijkheid dat uitbuiting en onderdrukking worden voorkomen.

Wat kun je, na deze recapitulatie van het voorgaande, zeggen over waar Friedman en Boulding hun maatschappijvisies vandaan halen?

In grote lijnen is die visie van Friedman de strikt economische, dat wil zeggen een uitvloeisel van de academisch-historische ontwikkeling van het vak economie als een zelfstandige, van andere sociale wetenschappen afgegrensde, discipline.

Een vak dus dat je kunt bestuderen en beoefenen zonder je te hoeven verdiepen in andere sociale wetenschappen, zoals de sociologie, de culturele antropologie en de psychologie. Een opvatting die je misschien in zijn extreemste vorm tegenkomt in het werk van Friedrich Hayek (1899 - 1992), die de spontane orde van de markt zag als de historische overwinning van de Great Society op het "tribalisme" van vroeger tijden. Een maatschappij dus waarin er wel een overheid en een rechtssysteem bestaan, maar uitsluitend ten dienste van de spontane werking van de markt.

In vergelijking daarmee heeft Boulding, hoewel econoom, een breder zicht op de maatschappij en daarmee een breder mensbeeld. Dat bracht hem ertoe om naast dat ordeningsprincipe van de markt ook de principes van bedreiging (dwang) en integratie te onderkennen.

Ik wees al op de overeenstemming tussen die laatste twee en de op dit blog onderscheiden patronen van de statuscompetitie en het gemeenschapsgedrag. En we hebben gezien dat het sociaalwetenschappelijk onderzoek nogal wat empirische aanwijzingen verschaft voor het bestaan van die twee patronen en dus voor de ambivalente menselijke sociale natuur.

Maar Boulding voerde die discussie met Friedman in 1965, toen dat sociaalwetenschappelijke onderzoek er nog niet was en er ook nog maar weinig bekend was over de evolutionaire achtergrond van de menselijke sociale natuur. Hij kon dus ook zonder kennis van de latere ontwikkelingen en kennelijk op grond van zijn persoonlijke ervaringen met mensen en met de maatschappij waarin hij opgroeide tot dat inzicht komen dat statuscompetitie (bedreiging/dwang) en gemeenschapsgedrag (integratie) tot het menselijk gedragsrepertoire behoren en dat dat is terug te zien in hoe de maatschappij in elkaar steekt.

Gewone, alledaagse mensenkennis dus. En gewone, alledaagse maatschappijkennis. Vreemd is dat natuurlijk niet. Want er is natuurlijk altijd een zekere continuïteit tussen alledaagse en sociaalwetenschappelijke verklaringen. Wat me herinnerde aan wat ik daar al weer lang geleden over schreef: De wetenschappelijkheid en de alledaagsheid van sociologische verklaringen.

In een volgend bericht meer over de vraag wat Boulding in 1965 te melden had over wat zijn visie betekent voor hoe de maatschappij het beste zou kunnen worden ingericht. Zie Nu, in 2020, kun je wel zeggen dat het niet zo goed is afgelopen. We hadden beter naar Kenneth Boulding moeten luisteren

donderdag 12 december 2019

Als je de markt zijn werk wilt laten doen zonder daarbij rekening te houden met de rol van statuscompetitiegedrag en gemeenschapsgedrag, dan loopt dat niet goed af.

Kenneth Boulding stelde in zijn discussie die hij voerde met Milton Friedman op 6 mei 1965 in Chicago tegenover Friedmans pleidooi voor ruil als maatschappelijk ordeningsprincipe twee andere principes, dat van de bedreiging - onderwerping en dat van de integratie. Lees hier het vorige bericht: Boulding in 1965: er is wel degelijk een maatschappij. En dus een collectieve uitdaging en opdracht.

Volgens het neoliberale idee dat Friedman propageerde, kun je de maatschappij, als je afziet van de relaties die mensen met hun naasten hebben, bestuderen als een systeem van vrijwillige ruiltransacties. En heb je bovendien als econoom de opdracht om uit te dragen dat het plaats vinden van zulke transacties zoveel mogelijk dient te worden bevorderd. Want elke vrijwillige ruil verhoogt per definite de welvaart. Dus moet de markt, als het geheel van zulke transacties zoveel mogelijk aan zichzelf worden overgelaten en moet er dus zo weinig mogelijk overheidsbemoeienis zijn.

Naast de econoom als onderzoeker, die de maatschappij bestudeert, is er dus ook de econoom als ideoloog, die bepleit dat de overheid zo klein mogelijk moet zijn.

Je kunt je natuurlijk afvragen waar je zo een nogal verreikende stap, verklaren dat alles in de maatschappij, buiten die kring van naasten, draait om ruil en dat bovendien alle welvaart uit die ruil voortkomt, eigenlijk op baseert.

Maar die vraag parkeren we even en we kijken wat Boulding daartegen over stelde.

Boulding zegt dus naast ruil die twee andere ordeningsprincipes in de maatschappij te onderkennen. 

Volgens dat bedreiging - onderwerpingsprincipe eist de een onder (dreiging met) dwang iets van de ander op ("you had better do something nice for me or I shall do something nasty to you"). Dit principe is met de landbouwsamenlevingen de mensheidsgeschiedenis binnen gekomen, zoals in de vorm van slavernij. Ik wees al op de overeenkomst tussen het bedreiging - onderwerpingsprincipe en het statuscompetitiepatroon. 

Het is nu, zo zegt Boulding, bezig te vervagen ("in the process of passing away"). Daarmee zal hij gedoeld hebben op het proces van democratisering, opbouw van de verzorgingsstaat en van bestaanszekerheid en mensenrechten. Hetzelfde proces dat ik zag als de collectieve poging om de morele intuïties van het gemeenschapspatroon te institutionaliseren op het niveau van nationale staten, ja, zelfs de wereldbevolking.

Daarmee zijn we aangekomen bij zijn tweede ordeningsprincipe, dat van de integratie. Want de overeenkomst met het gemeenschapspatroon valt meteen op. Zijn integratieprincipe omschrijft Boulding als volgt:
It involves such things as status, identity, love, hate, benevolence, malevolence, legitimacy - the whole raft of social institutions which define roles in such a way that you do things because of what you are and because of what I am, that is, because of some kind of status or respect.
Ik geef toe, hier doemen complicaties op door het gebruik van termen als status, haat en kwaadaardigheid, die beter thuis hadden gehoord bij het bedreiging - onderwerpingsprincipe. Maar de rest van Bouldings betoog doet vermoeden dat hij hier oftewel wat onzorgvuldig is geweest oftewel niet helemaal consistent is.

Wat is nu het grote belang van het onderkennen van deze twee ordeningsprincipes naast het ruilprincipe? Waarom kunnen we niet volstaan met uitsluitend het ruilprincipe?

Het antwoord dat Boulding daarop geeft is boeiend en diepzinnig, zeker als je het vergelijkt met de toch wat platvloerse en oppervlakkige neoliberale omhelzing van dat ruilprincipe als alleenzaligmakend. Want zo zegt Boulding het grote belang van het integratieprincipe is dat het het onmisbare kader vormt waarbinnen de andere twee alleen maar goed kunnen opereren.

Ruil is immers alleen mogelijk als er voldoende vertrouwen is: "Exchange can take place only if there is an atmosphere of trust, confidence, respect and, indeed, equality. Exchange is an extraordinarily equalitarian institution in the sense that in exchange the two parties look eye to eye."

Waarmee Boulding er op wijst dat een markt die zich niet meer afspeelt binnen de (integrerende) grenzen van voldoende gelijkheid niet meer goed zal functioneren. En dat mag je wel een diep inzicht noemen, nu je in 2019 inzicht hebt in de negatieve gevolgen van de sterk toegenomen ongelijkheid. Een inzicht dat gemakkelijk doet vermoeden dat het kapitalisme op zijn laatste benen loopt.

En daarnaast zijn bedreiging en dwang ineffectief om als als ordening te kunnen functioneren als ze niet zijn ingekaderd in het integratieprincipe. Ze kunnen alleen, als ordening, werken als er een legitiem doel wordt gediend. Dus als het gebruik ervan voldoende wordt geaccepteerd.

Anders gezegd, dwang kan onderdeel zijn van het gemeenschapspatroon. En is dan legitiem. Denk aan het elkaar bij de les houden in het proces van zelforganisatie En denk aan de bereidheid van mensen om in een publieke goed-dilemma sancties uit te delen aan profiteurs.

Met dat laatste worden we er overigens op geattendeerd dat er twee verschillende soorten dwang bestaan, de kwaadaardige dwang als onderdeel van het statuscompetitiepatroon, en de gelegitimeerde dwang als onderdeel van het gemeenschapspatroon.

Maar dat wisten we al. Denk ook aan het betoog van Richard Wrangham over sociale sanctionering als noodzakelijk element van de menselijke zelf-domesticatie. Het gemeenschapspatroon kan niet blijvend bestaan als niet het statuscompetitiepatroon in de persoon zelf en zo nodig tussen personen wordt onderdrukt.

Samengevat wijst Boulding er dus op dat de politieke zwakheid van het neoliberalisme bestaat uit het onvermogen
to recognize explicitly that exchange is only one of the organizers of social life and that, if it is to operate successfully, it must operate in a setting in which both the threat system and the integrative system are realistically taken into account.
In mijn woorden: als je de markt zijn werk wilt laten doen zonder daarbij rekening te houden met de rol van statuscompetitiegedrag en gemeenschapsgedrag, dan loopt dat niet goed af.

In volgende bericht meer over wat Boulding te melden heeft over wat dat zoal maatschappelijk impliceert.

En ook over die vraag wat er eigenlijk voor nodig is om verantwoord tot een stellingname te komen over wat de ordeningsprincipes van de menselijke samenleving zijn. Zie Over waar Boulding en Friedman in 1965 hun mens- en maatschappijvisies vandaan haalden.

dinsdag 10 december 2019

Boulding in 1965: er is wel degelijk een maatschappij. En dus een collectieve uitdaging en opdracht

Kenneth Boulding opende zijn bijdrage aan het debat met Milton Friedman op 6 mei 1965 in Chicago zonder veel omhaal van woorden. Lees hier het vorige bericht, waarin dat debat werd geïntroduceerd.

Hij begint met te zeggen op zoek te gaan naar de grenzen van het libertarianisme, dat wil zeggen van het denken van Friedman. Daarbij gaat het hem vooral om de rol van ruil in de maatschappij. Want, zegt hij, vrijheid is een beetje een afleidingsmanoeuvre.

Dat laatste zal een reactie zijn geweest op het benadrukken van het belang van vrijheid door Friedman. We kennen de bijdrage van Friedman niet, maar hij zal het ongetwijfeld veel over vrijheid hebben gehad. Misschien heeft hij zelfs deze alinea (p. 2-3) uit het boek Free to Choose, dat hij later (1979) met zijn vrouw Rose Friedman zou schrijven, min of meer letterlijk uitgesproken:
Economic freedom is an essential requisite for political freedom. By enabling people to cooperate with one another without coercion or central direction, it reduces the area over which political power is exercised. In addition, by dispersing power, the free market provides an offset to whatever concentration of political power may arise. The combination of economic and political power in the same hands is a sure recipe for tyranny.
We herkennen hier het neoliberale wantrouwen tegen de democratische overheid. Die moet maar beter zo weinig mogelijk te zeggen hebben.

Maar Boulding zag dat dus als een afleidingsmanoeuvre (een red herring). Het gaat volgens hem om de rol van ruil, dat wil zeggen, van de uit vrije wil tot stand gekomen transactie tussen personen, waarbij alle transacties samengenomen de markt vormen. Dat is het ordeningsprincipe (organizer) waar het bij Friedman allemaal om draait.

Maar is dat het enige ordeningsprincipe? Volgens Friedman wel. Die stelling werd later (1987) door Margaret Thatcher verwoord als
there is no such thing as society. There are individual men and women and there are families. And no government can do anything except through people, and people must look after themselves first. It is our duty to look after ourselves and then, also, to look after our neighbours.
 Als iedereen maar voor zichzelf en zijn naasten opkomt, dan komt alles goed. Een algemeen belang waar we met zijn allen over kunnen beraadslagen en besluiten (democratie), dat moet je wantrouwen en zoveel mogelijk binnen de perken houden.

Daartegenover brengt Boulding naar voren dat er naast het ruilsysteem in onze samenleving twee andere ordeningsprincipes vallen te onderscheiden: het bedreigingssysteem en het integratiesysteem.

In het volgende bericht daarover meer, maar nu al valt op te merken dat hij met dat bedreigingssysteem doelt op wat op dit blog voortdurend langskomt als het statuscompetitiepatroon en het integratiesysteem als het gemeenschapspatroon.

Volgende keer meer over hoe Boulding die twee en hun relatie tot het ruilsysteem behandelt en over wat de implicaties daarvan zijn voor de politiek, voor de gezamenlijke vormgeving van de maatschappij waarin we nu eenmaal met elkaar leven.

Dat komt er op neer dat er wel degelijk een maatschappij is. En dus een collectieve uitdaging en opdracht.
Update. Lees nu het vervolgbericht: Als je de markt zijn werk wilt laten doen zonder daarbij rekening te houden met de rol van statuscompetitiegedrag en gemeenschapsgedrag, dan loopt dat niet goed af

vrijdag 6 december 2019

Een persoonlijke ideeëngeschiedenis over sociologie en economie. En over een discussie in 1965 tussen Kenneth Boulding en Milton Friedman

Bij het (her-)lezen van het werk van Kenneth E. Boulding (zie het vorige bericht) viel mijn oog op het essay Economic libertarianism in zijn boek Beyond Economics. Essays on Society, Religion and Ethics (1970). Ik was het vergeten, maar ergens in de jaren tachtig moet ik dat essay als tentamenliteratuur hebben opgegeven, waarschijnlijk voor het keuzevak Het paradijs der sociologen, dat ik destijds een paar jaar gegeven heb. Waarschijnlijk, want noch zoeken op mijn harde schijf, noch zoeken in verschillende stapels papieren, leverde uitsluitsel op.

Hoe ouder je wordt, hoe meer geschiedenis om op terug te zien. En meestal met gemengde gevoelens, want als het goed is, ben je met de jaren wat wijzer geworden. Want de tijd waar we het over hebben, is die van de opkomst van het neoliberale denken in de economie en in de politiek. Milton Friedman kun je wel de invloedrijkste vertegenwoordiger noemen van dat denken. Zie nog eens het vorige bericht. In het vak economie kreeg dat de vorm van het afscheid van het Keynesiaanse denken en de groeiende populariteit, ja, dominantie, van de neoklassieke economie.

En ik was toen, als socioloog, onder de indruk van die neoklassieke economie. Het was een intellectueel bouwwerk waar mee vergeleken de sociologische theorie niet veel voorstelde. De onderste steen was die van de marginale analyse (een persoon, een goed), met daarbovenop achtereenvolgens de indifferentiecurvenanalyse (een persoon, twee goederen), de Edgeworth Box-analyse (twee personen, twee goederen) en de theorie van de markt (veel personen, veel goederen).

En dan had je daarnaast nog, alles met dezelfde "nutstheorie", de speltheorie, waarin het gaat om strategische gedrag, dus gedrag waarin personen proberen om met elkaars gedrag rekening te houden.

Het prestige en daarmee de invloed van die neoklassieke theorie en de speltheorie was groot, ook op het vak sociologie. Dat resulteerde er in dat een flink deel van de sociologen, waaronder ikzelf, in de ban raakten van de "rationele keuzetheorie". Dus van de poging om de Homo economicus ook als sociologisch mensbeeld toe te passen. Een uiting van "economisch imperialisme" werd dat wel genoemd.

Wat mij daarin aantrok, was niet alleen dat dit denken intellectueel meer voorstelde dan de theoretisch veel minder ontwikkelde sociologie, maar vooral ook dat er een welvaartstheorie op kon worden gebaseerd. Dat wil zeggen, een theorie die het mogelijk maakte om individuele en maatschappelijke verbeteringen vast te stellen en voor te stellen. Een toestand is beter als hij meer welvaart ("nut") verschaft. Wat voor het collectief kon worden geformuleerd met het Pareto-optimum: een toestand is beter als er tenminste een persoon op vooruitgaat en niemand er op achteruitgaat.

Maar ondanks dat ik daarvan onder de indruk was, had ik al wel het besef dat de sociologie, of algemener de sociale wetenschappen, niet zomaar die economische welvaartstheorie zouden kunnen overnemen. Want een echte empirische sociale wetenschap, die zich er rekenschap van geeft dat het sociale en maatschappelijke leven uit meer bestaat dan uit de markt, kan niet zonder empirisch onderbouwde aannames over de menselijke sociale natuur. En dus over wat mensen kunnen (hun gedrag) en willen (hun behoeften). Zie nog eens deel 1 van de reeks berichten over het maatschappelijk belang van de sociologie.

Een en ander leidt tot de gedachte dat de sociologie een eigen sociale welvaartstheorie nodig heeft. Zie om de gedachten te bepalen de berichten op dit blog achter het label sociale welvaart.

Ergens in de jaren zeventig of tachtig bracht mij dat op dat idee van, tongue in cheek, een paradijs der sociologen. Naar analogie van het paradijs der economen (efficiëntie, Pareto-optimaliteit) zou er ook een paradijs der sociologen moeten komen. Een bepaling van een maatschappelijke toestand die zo goed mogelijk tegemoetkomt aan wat mensen kunnen en willen en die zo richtinggevend kan zijn voor sociologische beleidsadvisering. Denk aan wat ik nu het gemeenschapsevenwicht noem.

Maar destijds was ik nog niet zover. ik dacht toen, laat ik er maar een keuzevak over aanbieden, dan dwing ik mezelf om er een poos systematisch over na te denken.

En om relevante en geschikte literatuur te zoeken om studenten te laten lezen. Zo kwam ik onder meer terecht bij het werk van Kenneth Boulding. Een econoom weliswaar, maar eentje die zich verzette tegen dat neoliberale marktdenken van Milton Friedman en anderen.

En precies daarom is dat essay waarmee ik dit bericht begon, Economic libertarianism, zo interessant. Want het is de de enigszins geredigeerde transcriptie van zijn mondelinge bijdrage aan de discussie die hij had met diezelfde Milton Friedman op 6 mei 1965 in Chicago, het hol van de neoliberale leeuw.

Achteraf zou je kunnen zeggen dat die discussie een historische betekenis had. Want we weten nu dat Friedman de meeste aanhang kreeg, maar ook dat we in 2019 tot de conclusie komen dat we misschien beter naar Kenneth Boulding hadden moeten luisteren.

In het volgende bericht meer daarover. Dit was een inleidende persoonlijke ideeëngeschiedenis.
Update. Lees hier het volgende bericht: Boulding in 1965: er is wel degelijk een maatschappij. En dus een collectieve uitdaging en opdracht.

woensdag 4 december 2019

Wat mogen we van ondernemingen verwachten? En over Milton Friedman en Kenneth Boulding

We zitten misschien, en hopelijk, in de nadagen van de neoliberale golf die het politieke en economische denken heeft geteisterd. Onderdeel van die golf was dat zoveel mogelijk zaken in de samenleving door middel van het marktmechanisme zouden moeten worden geregeld. En onderdeel daar weer van was de richtlijn die voor ondernemingen moest gelden dat al het handelen gericht moest zijn op winstmaximalisatie ten behoeve van de aandeelhouders. Zoals bepleit door Milton Friedman in 1970: The Social Responsibility of Business Is to Increase Its Profits.

Het mensbeeld daarachter was dat van de Homo economicus, van de mens als rationeel handelend wezen dat zich laat leiden door zoiets als eigenbelang. Die dus niet "afgeleid wordt" door de natuurlijke neiging tot statuscompetitie en de schadelijke kanten daarvan (bedrog, vijandigheid, hebzucht, discriminatie), noch door de natuurlijke neiging tot gemeenschapsgedrag en de schadelijke kanten daarvan (nepotisme, patronage). Als iedereen zich maar rationeel door het eigenbelang zou laten leiden, dan zou dat wonderbaarlijke marktmechanisme er wel voor zorgen dat alles goed komt.

Dat we in de nadagen van dat denken zitten, blijkt eruit dat er pleidooien verschijnen voor een bredere belangenbehartiging door ondernemingen dan alleen die van de eigen aandeelhouders. Want we beginnen door te krijgen dat het met die weldadige werking van de markt nogal tegenvalt. En dat het beter zou zijn om van ondernemingen te verlangen dat ze met meer belangen rekening houden dan die van hun aandeelhouders. Dus ook met die van hun werknemers, hun leveranciers, hun omwonenden, het milieu en de planeet.

Zo was er in oktober dit opiniestuk in de New York Times: Marc Benioff: We Need a New Capitalism. The current system has led to profound inequality. To fix it, we need businesses and executives to value purpose alongside profit. En er is het rapport Principles for Purposeful Business van de British Academy.

Daar komt nu het pleidooi bij van Ard Jan Biemond, Henri Slob en Harry Commandeur dat deze week in ESB verscheen: De bedrijfseconoom moet mee met de tijdsgeest. Met daarin de gedachte dat het mensbeeld van de Homo economicus zou moeten worden vervangen door dat van de Homo dignus, waarin de intrinsieke waardigheid van de mens voorop staat.

Wat me opviel is dat Biemond, Slob en Commandeur zich onder meer ook baseren op het werk van Kenneth Boulding (1910 - 1993). Dat is niet alleen heel terecht, maar het stemt ook tot nadenken over "hoe het allemaal gekomen is".

Want Boulding bepleitte zo rond 1970, toen Milton Friedman zoveel invloed begon te krijgen, een heel andere visie op de economie en op de onderneming. Ik trok even de twee boekje uit de kast die ik eind jaren 70 kocht: Beyond Economics. Essays on Society, Religion and Ethics (1970) en The Economy of Love and Fear (1973). Die nu inderdaad weer heel actueel zijn, of beter, steeds actueel en belangrijk zijn geweest. Alleen: iedereen die er toe deed, liep achter Friedman aan.

Ik ben begonnen er weer in te lezen en te herlezen. Met dank aan Biemond, Slob en Commandeur. En ik kom er in een of meer volgende berichten op terug.
Update. Zie nu het vervolgbericht: Een persoonlijke ideeëngeschiedenis over sociologie en economie. En over een discussie in 1965 tussen Kenneth Boulding en Milton Friedman