Posts tonen met het label klauwaapjes. Alle posts tonen
Posts tonen met het label klauwaapjes. Alle posts tonen

dinsdag 7 oktober 2014

Ook chimpansees zijn in staat tot leren van een instructievideo. Maar je moet wel eerst hun aandacht hebben

Niet alleen klauwaapjes, ook chimpansees, zijn in staat om een handeling uit te voeren waarmee ze een lekkernij te pakken krijgen, als ze een video hebben gezien waarin een soortgenoot dat voordoet. Voor de klauwaapjes zie nog eens het bericht Coöperatieve zorg voor kinderen maakt exploratief en leergierig - Wild marmosets learn skills from monkey movies.

In dat bericht speculeerde ik er over dat klauwaapjes hiertoe in staat zijn omdat ze coöperatief zijn grootgebracht en coöperatief samenleven. Zo een sociale (gemeenschaps-)omgeving is veilig en vertrouwd en je hoeft er niet voortdurend alert te zijn op bedreigingen. Het is bekend dat dat bevorderlijk is voor exploratie en leren van nieuwe dingen.

Je zou dus kunnen denken, en dat deed ik, dat het vermogen om van een "instructie"-video te leren specifiek is voor klauwaapjes en andere diersoorten, zoals mensen, die doen aan coöperatieve zorg. Maar ik opperde al dat je dit gedrag dan niet zou moeten aantreffen bij chimpansees.

Ondertussen kreeg ik van een van de onderzoekers, Tina Gunhold (waarvoor mijn dank), de pdf van het artikel toegestuurd. Daarin verwijzen de onderzoekers naar de studie An Evaluation of the Efficacy of Video Displays for Use With Chimpanzees (Pan troglodytes). En wat blijkt? Ook chimpansees kunnen het!

Het ging wel om chimpansees in gevangenschap (die klauwaapjes leefden in het wild). De onderzoekers isoleerden steeds een chimpansee in een afgesloten deel van de binnenruimte en stelden hem/haar dan in staat om een video te bekijken waarin een onbekende soortgenoot een lekkernij uit een doos bemachtigt door een schuif oftewel naar links oftewel naar rechts te schuiven. Daarna schoven ze precies zo'n doos binnen het bereik van de chimpansee.

Het bleek toen dat de chimpansees die de video hadden gezien, vaker in staat waren om de lekkernij te bemachtigen dan anderen die alleen over de doos konden beschikken, zonder de video te hebben gezien. Ook was er de matching tussen het naar links of naar rechts schuiven.

Hoewel het dus blijkt voor te komen bij chimpansees, zijn er wel nog verschillen in de procedures die belangrijk lijken. Natuurlijk valt het verschil op tussen in het wild leven en in gevangenschap. Die klauwaapjes troffen de apparatuur aan in hun territorium en bleken er hevig in geïnteresseerd te zijn. Ze gingen op onderzoek uit.

Daarentegen werden de chimpansees eerst van de rest van de groep geïsoleerd. En dat houdt in dat ze even helemaal niet bezig konden zijn met het groepsgebeuren en met hun plaats daarin. Bedenk dat chimpansees hiërarchisch georganiseerd zijn. Dat is een heel gedoe, waarmee ze de dag door bezig zijn. Geïsoleerd zijn betekent even helemaal op jezelf zijn en niets te doen hebben. Of chimpansees ook zonder dat isolement in die video geïnteresseerd zouden zijn geraakt, dat weten we niet.

Je zou dus eigenlijk ook eens zo'n video-installatie moeten uitproberen bij in het wild levende chimpansees.

woensdag 1 oktober 2014

Coöperatieve zorg voor kinderen maakt exploratief en leergierig - Wild marmosets learn skills from monkey movies

Klauwaapjes (Common Marmosets) zijn intrigerende beestjes. Ze zijn genetisch vrij ver van ons verwijderd, veel verder dan de chimpansees, de bonobo's en de andere grote apen. Maar we delen met hen een niet zoveel voorkomende eigenschap, namelijk het coöperatief grootbrengen van kinderen. Zie eerder o.a. het bericht Michael Tomassello, kinderen, chimpansees en klauwaapjes.

Uit de studie Video demonstrations seed alternative problem-solving techniques in wild common marmosets (betaalpoort) blijkt nu dat klauwaapjes in staat zijn tot een bijzondere vorm van sociaal leren. De onderzoekers installeerden een video-installatie in gebieden waar verschillende groepen klauwaapjes leven. En vertoonden een opgenomen filmpje waarin een klauwaapje, niet behorende tot dezelfde groep, met bepaalde handelingen een lekkernij uit een doorzichtige plastic box ontfutselt. Die box heeft een laatje en een deksel, maar dat zie je er niet gemakkelijk aan af. De klauwaapjes-acteur weet dat echter en doet het voor.

Het blijkt dan dat klauwaapjes niet alleen zeer geïnteresseerd zijn in het filmpje, maar na verloop van enige tijd die "instructie" snappen en in staat zijn om uit een identieke box op dezelfde wijze die lekkernij te bemachtigen. Zie het filmpje onderaan dit bericht. Dat die instructie effect heeft gehad blijkt er uit dat klauwaapjes in een overigens precies dezelfde setting, maar met alleen een stilstaand beeld van een klauwaapje bij die box, niet of veel minder vaak in staat zijn om de box te openen.

Het is een interessant onderzoek. Gisteren besteedde de New York Times er aandacht aan. En eerder New Scientist. Het artikel zelf is fulltext nog niet vrijgegeven, zelfs niet via mijn faciliteiten van de Universiteitsbibliotheek. Ik kan dus nog geen gedetailleerd commentaar geven. Maar ik werd wel aan het denken gezet.

Want we weten dat bij mensen een sociaal veilige omgeving, een omgeving dus waarin anderen jou goedgezind zijn, kinderen exploratiever en leergieriger maakt. Als je veilig gehecht bent, ga je makkelijker de wereld in en sta je meer open voor nieuwe informatie. Opgroeien in een veilige buurt is goed voor schoolprestaties. Eenzaamheid en de onzekerheid van armoede zijn slecht voor het cognitief-intellectuele functioneren.

Daarmee komt ook overeen dat mensen die meer gericht zijn op goede relaties met anderen en op pro-sociaal gedrag ook meer belang hechten aan zelfontplooiïng, dus aan het opnemen en verwerken van nieuwe informatie. Dit in tegenstelling tot mensen die statuscompetitief zijn en materialistisch. Zie Gezondheid en sociale omgeving (9): maakt het uit wat mensen nastreven?

Kortom, door een gemeenschap om je heen te hebben, zoals wanneer je opgroeit omringd door oudere kinderen en volwassenen die weten wie je bent en die zich om jou bekommeren, kom je open en onbevreesd in het leven te staan. Nieuwsgierig en klaar om nieuwe dingen te leren.

En dat zien we dus precies ook bij die klauwaapjes, die niets anders dan coöperatieve zorg hebben meegemaakt.

Er zou overigens nog wel moeten worden uitgetest of het inderdaad zo is dat bijvoorbeeld chimpansees niet in staat zijn om op deze wijze van een instructievideo te leren. Want dat is voor zover ik weet nog niet gebeurd. Update. Zie nu ook Ook chimpansees zijn in staat tot leren van een instructievideo. Maar je moet wel eerst hun aandacht hebben.

vrijdag 26 september 2014

Waar komt ons rechtvaardigheidsgevoel vandaan?

Ons rechtvaardigheidsgevoel is inderdaad een gevoel. Een emotionele aversie tegen ongelijke verdelingen. We houden in de gaten wat anderen krijgen en vergelijken ons daarmee. Als we minder krijgen, maken we ons boos en protesteren we (ongelijkheidsaversie-van-de-eerste-orde). Maar ook als ons meer toevalt, kunnen we dat als onaangenaam ervaren (ongelijkheidsaversie-van-de-tweede-orde).

Sarah Brosnan en Frans de Waal geven nu een mooi overzicht van het onderzoek naar het gedrag dat uit het rechtvaardigheidsgevoel voortkomt bij mensen en bij andere dieren, in het bijzonder bij apen. Zie Evolution of responses to (un)fairness (verschijnt binnenkort in Science; betaalpoort).

Die ongelijkheidsaversie-van-de-tweede-orde tref je alleen aan bij mensen en bij chimpansees en die van de eerste orde bij mensen en verschillende soorten apen. Dat wij het gevoel delen met genetisch verwante soorten wijst er op dat het evolutionaire wortels heeft die verder teruggaan dan tot het ontstaan van onze soort. Het lijkt dus niet zo te zijn dat onze bijzondere intelligentie een noodzakelijke voorwaarde is voor het streven naar rechtvaardigheid.

Wat zijn dan de omstandigheden geweest die er in het verleden toe hebben geleid dat op rechtvaardigheidsgevoel en het daaruit voortkomende gedrag werd geselecteerd? Brosnan en De Waal denken bovenal aan het belang van samenwerking voor overleving.

Samenwerking wordt natuurlijk vergemakkelijkt als de samenwerkende partijen er op bedacht zijn dat iedereen die zijn bijdrage heeft geleverd ook aan zijn trekken komt. Niet zozeer als een cognitieve vaardigheid, hoewel die er onderdeel van is (denk aan die vergelijking), maar vooral ook als een emotionele aversie. Als jij beseft dat anderen het als onaangenaam zouden ervaren als zij meer zouden profiteren dan jij, dan is het veiliger om aan de samenwerking mee te doen.

Dat betekent dat je rechtvaardigheidsgevoel en -gedrag meer zult aantreffen bij soorten die voor hun overleving meer op samenwerking zijn aangewezen. En dat blijkt dus ook zo te zijn.

Toch ligt het nog iets ingewikkelder. Want het blijkt ook dat in omstandigheden waarin de samenwerking zo vanzelfsprekend en gegarandeerd is dat je er niet meer op hoeft te letten, de ongelijkheidsaversie minder de kop opsteekt. Dat geldt bijvoorbeeld voor vriendschappen. Als je een hechte band met elkaar hebt, dan doet het er niet meer zoveel toe dat er een is die een keer wat meer krijgt. De ongelijkheidstolerantie is groter, uiteraard zolang de hechte band vanzelf spreekt.

Dat verklaart ook waarom er bij de Common marmosets (de klauwaapjes) geen rechtvaardigheidsgevoel is aangetroffen. Zoals we weten, doen de klauwaapjes heel sterk aan het coöperatief grootbrengen van hun jongen. Die gezamenlijke zorg is zo vanzelfsprekend omdat iedereen er mee opgroeit en nooit iets anders heeft meegemaakt. Het er op letten dat jij niet minder krijgt dan een ander, of meer, dat is dus helemaal niet meer nodig. Alleen als samenwerking weliswaar tot de mogelijkheden behoort, maar altijd enigermate precair is, heeft het evolutionair zin om een rechtvaardigheidsgevoel te hebben.

Dat zegt ook iets over de grote rol die rechtvaardigheid bij mensen speelt. Wij kunnen weliswaar heel goed samenwerken, maar we hebben ook nog de nasleep van een vrij recent evolutionair verleden van statushiërarchie en statuscompetitie. De menselijke sociale natuur is bij uitstek ambivalent tussen gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag.

Vandaar dat mensen toestanden kunnen laten ontstaan van grote sociale ongelijkheid. Waarin de allerrijksten helemaal geen last hebben van de ongelijkheidsaversie-van-de-tweede-orde. Integendeel, ze pronken met hun rijkdom. Ik moest even denken aan de column The Show-Off Society van Paul Krugman van vandaag.

donderdag 28 augustus 2014

Coöperatieve zorg voor kinderen is de beste verklaring voor spontaan prosociaal gedrag

Het nieuwe onderzoek The evolutionary origin of human hyper-cooperation, met Judith Burkart als eerste en Carel van Schaik als laatste auteur, versterkt het vermoeden dat de grote mate van pro-sociaal gedrag waartoe mensen in staat zijn, zijn evolutionaire oorsprong vindt in het coöperatief grootbrengen van kinderen. Zie wat dat vermoeden betreft, mijn eerdere berichten:

Michael Tomassello, kinderen, chimpansees en klauwaapjes
Cooperative breeding 
Over de coöperatieve zorg voor kinderen in de evolutie van zoogdieren en van mensen

Aan het menselijk pro-sociale gedrag valt vooral op dat het vaak spontaan (pro-actief) is. Iemand helpen die in nood is en/of om hulp vraagt, komt ook bij andere diersoorten voor. Spontaan pro-sociaal gedrag wijst op het vermogen tot zorg voor het welzijn van anderen. Onderzoekers zijn nu nagegaan of het wel of niet in staat zijn tot spontaan pro-sociaal gedrag bij verschillende apensoorten en bij mensen (kinderen) samenhangt met het wel of niet coöperatief grootbrengen van kinderen.

Ze deden dat met behulp van een group service
apparaat, zoals hiernaast afgebeeld. Apen konden door de tralies van hun verblijf met een hendel een plateau naar zich toe trekken waarop iets lekkers kon staan. Ze hadden in trainingssessies geleerd hoe dat te doen. In die sessies stond het voedsel zo dichtbij bij de hendel dat ze het met hun andere hand konden pakken. Zodra ze de hendel loslieten gleed het plateau terug, waarna ze niet meer bij het lekkers konden. 

Daarna, in het feitelijke onderzoek, stond het voedsel verder weg. Zodat degene die de hendel hanteerde, er niet bij kon. De vraag was nu bij welke apensoorten het voorkomt dat een aap de hendel hanteert, zodat anderen een lekker hapje kunnen nemen. Als dat gebeurt, dan is dat dus een geval van spontaan pro-sociaal gedrag, alleen gericht op het welzijn van anderen. Een hierop lijkende test werd ook bij mensenkinderen afgenomen.

De apensoorten die werden getest waren twee soorten lemuren, veertien soorten uit de Nieuwe Wereld (waaronder klauwaapjes en kapucijnaapjes), twee soorten makaken, twee soorten gibbons en chimpansees. Van deze soorten is de chimpansee genetisch het meest met ons verwant.

Vervolgens gingen de onderzoekers na of de mate van spontaan pro-sociaal gedrag samenhing met een of meer eigenschappen van elke soort, zoals hersenomvang, sociale tolerantie, samenwerking bij jagen en aanwezigheid van sterke sociale banden. En dus ook: wel of niet coöperatieve zorg voor kinderen. Dus het bijdragen aan de zorg door andere groepsleden dan de eigen moeder.

Het bleek toen dat uitsluitend dat laatste, wel of niet coöperatieve zorg, samenhing met spontaan pro-sociaal gedrag. Mensen kennen die coöperatieve zorg en bijvoorbeeld chimpansees niet. Bij mensenkinderen zie je dus wel dat spontane pro-sociale gedrag, maar bij chimpansees niet. En bij klauwaapjes zie je ook zowel de coöperatieve zorg als het spontane pro-sociale gedrag. 

Dus terwijl chimpansees genetisch veel dichter bij ons staan, komen wij wat deze twee gedragingen betreft veel meer overeen met de klauwaapjes. Ook is opmerkelijk dat bijvoorbeeld hersenomvang geen verklarende rol speelt. Wat suggereert dat onze hersenen zo groot hebben kunnen worden juist als gevolg van coöperatieve zorg. Update. In plaats van dat onze grotere hersenen die coöperatieve zorg mogelijk maakten.

Ik vind het heel belangrijk onderzoek. Het wijst ons nog eens op het grote belang van coöperatieve zorg voor onze kinderen voor het in standhouden van onze pro-sociale, goedaardige natuur. En het is een reden voor ongerustheid dat in onze huidige maatschappij die coöperatieve zorg zoveel minder gerealiseerd kan worden dan in de Paleo Sociale Omgeving.

maandag 6 januari 2014

Over de coöperatieve zorg voor kinderen in de evolutie van zoogdieren en van mensen

Dat onze verre voorouders, in de Paleo Sociale Omgeving, overgingen tot het coöperatief zorgen voor kinderen en moeders is een cruciale fase geweest in de menselijke evolutie. Daarzonder waren wij er nu niet geweest. Zie alle berichten onder het label cooperative breeding.

Maar is die sociale vorm van coöperatieve zorg zo uniek dat de kans op het ontstaan van de mensheid als heel klein moet worden ingeschat? Nee, dat is niet het geval, het patroon komt bij veel meer diersoorten voor. Wat weten we dan meer algemeen over de effecten er van? En over wat daarbinnen specifiek is voor mensen?

Karen Isler en Carel van Schaik proberen daar in de studie Allomaternal Care, Life History and Brain Size Evolution in Mammals (betaalpoort) antwoorden op te vinden. Ze gaan na wat voor 445 zoogdiersoorten bekend is over de mate van die coöperatieve zorg en andere kenmerken zoals hersenomvang, vruchtbaarheid en altricialiteit, de mate waarin jongen onrijp en zorgbehoeftig geboren worden. Welk beeld komt daaruit naar voren?

Allereerst valt op dat er in die zoogdiergroep als geheel zeker een verband is tussen de mate van coöperatieve zorg en de hersenomvang. Hoe meer zorg, hoe groter de hersenen (relatief aan de lichaamsomvang). Maar juist binnen de groep van de niet-menselijke primaten, dus onze naaste verwanten, is dat verband er niet. Wel zien we daar, net als bij de zoogdieren in het algemeen, dat coöperatieve zorg samen gaat met grotere vruchtbaarheid en altricialiteit. Het gaat hier in het bijzonder om de apen van de Nieuwe Wereld, de Callitrichidae, waartoe ook de Marmosets of klauwaapjes behoren, waar ik het eerder over had. Zij doen aan coöperatieve zorg zonder grote hersenomvang en hoge cognitieve vaardigheden.

Hoe zit dat dan met ons? Wij zijn tot die coöperatieve zorg overgegaan toen we (onze verre voorouders) al een intelligentie hadden ontwikkeld ongeveer op het niveau van de chimpansees. En dat moet voor een groot deel de sociale intelligentie geweest zijn van de statushiërarchie en de statuscompetitie. Als je die cognitieve vaardigheden al hebt en daar coöperatieve zorg aan toevoegt, ja, dan gebeuren er interessante dingen. Kinderen kunnen minder rijp worden geboren, omdat de moeder er niet meer in haar eentje voor hoeft te zorgen. Daardoor groeien de hersenen na de geboorte langer door, waardoor er ruimte ontstaat voor groeiende onderlinge tolerantie en voor sociale en morele ontwikkeling in de eerste levensjaren. De hersenen liggen als het ware klaar om dat hele groepsgebeuren van die coöperatieve zorg in zich op te nemen en te verwerken. Tot de sociale en morele intuïties van de gemeenschap.

En daardoor kon een menselijke samenleving ontstaan met wederzijdse zorg, ook tussen volwassenen. En met zorg voor ouderen. Waardoor een langere levensduur mogelijk werd, waar bovendien op geselecteerd werd omdat ouderen ook zelf zorgverleners waren. Denk aan de Grootmoeder Hypothese.

Maar dat wijst ons ook op die tragische complexiteit van de menselijke sociale natuur. Want doordat wij pas aan die coöperatieve zorg begonnen toen we al de vaardigheden van de statushiërarchie en de statuscompetitie onder de knie hadden, kan het met ons nog altijd twee kanten op. Als we opgroeien in een sociale gemeenschap van coöperatieve zorg, dan zorgen we er zonder problemen voor dat die gemeenschap in stand blijft en bloeit.

Maar als, zoals in onze huidige maatschappij, gezinnen vergaand sociaal geïsoleerd zijn en moeders er (weer) behoorlijk alleen voor staan, dan treffen onze kinderen een andere sociale omgeving aan. Dan groeien ze op zonder die gemeenschap. En dus vooral in die sociale omgeving van leeftijdsgenoten, die zoals bekend zo gemakkelijk uitnodigt tot het gebruik maken van die altijd slapend aanwezige vaardigheden van de statuscompetitie en de statushiërarchie. En ja, dan zijn we bezig met zijn allen een andere maatschappij te creëren.

maandag 24 september 2012

Muziek, taal en coöperatief grootbrengen van kinderen

Er zijn nieuwe ontwikkelingen op het gebied van onze inzichten in hoe wij als baby's en kleuters taal en muziek leren. En daarmee in de evolutionaire oorsprong van taal en muziek.

In Music and early language acquisition maken Anthony Brandt, Molly Gebrian en L.Robert Slevc aannemelijk dat er in de vroege ontwikkeling van kinderen eerst muziek is en dat dan pas de taal zich ontwikkelt.

Waar begint alles mee? Met onze onbedwingbare neiging om tegen baby's te gaan praten. Maar we doen dat niet door "het woord te voeren", maar door een soort babytaaltje te spreken, wat Engelsen "motherese" (of "parenthese") noemen. Dat is een vereenvoudigd en repetitief soort taal, met overdreven intonatie en ritme. Niet alleen de eigen moeder praat zo met haar baby, maar ook de vader, familieleden en zelfs vreemden. Er is iets met het zien van een baby dat mensen er gemakkelijk toe brengt om "ta-ta-ta" en "waaristiedan? waaristiedan?" te gaan zeggen.

Te gaan zingen, had ik bijna opgeschreven en er is ook veel voor te zeggen om dit meer muziek dan taal te noemen. En wat baby's terug doen, of zelfs uit zichzelf al doen, is een soort brabbeltaal produceren die daar erg op lijkt en die ook veel met muziek gemeen heeft. Een citaat uit het artikel (mijn vertaling):
In het eerste levensjaar horen baby's taal als een voor hen bedoelde en vaak herhaalde vocale voorstelling. Ze luisteren er naar niet alleen vanwege de emotionele inhoud, maar ook voor de ritmische en fonemische (klank-)patronen. Zoals Newham zegt: "... terwijl het verbale kind later zulke geluiden organiseert naar de regels van het woordenboek, ordent de baby, die daarmee nog niet bekend is, ze naar een intuïtief, creatief en aangeboren gevoel voor toonhoogte, melodie en ritme op een manier die direct verwant is aan het componeren van muziek." (...) Als geluiden verbonden worden met betekenis, krijgt de verwijzende functie van taal steeds meer de aandacht van het kind, omdat het sociale belang daar van groot is. Echter, tijdens het eerste levensjaar overheerst een ander soort van luisteren. Muziek als een kunstvorm zou wel eens een manier kunnen zijn om deze heel vroege periode, toen de wereld als een concert op ons overkwam en toen zinnen nog slechts geluiden waren, te laten voortduren in ons volwassen leven.
Zie bijvoorbeeld deze YouTube video en bepaal of je wel of niet muziek hoort.Ik zou zeggen: muziek.
2 month old Baby Talking: Says I Love You! - YouTube:

'via Blog this'

Dit is een interessante gedachte, ook al omdat er redenen zijn om te denken dat muziek ook fylogenetisch, dus in de evolutie van de menselijke soort, aan taal is voorafgegaan. De gedachte is echter ook nieuw omdat tot nu toe, als ik het wel heb, sinds Chomsky, werd uitgegaan van een aangeboren taalmodule. Die zou er moeten zijn omdat anders niet zou kunnen worden verklaard hoe de ingewikkelde, hiërarchische, structuur van taal aangeleerd kan worden. Door het "hebben" van die module zouden kinderen dus eerst taal leren en zou het vermogen tot muziek zich later ontwikkelen. De auteurs verwijzen naar Steven Pinker, die in How the Mind Works (1997) muziek opvatte als een soort auditief gebakje zonder enig biologisch nut. Als nu zou blijken dat muziek nodig is om taal te kunnen leren, dan is dat inzicht daaraan wel volledig tegenovergesteld.

Toevallig is er recentelijk ook How hierarchical is language use? verschenen, waarin Stefan L. Frank, Rens Bod (van de Universiteit van Amsterdam) en Morten H. Christiansen betogen dat het met die ingewikkelde, hiërarchische structuur van taal eigenlijk heel erg meevalt. Ze laten zien dat je inderdaad een hiërarchische structuur aan onze taal kunt onderkennen. Zinsdelen zijn delen van een groter geheel van een zin of van zinsdelen die weer deel zijn van een groter geheel, enzovoort. Maar als je naar het gebruik van taal kijkt, dan kun je zinnen net zo goed, of beter, opvatten als opeenvolgingen van zinsdelen. En volgens de auteurs zijn er veel overwegingen om die sequentiële structuur als fundamenteler te beschouwen.

Als ze gelijk hebben, dan zou dat precies sporen met het inzicht dat muziek vooraf gaat aan de taal, zowel evolutionair (fylogenetisch) als in de individuele ontwikkeling (ontogenetisch). Muziek, een opeenvolging van klanken, zou dan de grondslag hebben gelegd en leggen voor het koppelen van klanken aan betekenissen. Waarmee een sequentiële structuur ontstaat, die zo complex kan worden, dat je er een hiërarchie in kunt aanwijzen.

Blijft nog de vraag waarom wij mensen als enige diersoort muziek en taal kennen. Dat moet er mee te maken  hebben gehad dat wij in onze Paleo Sociale Omgeving onze kinderen coöperatief groot brachten. En dat was nodig geworden door onze toegenomen onderlinge afhankelijkheid. Moeders waren niet langer in staat om het zorgen en groot brengen in hun eentje te doen. Zorg door anderen (allocare) was nodig. Dat betekende een selectie op het vermogen van baby's om niet alleen de eigen moeder, maar ook anderen te engageren. Dus door contact te maken. En in te spelen op het vermogen van volwassenen en oudere kinderen om brabbeltaal schattig te vinden en er op te reageren. Brabbeltaal zou dan als functie hebben om ook van anderen zorg los te krijgen dan van de eigen moeder. Vergelijk dat met de chimpansees, waar moeder en jong heel lang onafscheidelijk zijn en de jongen er het zwijgen toe doen. Andere verzorgers zijn niet nodig, dus waarom zou je ze proberen voor jou te engageren?

Daarmee komt overeen dat de klauwaapjes, die hun jongen ook coöperatief grootbrengen (zie nog eens dit bericht), ook een soort gebrabbel kennen waarmee hun jongen zorg uitlokken. Anders gezegd, de klauwaapjes maken muziek! Alleen is dat bij hen (nog) niet tot een taal geëvolueerd.

Zie hier een aardig filmpje over klauwaapjes: Common Marmosets are Highly Social - YouTube:

'via Blog this'

dinsdag 17 januari 2012

Babies leren taal ook door liplezen

Bij babies gaat vanaf ongeveer zes maanden het gebrabbel over in de eerste lettergrepen en nog wat later in het eerste "mamma" of "pappa". We nemen aan dat dat vooral gebeurt doordat volwassenen veel tegen hen praten. Het bekende "waar is tie dan?" en dat soort pogingen tot communicatie waar we ons gemakkelijk aan overgeven als we een baby voor ons hebben.

Nu hebben onderzoekers uitgevonden dat babies bij het aanleren van hun eerste lettergrepen en woordjes ook gebruik maken van liplezen. Terwijl ze daar voor vooral naar de ogen kijken, gaan ze na omstreeks zes maanden naar de lippen kijken. Zo zullen spiegelneuronen actief worden die imitatie van de mondbewegingen oproepen. Na ongeveer een jaar richten ze zich weer meer op de ogen.

Zie de link onderaan dit bericht. En zie daar een foto van een van de "proefpersonen".

Dit kan een klein verschil zijn, met grote gevolgen, tussen mensenbabies en jongen van klauwaapjes. Het is bekend dat klauwaapjes ook onderling brabbelen en dat hun jongen daar al heel snel mee beginnen. Maar bij hen gaat dat brabbelen niet over in taal. Zie ook dit bericht.

Natuurlijk kun je niet zeggen dat als die klauwaapjes babies nu ook maar zouden liplezen, dat ze dan ook taal zouden leren. Want er moet al taal zijn om dat liplezen zin te verlenen. Het is zo'n voorbeeld van het niet weten wat er het eerst was. En waarschijnlijk is het ontstaan van taal bij mensen in heel kleine stapjes over en weer gegaan. Steeds een iets rijker repertoire van klanken en mondbewegingen (en gelaatsuitdrukkingen) en steeds iets meer aandacht van babies voor mondbewegingen. En ontwikkeling van spiegelneuronen.

Het interessante is dat klauwaapjes, net als mensen, hun kinderen coöperatief grootbrengen, waardoor ze ook net als mensen behoorlijk altruïstisch zijn.
Study: Babies try lip-reading in learning to talk:

'via Blog this'

donderdag 3 november 2011

Het menselijke temperament: verlegenheid

Onderzoek van Michael Tomasello en anderen wijst er op dat een voor sociaal gedrag belangrijk verschil tussen mensen en chimpansees er in gelegen is dat mensen een kalmer temperament hebben. Chimpansees zijn minder goed dan mensen in staat om hun neiging tot statuscompetitiegedrag te onderdrukken. Dat is een cruciaal verschil, omdat het menselijk vermogen tot onderdrukking van die neiging de mogelijkheid opent voor gezamenlijke activiteiten en coöperatieve communicatie.

Een aspect van dat temperament is de dimensie van verlegenheid-stoutmoedigheid. In een sociale omgeving waarin statuscompetitie overheerst, is het zaak om stoutmoedig te zijn en dus om dat soort gedrag snel aan te leren als je opgroeit. Andersom: in een sociale omgeving met veel gemeenschapsgedrag, kun je je veroorloven om verlegen en voorzichtig te zijn.

Tomassello en mede-onderzoekers hebben nu onderzocht of twee en een half-jarige (mensen-)kinderen op deze dimensie verschillen van chimpansees, orang-oetans en bonobo's. Ze deden dat door te kijken hoe ze reageerden op voor hen nieuwe objecten en onbekende personen. Het blijkt dan dat kinderen veel meer vermijdend en dus verlegen reageren dan chimpansees, orang-oetans en bonobo's. Het ging steeds om vrij jonge apen die aan mensen gewend waren.

Een mogelijke interpretatie daar van is dat kinderen in het geval van nieuwe ervaringen meer geneigd zijn om geruststelling te zoeken bij ouders en anderen uit hun nabije omgeving. Die meer afwachtende en observerende houding maakt hen meer ontvankelijk voor het leren van het gedrag van anderen en van de instructies door die anderen. Kortom: die verlegenheid is misschien een voorwaarde voor het menselijk vermogen om cultuur tot stand te brengen en door te geven. Zo verkeerd is het misschien niet om verlegen te zijn.

Opvallend was dat de kinderen nog het meest leken op de bonobo's. En het is bekend dat bonobo's veel minder aan statuscompetitie doen dan chimpansees en orang oetans. Waarschijnlijk lijken klauwaapjes nog meer op kinderen.

Update. Zie van Tomaselo ook dit leerzame hoofdstuk over menselijke cultuur in evolutionair perspectief. Het verschijnt dit jaar in M. Gelfand (Ed.). Advances in Culture and Psychology. Oxford University Press

donderdag 29 september 2011

Michael Tomasello, kinderen, chimpansees en klauwaapjes

De British Academy heeft de 2011 Wiley Prize voor psychologie toegekend aan Michael Tomasello. Dat is toe te juichen, want Tomasello heeft, samen met anderen, heel belangrijk onderzoek gedaan naar pro-sociaal gedrag bij kinderen en bij chimpansees. Ter gelegenheid van de toekenning zijn veel van zijn wetenschappelijke artikelen online gezet. Hij heeft in een reeks van studies laten zien dat kinderen al vanaf 14 tot 18 maanden oud spontaan anderen helpen. Het gaat dan om helpen in de zin van bijvoorbeeld iemand iets aanreiken die daar zelf moeilijk bij kan. Ze doen dit zonder er voor beloond te worden; sterker: beloning werkt averechts. Kinderen lijken van nature altruïstisch te zijn en leren pas op latere leeftijd te differentiëren tussen anderen die wel of niet geschikte partners zijn voor hun hulpbereidheid. Dit is een aardig artikel waarin veel van dit onderzoek wordt samengevat. Zie ook dit prachtige boek!

Omdat (jonge) chimpansees ook tot dit gedrag in staat zijn, lijkt het niet bij mensen vanuit het niets te zijn ontstaan. Het lijkt meer algemeen zoogdierengedrag, dat mogelijk is, in de zin van dat het evolutionair blijft bestaan, omdat pasgeborenen meteen een directe omgeving hebben waarin tenminste een andere, de eigen moeder, zorggedrag vertoont. Misschien is het dus wel veel meer aanwezig dan alleen bij mensen en chimpansees. Dat dat zo is, weten we al als het om apensoorten gaat die hun jongen coöperatief grootbrengen, zoals de klauwaapjes ("common marmosets"). Het interessante daarvan is weer dat dat altruïstische gedrag bij die aapjes op volwassen leeftijd in stand blijft. Die zorgende omgeving die er voor chimpansee-jongen alleen is zolang de moeder nog zorgt (heel lang, trouwens) en voor mensenkinderen buiten het eigen gezin historisch gezien steeds minder aanwezig is, drijft op dat altruïstische gedrag en maakt het mogelijk. Klauwaapjes vormen echte gemeenschapjes, waarin samen voor de jongen wordt gezorgd en samen aan externe bedreigingen het hoofd wordt geboden.

Dit is alles wel heel kort door de bocht geformuleerd, maar het wijst nog eens op het fundamentele belang van de sociale omgeving. Want mensen zijn natuurlijk niet alleen maar pro-sociaal. Of zoals Warneken en Tomassello het formuleren:
It is a common observation that human beings, as a species, are extraordinarily helpful, even to non-relatives (in addition to being downright mean on many occasions also).