Posts tonen met het label jeugdzorg. Alle posts tonen
Posts tonen met het label jeugdzorg. Alle posts tonen

maandag 14 november 2016

Floyd Henry Allport (1890 - 1979) over hoe kinderen zouden moeten opgroeien

(Voor email-abonnees: Dit is het volledige bericht dat 
eerder per abuis in onvoltooide vorm verstuurd werd.)

Onze kinderen groeien op in een maatschappij met een historisch gezien grote mate van sociaal isolement van gezinnen. Daardoor ondervinden ze maar weinig van de coöperatieve zorg die voor de evolutie van de mensheid zo kenmerkend is geweest. In plaats daarvan brengen ze uitzonderlijk veel tijd door samen met alleen de eigen ouders en in de "gespecialiseerde" en "kunstmatige" arrangementen van kinderopvang en school. Waardoor ze ook historisch gezien uitzonderlijk veel tijd doorbrengen onder leeftijdsgenoten.

Er is op dit blog allerlei onderzoek voorbijgekomen dat er op wijst dat deze omstandigheden niet zo gunstig zijn voor een gelukkige jeugd en voor een goede sociaal-emotionele en morele ontwikkeling. Het is niet voor niets dat we de omvangrijke sector kennen van de jeugdzorg, de opvoedinterventies , de kinder- en jeugdpsychiatrie en de kinderbescherming,

Dat onderzoek is vaak nog maar van recente datum. Scrol eens door de berichten op dit blog achter de labels cooperative breeding, sociaal isolement van gezinnen, buurten voor kinderen en mythe van de opvoedbaarheid.

Dat sociaal isolement van gezinnen is natuurlijk niet van vandaag of gisteren. Hoewel het vermoedelijk in de tweede helft van de vorige eeuw in een versnelling is gekomen (denk aan
Tijd die ouders met hun kinderen doorbrengen sinds 1960 gestegen - Nee, dat is geen gunstige ontwikkeling), is het een proces dat al langer aan de gang is.

Dat doet vermoeden dat het ook al wel eerder is opgemerkt. En dat vermoeden werd bevestigd toen ik weer eens het boek Institutional Behavior. Essays Toward a Re-Interpretating of Contemporary Social Organization van Floyd Henry Allport (1890 - 1979) uit mijn boekenkast trok. Het verscheen in 1933, maar ik kocht in 1975 de editie van 1969. Dat was toen ik nog mijn naam en het jaartal van aanschaf in mijn boeken noteerde.

Floyd Henry Allport was een broer van Gordon Allport (zie het bericht Minder anti-immigrantensentiment door meer sociaal contact) en die twee samen mag je wel tot de grondleggers van de sociale wetenschappen rekenen.

In hoofdstuk XVI (Manifoldness and unity in the life of a child) van dat boek gaat Allport in op de voorwaarden voor een gunstige persoonlijkheidsontwikkeling van kinderen. Ruim tachtig jaar geleden; lees even mee met een aantal citaten. (Voor de leesbaarheid kort ik de alinea's wat in.)
Of all the phases of the problem of child development perhaps the least understood and the most neglected is that of children's personalities. Our attention has been given to the more specific needs of children rather than to the more general. In schools, in scouting groups for recreation, in church schools for moral training, in medical clinics for health, in psychological clinics for mental hygiene, our assumption has been that, in caring for the child in these particular ways, we are helping him te develop as a complete and wholesome personality. Just what this personality is, however, and how it is fostered by such departmentalized procedures, no one has as yet clearly revealed.(...)
The trend within all the agencies just mentioned is to make individuals better adjusted, as we say, to society, and hence, by the same token, more like one another. Those unique patterns of qualities which make one person different from every other are often neglected. If children's personal characteristics develop, the result may, in some cases, be reached in spite of our welfare and educational agencies rather than through their aid.
Parafraserend: we hebben het leven van onze kinderen in partjes opgedeeld. Voor elk van hun behoeftes is er een aparte voorziening. Die tegelijk voor ieder kind gelijk is.
The problem is becoming more acute at present because of the increasing compartmentalization in the lives of both children and of adults. Our grandparents, with all their intellectual and material limitations, and their superstitions, were probably at least unique individuals. Their individuality could be felt and cultivated through characteristic modes of self-expression which they maintained throughout the community where they lived.
Nowadays most of us do not live in communities in the older sense, but in many diverse patterns and sets of relationships; and the members of one of these groupings seldom meet the members of another or know them as individuals.
In each group there are stressed certain values, traits of character, abilites, and approved forms of conduct which in other groups are ignored and sometimes flatly contradicted. The ethical code which a child learns in Sunday school is not the same as that which he is likely to practice in selling magazines. The standards pertaining to the boy or girl scout organizations are difficult to apply to the situations of a classroom. The virtues demanded at home are frequently different from those which bring an individual success upon the playground or a member of a club of gang. (...)
The reason for all this is the fact that, under conditions of modern social organization, persons who have to do with but a portion of life are banded together to direct children with regard to that particular segment, and at times and places separate from the ministrations of those concerned with other segments.
This process tends to separate the segmental interests of a child from his life as a whole, and to set these isolated interests upon a plane of importance superior to that of the entire individual. Both children and adults are members of a society which is becoming a pattern of social institutions rather than a community of freely mingling and interacting individuals. (...)
if all our habits were so compartmentalized, we should indeed have no general and characteristic traits of personality. We should then be creatures of specific situations. Such inconstancy, however, probably results from our growing modern tendency to segregate ourselves into different groups for different purposes. These groupings become institutionalized; their members do noy move about freely and intermingle as in the older days of community living.
Since people stay, as it were, in their fixed ruts, there is little opportunity for them to see one another as complete individuals in a variety of differing situations (...)
Conclusie:
in order to foster the development of consistent traits we must prevent the experience of a child from being broken up into group situations of institutional alignments which have nothing in common. We must permit him to react in a community situation where certain other individuals are present in many relationships of life, and not merely upon isolated occasions and in specialized roles such as those of teachers, playgroup leader, minister, and employer.
The principle of unity among manifoldness can best be provided by responses to the behavior of other human beings who do not shift kaleidoscopically with every situation, but who, in the role of of common stimulus maintain a constancy of their presence and their personalities throughout.
If this view is correct, our tendency to employ experts and specialists for each phase of a child's activity and each of his needs may, if carried too far, entail more harm than benefit.(...)
it will be better for the parent not to leave the affairs of teaching solely to the teacher, but to allow his own influence to carry over into the educational field. It will be better if the teacher is not alone a dispenser of knowledge, but a companion on the playground, an adviser in economic relationships, and a friend whose personality may at times be felt even within the sacred precincts of one's home.
In order to help the child to develop individuality, to be himself in all situations, and to provide his own standard of conduct rather than shift with the code of each grouping with which he happens to be in contact, we must fight against the segmentalizing of human living. We must restore a more fluid, face to face relationship, - a community of whole individuals in which unique and self-consistent behavior shall be possible of attainment.
En Allport besluit het hoofdstuk met:
Freedom to choose one's companions and one's activites, freedom to try different modes of response without fear of ridicule or intimidation in the name of the group, freedom to meet individuals not in compartments, but in the fulness of their communal living, - these are the conditions upon which the achievement of personality depends.
Wijze woorden, ruim tachtig jaar geleden opgeschreven. Uit een andere tijd, een tijd waarin de sociale wetenschap zich nog moest gaan ontwikkelen. Maar blijvend actueel.

maandag 2 maart 2015

Nieuwe aanwijzingen voor het misverstand opvoeding en de de mythe van de opvoedbaarheid

Ooit hebben we eens bedacht dat bij de goede ontwikkeling van kinderen alles draait om de goede opvoeding door de ouders. Het is in onze maatschappij niet gegarandeerd dat kinderen zich gunstig ontwikkelen, dat ze verantwoordelijkheid leren dragen voor zichzelf en voor anderen. Het is niet zeker dat ze in een positief ontwikkelingstraject terecht komen, wat o.a. wil zeggen dat ze het goed doen op school en dat ze geen last krijgen van gedragsproblemen of van depressie, eetstoornissen, zelfbeschadiging en suïcidale gedachten. Maar om voor elkaar te krijgen dat het met kinderen goed gaat, is het eerst en vooral nodig dat ze goed worden opgevoed.

Ik noemde dat eerder de mythe van de opvoedbaarheid. Zie Moreel besef en de "fallacy of misplaced concreteness": opvoeders en God en De hechtingstheorie van Bowlby en de mythe van de opvoedbaarheid. Met de achterliggende gedachte dat kinderen in onze maatschappij al heel snel doorhebben dat ze hun toekomstige leven niet in het ouderlijk gezin zullen doorbrengen en zich dus oriënteren op de buitenwereld. Wat vooral de wereld is van de leeftijdsgenoten, de peers. Waardoor de invloed van die buitenwereld op hun latere gedrag veel groter is dan de invloed van de ouders. En dat heeft er natuurlijk mee te maken dat onze gezinnen vergaand sociaal zijn geïsoleerd.

Toch is de neiging groot om te denken dat ouders heel veel invloed op hun kinderen hebben. En dat het dus goed is om te bevorderen dat ouders hun kinderen goed opvoeden. Die gedachte ligt ook ten grondslag aan ons jeugdbeleid, aan de opvoedondersteuning en aan al die andere opvoedinterventies. Zie Jeugdzorg en de taaie mythe van de opvoedbaarheid.

Mijn betoog over die mythe van de opvoedbaarheid is sterk beïnvloed door het voor het eerst in 1998 verschenen boek The Nurture Assumption. Why Children Turn Out The Way They Do van Judith Rich Harris, vertaald als Het misverstand opvoeding. Harris laat in dat boek zien dat het vele onderzoek dat suggereert dat ouders door hen op te voeden (of niet) zoveel invloed op hun kinderen hebben, er aan lijdt dat geen rekening is gehouden met de genetische component. Door de genetische overeenkomst tussen ouders en hun kinderen ontstaat ook altijd een deel van de overeenkomsten in hun gedrag. Als bijvoorbeeld ouders snel agressief zijn, dan dragen ze die aanleg over op hun kinderen. Rechtstreeks, via de gemeenschappelijke genen, en daarbovenop via de huiselijke omgeving, waar geweld nogal eens wil voorkomen.

Wat zou er gebeuren als je onderzoek zou kunnen doen waarin je biologische kinderen en geadopteerde kinderen vergelijkt? Als de stelling van het misverstand opvoeding klopt, dan zou je moeten zien dat je bij die biologische kinderen wel effecten ziet van het opvoedingsgedrag van de ouders, maar bij de geadopteerde kinderen niet. En dan zou dus blijken dat het hele "opvoedingseffect" weg verklaard wordt door de genetische component.

Precies zulk onderzoek is nu net verschenen. Het gaat om de studie The role of parenting in the prediction of criminal involvement: Findings from a nationally representative sample of youth and a sample of adopted youth (betaalpoort). De onderzoekers keken naar de invloed van verschillende kenmerken van de ouders op de kans dat hun kinderen met de politie in aanraking kwamen, werden veroordeeld of gedetineerd waren geweest. De kans zeg maar op een vorm van negatief ontwikkelingstraject. Bij die ouderkenmerken ging het om zaken als betrokkenheid bij de kinderen, de zorg voor de kinderen en de mate van intimiteit (alles zoals gezien door het kind).

Het blijkt dan dat er bij de biologische kinderen wel significante verbanden bestaan tussen de ouderkenmerken en de kans op dat negatieve ontwikkelingstraject, maar bij de geadopteerde kinderen in het geheel niet.

En dat is dus een aanwijzing dat die invloed van de biologische ouders op hun kind bovenal tot stand komt door de genetische component. Dat is interessant, want eerdere aanwijzingen kwamen vooral uit het bekende tweelingenonderzoek, waarin broers/zussen, twee-eiige en een-eiige tweelingen worden vergeleken. Er valt wat voor te zeggen dat de beste vergelijking is die tussen biologische en geadopteerde kinderen. En de uitkomst daarvan blijkt dus overeen te komen met de stelling van het misverstand opvoeding en met die van de mythe van de opvoedbaarheid.

maandag 14 april 2014

Van consultatiebureau naar de vragenlijst van de Jeugdgezondheidszorg is een ijzeren logica

Ouders krijgen tegenwoordig een brief van de Jeugdgezondheidszorg met een lange vragenlijst. In het kader van de vroegsignalering wil de Jeugdgezondheidszorg van alles van ouders en hun kinderen weten.

Hoewel het met de meeste kinderen goed gaat, zijn er ook veel kinderen met psychosociale en gedragsproblemen. In dat verband hebben we taken toebedeeld aan de Jeugdgezondheidszorg. Die moet in actie komen als die problemen zich voordoen of dreigen voor te doen. Maar ouders en kinderen wonen in buurten en straten en de Jeugdgezondheidszorg is een instelling die natuurlijk niet zomaar weet wat er zich in die buurten en straten en huizen afspeelt. En die moet dus, om die taken goed te kunnen uitvoeren, informatie verzamelen.

Daaruit vloeit voort dat de probleemgevallen of dreigende probleemgevallen alleen maar kunnen worden gevonden door alle ouders van kinderen van 2-4 jaar te ondervragen. Het kan niet anders als je een deel van de verantwoordelijkheid voor het goed opgroeien van onze kinderen bij een instelling legt. Die moet er natuurlijk vroeg genoeg bij zijn. Dus: vroegsignalering.

En dan krijg je als ouders een lange vragenlijst. Voor psychosociale problemen, als uitvoering van de JGZ Richtlijn Vroegsignalering van psychosociale problemen (pdf). En voor gedragsproblemen, zoals te vinden in het Dossier Instrumenten voor Vroegsignalering van Gedragsproblemen van het Nederlands Jeugd Instituut.

Ik weet van dichtbij dat het moeten invullen van zo'n vragenlijst bij ouders hilarische reacties teweeg kan brengen. En vandaag wijdt Sheila Sitalsing haar column in De Volkskrant aan haar reactie op de confrontatie met die vragenlijst.

Ze begon die braaf in te vullen, maar met snel stijgende verbazing. Want inderdaad: ze vragen je het hemd van het lijf. Niet alleen over voeding, tandenpoetsen, slapen, bed plassen, zwemles, maar ook over psychische problemen van de ouders. Sheila verzucht, in een fictieve brief aan de Jeugdgezondheidszorg:
ik geloof niet dat de relatie tussen U en ons zich al zodanig heeft ontwikkeld dat wij intieme details met U willen delen over stemmen, geestverschijningen en die ene keer dat een van ons ontvoerd is geweest door wezens die ter ufo reisden en bezwangerd terugkeerde.
Begrijp ons niet verkeerd, wij weten dat U uit aardige, deskundige en goedwillende mensen bestaat. Toen u nog consultatiebureau heette, kwamen we er graag. (...) uw weegschaal deed het prima en Uw prikken waren van uitmuntende kwaliteit.
Sheila is duidelijk wanhopig. En dat is meer dan begrijpelijk.

Maar hoe komt dit allemaal? Hoe heeft deze ontwikkeling van consultatiebureau naar vragenlijst zich kunnen afspelen? Sheila heeft een vermoeden, namelijk dat de Jeugdgezondheidszorg lijdt aan
de illusie van controle. Dat U denkt dat U, als U maar voldoende Big Data verzamelt, de risicokindjes er al uit kunt vissen ver voordat de eerste klap is gevallen of de eerste kilo's er teveel aan zitten. Dat U, als U maar alle niet-pluissignalen documenteert, bijdraagt aan een heerlijke wereld.
Begrijpelijk. Maar sociaalwetenschappelijk gezien speelt zich hier meer af dan een even uit de hand gelopen controlebehoefte van de Jeugdgezondheidszorg.

Want als we ze laten opgroeien in sociaal geïsoleerde gezinnen, dan hebben kinderen niet de sociaal rijke omgeving die ze nodig hebben. Ze missen te veel de vertrouwde contacten met familie, grootouders, buren en vriendjes en vriendinnetjes van verschillende leeftijden. Hun sociale omgeving wijkt veel teveel af van die van de Paleo Sociale Omgeving.

Omdat niet alle kinderen daar even goed in gedijen, zien we die toename van psychosociale en gedragsproblemen. We hebben ooit verzonnen dat het goed opvoeden door de ouders voldoende, of zelfs precies goed is, om kinderen goed te laten opgroeien. We hebben de mythe van de opvoedbaarheid van kinderen in het leven geroepen.

Daarmee hebben we ouders met een onmogelijke taak opgezadeld. Ouders en kinderen zijn er niet voor "bedoeld" om zo exclusief op elkaar te zijn aangewezen.

In plaats van met zijn allen te proberen om dat sociale isolement van gezinnen te doorbreken, door omwegbeleid, zoals bepleit in Overheidsonmacht in de jeugdzorg. Een pleidooi voor omwegbeleid, zijn we er toe overgegaan om het grootbrengen van kinderen te transformeren tot een deskundigheidsdomein. Waarvoor je moet hebben doorgeleerd.

En de inzichten die daaruit voortkomen, zijn we gaan vertalen in richtlijnen waar professionals zich aan moeten houden bij het "interveniëren" in die gevallen waarin het met kinderen en gezinnen niet goed gaat. De ijzeren logica van die mythe van de opvoedbaarheid vereist dan natuurlijk ook dat die deskundige inzichten zo tijdig mogelijk te bestemder plekke aanwezig zijn. Vandaar de vroegsignalering en de vragenlijsten en de Big Data.

Het gaat dus niet om een uit de hand gelopen behoefte aan controle. Een maatschappelijke ontwikkeling in een bepaalde richting brengt nu eenmaal van alles met zich mee. Het is diezelfde ijzeren logica die leidt tot pleidooien voor ouderschapsonderwijs en voor het verplicht testen van ouders.

donderdag 15 augustus 2013

Een Centrum voor Jeugd en Gezin dat werkt, kan dat? Over Evalien Verschuren en het CJG Beijum

Je hoort weinig meer over de Centra voor Jeugd en Gezin. De eerste werden geopend in 2008, maar het is onduidelijk of ze al in het hele land zijn "uitgerold", zoals zulks is gaan heten. Vorig jaar waren er berichten dat ze niet goed functioneren en dat sommige al weer werden gesloten. Zie mijn eerdere bericht daarover, waarin ik het CJG Beijum (Groningen) als voorbeeld noemde van hoe het zou moeten.

Voor het succes van dat CJG Beijum is allereerst Evalien Verschuren verantwoordelijk. Zij is de drijvende kracht en was dat al toen het nog het Ouder-en Kind Centrum heette. Over haar werk en haar ervaringen heeft ze nu het boekje Het CJG werkt! geschreven en het is heel leerzaam om dat te lezen. Ik kreeg het van haar toegestuurd, met als opdracht: "Beste Henk. Ik lees altijd met veel plezier je inspirerende blogs. Hoop dat je mijn boekje ook met plezier leest. Groet, Evalien".

Ik meld dat maar, om het verwijt dat ik heimelijk reclame maak te voorkomen. Ik kan dus wat bevooroordeeld zijn in positieve zin. (Maar ik heb, aan het eind, ook een bedenking.)

Wat leer je van Evalien?

Allereerst dat het mogelijk is om in een buurt vanuit het niets een trefpunt te creëren waar ouders elkaar ontmoeten. Evalien begon heel eenvoudig, met een koffietafel en een speelhoekje in de wachtkamer van het consultatiebureau. Een bloemetje op tafel. En ook omdat ze daar natuurlijk zelf aanwezig was, veranderde de sfeer, bleven ouders napraten en werd de wachtkamer al gauw te klein. Dus kwam er een huiskamer.

Maar ook trok Evalien de wijk in.
Ik liep vaak door het winkelcentrum en over de wijkmarkt, ging schoolpleinen en speeltuintjes af, schoof aan bij de koffietafel van de peuterspeelzaal en was te vinden op alle wijkfeesten en informatiemarkten.
Dat werkte en er kwam een groepsruimte bij, een kantoortje en een keuken. En tien vaste vrijwilligers, doorlopende enkele stagiaires en heel veel bezoekers. Die laatsten waren wel vooral moeders. Evalien bracht ze niet alleen met elkaar in contact, maar wist hen ook allerlei ideeën voor activiteiten te ontlokken. Die ze dan vooral ook zelf, met enige hulp, organiseerden. Zo ontstond bijvoorbeeld het ruilwinkeltje. En er ontstonden moedergroepen, zoals een jonge moeder-groep en een groep voor moeders met een kind met een beperking. En er ontstond een naschoolse opvang voor kinderen die thuis weinig aandacht en niet zo goed te eten kregen.

Het blijkt dan dat het CJG voor moeders met geldzorgen, beperkte sociale vaardigheden, gezondheidsproblemen of weinig stabiele relaties een heel belangrijke functie gaat vervullen. Niet alleen omdat ze wat meer onder de mensen komen, maar ook omdat ze de kans krijgen ergens verantwoordelijkheid voor te nemen. Maar ook komen er moeders zonder zulke problemen, maar die wel erg bezig zijn met de opvoeding. Of, anders gezegd, die perfecte opvoeders willen zijn en daar hulp bij zoeken. Die twee groepen blijken nauwelijks te mengen.
De moeders-met-problemen praten over eten, seks en relaties en zijn erg direct. De anderen willen bijvoorbeeld weten wat een goede moederfiets is en wat de leukste vakanties en uitjes met kinderen zijn. De groepen gebruiken verschillende woorden, zien er anders uit en irriteren elkaar. Je ziet ouders die in het CJG komen, eerst kijken wie er in de huiskamer zitten, en dan pas de keuze maken of ze wel of niet plaatsnemen.
En Evalien meldt dat het niet werkt om te proberen die afstand te doorbreken. Maar is het al niet mooi dat ze elkaar eens van dichtbij meemaken? Het verkleinen van sociale afstand gaat altijd in kleine stapjes. (Ik moest even denken aan die man van de Marokkaanse Ouderraad van een wijk in Utrecht die mij vertelde dat hij drie jaar lang zijn Nederlandse buurman elke dag netjes bleef groeten en dat ze vervolgens de beste vrienden waren geworden.)

Wat is mij na lezing van Het CJG werkt! vooral bijgebleven?
  1. De indruk dat het initiëren en ondersteunen van ontmoeting tussen ouders (eigenlijk alleen moeders) voorop stond. En de indruk dat het beantwoorden van opvoedvragen daarbij vergeleken een bijzaak is. Mij lijkt dat de goede prioriteit.
  2. De indruk dat het succes van het CJG op deze manier sterk afhankelijk is van de persoon van de professional en dus van het vermogen van die persoon om persoonlijke relaties aan te gaan. Zo iemand moet betrokken, hulpvaardig, stevig, energiek, vasthoudend, realistisch en creatief zijn. In staat zijn om "echt contact" te maken. Evalien houdt daarom bewust privé en werk niet strikt gescheiden. In haar woorden: "Laat gerust zien dat je een 'gewoon mens' bent en vertel ook over jezelf. Als ik doe wat ik op de opleiding geleerd heb, zou ik ontwijkend moeten antwoorden op vragen als: 'Heb je zelf ook kinderen?' Onzin. Als ik denk dat het in de situatie past, heb ik het gewoon over mijn kinderen of mijn huis. Belangrijk is dat je écht in contact komt, dat je mensen weet te binden. Dat lukt niet als je je opstelt als een koele, afstandelijke professional."
  3. Met dat laatste samenhangend, de indruk dat er voor dit soort werk misschien geen opleiding bestaat. Of in ieder geval dat de huidige opleiding er niet goed op voorbereidt. En de indruk dat verwerkte levenservaring misschien van groter belang is dan dat wat je op een opleiding leert. In dat verband, zijn het niet te vaak juist de jongeren, die net van de opleiding komen, die dit soort belangrijke werk krijgen toegewezen? Zodat de ouderen een managementfunctie kunnen vervullen?
  4. De indruk dat dit succes alleen is te bereiken bij volstrekte afwezigheid van een afrekencultuur. Zo meldt Evalien dat ze geen registratie bij houdt van de bezoekers en waarvoor ze komen. Dat lijkt mij belangrijk.
Tenslotte de aangekondigde bedenking. Mijn visie op de Centra voor Jeugd en Gezin houdt in dat ze een functie zouden moeten vervullen in het tot stand brengen van buurten voor kinderen. Omdat het sociale isolement van gezinnen slecht uitwerkt voor de sociale en morele ontwikkeling van kinderen. Naast de ouders, die werk en gezin moeten zien te combineren, zijn het de kinderen die van dat sociale isolement de nadelen ondervinden. Die nadelen zijn uit sociaalwetenschappelijk onderzoek bekend.

Maar het lijkt er op dat de nadelen voor de ouders meer aandacht krijgen. Hoe dat komt, ik weet het niet. Maar daardoor lijkt het wel alsof die Centra voor Jeugd en Gezin eigenlijk beter Centra voor Ouders genoemd zouden kunnen worden. Wat kinderen aan sociale opgroei-omgeving nodig hebben, dat komt maar beperkt in beeld.

En dat geldt ook voor het CJG Beijum, hoe succesvol dat ook is in het bij elkaar brengen van moeders. Evalien meldt dat ze in de beginfase op moest boksen tegen het "misverstand" dat het CJG een instantie was voor kinderen. Ze moest vaak uitleggen dat het CJG zich niet richt op kinderen, maar op opvoeders. 

Maar ik pleit er juist voor dat de CJG's kinderen centraal stellen en wat kinderen in sociaal opzicht nodig hebben. En er aan bijdragen dat kinderen in buurten opgroeien die aan hun sociale ontwikkelingsbehoeften tegemoet komen. Buurten waarvan bewoners elkaar kennen en wel eens iets voor elkaar doen of samen doen. Waardoor kinderen veel met zulk gedrag in aanraking komen in plaats van alleen maar "opgevoed" te worden. Zie bijvoorbeeld dit bericht over de mythe van de opvoedbaarheid. Dat het CJG er is voor kinderen, nee, dat zou ik dus geen misverstand noemen. Toch nog een bedenking.

zaterdag 25 mei 2013

De ijzeren logica van de mythe van de opvoedbaarheid - Jeugdzorg: laat ouders in probleemgezin verplicht testen :: nrc.nl

Ja, als je de mythe van de opvoedbaarheid als vanzelfsprekend aanneemt, dan volgt daaruit met een ijzeren logica dat "het" aan de ouders ligt en dat die dus verplicht moeten kunnen worden getest. Zie de link onderaan. Volgende stappen in die logica? Verplichte testen, examens en opvoedcursussen voor dat je een kind mag nemen? In plaats van eindelijk eens in te zien dat kinderen, en hun ouders, rondom het gezin een goede sociale opgroei-omgeving nodig hebben. Zie o.a. De hechtingstheorie van Bowlby en de mythe van de opvoedbaarheid en Jeugdzorg en de taaie mythe van de opvoedbaarheid.

Jeugdzorg: laat ouders in probleemgezin verplicht testen :: nrc.nl:

'via Blog this'

vrijdag 17 mei 2013

Overheidsonmacht in de jeugdzorg. Een pleidooi voor omwegbeleid

Op het beleidsterrein van de jeugdzorg speelt niet alleen de vraag hoe die zorg het beste kan worden georganiseerd, maar ook de vraag naar de grenzen van wat de overheid kan doen. In hoeverre zijn instellingen bij machte om zorg voor kinderen te bieden die die zorg niet voldoende van de eigen sociale omgeving krijgen? Kunnen door de overheid aangestuurde instellingen een sociale omgeving vervangen die kinderen nodig hebben? Ik moest daar weer aan denken toen ik een tweet langs zag komen die ongeveer als volgt luidde: "Omdat de overheid niet van u kan houden, kan zij u ook niet de hulp geven die u echt nodig heeft".

Dit is een zo fundamentele vraag dat hij steeds weer opduikt in de debatten over de jeugdzorg. Vaak in de vorm van pleidooien om als hulpverlenende instanties meer oog te hebben voor de eigen kracht van mensen en om die te bevorderen.

Maar moet een nog verdergaand antwoord niet zijn dat de overheid zich meer terugtrekt uit het veld van de directe hulpverlening en zich meer richt op het verbeteren van de voorwaarden voor het goed opgroeien van kinderen? Op een "omwegbeleid", dat er op gericht is om de sociale omgeving waarin kinderen opgroeien te verbeteren?

Daarover schreven Arie Glebbeek, Rudi Wielers en ik in 2009 het essay Overheidsonmacht in de jeugdzorg: Een pleidooi voor omwegbeleid. Het verscheen als achtergrondessay bij het advies Investeren rondom kinderen van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) en de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ).

Omdat het mij nog steeds uiterst relevant lijkt voor de discussies over de jeugdzorg en over hoe het met onze kinderen gaat,  en omdat er nog regelmatig vraag naar is, maak ik het via dit blog beschikbaar. Zie Overheidsonmacht in de jeugdzorg: Een pleidooi voor omwegbeleid (let op: p. 143-164). Dit is de samenvatting:
De overheidsbemoeienis met jeugd, gezin en opvoeding neemt toe, terwijl er weinig aanwijzingen zijn dat deze interventies succes hebben. Wij betogen dat hier een vorm van overheidsfalen aan de orde is die ontstaat als de overheid een haar wezensvreemd domein betreedt. Er is sociaalwetenschappelijke evidentie dat gezinnen en opgroeiende jongeren voor een goede sociale en morele ontwikkeling een gemeenschapsnetwerk nodig hebben. Dit netwerk zorgt voor de tijdigheid, continuïteit, tweezijdigheid en collectiviteit die de overheid nooit kan verschaffen. We pleiten er daarom voor om de directe overheidsbemoeienis met jeugd en gezin om te buigen in de richting van een omwegbeleid, gericht op de voorwaarden voor gemeenschapsvorming. Net zoals overheden (soms pijnlijk) hebben geleerd dat zij de markt niet kunnen vervangen doch wel beter kunnen laten werken, kan onze overheid leren dat zij gemeenschappen niet moet willen vervangen maar wel beter kan laten werken. We eindigen het artikel met een verkenning van dit omwegbeleid.

zaterdag 6 april 2013

Op weg naar het Centrum voor Buurt/Dorp, Jeugd en Gezin

Voor de Werkconferentie CJG Noord Groningen "Normaliseren van opgroeien en opvoeden: Anders kijken naar zorgsignalen" van de gemeenten Bedum, Winsum, de Marne en Eemsmond gaf ik eergisteren in Uithuizen de inleiding "Op weg naar het Centrum voor Buurt/Dorp, Jeugd en Gezin". Hier de link naar de powerpointdia's.

woensdag 23 januari 2013

De retoriek van de te grote overheid

Vandaag was ik in Den Haag op het symposium Verder denken over de pedagogische civil society ter gelegenheid van het afscheid van Micha de Winter van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.

Misschien later daarover meer. Nu even over die deelnemer die met enig poeha verkondigde dat we last hebben van een veel te grote overheid. Nu kan ik daar, als mede-auteur van Overheidsonmacht in de jeugdzorg: een pleidooi voor omwegbeleid, wel een stukje in meegaan.

Maar dat die opmerking alleen maar retorisch bedoeld was, bleek er uit dat die spreker daarna niet kwam met voorstellen om het takenpakket van de jeugdzorg terug te brengen. Nee, integendeel, de jeugdzorg moest zich er veel meer op toeleggen om de problemen met kinderen en gezinnen veel vroeger te signaleren. Of en hoe dat tot een kleinere overheid zou leiden, werd niet duidelijk.

We leven in een tijd van de retoriek van de kleine overheid. Waarin je met die retoriek eer in legt. Zelfs als dat samen gaat met het pleiten voor verdere uitbreiding van overheidstaken. Vreemd.

maandag 14 januari 2013

Culturele verschillen in hechting - effecten van sociaal isolement versus sociale integratie van gezinnen

Heidi Keller heeft een mooi overzichtsartikel over hechting en cultuur in de Journal of Cross-Cultural Psychology (fulltext achter de poort). Ze vindt het hoog tijd om het onderzoek naar hechting uit te breiden naar andere culturen dan die van de westerse landen. Want het meeste hechtingsonderzoek is uitgevoerd in (de midden-klasse van) westerse culturen met een hoge mate van sociaal isolement van gezinnen. Daardoor is er sterk de nadruk komen te liggen op de (veilige, vermijdende of ambivalente) hechting van het kind aan de moeder. En kon het idee ontstaan dat een veilige hechting aan de moeder als voorwaarde voor een goede ontwikkeling universeel is. Zie eerder mijn bericht over hechtingstheorie en de mythe van de opvoedbaarheid.

Maar dat idee van die exclusieve veilige hechting aan de eigen moeder is een cultureel ideaal in maar een heel klein deel van de wereld, minder dan 5 procent van de wereldbevolking. Het gaat samen met een nadruk op het ontwikkelen van zelfvertrouwen en onafhankelijkheid, belangrijk voor het leven in een individualistische maatschappij. En het is duidelijk dat die ontwikkeling vaak niet goed gaat, vooral bij een onstabiele sociale omgeving in de vroege jaren, en dat veel opgroeiende kinderen een vermijdende of ambivalente hechtingsstijl ontwikkelen. Evolutionair gezien lijken dat strategieën te zijn die zijn aangepast aan onstabiele en onveilige sociale omgevingen.

Maar hoe zit dat met de hechting van kinderen in culturen waarin gezinnen veel meer sociaal zijn geïntegreerd? Waarin kinderen veel meer coöperatief worden grootgebracht, niet alleen door de zorg van de eigen moeder, maar ook die van de vader, oudere broers en zussen, grootouders en verdere familie en andere vertrouwde personen? Het kan niet anders dan dat kinderen onder die omstandigheden veel minder exclusief gehecht zijn aan de eigen moeder. Heidi Keller vertelt bijvoorbeeld over de Efe in Zaïre, waar pasgeborenen tussen vrouwen van hand tot hand gaan en waar kinderen van zes weken oud meer tijd doorbrengen met anderen dan met de eigen moeder. En de kinderen van de Aka in het regenwoud van de Congo hebben per dag zo'n twintig personen die voor hen zorgen. Uiteraard is er meestal een speciale rol weggelegd voor de eigen moeder, maar moeders kunnen er juist ook voor waken dat hun kind zich te veel exclusief aan hen hecht.

Dit heeft interessante gevolgen. Zo blijkt dat de angst voor vreemden, die kinderen in westerse maatschappijen bijna standaard rond de 8 maanden oud ontwikkelen, vrijwel niet voorkomt in culturen waarin gezinnen sociaal geïntegreerd zijn. Zo leren de kinderen van de Beng in Ivoorkust al van jongs af aan om zich comfortabel te voelen in aanwezigheid van vreemden. Dat verklaart ook de vaak grote gastvrijheid die in dat soort culturen tegenover vreemden aan de dag wordt gelegd.

Een ander gevolg is dat het geven van zorg veel meer een over een grotere sociale kring verspreide levenservaring is dan wanneer alleen de moeder die rol op zich neemt. Zo leren oudere kinderen met vanzelfsprekende zorgtaken als vanzelf alles wat met zorg en verantwoordelijkheid te maken heeft. Ze groeien daardoor anders op dan kinderen die zulke taken niet of nauwelijks hebben. En ze creëren daardoor ook een meer zorgzame, volwassen sociale omgeving.

Een gevolg van dat sociale isolement van gezinnen, waar wij in onze maatschappij zo mee vertrouwd zijn, is natuurlijk ook dat wij een door de overheid gefinancierde en georganiseerde jeugdzorg hebben moeten laten ontstaan. In plaats van die vertrouwde sociale kring van oudere kinderen, grootouders, familieleden en anderen kennen wij jeugdhulpverleners en opvoedondersteuners en gezinsvoogden en andere professionals. Er is een aanzienlijke verschuiving geweest van wat mensen gewoon onderling doen naar wat opgeleide en collectief gefinancierde professionals doen. Met de vrij grote zekerheid dat we er door die verschuiving in overwegende mate op achteruit zijn gegaan. Update. Zie ook het bericht Overheidsonmacht in de jeugdzorg.

dinsdag 18 december 2012

Opgroeien in groter gezin is beter voor sociale ontwikkeling

Een fundament voor onze sociale en morele ontwikkeling is het vermogen om ons in anderen te kunnen verplaatsen. Om te begrijpen dat anderen vanuit hun positie naar de wereld kijken en dat hun kijk daardoor anders kan zijn dan die van onszelf. Dit vermogen wordt wel Theory of Mind, of kortweg ToM, genoemd.

Het is niet aangeboren, maar ontwikkelt zich over het algemeen tussen het tweede en het zesde levensjaar. Maar daarvoor is wel nodig dat kinderen veel sociale interactie hebben met vertrouwde anderen. Het probleem met onze kinderen is dat ze in sterk sociaal geïsoleerde gezinnen opgroeien, waardoor ze veel interactiemogelijkheden missen met vertrouwde anderen rondom het gezin. Historisch gezien zijn die mogelijkheden eigenlijk altijd veel meer aanwezig geweest dan nu het geval is.

Nu zijn er allerlei aanwijzingen dat huidige kinderen sociaal en moreel beter opgroeien als het gezin waarin ze opgroeien minder sociaal geïsoleerd is. Ik heb daar in veel van de berichten over pro-sociaal gedrag en sociale omgeving aandacht aan besteed. (Dit was het laatste van die serie berichten.) Maar aanwijzingen voor het belang van voldoende sociale interacties op jonge leeftijd kunnen natuurlijk ook komen uit onderzoek naar effecten van de grootte van het gezin.

De pas verschenen studie Siblings, Theory of Mind, and Executive Functioning in Children Aged 3-6 Years: New Longitudinal Evidence (fulltext achter de poort) verschaft zulke aanwijzingen. Kinderen die opgroeien met (meer) broertjes en zussen, ontwikkelen het vermogen om zich in anderen te verplaatsen sneller dan kinderen die daarzonder of met minder broertjes en zusjes opgroeien.

Nu zou je kunnen denken dat het niet uitmaakt hoe snel kinderen dat leren, als ze het maar leren. Maar dat zou wel eens te gemakkelijk kunnen zijn. Uit allerlei onderzoek kun je opmaken dat een minder gunstige sociale omgeving op jonge leeftijd ook op latere leeftijd negatieve effecten heeft.

Er zijn dus eigenlijk twee historische ontwikkelingen die werken ten nadele van de goede sociale en morele ontwikkeling van onze kinderen: het toegenomen sociale isolement van gezinnen en het kleiner worden van gezinnen. Het is niet verwonderlijk dat we met zijn allen, als ouders, maar ook als jeugdzorg en overheid, met veel inspanningen bezig zijn om onze kinderen toch nog zo goed als het gaat groot te brengen.

maandag 26 november 2012

Terugblik op "De Opvoeding draait door"

Zoals hier gemeld was ik vorige week donderdag inleider en vaste tafelgast bij de Talkshow De opvoeding draait door die gehouden werd in Het Poortje Jeugdinrichtingen in Groningen. Aanwezig waren (voorzover ik kan nagaan): CJG-medewerkers en -vrijwilligers, wethouders en andere afgevaardigden van gemeentes, mensen uit het onderwijs, medewerkers van Het Poortje, van Family Factory, van Home Start en van Positive Behavior Support. De meesten uit de drie noordelijke provincies.

De (uitstekende!) gespreksleider Yvonne van der Weerd vroeg mij aan het begin om drie vragen te noemen waarop ik graag een antwoord zou willen hebben en om aan het eind van de bijeenkomst te melden wat de discussie aan beantwoording van die vragen had bijgedragen (of woorden van gelijke strekking). Ik kwam toen met de volgende drie vragen:
  1. Kan de jeugdzorg de stap maken van gezin naar buurt? (Zie ook dit bericht.)
  2. Zullen de gemeentes de decentralisering ("Transitie") gaan benutten om jeugdzorg, buurtwerk, welzijnswerk, sportbevordering, opbouwwerk, maatschappelijk werk (en wat nog meer?) te laten samenwerken (of zelfs te laten samengaan), zodat in de uitvoering geprofiteerd kan worden van de samenhang van activiteiten en doelen? En dan gedecentraliseerd naar buurten?
  3. Zal het nog gebeuren dat de veel te academische en in de praktijk lastige term "pedagogische civil society" vervangen wordt door het meteen voor iedereen begrijpelijke "Buurten voor kinderen"?
Zoals dat vaak gaat, kwam het er aan het eind niet meer van om expliciet op deze drie vragen terug te komen. Daarom nu een korte terugblik.
  1. Een antwoord is natuurlijk nog niet mogelijk. Maar mijn indruk was ook nu weer dat mensen gemakkelijk inzien dat het bevorderen van het buurtnetwerk voor kinderen heel belangrijk is en dat het de manier is om preventief te werken. Na afloop kreeg ik ook reacties in de trant van "ja, zo'n "dorp" om kinderen heen, dat hoort toch eigenlijk volstrekt normaal te zijn. Natuurlijk moeten we helpen om dat tot stand te brengen."
  2. Mijn indruk was dat de aanwezige wethouders en jeugdzorgmanagers het belang hiervan goed inzagen. (Maar ja, het kan zijn dat degenen die er sceptisch tegenover stonden, meer hun mond hebben gehouden.)
  3. Ik had de stellige indruk dat iedereen de eerste term graag voor de tweede zou inruilen. Laten we dat ook inderdaad gewoon doen. Dat maakt de communicatie en de public relations een stuk gemakkelijker.
Vanwege de lokatie kregen we ook een indruk van Het Poortje Jeugdinrichtingen. De catering werd verzorgd door jongeren van Het Poortje en die deden dat met grote toewijding. Er was een muzikaal intermezzo van twee meiden die door de muziekleraar van Het Poortje werden begeleid. En twee jongeren deden aan tafel hun verhaal. Ik vond het indrukwekkend.

dinsdag 20 november 2012

Kan de jeugdzorg de stap maken van gezin naar buurt?

Cora Bartelink heeft voor het Nederlands Jeugd Instituut een mooi literatuuronderzoek gedaan naar interventies die bedoeld zijn om het sociale netwerk van gezinnen te versterken. Zie Wat werkt bij het versterken van het sociale netwerk van gezinnen? (pdf).

Ze komt tot de conclusie dat er eigenlijk geen interventies bestaan waarvan de werking is aangetoond. Dit lijkt ook te gelden voor de Eigen Kracht-conferenties.

Maar wat mij opvalt is dat het uitsluitend over interventies gaat die gericht zijn op het individuele probleemgezin. Hoewel met het woord preventie wordt geschermd, gaat het dus steeds om het reageren op een probleem dat al is ontstaan. Oké, je kunt dan van preventie spreken als je zo toekomstige problemen zou voorkomen. Maar echte preventie wil meer, namelijk het voorkomen van dat eerste probleem.

Om echt preventief te werken, moet de jeugdzorg natuurlijk de slag maken van individuele gezinnen als cliënten naar een aggregatieniveau hoger, dus naar buurten en wijken. Als we de sociale buurtnetwerken zouden kunnen versterken, dan verminderen we het sociale isolement van alle gezinnen. Daar zouden alle gezinnen baat bij hebben, niet alleen de probleemgezinnen. En voor alle kinderen zou gelden dat ze in een sociale omgeving zouden opgroeien die beter aan hun sociale en morele ontwikkelingsbehoeften tegemoet zou komen. De "jeugdzorg" zou weer gewoon terecht komen waar hij hoort: bij de mensen zelf.

Maar ondertussen is die jeugdzorg al een hele bedrijfstak geworden met een eigen dynamiek. Met een waslijst van interventies en methodieken die allemaal proberen om vanuit het individuele gezin een sociaal netwerk rond dat gezin tot stand te brengen. En dat blijkt steeds meer een vrijwel onmogelijke opgaaf te zijn.

De grote vraag is nu of de jeugdzorg ooit die stap kan maken naar het niveau van de buurt. Krijgen we nog eens Centra voor Buurt, Jeugd en Gezin? Die echt preventief gaan werken, door alles uit de kast te halen om Buurten Voor Kinderen tot stand te brengen? Uiteraard in samenwerking met buurtverenigingen, opbouwwerkers, vrijwilligers en buurtbewoners zelf. En in samenwerking met gemeentebesturen die het grote belang hiervan in zien. Je zou verwachten dat die Transitie van de jeugdzorg naar de gemeentes hierbij moet helpen. We zijn benieuwd.

Zie ook: Centra voor Jeugd en Gezin hebben een buurtfunctie.

dinsdag 6 november 2012

Werken opvoedingsinterventies eigenlijk wel? Neem nu de Triple P methode

Doordat onze gezinnen behoorlijk sociaal geïsoleerd zijn, brengen ouders en kinderen steeds meer tijd met elkaar door. Tegelijk lijkt het er op dat we te maken hebben met een toename van internaliserende (depressie) en externaliserende (driftbuien, agressie, pesten, delinquentie) gedragsproblemen bij kinderen.

Aanwijzingen voor die toename hebben geleid tot een toenemende overheidsbemoeienis met jeugdzorg. Zie het SCP-rapport Jeugdzorg in groeifase. En daaromheen is een hele bedrijfstak ontstaan van het ontwikkelen en uitvoeren van zogenaamde opvoedinterventies, programma's die dienen om ouders bij het opvoeden te ondersteunen.

Met als achterliggende gedachte dat het bij een goede sociale en morele ontwikkeling van kinderen draait om het goed opgevoed worden. Als ouders hun "opvoedwerk" maar goed doen, dan komt het met de kinderen wel goed. En als de ouders tekortschieten, dan kunnen ze daarbij geholpen worden door middel van opvoedinterventies en dan gaat het beter. Eerder betitelde ik deze gedachtegang als de mythe van de opvoedbaarheid. Want er zijn veel aanwijzingen dat we de effecten van opvoeding overschatten. En dat we de effecten van de sociale omgeving van het gezin, of de afwezigheid daarvan, onderschatten. Zie dit bericht.

Als ik gelijk heb met die mythe van de opvoedbaarheid, dan zou het zo moeten zijn dat die opvoedinterventies ook maar weinig of geen effect hebben op de ontwikkeling en het gedrag van kinderen. Die gedachte wordt ondersteund door deze nieuwe studie, waarin een overzicht en een meta-analyse worden gegeven van onderzoek naar de effecten van een wereldwijd veel toegepaste opvoedinterventie, de Triple P methode. Deze interventie probeert ouders te bewegen tot zogenaamd positief opvoeden en probeert 17 opvoedvaardigheden bij te brengen.

De onderzoekers constateren o.a. dat vrijwel alleen kort durende effecten van de interventie zijn vastgesteld en dan nog alleen voorzover gerapporteerd door de eigen ouders, in het bijzonder de moeder. In gevallen van rapportages door de vader of onafhankelijke beoordelaars werden geen positieve effecten gevonden. Er zijn aanwijzingen voor een publicatie bias, in de zin dat negatieve resultaten niet werden gepubliceerd. Ook zijn vrijwel alle studies uitgevoerd door onderzoekers die met Triple P verbonden waren en er trainingen in gaven, waardoor ze onderhevig waren aan een belangenconflict.

Deze resultaten komen overeen met die van eerdere overzichten. Die hele bedrijfstak van opvoedinterventies, die zou wel eens op drijfzand kunnen zijn gebouwd.

zondag 7 oktober 2012

Niet (nog) beter opvoeden, maar: BUURTEN VOOR KINDEREN

Vrijdag 5 oktober reisde ik naar Groningen om in het kader van de Week van de Opvoeding (!) een lezing te geven met als titel:


Belangrijker dan (nog) Beter opvoeden
IS:

Buurten voor Kinderen

Het gehoor bestond uit medewerkers van de Centra voor Jeugd en Gezin van de stad Groningen en andere belangstellenden.

Volg de link hieronder voor de pdf van de powerpoint dia's: Op weg naar het Centrum voor Buurt, Jeugd en Gezin.

dinsdag 4 september 2012

Centra voor Jeugd en Gezin hebben een buurtfunctie. Zo niet, dan hebben ze geen functie

Zo nu en dan zijn er berichten dat de Centra voor Jeugd en Gezin niet goed functioneren en al weer worden opgeheven. Zie ook de (nog?) korte discussie in de LinkedIn groep. Maar onder goed functioneren blijkt vaak te worden verstaan dat ouders bij het CJG komen binnenlopen met opvoedvragen. Maar zijn CJG's daar wel voor bedoeld?

Ja, wat oorspronkelijk bedoeld is, daar kun je over twisten. Maar het is wel duidelijk dat CJG's niet zullen werken als alleen maar een loket waar je opvoedvragen kunt stellen. Zie mijn eerdere bericht waarin ik er voor pleit dat CJG's een buurtfunctie moeten krijgen (met link naar presentatie).  En zie de berichten over de mythe van de opvoedbaarheid, zoals dit bericht.

Een mooi voorbeeld van een CJG dat al heel aardig een buurtfunctie vervult, is dat in de wijk Beijum in Groningen. Zie hier voor een mooie beschrijving van wat daar gebeurt.

donderdag 19 januari 2012

De kracht van goede bedoelingen

Dit is maar een onderzoekje (zie de link onderaan dit bericht), maar ik denk dat de betekenis er van misschien onverwacht groot is.

De onderzoeker laat zien dat als iemand jou pijn of ongemak toebrengt, je dat als minder pijnlijk ervaart als je weet dat het met goede bedoelingen gedaan is. Minder pijnlijk dan wanneer het per ongeluk gebeurde en wanneer het met kwade bedoelingen gebeurde.

In dezelfde lijn bleek dat mensen een behandeling met een elektrische massagestoel als aangenamer ervaren als die stoel door een persoon bediend wordt dan door een computer (terwijl de massage in beide gevallen volledig identiek is). De bedoeling van een massage is om als aangenaam ervaren te worden. Maar in het eerste geval is er ook echt een persoon aan wie je die goede bedoeling kunt toeschrijven. Aan een computer doe je dat niet.

En tenslotte vinden mensen een snack lekkerder als ze die uitgereikt krijgen met een briefje waarop staat "Ik heb dit voor jou speciaal uitgekozen. Hoop dat het je blij maakt" dan met een briefje "Hoe dan ook. Kan me niet schelen. Ik heb willekeurig wat uitgezocht."

De betekenis die je hieraan kunt geven, heeft te maken met het onderscheid tussen persoonlijke en onpersoonlijke relaties. Anders gezegd, het onderscheid tussen het persoonlijke domein en het onpersoonlijke domein van onze sociale leefwereld.

In het persoonlijke domein, dat van familie en vrienden, gaan we gemakkelijker uit van de aanwezigheid van goede bedoelingen bij de mensen waarmee we omgaan dan in het onpersoonlijke domein. En omdat we de kracht van die goede bedoelingen nodig hebben, regelen we zaken liever binnen het persoonlijke dan binnen het onpersoonlijke domein. Als dat mogelijk is.

Vandaar dat ouders de opvang van hun kinderen liever informeel regelen (grootouders!) dan dat ze gebruik maken van de kinderopvang of de buitenschoolse opvang. En vandaar dat mensen als ze zorg nodig hebben, liever zo lang mogelijk mantelzorg ontvangen.

En vandaar dat in de jeugd- en gezinszorg de werkwijze van de Eigen Kracht-conferenties vaak zo succesvol is. Hulp en begeleiding in de sfeer van de eigen persoonlijke relaties heeft nu eenmaal het voordeel dat goede bedoelingen meer vanzelf spreken dan wanneer hulpverleners aan de deur komen.
The Power of Good Intentions | Psych Central News:

'via Blog this'

woensdag 7 december 2011

Leeftijdssegregatie is slecht voor kinderen

In de powerpoint bij dit bericht maakte ik melding van de sterke leeftijdssegregatie die kenmerkend is voor hoe onze kinderen opgroeien. Het buiten het eigen gezin vrijwel alleen maar in aanraking komen met andere kinderen van vrijwel dezelfde leeftijd, in de kinderopvang, op school en in de vrije tijd, is niet bevorderlijk voor een goede sociale en morele ontwikkeling.

Dit artikel (betaalpoort), verschenen in Developmental Psychology, gaat op dit probleem van leeftijdssegregatie dieper in. Het is onderdeel van een bredere beschouwing over de evolutionaire achtergrond van riskant adolescentengedrag. De gedachte is dat veel problematisch adolescentengedrag niet pathologisch is, maar een aanpassing aan de huidige sociale omgeving waarin kinderen opgroeien. Hoe meer kinderen opgroeien in een veilige, vertrouwde sociale omgeving, hoe meer pro-sociaal ze zich gedragen. Maar hoe minder veilig en vertrouwd die omgeving is, hoe meer kans op statuscompetitiegedrag. Dat berust op een evolutionair "gegroeid" vermogen tot aanpassing aan de aard van de, in dit geval sociale, omgeving. Statuscompetitiegedrag is een goede aanpassing aan een omgeving die door statuscompetitie wordt gekenmerkt. Denk aan de Dual Mode-theorie.

Die veilige en vertrouwde omgeving die nodig is voor wat wij een goede sociale en morele ontwikkeling vinden, is in het verleden altijd een geweest waarin kinderen opgroeiden in een sociaal netwerk van vertrouwde anderen van verschillende leeftijden. Leeftijdsmenging is tot niet zo lang geleden voor opgroeiende kinderen de normale toestand geweest. En dat artikel waar ik hier boven naar link, vermeldt aanwijzingen dat leeftijdsgemengd opgroeien leidt tot minder agressief gedrag en tot meer zorgzaamheid en  hulpvaardigheid. Dat werkt twee kanten op. Jongere kinderen zien hoe oudere kinderen en volwassenen elkaar en jongere kinderen ondersteunen en nemen dat over. Maar ook komen oudere kinderen veel in aanraking met jongere en dat op zich roept bij hen de neiging op om te helpen. En dat alles gebeurt spontaan, alleen al door die leeftijdsmenging. Misschien overbodig om te vermelden dat leeftijdsmenging en coöperatief grootbrengen van de kinderen (cooperative breeding) in hoge mate samengaan.

Dit staat in schril contrast met naar leeftijd gesegregeerd opgroeien, ook al omdat in die groepen van dezelfde leeftijd meestal maar beperkte vertrouwdheid heerst. Dat verhoogt de kans op statuscompetitiegedrag.

Als je dat bedenkt en bedenkt hoe wijdverbreid leeftijdssegregatie in onze maatschappij is en hoe normaal wij dat zijn gaan vinden, dan zinkt je de moed in de schoenen als je nadenkt over hoe we dit kunnen veranderen.  De auteurs van dat artikel pleiten er daarom voor om in ieder geval te bevorderen dat mensen zich meer bewust worden van het grote belang van leeftijdsmenging. Dat kan er toe leiden dat buurtbewoners een groter belang gaan hechten aan veilige ontmoetingsplekken en daarmee een socialer buurtleven.

Maar ook zijn er meer specifieke "interventies" die leeftijdsmenging bevorderen en die bewezen gunstige effecten hebben. Ze noemen "mentoring" programma's, wij noemen dat maatjesprojecten, waarin jongeren die in de problemen zijn gekomen, gekoppeld worden aan een oudere mentor. En ze noemen programma's waarin oudere kinderen de gelegenheid krijgen om jongere kinderen te helpen. Daarbij moest ik denken aan die jongens in Parkwijk-Leidsche Rijn, die elke week een speelmiddag organiseren voor de kleintjes. Ik vond later uit dat iets dergelijks in meer buurten gebeurt, maar kan de bron niet terugvinden.

dinsdag 6 december 2011

Aan de buurt werken

Johan Cortooms reageert op mijn bericht over het ontstaan van een veelpleger. Hij heeft gelijk dat als de jeugdzorg aan de buurt wil werken, dat ze dan moet samen werken met het welzijnswerk en het jongerenwerk.

Dat moet zeker. Maar dan moeten die instellingen ook echt samen aan de buurt gaan werken. Dus bijvoorbeeld bij de gemeente en de corporatie(s) gaan lobbyen voor meer ontmoetingsplekken, meer speelgelegenheden, meer bankjes. En als er in de buurt nog geen buurtvereniging is, dan moeten ze rechtstreeks naar de bewoners toe om die tot de oprichting daarvan aan te zetten. En daarbij te helpen.

Dat kan vanuit de Centra voor Jeugd en Gezin onder het eenvoudige, voor iedere buurtbewoner begrijpelijke, credo van "We willen een buurt voor de kinderen". En dan zal blijken dat iedereen graag een buurt voor de kinderen wil. Want dat is een leefbare en prettige en sociale buurt, ook voor gezinnen zonder kinderen.

zondag 4 december 2011

Het ontstaan van een veelpleger

Elsbeth Stoker heeft in de Volkskrant van zaterdag een interview met de 18-jarige Mohammed die een zogenaamde nieuwe veelpleger is geweest. (Hij heeft besloten er mee op te houden.)
In tegenstelling tot de 'oude veelpleger' steelt hij (de nieuwe veelpleger) niet om drugs te kopen. Bij hem draait het om materiële zaken, zoals Prada-schoenen en een Dolce & Gabbana-tas. En om de status die hij heeft binnen de criminele jeugdgroep.
Gevraagd naar hoe hij is begonnen, op zijn dertiende, vertelt hij:
'Vroeger toen ik nog een normaal jongetje was, zat ik altijd thuis. Maar op een gegeven moment ging ik naar buiten. Daar was niet zoveel te doen. Dus begonnen we met winkeldiefstallen en het jatten van fietsen. We deden zulke dingen met de hele buurt, met een groep van dertig jongens of zo.'
Dit lijkt mij een weliswaar beknopte, maar heel precieze beschrijving van wat er gebeurt als een jongen in een extreem sociaal geïsoleerd gezin opgroeit, in een buurt waarin alle andere gezinnen ook sociaal geïsoleerd zijn. Tussen de buurt (de straat) en de gezinnen bestaat een strikte scheiding. Als je op je dertiende eenmaal buiten komt, is daar, zeg maar, "niets", dat wil zeggen, niets anders dan al die andere jongetjes die ook naar buiten komen. Vanuit dat "niets" ontstaan natuurlijk niet zomaar de morele intuïties van de gemeenschap die we graag willen dat jongens aanleren. Waar zou die door ons gewenste morele en sociale ontwikkeling vandaan moeten komen?

Wat natuurlijk wel ontstaat is de cultuur van de statuscompetitie, en dan gaat het om Prada-schoenen en om de status binnen de groep. De stap naar criminaliteit is dan maar klein. Zo klein dat die jongens het overdreven vinden dat er over hen als criminelen wordt gepraat. Mohammed:
Ik zag mezelf en de jongens met wie ik omging niet als een criminele jeugdgroep. We waren gewoon een stel rotjongens die irritante dingen deden.
Natuurlijk zijn het rotjongens. Maar wij met zijn allen creëren gezinnen en buurten waarin jongens geboren worden die als ze eenmaal naar buiten komen haast niets anders kunnen dan rotjongens te worden. Ik bedoel, ze zijn misschien niet zielig, maar ze verdienen wel een betere sociale opgroei-omgeving. Waarin mensen elkaar kennen, met zijn allen een sociaal buurtleven hebben en waarin kinderen als ze het huis uitkomen zien hoe mensen met elkaar om kunnen gaan. Waarin er dus veel meer is dan "niets".

En denk niet dat je dit probleem oplost door de ouders van die jongens "er op aan te spreken". Ouders zijn machteloos zolang er in de buurt het "niets" heerst. Wat betekent dat voor de jeugdzorg en het jeugdbeleid? Dat je, als je echt preventief wilt werken, aan de buurt moet werken.