Posts tonen met het label Sebastian Haffner. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Sebastian Haffner. Alle posts tonen

donderdag 17 oktober 2024

Een sociaalwetenschappelijk zicht op het fenomeen van de foute leider - 4 - De drie-eenheid van zelfbewondering, vijandigheid en onveranderlijkheid

Sociaalwetenschappelijk gezien is het gedrag van de foute leider te begrijpen als voortkomend uit de extreme activering van het statuscompetitiepatroon. Hier het vorige bericht. Die toestand bestaat eruit dat de narcistische zelfbewondering botst met de lastige werkelijkheid dat die bewondering niet, nog niet, door anderen gedeeld wordt. 

Voor anderen zou die botsing aanleiding zijn om dat zelfbeeld wat te corrigeren. Niet zo voor de foute leider. Hij concludeert eruit dat al die anderen nog moeten gaan inzien dat zijn mateloze zelfbewondering volkomen terecht is. Zijn superioriteit dient door iedereen, door "het volk", erkend te worden. En precies dat is de statuscompetitieve drijfveer die aanzet tot het moeten bereiken van de top van de statushiërarchie. En zolang die universele erkenning en bewondering niet bereikt is, leeft de foute leider in een onveilige, vijandige wereld. Want iedereen die hem niet bewondert, of die hem zelfs tegenspreekt en tegenwerkt, is een vijand die geïntimideerd en uitgeschakeld moet worden.

Het sterke punt van deze sociaalwetenschappelijke diagnose is dat het gedrag van de foute leider er gemakkelijk mee kan worden begrepen. In het vorige bericht ging het erover dat het gedrag van Geert Wilders er voorspelbaar door wordt. Iedereen die zijn superioriteit nog niet erkent, is een vijand die geïntimideerd en beledigd dient te worden. De verbale agressie is niet een weloverwogen tactiek, maar welt rechtstreeks op uit die statuscompetitieve emotie van wrok en zich miskend voelen. Zijn politieke gedrag staat geheel in het teken van de wens om eens de alleenheerschappij te bereiken. Al het andere is daaraan ondergeschikt.

Daarmee wijst de diagnose ook op het opvallende verschijnsel van de onveranderlijkheid van het gedrag van de foute leider. De narcistische zelfbewondering sluit uit dat er ooit corrigerende informatie tot hem kan doordringen. Waardoor groei en persoonlijke ontwikkeling niet tot de mogelijkheden behoort. Want alles wat hij uit de realiteit oppikt, bevestigt wat hij al wist: zijn eigen superioriteit en de vijandschap van de boze buitenwereld die hem tegenspreekt.

Dat verband tussen het wereldbeeld van vijandschap en de onveranderlijkheid van gedrag is een belangrijk sociaalwetenschappelijk inzicht, dat naar mijn smaak toch te weinig aandacht krijgt. Ik denk dat het voor het eerst tot mij doordrong toen ik het artikel Social interaction basis of cooperators' and competitors' beliefs about others van de sociaal psychologen Harold H. Kelley en Anthony J. Stahelski onder ogen kreeg. Ik schreef daar eerder over in het bericht Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (2): samenwerking, competitie en het gedrag van anderen. 

Kelley en Stahelski lieten proefpersonen keuzes maken in een zogenaamd herhaald gevangenendilemma. (In dat bericht vind je meer uitleg.) Daarin kunnen mensen ervoor kiezen om wel of niet samen te werken. Als je samenwerkt, draag je bij aan de gezamenlijke opbrengst. En als je niet samenwerkt, draag je daar niet aan bij, maar profiteer je wel van diezelfde gezamenlijke opbrengst. Hoewel dat volgens de rationale keuzetheorie niet de beste keuze is, kiezen veel proefpersonen er voor om samen te werken, hoewel ze dus het risico lopen dat anderen, de afvalligen, dat niet doen, maar wel meeprofiteren. 

Wat daar precies aan de hand is, wordt duidelijk doordat de onderzoekers de proefpersonen van te voren ondervroegen over wat ze in het dilemma wilden nastreven. Het bleek toen dat degenen die voor samenwerking kozen ook precies die samenwerking op het oog hadden. Ze streefden naar een voor iedereen zo hoog mogelijke opbrengst. Daarentegen hadden de afvalligen juist de competitie op het oog. Ze waren alleen in hun eigen opbrengsten geïnteresseerd. 

Bovendien bleek dat de afvalligen een competitief wereldbeeld hadden: ze verwachtten dat anderen ook alleen maar in hun eigen opbrengst waren geïnteresseerd en dus graag profiteerden van de samenwerking door anderen. Terwijl de samenwerkers ervan uitgingen dat er naast afvalligen ook andere samenwerkers zouden zijn. Daardoor begonnen ze met te kiezen voor samenwerking en stopten ze daar pas mee als bleek dat anderen daar niet aan mee deden. 

Het gevolg daarvan was dat de afvalligen in hun wereldbeeld bevestigd werden. Ze merkten immers dat hun afvallige gedrag met gelijke munt werd terugbetaald. Dat er anderen zouden kunnen zijn die uit waren op een zo hoog mogelijke gezamenlijk opbrengst, kon niet tot hen doordringen. Daarentegen leerden de samenwerkers dat er ook andere samenwerkers bestonden.

Conclusie: er zijn mensen die de wereld als competitief en dus vijandig zien en die door hun eigen gedrag en de reacties daarop voortdurend in dat wereldbeeld worden bevestigd. Met als onvermijdelijke uitkomst de onveranderlijkheid van hun gedrag.

En precies dat wereldbeeld en die onveranderlijkheid van gedrag treffen we dus aan bij foute leiders.

Ik moest meteen denken aan die treffende karakterisering door Sebastian Haffner van het schoolvoorbeeld van de foute leider, Adolf Hitler. Ik haalde die aan in het bericht Het Hitler-bewind sociaalwetenschappelijk bekeken: de persoon (met paginaverwijzingen naar Kanttekeningen bij Hitler):  

De karaktertrek waaruit dit streven (naar alleenheerschappij) voortkwam noemt Haffner op drie plaatsen in het boek (58, 139 en 141) bindingsangst, ook omschreven als vrees voor het definitieve, en, door Frits Boterman in het nawoord, als de angst om zich vast te leggen. Haffner denkt dat die bindingsangst samenhing met:

zijn bewondering voor zichzelf (...) Omdat hij zich als onfeilbaar beschouwde en blindelings op zijn intuïtie vertrouwde, kon hij geen instellingen scheppen die hem in de weg zouden zitten; en omdat hij zich als onvervangbaar beschouwde en zijn hele programma in ieder geval tijdens zijn leven gerealiseerd wilde zien, kon hij niets planten dat tijd nodig had om te groeien, kon hij niets aan zijn opvolgers toevertrouwen, zelfs niet eens voor opvolgers zorgen (de gedachte aan opvolgers had hij altijd opvallend onplezierig gevonden). (139)
Die bewondering voor zichzelf noemt Haffner ook:
een totaal gebrek aan vermogen tot zelfkritiek. Hitler was zijn hele leven lang buitengewoon met zichzelf ingenomen en daardoor altijd tot zelfoverschatting geneigd. Stalin en Mao hebben de cultus rond hun persoonlijkheid gebruikt als een politiek instrument, zonder zichzelf een rad voor de ogen te laten draaien. Hitler was niet alleen het onderwerp van de Hitlercultus, hij was er ook de vroegste, hardnekkigste en vurigste aanhanger van. (15)
 Dat gebrek aan zelfkritiek kan er de oorzaak van zijn dat er bij Hitler
geen sprake (is) van een ontwikkeling en rijping van zijn karakter of persoonlijkheid. Zijn karakter ligt al vroeg vast - een betere formulering is misschien 'loopt al vroeg vast' - en blijft op een verbazingwekkende manier altijd dezelfde; er wordt niets meer aan toegevoegd. Een weinig innemend karakter overigens. Alle zachte, vriendelijke en verzoenende trekken ontbreken, tenzij men zijn contactschuwheid, die soms op schuchterheid lijkt, als een verzoenende karaktertrek wil beschouwen. Zijn positieve eigenschappen - wilskracht, durf, dapperheid, uithoudingsvermogen - behoren alle tot de 'harde' kant. En dat geldt al helemaal voor zijn negatieve eigenschappen: meedogenloosheid, wraakzucht, trouweloosheid en wreedheid. (14)

Ziedaar de drie-eenheid van zelfbewondering, vijandigheid van en tegenover de wereld en onveranderlijkheid van gedrag. In het vervolg meer over die drie-eenheid bij andere foute leiders. Hier het vervolg.

zaterdag 23 maart 2019

De twee wereldbeelden van het rechts-extremisme: de wereld is gevaarlijk en/of de wereld is een amorele jungle

Wat valt er te zeggen over het wereldbeeld van rechts-extremisten? Via een pas verschenen studie kwam ik terecht bij Dangerous and competitive worldviews: A meta-analysis of their associations with Social Dominance Orientation and Right-Wing Authoritarianism, dat al in 2013 verscheen, maar dat ik niet eerder had opgemerkt.

Het gaat om een studie die inzicht verschaft in het onderscheid tussen de Sociale Dominantie Oriëntatie (SDO) en het Right-Wing Authoritarianism (RWA) en in wat voor wereldbeeld mensen hebben die hoog op deze twee scoren.

Eerst maar even over die SDO en RWA. Ik stond bij die twee stil toen het ging over het mogelijke verband tussen de toename van narcisme en de ongeveer gelijktijdige toename van rechts-extremisme: Over het verband tussen narcisme en rechts-extremisme. Ik citeer even uit dat bericht:
Als je hoog scoort op die Sociale Dominantie Oriëntatie, dan ben je gefascineerd door de gedachte dat de samenleving een statushiërarchie is van groepen en door de innerlijke behoefte om jezelf en je groepsgenoten (het eigen volk) aan de top daarvan te zien. Je bent het dan opvallend veel eens met uitspraken als:
  • Sommige groepen mensen zijn gewoon inferieur aan andere groepen
  • Het is oké als sommige groepen betere levenskansen hebben dan andere
  • Als bepaalde groepen meer hun plaats kenden, dan hadden we minder problemen
Hier kun je je eigen SDO-score te weten komen.

Met een hoge RWA-score wordt een net iets ander aspect van rechts-extremisme gevangen. Het gaat dan om het onderschrijven en aanhangen van traditionele normen en waarden, het je zelf daaraan onderwerpen en het opleggen ervan aan anderen, als het moet met geweld. Zie The Authoritarians van Bob Altemeyer. Je RWA-score is hoger als je het meer eens bent met uitspraken als:
  • Our country desperately needs a mighty leader who will do what has to be done to destroy the radical new ways and sinfulness that are ruining us.
  • The only way our country can get through the crisis ahead is to get back to our traditional values, put some tough leaders in power, and silence the troublemakers spreading bad ideas.
  • It is always better to trust the judgement of the proper authorities in government and religion than to listen to the noisy rabble-rousers in our society who are trying to create doubt in people's minds.
Hier kun je je eigen RWA-score te weten komen.
In dat bericht ging het erover dat narcisme positief samenhangt met SDO, als je controleert voor RWA, maar integendeel juist negatief samenhangt met RWA als je controleert voor SDO. En dat valt te begrijpen, want een narcist zou zich natuurlijk nooit aan een machtige leider willen onderwerpen of aan het oordeel van de autoriteiten. Narcisten zul je dus wél meer tegenkomen bij de SDO-variant van rechts-extremisme, maar juist minder bij de RWA-variant. (We zagen eerder dat PVV-stemmers hoog scoorden op de SDO.)

Maar goed. In die studie uit 2013 die ik hierboven noemde, gaat het over een ander verschil tussen SDO en RWA, namelijk een verschil in sociaal wereldbeeld. De onderzoekers concluderen uit een meta-analyse van eerdere studies dat degenen die hoog scoren op RWA meer het beeld hebben van een gevaarlijke wereld en degenen die hoog scoren op SDO meer het beeld van een competitieve wereld.
De mate waarin je een gevaarlijk wereldbeeld hebt, werd vastgesteld met de Belief in a Dangerous World Scale, waarin het gaat om het wel of niet onderschrijven van uitspraken als: "Any day now chaos and anarchy could erupt around us..." en "There are many dangerous people in our society who will attack someone out of pure meanness, for no reason at all."
En bij het aanhangen van een competitief wereldbeeld gaat het om uitspraken als “It’s a dog-eat-dog world where you have to be ruthless at times” en "There is really no such thing as “right” and “wrong.” It all boils down to what you can get away with."
De onderzoekers vatten de gevonden samenhangen samen in het onderstaande plaatje, Je ziet dat de sterkste verbanden (de dikkere lijnen) worden gevonden tussen DW en RWA en tussen CW en SDO. Je kunt dus het rechts-extremisme onderverdelen in Right-Wing Authoritarianism, dat nauw samenhangt met een gevaarlijk wereldbeeld en de Sociale Dominantie oriëntatie, dat nauw samenhangt met een competitief wereldbeeld.

In de eerste variant zijn er altijd gevaarlijke lieden en moet je dus altijd op je hoede zijn en in de tweede variant is de wereld een amorele jungle van strijd en statuscompetitie.  In beide varianten gaat het om een wereld bestaande uit groepen. Andere groepen die gevaarlijk zijn. Of groepen waartegen de eigen superieure groep met hand en tand dient te worden verdedigd.


Maar je ziet ook dat het rechts-extremisme een samenhangend geheel is, want er zijn dwarse samenhangen. Zo is de correlatie tussen de beide wereldbeelden behoorlijk groot, wat erop wijst dat als je de wereld als gevaarlijk ziet, de kans behoorlijk groot is dat je hem ook als een amorele jungle ziet. En andersom.

Laten we zeggen dat het sociaalwetenschappelijk onderzoek enig inzicht verschaft in het denken van de rechts-extremisten die in Europa en de Verenigde Staten zo van zich doen spreken. En die natuurlijk hun voorlopers hadden.

De allergrootste aanhanger van dat beeld van de wereld als een amorele jungle was wel Adolf Hitler. Sebastian Haffner geeft in zijn Kanttekeningen bij Hitler het volgende citaat (zonder bronvermelding, maar ik neem aan uit Mein Kampf):
Wie wil leven, welaan, die moet strijden, en wie in deze wereld van eeuwige worsteling niet wil strijden, verdient het leven niet.
Toen, en nu nog steeds, huiveringwekkend.

donderdag 15 december 2011

Hoe ontstond de nationale statushiërarchie van het Hitler-bewind?

Mijn vorige bericht over de statushiërarchie van het Hitler-bewind besloot met:
Met deze eigenschappen, narcisme en psychopathie, was deze man (Hitler) tot zijn dertigste levensjaar een "obscure mislukkeling". Hoe kan het dat hij daarna aan het hoofd kwam te staan van een nationale statushiërarchie?
Ik probeer nu een antwoord te vinden in Kanttekeningen bij Hitler van Sebastian Haffner.

Een obscure mislukkeling was Hitler tot zijn dertigste levensjaar. Maar ook in die fase van zijn leven was hij, in de woorden van Haffner, buitengewoon met zichzelf ingenomen en altijd tot zelfoverschatting geneigd. Daardoor concentreerde hij zich al vroeg op de politiek als levensvervulling, emigreerde hij met dat doel van Oostenrijk naar Duitsland en besloot hij om politicus te worden. Hij leefde in die tijd als steuntrekker, zonder beroep of enig beroepsperspectief. Er zijn altijd meer narcistische mislukkelingen, die zich van alles in hun hoofd halen. Hoe valt te verklaren dat in het geval van Hitler dat wat hij in zijn hoofd haalde ook in zo grote mate werd gerealiseerd?

Toen Hitler had besloten om politicus te worden, bleef hij ook in die positie de eerste tien jaar, tot 1930, een mislukkeling. Hij pleegde een mislukte putsch en zijn partij bleef tot 1929 een onbelangrijk splinterpartijtje.

Toen begonnen de successen. Bij de verkiezingen in 1930 een verachtvoudiging van de stemmen. In 1932 nogmaals een verdubbeling. In januari 1933 werd hij rijkskanselier, waarna hij in juni van dat jaar alle concurrerende partijen ontbond. In 1934 werd hij ook rijkspresident en opperbevelhebber van de strijdkrachten. In een luttel aantal jaren van onbeduidende randfiguur tot almachtige dictator.

We moeten, schrijft Haffner, toegeven dat hij, toen hij eenmaal die almacht had, indrukwekkende prestaties leverde en grote successen boekte. Hij was een leek op het gebied van economie en economische politiek, maar hij had het benul om de 'financiële tovenaar', de econoom Hjalmar Schacht, aan te stellen als hoofd van de Reichsbank en daarna als minister van economische zaken. Die wist, o.a. door al bestaande stimuleringsplannen ook echt uit te voeren, de economie uit het slop te halen. Van zes miljoen werklozen in 1933 naar volledige werkgelegenheid in 1936 moet een prestatie genoemd worden.

Dat is opmerkelijk, want de economie had in de plannen van Hitler tot dan toe nauwelijks een rol gespeeld. Maar hij bezat, schrijft Haffner, voldoende politiek instinct om te begrijpen dat economische groei op dat moment belangrijker was dan budgettaire en monetaire stabiliteit. Omdat er nog een wereldwijde economische crisis heerste, ging dit economische wonder wel gepaard met het afsluiten van de Duitse economie van de rest van de wereld en met onder dwang opgelegde lage lonen en prijzen. Die dwang moet je heel letterlijk nemen, want de concentratiekampen waren er al.

De andere grote prestatie was dat Hitler in de eerste zes jaar van zijn heerschappij het land herbewapende, tot het in 1938 de sterkste land- en luchtmacht had in Europa. Dat wekte verbazing en bewondering omdat niemand dat van hem had verwacht. Je kunt vanuit het nu terugkijkend, van alles op deze prestaties afdingen, maar toen maakten ze het mogelijk dat hij als een wonderdoener werd gezien. En dat stak scherp af tegen het hulpeloos falen van alle andere regeringen en politieke partijen ten aanzien van de crisis.

Tot de successen begonnen, begin jaren dertig, had Hitler alleen zijn narcisme, zijn absolute geloof in zichzelf, en zijn vermogen tot volksmennerij, zijn hypnotiserende welbespraaktheid en zijn kunsten ter vervoering en beneveling van de massa. Onderdeel daar van waren de mateloze beledigingen aan het adres van de zittende regeringen. Alleen dat bracht hem echter tot niet meer dan vijf procent van de stemmen bij verkiezingen. Volgens Haffner steeg dat tot veertig procent door de economische crisis en dat volstrekte falen van alle andere partijen en tot vijftig procent door zijn prestaties. Het werd toen moeilijker om kritisch over Hitler te zijn, want "de man heeft toch heel wat gepresteerd". En je kon altijd en meestal gemeend er aan toevoegen dat "dat met de Joden mij ook niet bevalt".

(Een kleine vergelijking met het nu ligt zo voor de hand, dat ik het niet kan laten. Nu zien we in ons land dat veel, waarschijnlijk de meeste, Wilders-aanhangers ook denken en zeggen dat "dat met die Moslims mij ook niet bevalt". En verder moeten we natuurlijk afwachten wat Wilders nog echt gaat "presteren".)

Wat hebben we: narcisme, vermogen tot belediging en vervoering, prestaties. Wat ontbreekt er nog? Dat moeten het geweld en de agressie en de intimidatie zijn. Dat is de psychopathie. Die intimidatie moest worden opgebouwd. Hitler creëerde al eind jaren twintig zijn politieke partij, de NSDAP, en was daar absoluut leider van. Het was in de woorden van Haffner een partij vol strijdlust, een stomende en stampende verkiezingsmachine. En zijn tweede schepping was de SA, de Sturmabteilung, paramilitaire stoottroepen, strijdbaar, fanaat, gewelddadig en moordlustig. Vrees en intimidatie die door Hitler bewust werden aangewakkerd. Na zijn machtsovername zouden er koppen rollen. De SA had, schrijft Haffner, met bloeddorstige voorpret een 'nacht van de lange messen' aangekondigd. Die sfeer van intimidatie leidde er toe dat het bijna een opluchting was voor de prominenten van de voorgaande regeringen dat ze 'slechts' in concentratiekampen werden opgesloten.

Samengevat: hoe komt een narcistische mislukkeling, waarvan er zo veel zijn, aan de top van een nationale statushiërarchie te staan? Door dat volstrekte geloof in zichzelf goed te kunnen uitdragen, door beledigingen en door vervoering, door de duidelijke zwakte van de bestaande machthebbers, door een intimidatie-apparaat op te bouwen dat angst en vrees aanjaagt én door duidelijke prestaties te leveren. (Dat laatste en die zwakte van anderen hangen natuurlijk samen.)

Een andere keer over de moeilijke vraag wat we hier van moeten leren. Update. Zie Van narcistische mislukkeling tot leider van nationale statushiërarchie.

dinsdag 25 oktober 2011

Het Hitler-bewind sociaalwetenschappelijk bekeken: de persoon

Ik kom terug op de vraag of je je voor het begrijpen van de collectieve zelfvernietiging van Duitsland in 1944-'45 vooral moet richten op de persoonlijke eigenschappen van Hitler of vooral op het sociale proces van het ontstaan van een extreme statushiërarchie. In het vorige bericht beschreef ik hoe zo'n statushiërarchie kan ontstaan en eindigde ik met de vraag hoe cruciaal de rol van de persoon van de leider, in dit geval Hitler, in dat proces is. Ik probeer daar een antwoord op te geven, na herlezing van Sebastian Haffners Kanttekeningen bij Hitler. Bij citaten vermeld ik de nummers van de pagina's van de Rainbow Pocket editie van 2010. In dit bericht ga ik in op de persoonlijke eigenschappen van Hitler zoals die uit Haffners beschrijvingen te voorschijn komen.

Allereerst: Hitler was in extreme mate een narcist. Deze eigenschap staat er direct mee in verband dat Hitler, hoewel hij aanvankelijk aan het hoofd van een staat kwam te staan, hij vervolgens de staat afschafte en inruilde voor een absolute heerschappij, sociaalwetenschappelijk gezegd, een statushiërarchie. In de woorden van Haffner:
 hij heeft (...) het vermogen tot functioneren van de staat bewust opgeofferd aan zijn persoonlijke almacht en onvervangbaarheid (...) Het Derde Rijk bezat (...) op zijn laatst vanaf de herfst van 1934 geen (...) grondwet meer. Ook kende en respecteerde het geen grondrechten die de macht van de staat tegenover de burger inperkten (...) Hitler heeft daarentegen opzettelijk een toestand geschapen waarbinnen de verschillende zelfstandige gezagsdragers onbegrensd, elkaar beconcurrerend en elkaar overlappend, naast en tegenover elkaar stonden, met slechts hem aan het hoofd van allemaal. Alleen op die manier kon hij zich verzekeren van de door hem gewenste absolute handelingsvrijheid in alle richtingen. Hij had immers het volkomen terechte gevoel dat iedere grondwettelijke ordening van macht zelfs de machtigste grondwettelijke instelling beknot: ook de machtigste man binnen een constitutionele staat heeft uiteindelijk met bevoegdheden te maken; hij kan niet iedereen alles bevelen; en op zijn minst is er ook voor gezorgd dat de staat eventueel zonder hem verder kan. Hitler wilde echter noch het een noch het ander en om die reden schafte hij de grondwet af zonder haar te vervangen. Hij wilde niet de hoogste dienaar van een staat zijn, maar De Führer, een absoluut heerser... (57-58)
De karaktertrek waaruit dit streven voortkwam noemt Haffner op drie plaatsen in het boek (58, 139 en 141) bindingsangst, ook omschreven als vrees voor het definitieve, en, door Frits Boterman in het nawoord, als de angst om zich vast te leggen. Haffner denkt dat die bindingsangst samenhing met:
zijn bewondering voor zichzelf (...) Omdat hij zich als onfeilbaar beschouwde en blindelings op zijn intuïtie vertrouwde, kon hij geen instellingen scheppen die hem in de weg zouden zitten; en omdat hij zich als onvervangbaar beschouwde en zijn hele programma in ieder geval tijdens zijn leven gerealiseerd wilde zien, kon hij niets planten dat tijd nodig had om te groeien, kon hij niets aan zijn opvolgers toevertrouwen, zelfs niet eens voor opvolgers zorgen (de gedachte aan opvolgers had hij altijd opvallend onplezierig gevonden). (139)
Die bewondering voor zichzelf noemt Haffner ook:
een totaal gebrek aan vermogen tot zelfkritiek. Hitler was zijn hele leven lang buitengewoon met zichzelf ingenomen en daardoor altijd tot zelfoverschatting geneigd. Stalin en Mao hebben de cultus rond hun persoonlijkheid gebruikt als een politiek instrument, zonder zichzelf een rad voor de ogen te laten draaien. Hitler was niet alleen het onderwerp van de Hitlercultus, hij was er ook de vroegste, hardnekkigste en vurigste aanhanger van. (15)
 Dat gebrek aan zelfkritiek kan er de oorzaak van zijn dat er bij Hitler
geen sprake (is) van een ontwikkeling en rijping van zijn karakter of persoonlijkheid. Zijn karakter ligt al vroeg vast - een betere formulering is misschien 'loopt al vroeg vast' - en blijft op een verbazingwekkende manier altijd dezelfde; er wordt niets meer aan toegevoegd. Een weinig innemend karakter overigens. Alle zachte, vriendelijke en verzoenende trekken ontbreken, tenzij men zijn contactschuwheid, die soms op schuchterheid lijkt, als een verzoenende karaktertrek wil beschouwen. Zijn positieve eigenschappen - wilskracht, durf, dapperheid, uithoudingsvermogen - behoren alle tot de 'harde' kant. En dat geldt al helemaal voor zijn negatieve eigenschappen: meedogenloosheid, wraakzucht, trouweloosheid en wreedheid. (14)
Alle kenmerken van narcisme lijken hier aanwezig. Sterk egoïsme, zichzelf als het middelpunt van de wereld beschouwen. Hangt samen met een gebrek aan vermogen tot empathie. Anderen zijn er om voor jouw doeleinden te gebruiken. Ontbreken van enige interesse in het welbevinden van anderen. Onveranderlijkheid van gedrag: omdat alles van waarde in de persoon zelf reeds aanwezig is, kan er geen enkele informatie van buiten komen die aanleiding is tot verandering. Als er problemen met anderen ontstaan, zijn de anderen daar altijd de oorzaak van.

Die meedogenloosheid en wreedheid kunnen een gevolg zijn van gebrek aan empathie, maar niet iedereen met gebrekkige empathische vermogens is meedogenloos en wreed. Die wreedheid lijkt een zelfstandige karaktertrek, die van de psychopathie. In de woorden van Haffner:
Hitler heeft talloze onschuldige mensen laten ombrengen, niet ten gunste van een militair of politiek doel, maar geheel voor zijn eigen voldoening. (155)
hij (...) gebruikte (de oorlog) als voorwendsel voor het plegen van massamoorden die met die oorlog niets te maken hadden, maar die voor hem altijd een persoonlijk verlangen waren geweest. (156)
Vanaf eind 1941 (...) werd (hij) slechts nog door moorddadige gekte gedreven. (178-179)
In deze laatste drie jaar genoot Hitler geen successen meer zoals in de voorbije elf jaar. Het kostte hem echter geen moeite om daarvan af te moeten zien, omdat hij in plaats daarvan meer dan ooit tevoren de lust kon botvieren van een killer die zijn laatste bedenking heeft afgeworpen, zijn slachtoffer in handen heeft en met hem kan uithalen wat hij wil. (180)
Die combinatie van narcisme en psychopathie is niet verrassend, want narcisme behoort tot de criteria voor de psychopathische persoonlijkheidsstoornis.

Met deze eigenschappen, narcisme en psychopathie, was deze man tot zijn dertigste levensjaar een "obscure mislukkeling" (10). Hoe kan het dat hij daarna aan het hoofd kwam te staan van een nationale statushiërarchie? Daarover in het volgende bericht. Update. Zie Hoe ontstond de nationale statushiërarchie van het Hitler-bewind?