Posts tonen met het label John Kenneth Galbraith. Alle posts tonen
Posts tonen met het label John Kenneth Galbraith. Alle posts tonen

woensdag 1 september 2021

Democratie bedreigd door toegenomen ongelijkheid en het Grote Geld - Deel 4 van De mensheidsgeschiedenis in drie stappen

We zijn in een fase van de mensheidsgeschiedenis aangekomen waarin we met twee grote uitdagingen worden geconfronteerd. Zo besloot deel 3 van deze reeks (De Vos, 2021). De eerste is die van de onderlinge verhoudingen: zullen we de democratie weten te handhaven, de institutionele vormgeving van onze oeroude morele gemeenschapsintuïties van het iedereen telt mee? En de tweede is die van onze verhouding tot de aarde, die een afgeleide is van onze verhouding tot volgende generaties. Als dat iedereen telt mee ook de volgende generaties omvat, dan staan we voor de opgave om Moeder Aarde zo door te geven dat ook voor hen een leven mogelijk is.

Zo begint deel 4 van De mensheidsgeschiedenis in drie stappen, waarin het gaat over de bedreigingen van de democratie door de toegenomen ongelijkheid en het Grote Geld. Lees verder op Civis Mundi Digitaal #113.

Lees hier Deel 5.

donderdag 13 december 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 13 - Over gelijkheid, klassenstrijd, tegengestelde machten en de actualiteit van John Kenneth Galbraith

Als gelijkheid zo cruciaal is voor de democratie (zie het vorige bericht in deze reeks), dan is het op zijn minst een van de belangrijkste opgaven voor de democratische overheid om gelijkheid te bevorderen. Daarbij gaat het uiteraard niet om gelijkheid als eenvormigheid, maar om gelijkheid in economische levenskansen en bestaanszekerheid en daarmee in de vrijwaring van onderdrukking en vernedering.

We zien ook dat veel van het overheidsbeleid (mede) gericht is op gelijkheidsbevordering. Denk alleen maar aan het onderwijsbeleid, de gezondheidszorg, de sociale zekerheid en de progressieve belastingheffing.

Maar er is daarnaast ook het beleid dat erop gericht is om op de markt gegroeide machtsposities te neutraliseren door het bevorderen van tegengestelde machtsposities. Dan komen we op het terrein van de leer van de countervailing powers, die John Kenneth Galbraith na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde (zie het elfde bericht in deze reeks).

Volgens die leer is het wel degelijk mogelijk dat op een markt machtsposities ontstaan en blijven bestaan. Als die niet als vanzelf een tegenmacht oproepen, zoals de vakbeweging tegen de macht van de werkgevers, is het zaak voor de overheid om zo'n tegenmacht te bevorderen.

Volgens de redenering die we in deze reeks van berichten volgen, is zo'n beleid gemotiveerd door onze morele gemeenschapsintuïties. Die ons ertoe brengen om onderlinge verbondenheid te benadrukken (iedereen telt mee) en rechtvaardige verhoudingen en onderlinge samenwerking als wenselijk te zien.

Waarbij we ons realiseren dat de menselijke sociale natuur ambivalent is en dat er dus altijd een strijd zal zijn met onze neigingen tot statuscompetitie en dus tot het willen overheersen van anderen. Die strijd is deels een innerlijke strijd en deels, doordat mensen verschillen, een interpersonele, zeg maar politieke, strijd.
Hier ligt, bedenk ik me nu, enige overeenkomst met wat Karl Marx (1818 - 1883) dacht over de menselijke soort (das Gattungswesen), die volgens hem een innerlijke drijfveer heeft om de communistische gemeenschap na te streven, maar dat doel alleen langs de weg van de klassenstrijd kan bereiken.
Ik vroeg me af wat er bij Galbraith is te vinden over de motivering achter zijn theorie van de tegengestelde machten.  Ik geef hieronder een aantal citaten door die in dat verband interessant zijn (uit de Nederlandse vertaling van American Capitalism, de Aula-pocket editie van 1965).
Het scheppen van een tegenwicht tegen alle machtsposities op een markt is op z'n minst theoretisch te rechtvaardigen. (p. 138)
Men zal het er zeker over eens zijn dat in deze eeuw het politieke en economische leven in Amerika aan kracht gewonnen heeft als gevolg van de verbeterde positie van arbeiders en boeren - twee belangrijke en vroeger achtergestelde groepen. Een kleine vijftig jaar geleden werden de arbeidsverhoudingen in Amerika gekarakteriseerd door gemelijkheid, haat en angst. De houding van de boeren onderscheidde zich door diep gewortelde gevoelens van onveiligheid en minderwaardigheid. (...) Arbeiders en boeren leefden in het besef dat zij hoe dan ook onderworpen waren aan de macht van anderen. Het was daardoor onvermijdelijk dat met het tot ontwikkeling komen van tegengestelde machtsposities deze gevoelens zouden veranderen, en dat gebeurde dan ook. In plaats van minderwaardigheids- en onveiligheidsgevoelens kwam er een goed ontwikkeld besef van gelijkwaardigheid en zelfvertrouwen.(...)
Harmonische sociale verhoudingen lijken een aannemelijke doelstelling. Het lijkt bevorderlijk voor het algemeen welzijn dat er op een gegeven moment niet een openlijke of onderdrukte revolutie ontstaat. Verandering en vernieuwing, die als voornaamste doel het verminderen van sociale spanningen hebben, zijn in de economie echter niet erg in tel, althans niet bij hen die zich helemaal richten op het concurrentiemodel als maatschappelijke norm. Er zijn sommigen die wel een beetje onrust willen accepteren als dat dienstig kan zijn voor zo'n bewonderenswaardig doel. Voor anderen is dit niet iets waar de economen zich druk over moeten maken. Zij kunnen het straatoproer gadeslaan vanuit hun vensters. (p. 145-6) 
En ik herken daarin zowel het gemeenschapsstreven (harmonische sociale verhoudingen, verminderen van sociale spanningen) als het idee van een strijd die gevoerd moet worden (met de aanhangers van het concurrentiemodel, die wel wat onrust willen accepteren, omdat ze die veilig van achter hun vensters kunnen gadeslaan).

Tot slot van dit bericht kan ik de verleiding niet weerstaan om een passage te citeren waarin Galbraith de toenmalige toestand in de Verenigde Staten beschrijft die bestond door het nog ontbreken van tegengestelde machtsposities. Want hoewel allerlei omstandigheden verschillen, we hebben het over de jaren 40 en 50 van de vorige eeuw, zou die beschrijving met enige aanpassingen (vervang de arbeiders uit die tijd door de Amazon-werknemers van nu) ook zo maar kunnen slaan op wat wij nu, in 2018, meemaken.
Er zijn nog enkele miljoenen Amerikanen die over geen enkele organisatie beschikken om zich op de markt te doen gelden en wier levensstandaard en welvaart duidelijk blijk geven van de gevolgen daarvan. Hierbij zijn bijvoorbeeld een twee miljoen landarbeiders inbegrepen, de volkomen vergetenen in Amerika. Zij kennen geen enkele sociale zekerheid in hun werk - er zijn maar weinigen die niet per dag opgezegd kunnen worden. Ze genieten slechts in beperkte mate de voordelen van sociale zekerheid; gewoonlijk worden ze niet beschermd door een compensatie voor wat een nogal riskant beroep is; velen hebben geen vaste verblijfplaats; wat hun betaald wordt, is verre van fraai. Een aandeel in de winsten uit de recent ontwikkelde machtspositie van de boeren op de markt moet nog overgeheveld worden naar degenen die bij hen in loondienst zijn.
Dan zijn er ook nog de ongeorganiseerde arbeiders in de stad, zij die aan de rand van de georganiseerde arbeidersbeweging staan en - misschien de belangrijkste van allemaal - de beroepscategorieën die in het verleden alle streven naar economische macht hebben afgezworen. Onderwijzers, intellectuelen, gemeente- en rijksambtenaren hebben over het algemeen vermeden zich te organiseren als iets dat niet helemaal netjes was; ook omdat men geloofde dat werkgevers en de samenleving als geheel hun belangrijkheid wel zouden erkennen en hen dienovereenkomstig zouden betalen. (p. 148-149)
Galbraith was in die tijd een zeer invloedrijke econoom. Overheden namen zijn lessen ter harte.

Lessen die na de opkomst van het neo-liberalisme in de jaren 80 van de vorige eeuw weer werden vergeten. Of wetens en willens aan de kant werden gezet.

Ook dat was een episode in de onophoudelijke strijd om waar we met zijn allen met de maatschappij naartoe willen: meer of juist minder democratie, verzorgingsstaat, gelijkberechtiging en mensenrechten. Lees hier het volgende bericht.

dinsdag 4 december 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 11 - Ongelijkheid is ook altijd machtsongelijkheid en macht heeft tegenmacht nodig

We zijn bij de derde stap van de mensheidsgeschiedenis aangekomen. De stap richting de democratie, de gelijkberechtiging, de verzorgingsstaat en de mensenrechten. Maar of de mensheid in staat zal zijn om die stap te voltooien is bepaald nog niet zeker. Zie het vorige bericht in deze reeks.

Het allesoverheersende probleem waar we mee geconfronteerd worden is dat van de sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw sterk toegenomen ongelijkheid.

Er zijn al talloze rapporten en artikelen en boeken verschenen die die toename documenteren. Ik verwijs nu maar even naar het eerder op dit blog verschenen bericht Was de explosie van CEO-beloningen een kwestie van normverandering?

Daarin zie je voor de Verenigde Staten een grafiek van hoe de beloningen van de ondernemingsbestuurders (CEO's) zich ontwikkelden in vergelijking met de van de gewone werknemers. Je ziet de plotselinge en sterke stijging van die ratio eind jaren tachtig, waarna er fluctuaties optreden die samenhangen met het barsten van de internetzeepbel (1997 - 2000) en de Grote Financiële Crisis van 2008 - 2010). Die er op wijzen dat de economie met de toename van de ongelijkheid instabieler werd. De grafiek eindigt in 2011, toen de CEO's bijna 300 maal meer verdienden dan de gewone werknemer, vergeleken met 20 maal zoveel in de jaren 60 en 70.

In datzelfde bericht zie je ook een veelzeggend plaatje dat iets zegt over de oorzaken van die sterke toename van de ongelijkheid. De grafiek namelijk die laat zien hoe de marginale belastingtarieven van de hoogste inkomens zich ontwikkelden tussen 1916 en 2011. Je ziet dat het tarief voor de inkomstenbelasting in de jaren 50, 60 en 70 nog op 90 procent lagen, maar daarna stapsgewijs en snel halveerden. In ieder geval een deel van die toegenomen ongelijkheid is dus een gevolg geweest van bewust beleid. Het neoliberale beleid dat meer ongelijkheid juist goed zou zijn voor iedereen.

Grote ongelijkheid bergt grote gevaren in zich, doordat er processen optreden die maken dat die ontwikkeling onomkeerbaar wordt. Ik heb ze opgesomd in het bericht Loopt het kapitalisme op zijn laatste benen? Economische, maar ook sociaalwetenschappelijke inzichten.

Een van die gevaren is dat ongelijkheid altijd ook machtsongelijkheid is. En machtsongelijkheid vormt uiteraard een bedreiging voor de democratie en de gelijkberechtiging. De verleiding van machtigen om hun macht uit te oefenen ter behartiging van hun eigen belangen is over het algemeen onweerstaanbaar.

Vandaar dat John Kenneth Galbraith in de jaren 50 van de vorige eeuw zijn, nu nagenoeg vergeten, maar wel heel actuele, theorie van de tegengestelde machten (countervailing powers) ontwikkelde. Je kunt zijn betoog lezen alsof het nu geschreven is.

Als je naar "reëel bestaande" markten kijkt, in tegenstelling tot de markten met volledige concurrentie uit sommige leerboeken, dan zie je dat daar machtsconcentraties kunnen optreden. Die kunnen soms als vanzelf een tegengestelde macht oproepen, maar dat is niet gegarandeerd. Als dat niet zo is, dan ligt daar een taak voor de overheid. Meer daarover in het volgende bericht, maar nu alvast Galbraith zelf aan het woord (geciteerd uit de Nederlandse vertaling van American Capitalism):
Aangezien het verschijnsel der tegengestelde (vind ik beter dan het "contrasterende" van de vertaler) machtsposities van groot praktisch belang is, ook al vond het lange tijd in de economische en politieke theorie geen erkenning, zouden we, in overeenstemming met onze sterk pragmatische benadering, van de overheid verwachten dat zo'n machtspositie voorwerp zou zijn van een groot stuk wetgeving en overheidsbeleid. (...)
In feite is in de moderne tijd het steunen van tegengestelde machtsposities misschien wel de voornaamste binnenlandse taak in vredestijd geworden van de federale regering.
Dat komt nogal actueel over, nu de Verenigde Staten worstelen met een groot monopolieprobleem:
The Monopolization of America.

En dan hebben we het nog niet eens over de macht van de grote internationale ondernemingen: Break up Facebook (and while we're at it, Google, Apple and Amazon).
Lees hier het volgende bericht.

dinsdag 27 november 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 9 - Democratie bedreigd door het Grote Geld; Piketty en Galbraith

We zijn in dit relaas van de mensheidsgeschiedenis aangekomen op een punt dat we met de democratie, de verzorgingsstaat, de gelijkberechtiging en de mensenrechten zich een collectief project zien ontwikkelen dat eruit bestaat de oeroude morele gemeenschapsintuïties in nationale en internationale instituties vorm te geven. Dat project is nog maar kort aan de gang, zeg één of anderhalve eeuw. En nu, in 2018, weten we nog niet goed of het zal slagen.

Omdat we er nog middenin zitten, is het bovendien moeilijk om een goed overzicht te krijgen en te houden van alle ontwikkelingen die zich afspelen en die de uitkomst kunnen beïnvloeden. Aan het eind van het vorige bericht in deze reeks was ik tot de tussentijdse conclusie gekomen dat het goed zou zijn om stil te staan bij het werk van Thomas Piketty (2014) en bij dat van John Kenneth Galbraith (1956).

Bij Piketty's Capital in the Twenty-First Century, omdat daar, in Hoofdstuk 12 (Global Inequality of Wealth in the Twenty-First Century), de extreme concentratie van vermogens en vermogensgroei sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw zo goed naar voren komt. Er kwamen meer miljardairs en het aandeel van de miljardairs in het wereldwijde inkomen stegen. De inkomens van de rest bleven daar sterk bij achter.

Ee een flink deel van dat geconcentreerde kapitaal, tenminste 10 procent van het wereld Bruto Nationaal Inkomen, maar waarschijnlijk meer, bevindt zich in belastingparadijzen. Dit is, zo merkt Piketty op, een extreem hoog bedrag, meer dan tweemaal zoveel als de vermogenspositie van de groep rijkste landen (Japan, Europa, Verenigde Staten).

Een wel heel sterke aanwijzing dat er zoiets als het Grote Geld bestaat en dat degenen die dat Grote Geld vergaard en gecumuleerd hebben, er goed in slagen om het aan de belastingheffing te onttrekken. En dus een sterke aanwijzing dat de democratie in gevaar is.

Vandaar dat Piketty tot de conclusie komt dat er een wereldwijde progressieve belastingheffing op kapitaal nodig is om deze zichzelf versterkende kapitaalsaccumulatie een halt toe te roepen. Dat lijkt, zoals hij ook zelf opmerkt, voorlopig een utopisch ideaal. Maar misschien onvermijdelijk in een geglobaliseerde wereld met vrij verkeer van kapitaal.

In dat verband is het voor de hand liggend om het betoog van John Kenneth Galbraith uit de jaren 50 van de vorige eeuw terug in de herinnering te roepen. Dat inhield dat er op markten machtsposities kunnen ontstaan en dat die machtsposities voorafgaand aan de Crash van 1929 in de Verenigde Staten aanzienlijk waren. Uit de Nederlandse vertaling van American Capitalism (mijn Aula-pocket uit 1965):
Hier was een macht die invloed had op de prijzen die de gewone man betaalde, op het loon dat hij ontving; een macht die het formidabelste obstakel naar omvang en ervaring betekende dat een nieuwe onderneming in de weg stond. Wat zou zo'n macht wel niet kunnen aanrichten als de omvangrijke hulpbronnen ervan gebruikt zouden worden voor politieke corruptie en het beïnvloeden van de openbare mening?
Dat bracht Galbraith ertoe om zijn theorie van de tegengestelde machten (countervailing powers) te ontwikkelen. Die dus inhield dat er op markten machten kunnen ontstaan, waar een tegengestelde macht tegenover moet staan om economische schade te voorkomen. Die tegenmacht ontstaat soms vanzelf, maar vaak is daar een helpende hand van de overheid bij nodig. Die dus ook inhield dat je markten niet zomaar aan zichzelf kunt overlaten.

Of de overheid moet zelf die tegenmacht vormen, door een herverdelingsbeleid met progressieve belastingheffing op inkomen en vermogen. En in een geglobaliseerde economie moet dat dus ook een geglobaliseerde belastingheffing zijn.

En zolang die er niet is, ja, dan gaat dat proces van kapitaalsaccumulatie aan de top en stagnatie bij de rest gewoon door. Dat is dus niet alleen economisch schadelijk, maar tegelijk sterk bedreigend voor de democratie.

Denk aan Galbraith: wat zou zo'n macht wel niet kunnen aanrichten?
Lees hier het volgende bericht.

vrijdag 23 november 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 8 - Democratie bedreigd door het gevaar van de Grote Ondernemingen en dus van het Grote Geld

Wat valt er zoal te zeggen over de eerste van de twee grote uitdagingen waar we op dit punt in de mensheidsgeschiedenis voor staan? De uitdaging dus van de onderlinge verhoudingen: zullen we het met de Industriële Revolutie in het leven geroepen kapitalisme zo kunnen vormgeven dat het blijft voldoen aan onze behoeften aan democratie, gelijkberechtiging en mensenrechten? Zie hier het vorige bericht in deze reeks.

Nu, in 2018, bestaat die uitdaging er allereerst uit dat de democratie zich wellicht niet weet te handhaven tegenover de bedreigingen die uitgaan van de marktmacht van de grote internationale ondernemingen en de daarmee gepaard gaande grote inkomens- en vermogensongelijkheid.

Die marktmacht en die ongelijkheid konden sterk groeien sinds zo ongeveer in de jaren 80 van de vorige eeuw het neoliberalisme de politiek ging domineren, de rol van de overheid en van de vakbeweging werd teruggedrongen en de verzorgingsstaat werd afgebouwd. Dat laatste, na 2008, vooral ook door het  neoliberale, maar economisch onzinnige, geloof dat je als overheid in een recessie moet bezuinigen.

Die gegroeide marktmacht en de eruit voortkomende concentratie van kapitaal aan de top bedreigt langs twee wegen de democratie: enerzijds de weg van de beïnvloeding van de politiek door de aan voorwaarden gebonden financiering van politieke partijen en politici (minder omfloerst gezegd: door corruptie) en anderzijds door ontwijking van de belastingen en witwaspraktijken door de grote, internationale ondernemingen.
Er is, bedenk ik nu, nog een derde bedreiging. Die gaat ervan uit dat de concentratie van kapitaal aan de top leidt tot financialisering van de economie, d.w.z. tot nog meer concentratie en tot een afname van investeringen in de reële economie. Waardoor de winsten toenemen en de lonen stagneren of zelfs in koopkracht dalen. Daardoor leeft een toenemend deel van de bevolking in bestaansonzekerheid en zonder veel hoop op een betere toekomst. Ideale omstandigheden voor rechts-extreme politici, die het ongenoegen weten om te buigen in de richting van vijandigheid tegenover de zwakkeren (uitkeringstrekkers), de vreemdelingen en de vluchtelingen.
Die eerste weg, die van de illegale of zelfs gelegaliseerde corruptie, treedt wereldwijd op, maar het is toch bovenal de Amerikaanse politiek die ervan doortrokken is. En je kunt inderdaad zeggen dat daar de corruptie gelegaliseerd is, namelijk sinds het Citizens United besluit van het Hooggerechtshof in 2010 dat grote ondernemingen onbeperkte hoeveelheden geld mogen besteden aan het aanprijzen van politieke partijen en hun kandidaten. Omdat die sommen geld niet direct besteed worden aan de verkiezingscampagnes, zouden ze niet kunnen leiden tot corruptie of tot de schijn van corruptie. Zacht gezegd een opvallende redenering, die slecht verbloemt waar het echt om gaat.

In het volgende bericht meer over de tweede weg, die van belastingontwijking en witwaspraktijken. En in dat verband over Thomas Piketty's Capital in the Twenty-First Century (2014).

Maar ook over American Capitalism van John Kenneth Galbraith, van lang geleden (1956), maar hoe actueel in 2018. De eerste Nederlandse vertaling, Kapitalisme en welvaart, verscheen in 1965 als aula-pocket en staat nog steeds in mijn boekenkast. In 1993 is het terecht opnieuw, met een nieuwe introductie, uitgegeven, en daarvan is in 2008 een Nederlandse vertaling verschenen.
Lees hier het volgende bericht.

donderdag 7 december 2017

Trump is dat waar de invloed van het Grote Geld op is uitgelopen

Update. Zie voor de laatste ontwikkelingen van de invloed van het Grote Geld, in dit geval van de Koch Brothers: Tax Bill: Koch Brothers’ Senator Pushes Tax Break For ‘Dark Money’ Groups.
Nieuwe update. En lees hoe de rijke Conservatieven en de grote bedrijven door Trumps belastingverlagingen tientallen miljoenen dollars meer kunnen vrijmaken om aan de verkiezingscampagne van de Republikeinen te doneren. Campagnes die weer doordrenkt zullen zijn van leugens. Trump Tax Cut Unlocks Millions for a Republican Election Blitz.
John Kenneth Galbraith (1908 - 2006), vader van James Galbraith, werd in de periode na de Tweede Wereldoorlog allerwegen beschouwd als de grootste econoom van zijn tijd. In 1952 verscheen zijn American Capitalism. The Concept of Countervailing Power. Hij waarschuwde daarin voor de anti-overheidsideologie en voor het geloof in de weldadige werking van het ongebreidelde marktmechanisme. Zeg maar dat hij waarschuwde voor wat we tegenwoordig neoliberalisme noemen.

We hebben zijn waarschuwingen in de wind geslagen. En daar plukken we nu de wrange vruchten van. Galbraith heeft veel van die ontwikkeling sinds de tijd van Ronald Reagan en van Margaret Thatcher meegemaakt, want hij overleed pas in 2006. Twee jaar voor zijn dood schreef hij nog The Economics of Innocent Fraud: Truth For Our Time, waarin hij het bedrog blootlegde dat zich had geworteld in het vak economie en het door overheden gevoerde economische beleid.

Ik stond eerder stil bij John Kenneth Galbraith in het bericht De anti-overheidsideologie door de geschiedenis heen: aan de hand van John Kenneth Galbraith.

Dat ik er nu op terugkom, heeft te maken met het eerder dit jaar verschenen boek The One Percent Solution. How Corporations Are Remaking America One State at a Time van Gordon Lafer, dat door Diane Ravitch werd besproken in de New York Review of Books. (Zie ook De opkomst van het Grote Geld en de extreemrechtse ideologie van de kleine overheid - Hoe kon het gebeuren?)

Want wat is het geval? Als je de bespreking van dat boek leest, komt onweerstaanbaar de gedachte bij je op dat waar Galbraith tegen waarschuwde in zijn volle omvang bewaarheid is geworden. Allereerst natuurlijk in de Verenigde Staten, maar is het in Europa zoveel beter?

Lafer beschrijft de agenda, in de samenvatting door Diane Ravitch, van de grote ondernemingen, het Grote Geld, de One Percent, handzaam als volgt:
The many goals of this agenda can be summed up in a few words: lower taxes, privatization of public services, and deregulation of business. The lobbies Lafer studies oppose public employee unions, which keep public sector wages high and provide a source of funding for the Democratic Party. The tobacco industry opposes anti-smoking legislation. The fossil fuel industry wants to eliminate state laws that restrict fracking, coal mining, and carbon dioxide emissions. The soft-drink industry opposes taxes on sugary beverages. The private prison industry advocates policies that increase the population of for-profit prisons, such as the detention of undocumented immigrants and the restriction of parole eligibility. Industry lobbyists oppose paid sick leave, workplace safety regulations, and minimum wage laws. They support “right to work” laws that undermine unions. They oppose teachers’ unions and support the privatization of education through charter schools and vouchers.
En hoe wordt die agenda ten uitvoer gebracht? Dat gebeurt gecoördineerd in de in 1973 opgerichte,
in het beslotene opererende, American Legislative Exchange Council (ALEC), waarin de lobbyisten van alle grote ondernemingen zich hebben verenigd. Die club produceert beleidsrapporten en kant-en-klare wetsontwerpen die op grote schaal in wetten worden omgezet.

En natuurlijk door de rechtstreekse megadonaties aan de politiek, mogelijk gemaakt door het Citizens United besluit van het Hooggerechtshof in 2010, dat inhield dat miljardairs niet het recht ontzegd mag worden om met hun geld de politieke besluitvorming te beïnvloeden.

Het is huiveringwekkend. En we zien van dag tot dag waarin dit resulteert. Trump is dat waar de invloed van het Grote Geld op is uitgelopen.

Gelukkig is Amerika nog een land waarin zulke boeken kunnen verschijnen. En waarin de tegenstand tegen dat ALEC op de website ALEC Exposed een platform vindt.

Maar of dat genoeg zal blijken te zijn?

woensdag 3 mei 2017

De mistroostige wereld waarin de gezonden niet meebetalen aan de zieken en de rijken niet aan de armen

De Republikeinse Afgevaardigde van de staat Alabama, Mo Brooks, licht zijn afkeer van Obamacare toe met te verklaren dat je van gezonde mensen niet mag eisen dat ze meebetalen aan de kosten van medische behandeling van zieke mensen. Zie Republican Blurts Out That Sick People Don’t Deserve Affordable Care van Jonathan Chait.

Want volgens hem, en volgens het overheersende denken in zijn partij, is ziek of gezond zijn iets wat jezelf in de hand hebt. Als je de moeite neemt om gezond te leven, zul je niet ziek worden. En als je die moeite niet neemt, dan moet je zelf voor de gevolgen en dus voor de kosten opdraaien.

Het is een gedachte die al langer rondzingt in de kringen van de Amerikaanse conservatieven. Chait verwijst naar een citaat van een van hen, de libertariër John MacKey, waaruit tevens de link naar voren komt met het neo-liberalisme en de ideologie van de kleine overheid:
Rather than increase government spending and control, we need to address the root causes of poor health. This begins with the realization that every American adult is responsible for his or her own health.
Mensen die die verantwoordelijkheid niet nemen, moeten niet hun hand willen ophouden en vragen dat anderen, via belastingen en premies, aan de gevolgen daarvan meebetalen.

Amerika is inderdaad uitzonderlijk, in de zin dat dit sentiment er al langer heerst en meer dan in de meeste andere landen. (Maar in Duitsland kom je het tegen als de vaak door Schäuble aangehaalde wijsheid dat iedereen zijn eigen stoepje moet schoonhouden.)

John Kenneth Galbraith omschreef het als het concurrentiemodel van het publieke domein en de rol van de overheid daarin. In het bericht De anti-overheidsideologie door de geschiedenis heen: aan de hand van John Kenneth Galbraith haalde ik dit citaat uit 1952 aan:
Een hedendaagse verhandeling over de Amerikaanse economie concludeert dat de overheid door de progressieve inkomstenbelasting weloverwogen "zijn meest succesvolle burgers van zijn voortbrengselen berooft en ze toedeelt aan degenen met minder succes; op die manier bestraft de overheid de vlijt, de zuinigheid, de kundigheid en de efficiëntie en ondersteunt hij de luiheid, de verkwisting, de incompetentie en de inefficiëntie. Door de zuinigen te beroven, vernietigt de overheid de bron van het kapitaal, onderdrukt hij investeringen en het scheppen van banen en remt hij de industriële vooruitgang....".
En merk op dat George Lakoff dat model omschrijft als de moraliteit-van-de-strenge vader.

Met als tegenstelling de moraliteit-van-de-zorgzaamheid, die er juist van uitgaat dat wij ook in het publieke domein een verantwoordelijkheid voor elkaar hebben, die in de democratische overheid een uitingsvorm hoort te vinden.

Uit onderzoek blijkt dat die moraliteit-van-de-zorgzaamheid over het algemeen (gelukkig) de meeste aanhang heeft, zoals naar voren komend in de vorm van steun voor de verzorgingsstaat. Zie mijn Essay De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?

Dat dat concurrentiemodel toch zo vaak de kop op steekt, zou te maken kunnen hebben met de intuïtie van de rechtvaardige wereld, de just-world hypothesis.

Die intuïtie is een overblijfsel van de jagers-verzamelaarssamenleving, waarin de hang naar rechtvaardigheid en wederkerigheid als vanzelfsprekend in de dagelijkse praktijk van het samenleven tot uitdrukking kon komen.

In de hedendaagse samenleving kan hij er echter toe leiden dat we individuele tegenslag, zoals ziekte, maar al te gauw zien als een aanwijzing voor in het verleden begane zonde. In die "maatschappijvisie" is ongeluk, net als geluk, altijd verdiend. Want de wereld is immers rechtvaardig.

Vandaar dat die Amerikaanse conservatieven er zoveel moeite mee hebben om de gezonden voor de zieken te laten betalen en de rijken voor de armen. De gezonden hebben hun gezondheid immers verdiend. En de rijken hun rijkdom.

Wat een mistroostige wereld komt daaruit naar voren.

dinsdag 25 oktober 2016

De Nederlandse sociaal-democratie heeft zich nog niet aan de neo-liberale dominantie ontworsteld

Wat te denken van het concept-verkiezingsprogramma van de PvdA?

Die vraag is van belang in een tijd waarin de sociaal-democratie als intellectuele, maatschappelijke en politieke kracht lijkt te versagen. Ik sta eerst even daar bij stil en keer daarna terug naar dat concept-verkiezingsprogramma.

Avner Offer, emeritus hoogleraar economische geschiedenis aan de Universiteit van Oxford, denkt dat de sociaal-democratie staat voor een ander wereldbeeld dan dat van de standaardeconomie, dat wil zeggen het vak aan de beoefenaars waarvan jaarlijks de Nobelprijs wordt uitgereikt.

Offner schreef daarover naar aanleiding van de uitreiking van die prijs een paar weken geleden: The Nobel prize in economics takes too little account of social democracy. En hij schreef daarover samen met Gabriël Söderberg het boek The Nobel Factor: The Prize in Economics, Social Democracy, and the Market Turn.

Zijn betoog komt er op neer dat het Nobelprijs-comité er aan heeft meegewerkt dat het economische wereldbeeld een neo-liberaal stempel heeft gedrukt op het maatschappelijke en politieke denken:
Like market liberalism, economics regards buying and selling in markets as the template for human relations and claims that market choices scale up to the social good. But the doctrines of economics are not well founded: premises are unrealistic, models inconsistent, predictions often wrong. The halo of the prize has lent credibility to policies that harm society, to inequality and financial disorder.
Maar er is ook een ander wereldbeeld, dat van de sociaal-democratie:
Economics does not have the field of policy entirely to itself. A different view of the world – social democracy – is used by governments to allocate about 30% of GDP in most developed countries for employment, healthcare, education, and pensions. Social democracy is not only a political orientation but also a bipartisan method of government. Like economics, it accepts the primacy of markets in production and consumption. Markets reward wealth and success. In social democracy, entitlement is equal, and arises from citizenship, though one-size-fits-all sometimes creates its own problems.
En hoewel het Nobelprijs-comité wel heeft geprobeerd om een evenwicht te bewaren tussen "rechtse" en "linkse" economen, is er toch maar één prijswinnaar geweest die echt als sociaal-democraat kon gelden (Gunnar Myrdal in 1974).  En in ieder geval één sociaal-democraat die hem had behoren te krijgen (John Kenneth Galbraith), zag hem aan zich voorbij gaan.
This is costly. Social democracy is not as deeply theorised as economics, but has been enormously successful in providing social and public goods. It has kept economic insecurity at bay. Its method of mutual support is more efficient and equitable than private healthcare, education, and pensions. Social-democratic politicians do not always understand this. If economics is compelling, social democracy is indispensable. The two doctrines have adapted to each other but their marriage is not happy.
Het zou goed zijn als het vak economie zich daar meer rekenschap van zou geven. En het zou dus goed zijn als dat zou doorklinken in de toekenning van de Nobelprijs. Zie ook dit interview met Avner Offer: The Political Slant of the Nobel Prize in Economics.

Dat in de sociaal-democratie het nastreven van economische bestaanszekerheid zo voorop staat, verklaart ook dat het werk van John Maynard Keynes daar zo goed werd ontvangen. Want Keynes zag dat de markt niet als vanzelf tot het optimale evenwicht tendeert, dat lange perioden van stagnatie (slechte evenwichten) kunnen bestaan en dat de overheid via begrotingsbeleid de taak op zich moet nemen om de daaruit voortkomende bestaansonzekerheid te voorkomen.

En hoe actueel is dat inzicht! We zien om ons heen, dat wil zeggen in Europa, dat het verwaarlozen er van en het stijfkoppig vasthouden aan het primaat van het begrotingsevenwicht, rampzalige gevolgen heeft gehad en heeft. Hoe anders zouden de ontwikkelingen geweest zijn als de invloed van het sociaal-democratisch denken op de inrichting van de eurozone en op het gevoerde beleid groter was geweest!

En inderdaad, de geluiden dat het anders moet en dat het de hoogste tijd is voor een actief begrotingsbeleid om uit de economische stagnatie te ontsnappen, worden sterker. Gisteren Should we rethink fiscal policy? van Sylvia Merler van de denktank Bruegel, die een fraaie opsomming geeft van recente bijdragen. En een paar dagen eerder Secular stagnation, bubbles, fiscal policy, and the introduction of the contraceptive pill van Jason Lu en Coen Teulings. Die laten zien dat de overheidsschulden juist moeten toenemen, om nieuwe financiële zeepbellen, en dus crises, te voorkomen. Maar dat zulks door het Stabiliteitspact van de eurozonelanden onmogelijk wordt gemaakt.

Goed. terug naar het concept-verkiezingsprogramma van de PvdA. Vinden we daarin wat terug van het grote belang van dat sociaal-democratische wereldbeeld als tegenhanger van het neo-liberale?

Als je dat concept doorleest, dan vind je in de eerste 10 van de 11 hoofdstukken een lange opsomming van voornemens en wensen waar je het gemakkelijk mee eens kunt zijn. En die in de media het beeld hebben doen ontstaan van een partij die weer "links opzoekt". Al die voornemens vereisen investeringen, verhoging van de overheidsuitgaven dus. Komen die er?

Nee, want dan arriveer je bij het elfde hoofdstuk, met als titel Financieel kader. En dat is verreweg het kortste hoofdstuk, zo kort dat ik het hier in zijn geheel kan citeren:
De PvdA heeft een traditie van verstandig begrotingsbeleid. Want we weten dat als de begroting uit de hand loopt, uiteindelijk gewone gezinnen en kwetsbare mensen de rekening betalen.
Het begrotingsbeleid van de afgelopen jaren heeft de basis gelegd voor de in dit programma voorgestelde investeringsagenda in de publieke sector: onderwijs, zorg, sociale zekerheid, duurzaamheid en veiligheid.
Aan het eind van de kabinetsperiode wil de PvdA structureel evenwicht op de begroting, zodat we onze kinderen niet opzadelen met de rekening en ouderen ook in een vergrijzende samenleving de zorg kunnen bieden die ze verdienen. Het tekort mag oplopen bij economische tegenslag of onvoorziene omstandigheden. Het belastingstelsel wordt eerlijker en groener.
Het begrotingsbeleid is dienend aan het bereiken van een duurzame, sociale en welvarende samenleving. De PvdA zal haar verkiezingsprogramma laten doorrekenen door het Centraal Planbureau en het Planbureau voor de Leefomgeving en aanbieden aan het Sociaal Cultureel Planbureau om een analyse te maken van de sociale gevolgen van het programma.
En daar lezen we dus dat de PvdA een "structureel evenwicht" op de begroting wil. Tekorten mogen niet, tenzij bij economische tegenslag of onvoorziene omstandigheden. Verdere uitleg ontbreekt. Schulden maken om te investeren? Nee hoor. Wel de demagogie over het opzadelen van onze kinderen met de rekening. En wel het erin volharden dat het met de VVD gevoerde bezuinigingsbeleid "verstandig" was, alle aanwijzingen negerend van de daardoor veroorzaakte economische schade.

Nee. als je hierop afgaat, dan kun je nog niet concluderen dat de Nederlandse sociaal-democratie zich aan de greep van de neo-liberale dominantie ontworsteld heeft.

vrijdag 1 november 2013

De anti-overheidsideologie door de geschiedenis heen: aan de hand van John Kenneth Galbraith

De aanhang voor publieke domein-vuistregels kan sterk fluctueren. Dat domein is nog zo nieuw in de menselijke geschiedenis dat we nog lang niet genoeg collectieve inzichten hebben vergaard om de beheersing er van onder de knie te hebben. Desondanks kunnen mensen wel sterke overtuigingen hebben over hoe dat domein zou moeten worden aangepakt. Maar die berusten dus altijd meer op sociale processen van zeepbelvorming dan op empirische onderbouwing.

Vandaar dat de aanhang voor de vuistregel van de anti-overheidsideologie in de recente geschiedenis bepaald niet stabiel is geweest. De aanhang lijkt nu aanzienlijk, zij het meer onder de politieke en economische elite dan onder het gewone volk. Maar dat is anders geweest, met name anders in de eerste 25 jaar na de Tweede Wereldoorlog. Laten we om daar zicht op te krijgen even terug gaan naar het eerste boek van John Kenneth Galbraith, American Capitalism. The Concept of Countervailing Power, dat in 1952 verscheen. (Volg de link om het gratis te donwloaden.)

Galbraith (1908-2006), vader van James Kenneth Galbraith, schreef twee jaar voor zijn dood nog het prachtige boekje The Economics of Innocent Fraud, waarin hij een vlijmscherpe analyse gaf van het kapitalisme van begin van de eenentwintigste eeuw. Zie eerder op dit blog over Galbraith dit bericht, dit bericht en dit bericht.

Maar nu even terug naar 1952. Ik las American Capitalism een tijdje terug, in de uitgave Galbraith. The Affluent Society & Other Writings, die in 2010 door zoon James werd geredigeerd. Vader Galbraith wijdt daar een passage aan die anti-overheidsideologie, die hij aanduidt met "het concurrentiemodel". Ik vertaal een stukje (p. 30-31):
In het concurrentiemodel werd overheidsinterventie even rigoureus afgewezen of de motieven van de overheid nu als kwaadwillend of goedwillend werden verondersteld. Het model werd ontwikkeld in tijden dat goede intenties van de staat en zijn dienaren niet konden worden aangenomen. De meest krachtige van de politieke filosofen die aan die ontwikkeling meededen, Jeremy Bentham, was nergens zo op gebrand dan op het minimaliseren van de rol van corrupte publieke ambtsdragers. Daar waren goede redenen voor. Tot ver in de negentiende eeuw in Engeland, en ook nog tot in de huidige eeuw in het grootste deel van de rest van de westerse wereld, waren de motieven van het overheidsgezag in relatie tot de economie, tenminste van tijd tot tijd hebzuchtig of corrupt. In de Verenigde Staten was de federale overheid tot in de huidige eeuw op economisch vlak de schutspatroon van degenen die het best in staat waren om voordelen te verkrijgen en van de eigen ambtenaren.
Die doctrine van de boosaardige staat is niet geheel dood. Een hedendaagse verhandeling over de Amerikaanse economie concludeert dat de overheid door de progressieve inkomstenbelasting weloverwogen "zijn meest succesvolle burgers van zijn voortbrengselen berooft en ze toedeelt aan degenen met minder succes; op die manier bestraft de overheid de vlijt, de zuinigheid, de kundigheid en de efficiëntie en ondersteunt hij de luiheid, de verkwisting, de incompetentie en de inefficiëntie. Door de zuinigen te beroven, vernietigt de overheid de bron van het kapitaal, onderdrukt hij investeringen en het scheppen van banen en remt hij de industriële vooruitgang....". (...) Maar er is geen twijfel aan dat dit een minderheidsstandpunt is. In de Verenigde Staten zowel als in de parlementaire democratieën in het algemeen, is de grote meerderheid van de bevolking de overheid als wezenlijk goedwillend gaan beschouwen. Als de New Deal enige revolutionaire betekenis heeft gehad, dan was dat een revolutie in de houdingen van de grote massa's van het volk ten opzichte van de federale overheid. Binnen het bestek van een paar jaar gingen burgers een relatief afstandelijk en onpersoonlijk mechanisme, tot dan toe geïdentificeerd met tarieven, belastingheffing, verboden, "Farmers' Bulletins" en de Nationale Parken, zien als een beschermer en zelfs als een vriend van het volk en als hun schild tegen tegenslag. De daden van de overheid waren niet altijd even voorspelbaar, maar er was geen twijfel dat de motieven als goed konden worden beschouwd.
Deze passage tekent wel ongeveer het klimaat van de jaren vijftig. De herinnering aan de anti-overheidsideologie die geheerst had, was nog levendig. Maar tegelijk kon die naar de geschiedenis worden verwezen. Tot die ideologie in de jaren tachtig weer de kop opstak. Met, ja, alle gevolgen van dien. Wordt dus vervolgd.

vrijdag 4 oktober 2013

Waardoor komt hoogmoed vaak eerst aan de top voor hij voor de val komt?

Hoogmoed als persoonseigenschap is een combinatie van narcisme, antisociale persoonlijkheidsstoornis en excessief zelfvertrouwen en zelfoverschatting. Maar het is een eigenschap die niet in elke sociale omgeving kan gedijen.

Volgens Owen en Davidson (pdf) is het zelfs een eigenschap die zich kan ontwikkelen als de persoon in een machtspositie terechtkomt waarin hij/zij weinig tot geen weerwerk ondervindt en, mede daardoor, die positie gedurende lange tijd kan uitoefenen. Dat betekent dat hoogmoed het resultaat is van een sociaal proces, namelijk de ontwikkeling van een statushiërarchie. En dat betekent weer dat niet alleen de hoogmoedige verantwoordelijk is voor het bereiken van de top, maar dat die verantwoordelijkheid gedeeld wordt met alle anderen die die hiërarchie hebben laten ontstaan. Hoogmoed aan de top is de uitkomst van een sociaal proces.

Hoe kan het dat mensen dat sociale proces zich laten voltrekken? Dat heeft er mee te maken dat we niet meer een samenleving hebben zoals die van de Paleo Sociale Omgeving. In die omgeving van egalitaire, persoonlijke relaties was de aanwezigheid van weerwerk altijd gegarandeerd. Hoogmoedig gedrag en daarmee het opeisen van voorrechten en het profiteren van anderen werd collectief onder de duim gehouden. De onderlinge afhankelijkheid maakte dat noodzakelijk. En zo werd de opkomst van een statushiërarchie voorkomen.

Sinds de ontwikkeling van agrarische maatschappijen werkt dat sociale mechanisme niet meer. Zo konden koninkrijken en ongelijkheid, onderdrukking en slavernij ontstaan. Sinds de Industriële Revolutie en de daarmee toegenomen vraag naar menselijk kapitaal proberen we door algemeen kiesrecht, democratie en grondrechten een maatschappelijk stelsel te bouwen waarin dat weerwerk weer zoveel mogelijk institutioneel gewaarborgd is. Alleenheerschappij moet door de gegarandeerde aanwezigheid van countervailing powers (John Kenneth Galbraith) worden voorkomen. Niet alleen in de nationale staat, maar ook in organisaties en in de internationale wereldorde.

Maar dat lukt maar beperkt. Organisaties kunnen door hoogmoedig geworden leiders te gronde worden gericht. En democratieën kunnen hoogmoedige leiders voortbrengen die pas ten val komen als veel schade al is aangericht (Thatcher, Blair, Bush Jr.) of als ze de democratie hebben ingewisseld voor een persoonlijke dictatuur, een nationale statushiërarchie (denk aan het Hitler-bewind).

Wat mij betreft lijkt het er op dat het sociale proces waardoor hoogmoed aan de top komt, veel overeenkomst vertoont met de ontwikkeling van een sociale zeepbel. En sociale zeepbellen ontstaan in het publieke domein, waarover we altijd maar gebrekkig geïnformeerd zijn. We zijn als burgers maar heel beperkt in staat om ons een oordeel te vormen over wat het beste overheidsbeleid is. Er is een ontzagwekkend informatietekort en dat geldt zelfs voor politici. Toch moeten er besluiten worden genomen.

Dat zijn de voorwaarden waaronder gemakkelijk sociale zeepbellen ontstaan. Een bepaalde opvatting, bijvoorbeeld die dat bezuinigen in een recessie een goed idee is, lijkt op een bepaald moment net iets serieuzer dan andere. En krijgt wat meer aanhang, waardoor anderen worden beïnvloed om zich er ook achter te scharen. De sociale beïnvloeding doet de rest.

Maar hetzelfde proces kan zich afspelen als het er om gaat de beste leider te selecteren. We hebben geen idee, maar iemand die net iets serieuzer overkomt dan anderen, en vooral: die zeker van zichzelf is, krijgt al gauw wat aanhang. En die breidt zich door sociale beïnvloeding uit. In de trant van: als iemand zoveel aanhang heeft, dan moet daar toch wel iets in zitten? Zo kan een narcist aan de macht komen en een keer aan de top fataal hoogmoedig worden.

Als je de geschiedenis in ogenschouw neemt, dan ga je wel eens denken: het is maar zó gebeurd. Niet een opwekkende gedachte. Daarom: blijven opletten!

Update. Zie vandaag ook Chris Dillow's Mistaking Power For Virtue voor een verwant betoog.

donderdag 14 februari 2013

Jan Pen in 1965 en de onmiskenbare terugval in publieke kennis

Gisteren gaf ik de opgaaf: Wie schreef dit en wanneer? Gevolgd door drie alinea's tekst waarin iemand betoogt dat een depressie zoals in de jaren 30 van de vorige eeuw niet meer zal voorkomen. Want zo'n depressie wordt veroorzaakt door een plotselinge koopkrachtdaling en sinds Keynes weten overheden hoe ze de koopkracht op peil kunnen houden en dat ze dat ook moeten doen. Ze moeten belastingen verlagen of de bestedingen opvoeren. "Dergelijke maatregelen zullen stellig worden genomen."

Arie Glebbeek reageerde als volgt:
Hoi Henk,
Volgens mij is hier Jan Pen aan het woord, ik denk begin jaren zestig. Ik meende me de passage zelfs te herinneren, mogelijk van toen ik laatst nog eens in een oude bundel bladerde (Het aardige van de economie, wellicht). Hoe het ook zij: deze inzichten waren ooit gemeengoed onder economen, politici en beleidsmakers. Sindsdien is een onmiskenbare terugval in publieke kennis opgetreden.
Groetjes, Arie Glebbeek.
 En inderdaad was hier Jan Pen (Lemmer 1921- Haren 2010) aan het woord. Hij was hoogleraar in de staathuishoudkunde en openbare financiën aan de Rijksuniversiteit Groningen. (Als sociologie-student volgde ik van 1965 tot 1968 bij Jan Pen het bijvak economie.) Die drie alinea's zijn afkomstig uit het boekje Economische actualiteiten, dat verscheen in 1967 en waarin artikelen zijn gebundeld die eerder waren verschenen in Vrij Nederland, Het Parool, de NRC, het Hollands Maandblad, de Economisch-Statistische Berichten en het Financieel Dagblad.

Jan Pen was in die tijd een veelgelezen en veel geïnterviewd econoom. Vooral een macro-econoom. Hij schreef Moderne Economie (1e druk 1958), waarvan, volgens Bol.com, in twintig jaar tijd meer dan 125.000 exemplaren werden verkocht en dat vertaald werd in het Engels, Zweeds, Portugees, Pools, Grieks, Italiaans en Japans. Het werd in 1977, uitgebreid en vernieuwd, opnieuw uitgegeven onder de titel Macro-Economie (i.s.m. L.J. van Gemerden). Nadat in 2009 abusievelijk in de pers werd gemeld dat hij was overleden (het betrof een andere Jan Pen), overleed hij op 14 februari 2010, nu op de dag af drie jaar geleden. Zie hier het In Memoriam dat Steven Brakman en Harry Garretsen toen schreven.

In datzelfde boekje waar ik die drie alinea's uithaalde, bespreekt Pen ook The Great Crash van John Kenneth Galbraith, het boek over het rampjaar 1929, naar aanleiding van het toen verschijnen van de Nederlandse vertaling daarvan. Pen schrijft daar (mijn cursivering):
De crisis bleef niet beperkt tot een halvering van de beurskoersen, maar er brak een tienjarige depressie uit. Werkloosheid en diepe ellende voor boeren en middenstanders volgden op de ruïnering van de speculanten. De gehele wereld werd meegesleept. Regeringen stonden hulpeloos tegenover de paradox, dat de mensen armoede leden terwijl de fabrieken ongebruikt stonden. Het nationale inkomen was een derde lager dan het had kunnen zijn.
De depressie is al vaak beschreven, en Galbraith zegt er niet veel van; hij beperkt zich tot de crisis. Maar de samenhang tussen (beurs)crisis en algemene depressie doet hem wel de vraag opwerpen: hoe groot is de kans op herhaling? Het is de vraag die zich op iedere bladzijde van dit historische verslag opdringt.
Galbraith antwoordt (en ik heb er niets aan toe te voegen): een scherpe koersdaling is altijd mogelijk. (...) de beurs reageert nu eenmaal psychologisch, en als er een paniek zou uitbreken is het niet duidelijk hoe deze in de kiem kan worden gesmoord.
Maar wat wij wel kunnen proberen is: voorkomen dat de crisis doorziekt in de produktie, de werkgelegenheid, de lonen, de inkomens van allen. In de jaren dertig hebben de regeringen overwegend het verkeerde gedaan (uitgaven ingekrompen, lonen verlaagd) en het goede nagelaten (belastingen verlaagd, grote werken op touw gezet).
Nu weten wij meer van de kringloop-mechanismen af om dergelijke fouten te voorkomen. In de woorden van Galbraith: 'Een depressie zal nu niet worden tegemoetgetreden met het onwrikbare besluit haar te verergeren'. Dit slaat vooral op de bereidheid, begrotingstekorten te laten ontstaan. (...)
... een ding staat vast: als er ooit weer een beginnende depressie zou optreden - dat zal zeker weer gebeuren - kan zij alleen snel en effectief worden bestreden als de regeringen bij hun maatregelen niet worden gehinderd door ouderwetse ideologieën en door conservatieve pressiegroepen.
Ja, dat was Jan Pen in 1967. En wat gebeurt vandaag de dag? Wat de regeringen gedaan hebben en doen, is dat ze precies de depressie hebben verergerd, het verkeerde gedaan en het goede nagelaten. Juist vandaag zijn er weer de berichten dat de economische krimp in Europa verdiept. De economie van de 17 eurolanden kromp in het vierde kwartaal van 2012 met 0,6 procent, meer dan voorspeld. Het is de scherpste daling sinds 2009 en het is de eerste keer dat deze landen samen in de vier kwartalen van een kalenderjaar geen groei vertoonden. De economieën van Duitsland, Frankrijk en Italië krompen meer dan voorspeld. Commentaar van Carsten Brzeski van ING: "Dit zijn afschuwelijke cijfers, het is een wijdverbreide inkrimping, die niet overeenkomt met het positieve beeld van stabilisatie en positieve besmetting."

En de oorzaak daarvan is de onmiskenbare terugval in publieke kennis (Arie Glebbeek) die is opgetreden. De regeringen hebben het verkeerde gedaan, omdat ze in de bezuinigingsstrategie gingen geloven. Onwetendheid? Onkunde? Ideologie? Hoe dan ook, om in de woorden van Paul Krugman te spreken (in het hoofdstuk Dark Age Economics van End This Depression Now!):
Rond, zeg, 1970, wist de economische professie werkelijk genoeg om een herhaling te voorkomen van alles wat dan ook maar zou lijken op de Grote Depressie.
En toen ging een groot deel van die professie er toe over om te vergeten wat het had geleerd.
Laten we daar even bij stilstaan, op deze sterfdag van Jan Pen.

Update. Zie nu ook dit blogbericht van Paul Krugman van vandaag over het verband tussen bezuinigen en werkloosheid.

vrijdag 9 maart 2012

Zelfverrijking in de financiële sector en financiële crises

Is het zo dat zelfverrijking in de financiële sector als regel een rol speelt in de totstandkoming van financiële crises? In 2008 las ik dit paper van Thomas Philippon en Ariell Resheff, dat duidelijke aanwijzingen voor die rol van zelfverrijking verschaft. Twee grafieken zijn mij altijd bijgebleven en ik heb ze deze week weer eens opgezocht. De eerste is een grafiek die laat zien hoe in de Verenigde Staten het aandeel dat de financiële sector uitmaakt van de gehele economie zich ontwikkelde sinds ongeveer 1860.

We zien dat het aandeel vooral sinds ongeveer 1980 sterk begon te stijgen. Maar als we meer in de tijd teruggaan, zien we dat er zich voorafgaand aan de Grote Beurskrach van 1929 een soortgelijke stijging voordeed.

Nu kan het natuurlijk zijn dat in beide gevallen dat aandeel toenam doordat de financiële sector ook echt meer ging bijdragen aan het nationale product door een relatieve stijging van de productiviteit. Maar Philippon en Resheff komen tot de conclusie dat dat niet zo was. (Zie ook dit paper van Philippon.)

Een interessant zicht daarop geeft ook de tweede grafiek. De auteurs keken ook naar de ontwikkeling van de lonen in de financiële sector. En hielden daarbij rekening met factoren als toegenomen opleidingseisen die mogelijke loonstijgingen zouden kunnen verklaren. De ontwikkeling die daarboven uitgaat, dus van het loon voorzover de veranderingen daarvan met strikt economische factoren niet zijn te verklaren, staat afgebeeld in de tweede grafiek. In feite is het dus de ontwikkeling van het excessieve inkomen.

Tja, we zien hier de rol van de factor zelfverrijking in het ontstaan van financiële crises.

In de woorden van Joseph Stiglitz, de overwinning van hebzucht over voorzichtigheid. (De titel van hoofdstuk 6 van zijn boek Freefall. Free markets and the Sinking of the Global Economy (2010) luidt "Avarice Triumphs Over Prudence").

Of in de woorden van John Kenneth Galbraith:
...the basic fact of the twenty-first century - a corporate system based on the unrestrained power of self-enrichment.
Dat laatste citaat is uit The Economics of Innocent Fraud. Truth of Our Time, dat hij in 2004 schreef, twee jaar voor zijn overlijden op 97-jarige leeftijd. Het is een klein boekje, dat maar 74 bladzijden telt. Een zo oud en zo wijs geworden man heeft niet meer zo veel woorden nodig.

In 1954 schreef hij de eerste grote analyse van de Beurskrach van 1929: The Great Crash. Ik schreef eerder kort over John Kenneth Galbraith in dit bericht.

zondag 20 november 2011

Meer schulden maken door blootstelling aan reclame

De huidige financieel-economische problemen in de Verenigde Staten en Europa zijn voor een groot deel terug te voeren op een schuldencrisis. En die schuldencrisis lijkt voorafgegaan te zijn door een lange periode van ongeveer een halve eeuw waarin mensen meer schulden zijn gaan maken. Over gegevens voor Europa beschik ik niet, maar die voor de V.S. zijn te vinden in dit paper.

De auteurs van dat paper vragen zich af of die toename van schulden er mee te maken heeft dat in ongeveer diezelfde periode de televisie opkwam en zichzelf snel over vrijwel alle huishoudens verspreidde. Want met de televisie nam de blootstelling aan reclame snel toe. Reclame roept op tot consumeren. Daarvoor is geld nodig en daar kunnen mensen meer over beschikken door meer te gaan werken en/of door meer te gaan lenen.

In de periode van het begin van de televisie wees John Kenneth Galbraith (de vader van James Galbraith) er in The Affluent Society al op dat de toename van reclame zou leiden tot economisch inefficiënt hoge niveau's van consumptie, arbeidsuren en schulden en een te laag niveau van vrije tijd. Dat "economisch inefficiënt" betekent dat mensen er beter aan toe zouden zijn als ze niet of minder aan reclame waren blootgesteld.

De onderzoekers van het paper waar ik hierboven naar linkte, onderbouwen het vermoeden dat het blootgesteld zijn aan reclame door televisiekijken leidt tot het meer aangaan van schulden. Daar voor keken ze naar waar in de V.S. eerder en waar later tussen 1945 en 1975 de televisie was doorgedrongen. En ze brachten die gegevens in verband met cijfers over schulden van huishoudens. Het blijkt dan dat de verspreiding van televisie samen ging met een toename van schulden ten behoeve van duurzame consumptiegoederen. Ook ging het samen met een toename van de arbeidsparticipatie.

Dit wijst erop dat de toename van schulden na de Tweede Wereldoorlog, althans in de V.S., op gang is gebracht doordat mensen televisie gingen kijken en daardoor ineens veel meer aan reclame werden blootgesteld. Opmerkelijk is trouwens dat het maken van schulden nog steeds sterk toenam nadat de televisie al tot vrijwel alle huishoudens was doorgedrongen en het aantal uren televisiekijken stabiliseerde.