Posts tonen met het label cross-culturele verschillen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label cross-culturele verschillen. Alle posts tonen

donderdag 22 augustus 2019

Dat wij er moeite mee hebben om holistisch te denken zou kunnen liggen aan de sociale vluchtigheid waarin we opgroeien

Als leden van een fundamenteel sociale diersoort zijn we in de meeste Westerse landen, zoals Europa en Noord-Amerika, terechtgekomen in samenlevingen met een hoge mate van sociale vluchtigheid. Die brengt een individualistische cultuur met zich mee, waarin mensen zichzelf zien als autonome en onafhankelijke individuen met wisselende relaties.

Daartegenover vind je in Oost-Aziatische landen nog meer een collectivistische cultuur, waarin mensen zichzelf meer zien als onderdeel van een stabiel geheel van onderling afhankelijke relaties.

Van die twee lijken de meer collectivistische culturen meer overeen te komen met de Paleo Sociale Omgeving waarin de mensheid verreweg het grootste deel van zijn bestaan heeft doorgebracht.

Dat roept de vraag op wat het voor mensen betekent om op te groeien en het leven door te brengen in de meer individualistische cultuur van de meeste Westerse landen. Het bericht Over de uitdagingen van de sociale vluchtigheid ging over onderzoek dat daar een antwoord op gaf. Hieronder het lijstje dat in dat bericht voorkomt:
  • Onder condities van sociale stabiliteit moet je leren om om te gaan met anderen die je misschien niet zo goed liggen. In een sociaal vluchtige omgeving hoeft dat niet, omdat je de relatie gemakkelijker kunt beëindigen.
  • Daardoor zullen mensen onder condities van sociale vluchtigheid meer relaties hebben met anderen die op hen lijken. Want er kan gelden: soort zoekt soort. Bij sociale stabiliteit zullen mensen meer de vaardigheid hebben ontwikkeld om met andersoortigen om te gaan.
  • Bij sociale vluchtigheid is een relatie dus altijd minder vanzelfsprekend dan bij sociale stabiliteit. Omdat je van jezelf en van elkaar weet dat er mogelijke alternatieven bestaan.
  • Bij sociale vluchtigheid zijn mensen er meer op gericht om een bestaande aantrekkelijke relatie in stand te houden door de ander meer te ondersteunen en zo te proberen om voor de ander onmisbaar te zijn. Dit verklaart dat vrienden in individualistische culturen meer steun uitwisselen dan vrienden in collectivistische culturen.
  • Bij sociale vluchtigheid zijn mensen in hun zoektocht naar relaties meer bereid om meer van zichzelf te onthullen dan bij sociale stabiliteit. Anders gezegd, onder condities van sociale vluchtigheid is zelfonthulling (self-disclosure) een signaal dat je de relatie op prijs stelt en wilt behouden. Bij sociale stabiliteit heb je dat signaal niet nodig.
  • Onder condities van sociale vluchtigheid speelt romantische liefde een grotere rol, als een soort signaal (commitment device) van gebondenheid. Bij sociale stabiliteit is dat signaal minder nodig.
Nieuw onderzoek maakt het mogelijk om dat lijstje uit te breiden. Het gaat om de studie Relational Mobility and Cultural Differences in Analytic and Holistic Thinking, waarin de onderzoekers laten zien dat sociale vluchtigheid meer aanzet tot de analytische en sociale stabiliteit tot de meer holistische denkstijl. 

Je hebt een meer analytische denkstijl als je aandacht meer uitgaat naar individuele objecten los van hun omgeving (context) en daarmee samenhangend meer naar objecten kijkt als geïsoleerd van elkaar. 

Daartegenover denk je meer holistisch als je objecten ziet als onderling overlappend en ingebed in hun omgeving, waardoor je meer bent gespitst op onderlinge verbanden en op het deel zijn van een groter geheel.

En een deel van dat onderscheid lijkt verklaard te kunnen worden door het bekende verschil in de locus of control, dat wel vertaald wordt met beheersingsoriëntatie. Sociale vluchtigheid blijkt meer samen te gaan met een interne beheersingsoriëntatie, dat wil zeggen met de neiging om oorzaken van gedrag meer in de persoon zelf te zoeken. Terwijl sociale stabiliteit samengaat met de neiging om die oorzaken meer in de omgeving en in de omstandigheden te zoeken.

Dat komt er dus op neer dat het bekende verschil tussen individualistische en collectivistische culturen voor een deel verklaard kan worden door het verschil in de mate van sociale vluchtigheid (versus sociale stabiliteit) en dat dat verschil in de mate van sociale vluchtigheid deels het verschil in de mate van analytisch denken (versus holistisch denken) verklaart. En dat laatste verloopt deels via die meer interne (dan wel externe) beheersingsoriëntatie. 

En dat wijst tenslotte op het grote belang van sociale vluchtigheid versus sociale stabiliteit voor hoe mensen naar zichzelf en naar anderen kijken en voor hun manier van denken en kijken naar de wereld (analytisch versus holistisch).

Ik vraag me wel eens af of dat grote belang van een nogal fundamenteel sociaalwetenschappelijk inzicht wel voldoende onder ogen wordt gezien.

maandag 4 juni 2018

Loont het om aardig te zijn? In een individualistische cultuur niet

Eerder zagen we dat het, althans in de Verenigde Staten, niet loont om aardig te zijn. Zie Aardige mensen verdienen minder. Uit dat bericht:
Aardig zijn (agreeableness) is een van de vijf dimensies van persoonlijkheid waar je mensen op kunt indelen. Aardig zijn betekent dat je gemakkelijk van vertrouwen bent, eerlijk, pro-sociaal, meegaand, bescheiden en zachtaardig. En het is bekend dat aardige mensen een groot belang hechten aan persoonlijke relaties en meer gemotiveerd zijn om relaties in stand te houden, waardoor ze ook door anderen aardiger gevonden worden. Onaardige mensen hoeven nog geen psychopaat te zijn, maar hebben wel vaker de neiging om zich egoïstisch en agressief op te stellen, vooral in conflictsituaties.
Je zou kunnen zeggen dat we er met zijn allen, als maatschappij, belang bij hebben dat er genoeg aardige mensen bestaan. Wat genoeg is, weten we niet. Maar een maatschappij met heel veel onaardige mensen moet een stuk minder aangenaam zijn om in op te groeien en in te leven dan een maatschappij met veel aardige mensen. En je kunt je voorstellen dat al dat onaardige gedrag ook hoge kosten met zich meebrengt, al was het maar doordat er meer middelen verspild worden aan onnodige conflicten.

Dat zou er voor pleiten om aardige mensen beter te belonen dan onaardige mensen.

Maar uit dat onderzoek in de Verenigde Staten blijkt dus dat zulks daar niet het geval is. Ook als je er rekening mee houdt dat aardige en onaardige mensen verschillende soorten beroepen uitoefenen, met verschillende beloningsniveau's, dan blijft staan dat aardige mensen minder verdienen dan onaardige. (De link naar het onderzoek in dat vorige bericht werkt helaas niet meer.)

Nu is er nieuw onderzoek, waarin de Verenigde Staten wordt vergeleken met Japan: Is being agreeable a key to success or failure in the labor market? En daaruit komt naar voren dat voor Japanse mannen geldt dat aardiger zijn juist wel een hoger inkomen oplevert.

Tevens wordt nog eens bevestigd dat het omgekeerde geldt voor de Verenigde Staten, waar aardige mannen minder verdienen.

De onderzoekers brengen het verschil in verband met de de meer individualistische cultuur in de Verenigde Staten en de meer collectivistische cultuur in Japan.

En dat wijst dus op een nadeel van teveel individualisering. De maatschappij wordt er competitiever door en ontmoedigt degenen met een aanleg om aardig te zijn.

Update. Zie nu ook Bereiken onaardige (statuscompetitieve) mensen een hogere machtspositie?

woensdag 18 april 2018

Hoe minder statushiërarchie in een land, hoe minder corruptie en hoe meer welvaart en hoe gelukkiger

Over deze studie naar het verband tussen "cultuur" en "geluk" (The Happy Culture: A Theoretical, Meta-Analytic, and Empirical Review of the Relationship Between Culture and Wealth and Subjective Well-Being)  is van alles te melden, maar voor nu viel mijn oog op dit plaatje:


Afgebeeld is het verband tussen power distance en subjectief welbevinden (geluk of tevredenheid) per land.

Power distance, een van de zes dimensies waarmee Geert Hofstede culturen onderscheidde, slaat op de mate waarin mensen machts- en invloedsverschillen en daarmee gepaard gaande verschillen in privileges als onvermijdelijk accepteren en zich daarbij neerleggen. Een voorbeeld van een stelling waarmee het wordt gemeten is: “Managers should make most decisions without consulting subordinates.” In termen van het op dit blog gangbare onderscheid tussen statuscompetitie en gemeenschap slaat machtsafstand op een hoge mate waarin de statuscompetitie is neergeslagen in een stabiele statushiërarchie.

Je ziet dat het gemiddelde geluk in een land sterk daalt met een toename van zo'n stabiele statushiërarchie. Kijk even naar de plekken van Nederland en Noorwegen links bovenaan en naar die van landen als Turkije en Hongarije rechtsonderaan.

Uit de analyses blijkt ook dat het verband tot stand komt doordat meer machtsafstand (statushiërarchie) samen gaat met meer corruptie en met lagere welvaart (BNP per hoofd van de bevolking).

Het plaatje is een fraaie illustratie van het inzicht van de Dual Mode-theorie dat mensen toegerust zijn met twee, aan elkaar tegengestelde, natuurlijke sociale gedragspatronen, dat van gemeenschapsgedrag en dat van statuscompetitiegedrag, en dat zulks op collectief niveau kan resulteren in een lage mate van statushiërarchie (en meer gemeenschap) of juist in een hoge mate (en weinig gemeenschap). En van het inzicht dat het eerste "evenwicht" meer welzijn (en meer welvaart) verschaft dan het tweede.

woensdag 22 november 2017

Verhoogt opgroeien in collectivistische cultuur het vermogen om gedachten te lezen?

Hoe goed ben je in het herkennen van iemands gedachten? In het aan de gelaatsuitdrukking aflezen waar iemand aan denkt en hoe iemand zich voelt?

Uit de studie How accurately can other people infer your thoughts—And does culture matter? valt op te maken dat het ervan afhangt in wat voor cultuur je bent opgegroeid, een individualistische of een collectivistische.

Het onderzoek werd uitgevoerd in Engeland. Achtentwintig studenten (de targets), waarvan 14 uit Engeland en 14 afkomstig uit het Middellandse Zeegebied (Griekenland en Cyprus) en studerend in Engeland, kregen steeds een van de vier woorden te zien in het plaatje hiernaast.

Daarbij werd hen gevraagd om terug te denken aan een ervaring waarin ze de met het woord aangeduide emotie hadden gevoeld. Zonder dat te weten, werden ze gefilmd.

32 andere studenten, 16 uit Engeland en 16 uit het Middellandse Zeegebied (10 Grieks-Cyprioten, 3 Grieken, 1 Turk, 1 Spanjaard en 1 Italiaan)  werd gevraagd om de filmpjes te bekijken en in te schatten naar welk woord werd gekeken.

Uit allerlei onderzoek is bekend dat Engeland behoort tot de meer individualistische culturen en de landen rond de Middellandse Zee tot de meer collectivistische culturen. Zie de berichten op dit blog over cross-culturele verschillen.

Wat bleek? De studenten die waren opgegroeid in de landen rond de Middellandse Zee waren beter in het aflezen van gedachten en emoties dan de Engelse studenten. Dat wil zeggen, ze waren beter in het herkennen van het verschil tussen de negatieve emoties (shame, guilt) en de positieve (pride, excitement). (Slechts weinigen konden schaamte en schuld van elkaar onderscheiden en trots en opwinding.)

Zou het kunnen zijn dat je door het opgroeien in een collectivistische cultuur beter wordt in het herkennen van positieve dan wel negatieve emoties? Beter in het "mentaliseren"?

Dat zou goed kunnen. Want de onderzoekers hadden de deelnemers ook een bekende vragenlijst voorgelegd om individualisme - collectivisme te meten. Om een idee te krijgen van wat die vragenlijst inhoudt, hier vind je een kort testje waarmee je je eigen score kunt vaststellen.

Voorbeelden van uitspraken die staan voor individualisme zijn "I often do "my own thing""en "When I succeed, it is usually because of my abilities". En voorbeelden van collectivisme zijn "It is important to maintain harmony within my group" en "I feel good when I cooperate with others".

En toen bleek uit de analyses dat de studenten uit de landen rondom de Middellandse Zee niet alleen hoger scoorden op collectivisme, maar dat bovendien die verschillen de beste verklaring waren voor de verschillen in het "mentaliseren".

En daarmee werd een andere verklaring minder waarschijnlijk, namelijk de verklaring dat studenten die in het buitenland gaan studeren of dat al doen, een specifieke selectie uitmaken die op een of andere manier te maken heeft met dat vermogen om andermans gedachten te lezen.

Rest nog te bedenken wat ervoor zorgt dat collectivisme meer samen gaat met dat vermogen. Waarschijnlijk leer je door het opgroeien in een collectivistische cultuur meer dat het belangrijk is om aandacht voor anderen te hebben en je meer in anderen te verdiepen. En waarschijnlijk heb je in de loop van dat opgroeien ook meer gelegenheid om je in de vaardigheid van dat lezen van gedachten van anderen te oefenen.

zaterdag 1 oktober 2016

Is er een gen voor eenzaamheid? En over maatschappijvergelijking

Is er een gen voor eenzaamheid? Nee, dat lijkt niet het geval te zijn. Uit vorig onderzoek kwamen wel varianten van bepaalde genen als kandidaat naar voren, maar in nieuw onderzoek met een groot databestand (10.760 Amerikanen van 50 jaar en ouder) houdt geen van die mogelijke verbanden stand (Genome-Wide Association Study of Loneliness Demonstrates a Role for Common Variation). Zie ook de samenvatting van het onderzoek in ScienceDaily.

Ik was er benieuwd naar om welk gen of samenstel van genen het zou kunnen gaan en naar de associaties met andere gedragskenmerken. Toch geeft dit nieuwe onderzoek over dat laatste wel enig inzicht.

Want de onderzoekers konden een schatting maken van de overerfbaarheid van eenzaamheid. Eenzaamheid, niet als een tijdelijk fenomeen, maar als de kans op eenzaamheid gedurende de levensloop, blijkt voor 14 tot 27 procent genetisch bepaald.

Wat dat precies betekent, wordt iets duidelijker als je bedenkt dat er een gemeenschappelijke overerfbaarheid blijkt te zijn van eenzaamheid, neuroticisme, extraversie en depressieve symptomen. Dat doet vermoeden dat een genetische "verklaring" voor eenzaamheid en een maatschappelijke verklaring niet los van elkaar staan.

Want het zou kunnen zijn dat je in een land als de Verenigde Staten behoorlijk emotioneel stabiel moet zijn (tegenovergestelde van neuroticisme), behoorlijk extravert en weinig depressief om niet eenzaam te worden. In andere landen of sociale omstandigheden zou dat anders kunnen zijn.

Denk (weer) even aan de Boliviaanse Tzimane, die misschien qua aanleg voor neuroticisme niet verschillen van Amerikanen, maar die in een sociale omgeving hun leven doorbrengen waarin die aanleg helemaal niet tot uiting kan komen. Zie (nog eens) het bericht Waarom zijn we eigenlijk niet allemaal emotioneel stabiel?

Want Amerikanen (en wij Nederlanders) leven in een maatschappij waarin we bloot staan aan de uitdagingen van het vermijden van sociaal isolement en van het moeten meedoen aan de statuscompetitie. Wat onder meer inhoudt dat je je voortdurend beter en krachtiger en slimmer moet voordoen dan je bent. Dat wij met die uitdagingen worden geconfronteerd, betekent dat wij aanhoudend stressvolle gebeurtenissen meemaken: bedreigingen die met afwijzing en eenzaamheid en met strijd en nederlaag te maken hebben..

Dat is dus een sociale omgeving waarin het helpt, ja, noodzakelijk is, om emotioneel stabiel te zijn, om extravert te zijn en om niet last te hebben van een neiging tot depressiviteit.

Vergelijk dat met de uitdagingen waar de Tzimane mee te maken krijgen: ze moeten voldoende pro-sociaal zijn (genereus, vriendelijk en bescheiden) en ze moeten zich voldoende inspannen voor het welzijn van de groep. (Ze leven in verwantschapsgroepen van tussen de 30 en 500 personen.)

Een sociale omgeving waar je, als je die uitdagingen voldoende aan kunt, als vanzelfsprekend wordt geaccepteerd om wie je bent. Een sociaal veilige omgeving, waarin verschillen in de aanleg voor eenzaamheid, neuroticisme, extraversie en depressie niet aan het licht komen.

Zo kom je van een onderzoek naar de genetische aanleg voor eenzaamheid zomaar terecht bij een sociaalwetenschappelijke maatschappijvergelijking.

maandag 8 december 2014

Niet-Westerse kinderen leren sneller om eerlijk te delen dan Westerse

De geneigdheid tot eerlijk delen kun je bij mensen vaststellen door hen iets te geven (geld of iets anders) en hen te vragen hoe ze dat het liefst over zichzelf en een andere persoon, die ze niet kennen en ook niet zullen ontmoeten, te verdelen. Deze keuzesituatie staat bekend als het Dictator-spel, zo genoemd omdat de persoon geheel in vrijheid kan beslissen wat hij zelf krijgt en wat een ander krijgt.

Dat spel is al vele malen in onderzoek gebruikt om na te gaan hoe altruïstisch mensen zijn of hoe veel belang ze hechten aan eerlijk delen. Ook is het spel al vaak aan kinderen voorgelegd. Zie eerder het bericht Hoe leren kinderen eerlijk delen? Eerst: hoe verdelen volwassenen? Daar noemde ik onderzoek waaruit bleek dat jonge kinderen eerst behoorlijk egoïstisch zijn, maar bij het opgroeien leren om eerlijk te delen. En dat leren lijkt er vooral uit te bestaan dat ze leren om hun eerste (egoïstische) impuls te beheersen. En zich dus socialer te gedragen.

Er is nu de nieuwe studie Little Dictators: A Developmental Meta-analysis of Prosocial Behavior, waaruit blijkt dat het leertraject van kinderen in Westerse samenlevingen sterk verschilt van dat van kinderen in niet-Westerse samenlevingen. De onderzoeker (Paul Ibbotson) verrichtte een meta-analyse op onderling vergelijkbare onderzoeken naar de keuzes van in totaal 1601 kinderen tussen 3 en 18 jaar in verschillende landen.

Daar kwam zoals verwacht uit dat kinderen aanvankelijk egoïstisch kiezen. Maar er kwam ook uit dat de niet-Westerse kinderen (Brazilië, China, Peru, Fiji) veel sneller leren om eerlijk te delen dan de kinderen uit de Westerse landen (Verenigde Staten, Engeland, Duitsland, Zwitserland). Hun leercurve gaat veel steiler omhoog. Met als gevolg dat ze op ongeveer 5- à 7-jarige leeftijd gemiddeld de helft weggeven. Terwijl Westerse kinderen dan nog overwegend minder dan de helft weggeven. Voor vroege impulsbeheersing bij kinderen moet je dus niet in Westerse samenlevingen zijn.

Dat kan er op wijzen dat de niet-Westerse kinderen meer opgroeien in een sociale omgeving waarin eerlijk delen meer verbreid is. En dat klopt. De studie Dictator Games: A Meta Study (pdf) laat zien dat mensen in niet-Westerse landen meer weggeven (gemiddeld 35 procent) dan mensen in Westerse landen (gemiddeld 27 procent). In jagers-verzamelaarssamenlevingen is het weggeven van de helft, dus eerlijk delen, zelfs de meest voorkomende keuze.

Kortom, kinderen komen ter wereld met het vermogen om zich aan te passen aan de aard van de sociale omgeving die ze aantreffen. Hoe egoïstischer die is, hoe meer moeite het kost om te leren om eerlijk te delen. En hoe pro-socialer de omgeving, hoe gemakkelijker en hoe vanzelfsprekender dat leren wordt.

En zo reproduceren samenlevingen zich. En de sociale omgevingen binnen die samenlevingen. Omdat de menselijke sociale natuur nu eenmaal duaal is, kan het dus beide kanten op. Zie bijvoorbeeld ook nog eens Statuscompetitie is bij mensen nooit ver weg - maar gemeenschap ook niet.

donderdag 5 juni 2014

Overdrijven we hoe gelukkig we zijn?

Als je gevraagd zou worden om aan te geven hoe gelukkig je bent op een schaal van 1 tot 10, dan is de kans groot dat je jezelf een cijfer geeft in de buurt van de 7,5. Dat is de gemiddelde score voor geluk die Nederlanders zichzelf geven en daarmee staan wij op de vierde plaats van de rangorde van landen naar gemiddeld geluk, volgens het World Happiness Report 2013.

Opvallend is dat de noordelijke en westelijke Europese landen en landen als Canada en Australië hoog in die rangorde staan. Dat kan er aan liggen dat deze landen een behoorlijke verzorgingsstaat hebben en we weten dat de verzorgingsstaat bijdraagt aan de tevredenheid met het leven.

Maar het zou daarnaast ook kunnen liggen aan de individualistische cultuur in deze landen. Want in een individualistische cultuur zijn mensen meer bezig met statuscompetitie. Dat wil zeggen dat ze zichzelf veel met anderen vergelijken, dat ze proberen om op anderen indruk te maken en zich beter voor te doen dan ze werkelijk zijn. En dat lijkt er mee samen te gaan dat ze geluk meer als een individueel kenmerk opvatten dan mensen doen in meer collectivistische culturen. Ik citeer mezelf (Wat is geluk? Culturele verschillen):
Mensen die in de Europees-Amerikaanse, individualistische cultuur opgroeien, zien de persoon als een onafhankelijk iemand die anderen beïnvloedt. En ze zien geluk als samenhangend met hoe goed je over jezelf denkt (self-esteem), met hoe optimistisch je bent en met het nastreven van het eigen geluk. Geluk is dus altijd subjectief en persoonlijk.

Daarentegen zien mensen uit de Oost-Aziatische, collectivistische cultuur de persoon als een met anderen wederzijds verbonden iemand die zich aan anderen aanpast. Geluk hangt niet samen met hoe goed je over jezelf denkt, maar juist met zelfkritiek en discipline. Die kritische houding ten opzichte van zichzelf leidt tot onderlinge sympathie en dus tot onderlinge verbondenheid. Daardoor is geluk altijd meer relationeel, intersubjectief, gemeenschapsgebonden en collectief.
Dat doet vermoeden dat wij Nederlanders, individualistisch als we zijn, de neiging hebben tot zelfverheffing. En daarmee ook de neiging om te overdrijven hoe gelukkig we zijn. We zouden het niet kunnen verdragen om minder gelukkig te zijn dan anderen. Vandaar misschien dat nogal hoge rapportcijfer.

 Uit het nieuwe onderzoek Motivated Happiness: Self-Enhancement Inflates Self-Reported Subjective Well-Being blijkt inderdaad dat mensen die meer geneigd zijn tot zelfverheffing ook zichzelf sterker zien als meer dan gemiddeld gelukkig en tevreden met het leven. Die neiging tot zelfverheffing werd gemeten met de self-deceptive enhancement schaal, bestaande uit stellingen als "Ik ben een volledig rationeel persoon", waarvan je moet aangeven hoe eens of oneens je het er mee bent. Hoe hoger je scoort, hoe meer je jezelf onrealistisch positief beoordeelt. (Ik zocht de volledige schaal op internet, maar hij blijkt alleen op commerciële basis te worden verstrekt.) O ja, ik zag ergens dat er inderdaad de samenhang is met narcisme die je zou verwachten.

Zelfverheffing blijkt zelfs een sterke voorspeller te zijn van (zelf gerapporteerd) geluk. Dat zou je natuurlijk ook zo kunnen opvatten dat zelfverheffing misschien wel echt gelukkiger maakt. Zeker in een cultuur waarin zelfverheffing de norm is. Misschien is zelfverheffing wel een authentiek bestanddeel van geluk.

Maar dat is nog maar de vraag. Want de onderzoekers laten ook zien dat mensen zich laten beïnvloeden door wetenschappelijke informatie over de wenselijkheid en de voordelen van het je gelukkig voelen. Mensen die die informatie kregen, gaven daarna aan zich sterker meer dan gemiddeld gelukkig te voelen dan mensen die die informatie niet hadden gekregen.

Kennelijk schroef je je rapportcijfer voor geluk op als je hoort dat gelukkig zijn zo belangrijk is. En dus waarschijnlijk ook in een cultuur waarin je gelukkig hoort te zijn, omdat je anders misschien als een loser wordt gezien. Dat we ons geluk overdrijven, ja, daar zit wel wat in.

vrijdag 3 januari 2014

Juist in individualistische cultuur meer geneigdheid tot "eigen volk eerst"

In individualistische culturen, zoals de Noord-Amerikaanse en West-Europese, zien mensen zichzelf meer als een zelfstandige persoon dan in collectivistische culturen, zoals de Zuid-oost Aziatische, waar mensen zichzelf meer als lid van een groep beschouwen.

Daarmee hangt samen dat mensen in individualistische culturen meer geneigd zijn tot zelfverheffing (en narcisme), terwijl bescheidenheid vooropstaat in collectivistische culturen. In het eerste geval denk je dat het goed is om je beter voor te doen dan je bent, terwijl je in het tweede geval juist wilt voorkomen dat anderen je een opschepper vinden. Zie ook nog eens het bericht Bescheidenheid en zelfverheffing als collectief gedrag.

Die bescheidenheid in die collectivistische cultuur lijkt er toe te dienen om jezelf vooral als lid van de groep te presenteren. En die zelfverheffing juist om uit te dragen dat je een uniek individu bent. Zie de studie Individualism and Collectivism: Cross-Cultural Perspectives on Self-Ingroup Relationships (pdf) voor meer informatie over deze culturele verschillen.

Op grond van dit alles zou je kunnen verwachten dat het lid zijn van een groep, het ergens bij horen, voor mensen uit collectivistische culturen meer betekenis heeft, en meer consequenties heeft, dan voor mensen uit individualistische culturen. Maar is dat wel zo?

In de nieuwe studie Cultural Variation in the Minimal Group Effect (betaalpoort) vergeleken de onderzoekers de mate waarin bij Japanners en bij Amerikanen het zogenaamde minimale groepseffect optreedt. Dat werd voor het eerst onderzocht door Henri Tajfel, die zijn proefpersonen, die elkaar niet kenden, op een onbeduidend criterium indeelde in twee groepen en onderzocht wat de effecten daarvan waren op houdingen en gedrag tegenover de eigen en de andere groep. Zo een criterium was bijvoorbeeld welke van twee schilderijen van Kandinsky, een overwegend groen of een overwegend blauw, je het mooiste vindt.

In deze nieuwe studie gebruikten de onderzoekers ook precies dat criterium om de deelnemers aan het onderzoek, dat via internet werd uitgevoerd, te categoriseren. Je kreeg dus te weten dat je was ingedeeld in de Groene dan wel in de Blauwe groep, afhankelijk van welk schilderij je het mooiste vond. Daaraan werd toegevoegd dat er ook andere overeenkomsten tussen de groepsleden zouden kunnen bestaan, zoals overeenkomsten in denkstijl. Wat waren de consequenties daarvan en hoe verschilden die tussen Japanners en Amerikanen?

Het bleek toen dat:
  • de Amerikanen zich meer dan de Japanners:met hun groep identificeerden en de band met de andere groepsleden als sterker ervoeren
  • de Amerikanen hun eigen groepsleden als intelligenter inschatten, terwijl dit bij de Japanners niet het geval was
  • de Amerikanen meer dan de Japanners hun eigen groepsleden op allerlei persoonlijkheidskenmerken als gunstiger inschatten dan de leden van de andere groep
  • de Amerikanen een bedrag aan geld dat ze mochten verdelen meer aan de eigen groepsleden toewezen, terwijl de Japanners het gelijk over beide groepen verdeelden
Het minimale groepseffect (de in-group bias) trad dus juist meer op bij de Amerikanen dan bij de Japanners. Populair gezegd, geldt dus voor de individualistische cultuur meer het "eigen volk eerst" dan voor de collectivistische cultuur. Tegengesteld aan wat je misschien verwacht had.

Hoe kan dat? De onderzoekers kunnen laten zien dat de gevonden verbanden voor een deel verklaard worden door de grotere mate van zelfverheffing bij de Amerikanen en door de grotere neiging van hen om de relatie tussen beide groepen als competitief te zien.

Blijkbaar maakt het opgroeien in een individualistische cultuur, waarin je niet als vanzelfsprekend lid van een groep bent en dat ook niet zo ervaart, dat je ook een onbeduidende kans om toch lid van een groep te zijn aangrijpt om je als lid van die groep te gedragen. Om je er mee te identificeren, om je eigen mensen als slimmer en beter te beoordelen en om hen te bevoordelen.

Dat wijst, lijkt me, op de gevaren die inherent zijn aan individualisme. Dat gemis aan de groepservaring leidt er kennelijk toe dat we onbeduidende groepsgrenzen al te gemakkelijk aangrijpen. Die individualistische cultuur, dat is historisch gezien misschien wel een riskant experiment.

maandag 25 februari 2013

Te geven is zaliger dan te ontvangen - Maar de gelegenheid maakt de gever

De nieuwe studie Prosocial Spending and Well-Being: Cross-Cultural Evidence for a Psychological Universal (betaalpoort) bevestigt eerder onderzoek: te geven is zaliger dan te ontvangen. En dat lijkt universeel te gelden, in verschillende culturen en in rijke en arme landen. De onderzoekers ondervroegen meer dan 200.000 mensen in 136 landen. Mensen die in de vorige maand geld hadden gegeven aan een goed doel waren gelukkiger of tevredener met hun leven dan mensen die dat niet hadden gedaan. Dit verband bestond in elk van de zeven onderscheiden cultureel/geografische gebieden: Afrika, Azië, Europa, de voormalige Sovjet-Unie en Oost-Europa, Latijns Amerika, Iran en het Midden-oosten en de Verenigde Staten, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland.

Ook vroegen de onderzoekers aan mensen (in een beperkter aantal landen) om terug te denken aan een besteding die ze hadden gedaan ten behoeve van iemand anders (pro-sociaal) of aan een besteding voor zichzelf. Degenen die gevraagd waren terug te denken aan een pro-sociale besteding scoorden daarna hoger op een vragenlijstje voor subjectief welbevinden dan degenen die hadden teruggedacht aan een besteding voor zichzelf. En hoger dan degenen die nergens aan hadden teruggedacht. Ook lieten ze mensen iets voor zichzelf aanschaffen of iets voor een goed doel. Ook dan voelden de mensen die iets hadden aangeschaft voor een goed doel zich beter dan degenen die iets hadden aangeschaft voor zichzelf. Dit wijst er op dat de oorzakelijke richting van het verband inderdaad die is van het iets geven naar het zich beter voelen.

Dit is geen nieuwe bevinding, maar het is wel voor het eerst dat dit fenomeen is aangetoond voor mensen in zoveel verschillende landen. Het wijst er op dat wij er in het verleden op geselecteerd zijn om het aangenaam te vinden om iets voor anderen te doen, om anderen te ondersteunen en aardig te zijn voor anderen. Maar natuurlijk zitten wij ingewikkelder in elkaar, want wij kunnen ook behoorlijk egoïstisch zijn en goed voor onszelf zorgen geeft meestal ook een goed gevoel.

Je kunt je natuurlijk afvragen wat dit voor ons dagelijks leven betekent. Want hoe vaak zijn wij eigenlijk goedgeefs? Hoe vaak geven we iets weg? Dat het nog altijd loont om met een collectebus langs de deuren te gaan, wijst er op dat wij een gelegenheid om iets weg te kunnen geven behoorlijk goed benutten. Maar het wijst er ook op dat onze goedgeefsheid dus ook afhangt van hoeveel gelegenheid wij krijgen om iets weg te geven of of om iemand te helpen.

Dat deed mij denken aan dit al wat oudere onderzoek: Personality and Social Network Involvement as Predictors of Helping in Everyday Life (betaalpoort) van Paul Amato, waaruit blijkt dat het aantal contacten en relaties die iemand heeft veel meer zeggen over hoe vaak hij/zij iemand anders helpt, dan de eigenschappen van die persoon. We willen allemaal best iets voor iemand anders doen, maar dan moet die ander er wel zijn of er wel vaak genoeg zijn. Dat we in een individualistische maatschappij, met sociaal geïsoleerde gezinnen, niet zo vaak iets weggeven of iemand helpen, zou er dus niet aan liggen dat wij zo egoïstisch zijn, maar aan de weinige gelegenheden die we krijgen om onze goedgeefsheid in daden om te zetten. (Denk ook aan de moeilijkheid van het om hulp vragen.)

Dus: te geven is zaliger dan te ontvangen. Maar de gelegenheid maakt de gever.

maandag 14 januari 2013

Culturele verschillen in hechting - effecten van sociaal isolement versus sociale integratie van gezinnen

Heidi Keller heeft een mooi overzichtsartikel over hechting en cultuur in de Journal of Cross-Cultural Psychology (fulltext achter de poort). Ze vindt het hoog tijd om het onderzoek naar hechting uit te breiden naar andere culturen dan die van de westerse landen. Want het meeste hechtingsonderzoek is uitgevoerd in (de midden-klasse van) westerse culturen met een hoge mate van sociaal isolement van gezinnen. Daardoor is er sterk de nadruk komen te liggen op de (veilige, vermijdende of ambivalente) hechting van het kind aan de moeder. En kon het idee ontstaan dat een veilige hechting aan de moeder als voorwaarde voor een goede ontwikkeling universeel is. Zie eerder mijn bericht over hechtingstheorie en de mythe van de opvoedbaarheid.

Maar dat idee van die exclusieve veilige hechting aan de eigen moeder is een cultureel ideaal in maar een heel klein deel van de wereld, minder dan 5 procent van de wereldbevolking. Het gaat samen met een nadruk op het ontwikkelen van zelfvertrouwen en onafhankelijkheid, belangrijk voor het leven in een individualistische maatschappij. En het is duidelijk dat die ontwikkeling vaak niet goed gaat, vooral bij een onstabiele sociale omgeving in de vroege jaren, en dat veel opgroeiende kinderen een vermijdende of ambivalente hechtingsstijl ontwikkelen. Evolutionair gezien lijken dat strategieën te zijn die zijn aangepast aan onstabiele en onveilige sociale omgevingen.

Maar hoe zit dat met de hechting van kinderen in culturen waarin gezinnen veel meer sociaal zijn geïntegreerd? Waarin kinderen veel meer coöperatief worden grootgebracht, niet alleen door de zorg van de eigen moeder, maar ook die van de vader, oudere broers en zussen, grootouders en verdere familie en andere vertrouwde personen? Het kan niet anders dan dat kinderen onder die omstandigheden veel minder exclusief gehecht zijn aan de eigen moeder. Heidi Keller vertelt bijvoorbeeld over de Efe in Zaïre, waar pasgeborenen tussen vrouwen van hand tot hand gaan en waar kinderen van zes weken oud meer tijd doorbrengen met anderen dan met de eigen moeder. En de kinderen van de Aka in het regenwoud van de Congo hebben per dag zo'n twintig personen die voor hen zorgen. Uiteraard is er meestal een speciale rol weggelegd voor de eigen moeder, maar moeders kunnen er juist ook voor waken dat hun kind zich te veel exclusief aan hen hecht.

Dit heeft interessante gevolgen. Zo blijkt dat de angst voor vreemden, die kinderen in westerse maatschappijen bijna standaard rond de 8 maanden oud ontwikkelen, vrijwel niet voorkomt in culturen waarin gezinnen sociaal geïntegreerd zijn. Zo leren de kinderen van de Beng in Ivoorkust al van jongs af aan om zich comfortabel te voelen in aanwezigheid van vreemden. Dat verklaart ook de vaak grote gastvrijheid die in dat soort culturen tegenover vreemden aan de dag wordt gelegd.

Een ander gevolg is dat het geven van zorg veel meer een over een grotere sociale kring verspreide levenservaring is dan wanneer alleen de moeder die rol op zich neemt. Zo leren oudere kinderen met vanzelfsprekende zorgtaken als vanzelf alles wat met zorg en verantwoordelijkheid te maken heeft. Ze groeien daardoor anders op dan kinderen die zulke taken niet of nauwelijks hebben. En ze creëren daardoor ook een meer zorgzame, volwassen sociale omgeving.

Een gevolg van dat sociale isolement van gezinnen, waar wij in onze maatschappij zo mee vertrouwd zijn, is natuurlijk ook dat wij een door de overheid gefinancierde en georganiseerde jeugdzorg hebben moeten laten ontstaan. In plaats van die vertrouwde sociale kring van oudere kinderen, grootouders, familieleden en anderen kennen wij jeugdhulpverleners en opvoedondersteuners en gezinsvoogden en andere professionals. Er is een aanzienlijke verschuiving geweest van wat mensen gewoon onderling doen naar wat opgeleide en collectief gefinancierde professionals doen. Met de vrij grote zekerheid dat we er door die verschuiving in overwegende mate op achteruit zijn gegaan. Update. Zie ook het bericht Overheidsonmacht in de jeugdzorg.

zaterdag 29 december 2012

Waarom zijn we eigenlijk niet allemaal emotioneel stabiel?

Hoe komt het dat mensen verschillen in de mate van emotionele stabiliteit? Of omgekeerd gezegd, in de mate van neuroticisme? Emotionele stabiliteit versus neuroticisme is een van de vijf persoonlijkheidsdimensies (de Big Five), waarmee je mensen die in ons soort maatschappij leven, kunt onderscheiden. Zie het vorige bericht over persoonlijkheid en maatschappij.

Als je emotioneel stabiel bent, reageer je minder sterk op stressvolle gebeurtenissen. Je bent gemakkelijker kalm, rustig en gelijkmoedig en minder snel gespannen en van je stuk. Je hebt weinig negatieve emoties, maar ook niet vaak heel positieve. Als je die laatste wel vaak hebt, dan combineer je emotionele stabiliteit met extraversie. Maar ook zonder die combinatie voel je je gelukkiger en tevredener dan wanneer je neurotisch bent. Neuroticisme betekent dat je vaak angstig bent, bezorgd, jaloers op anderen en dat je last hebt van stemmingswisselingen. Je kunt stressvolle gebeurtenissen minder goed verwerken. En tegelijk zie je gewone gebeurtenissen snel als bedreigend.

Hoe komt het dat mensen in dit opzicht zo van elkaar verschillen? Waarom zijn we niet allemaal even stabiel? Je zou kunnen denken, tja, dat is nu eenmaal zo, want mensen verschillen in aanleg voor emotionele stabiliteit. Dat is van alle tijden en van alle omstandigheden. Maar dat blijkt dus niet te kloppen. Die Boliviaanse Tsimane, die leven van jagen, vissen en wat tuinbouw, die blijken deze persoonlijkheidsdimensie helemaal niet te kennen.

Op welk niveau van emotionele stabiliteit die Tsimane zitten, in vergelijking met ons, dat weten we niet, maar het zou me niet verbazen als ze overeenkomen met de meer stabielen onder ons. Er zijn twee uitdagingen die het leven hen stelt: ze moeten voldoende pro-sociaal zijn (genereus, vriendelijk en bescheiden) en ze moeten zich voldoende inspannen voor het welzijn van de groep. (Ze leven in verwantschapsgroepen van tussen de 30 en 500 personen.)

En ze kennen de twee uitdagingen niet waaraan wij wel ons hele leven het hoofd moeten bieden: de uitdaging van het vermijden van eenzaamheid en sociaal isolement en de uitdaging van het moeten meedoen aan de statuscompetitie, wat o.a. inhoudt dat je je voortdurend beter moet voordoen dan je bent. Dat wij met die twee uitdagingen worden geconfronteerd, betekent dat wij, in vergelijking met de Tsimane, aanhoudend stressvolle gebeurtenissen meemaken: bedreigingen die met afwijzing en eenzaamheid en met strijd en nederlaag te maken hebben. Zie ook nog eens dit bericht.

En daardoor blijkt dat wij in aanleg verschillen in de mate waarin we desondanks tot emotionele stabiliteit in staat zijn. Neuroticisme kan gemakkelijk de kop op opsteken. Dat de Tsimane ook in die aanleg verschillen, wat waarschijnlijk lijkt, kan door hun manier van samenleven gewoon niet aan het licht komen. En je zou denken: dat hoort ook niet aan het licht te komen.

Speciaal voor sociologen: eigenlijk wint oudere sociologische literatuur over cultuur, persoonlijkheid en maatschappij hiermee weer verrassend aan actualiteit. Ik denk bijvoorbeeld aan Pitrim A. Sorokin (1889-1968) en David Riesman (1909-2002).

donderdag 13 december 2012

Hoe beter je leert om zowel positieve als negatieve emoties te ervaren, hoe gezonder je blijft.

Is het beter voor je om je altijd goed te voelen, dat wil zeggen om zoveel mogelijk positieve emoties te ervaren en zo weinig mogelijk negatieve emoties? Nee, dat is niet goed voor je. Althans als "goed" betekent: goed voor je gezondheid. Het ervaren van zowel positieve als negatieve emoties blijkt voor je gezondheid beter te zijn.

In de recente studie When Feeling Bad Can Be Good: Mixed Emotions Benefit Physicial Health Across Adulthood (pdf) deden onderzoekers een zogenaamd experience sampling onderzoek. Ze gaven een kleine 200 volwassenen (18-94 jaar) drie keer een week lang een blieper mee, die op willekeurige momenten vijf keer per dag afging. Elke keer als dat zo was, moesten de deelnemers een vragenlijstje invullen over hoe ze zich voelden. Van 19 emoties moesten ze aangeven hoe sterk of zwak ze elke emotie op dat moment voelden. Er waren 8 positieve emoties (gelukkig, vrolijk, tevreden, opgetogen, trots, voldaan, geïnteresseerd en geamuseerd) en 11 negatieve (boos, bedroefd, bang, walgend, schuldig, gegeneerd, schaamte, angstig, geïrriteerd, gefrustreerd en verveeld). Tussen de eerste en de tweede week werd 5 jaar gewacht, evenals tussen de tweede en de derde week. Voorafgaand aan elke week vulden de deelnemers een vragenlijst in over hun gezondheid.

Het blijkt dan dat gezondheid meer samenhangt met een maat voor het ervaren van zowel positieve als negatieve emoties dan met het meer uitsluitend ervaren van positieve emoties. Die eerste maat was gebaseerd op de correlatie tussen positieve en negatieve emoties. Je kunt je voorstellen dat het vaak zo is dat als je meer positieve emoties ervaart, je dan minder negatieve emoties ervaart. Dan is die correlatie negatief. Maar hij was niet altijd negatief. Bij sommige deelnemers was hij positief. En hoe positiever die correlatie, hoe meer je positieve en negatieve emoties allebei en dus gemengd ervaart. En die gemengde ervaring blijkt samen te gaan met een betere gezondheid dan de zuivere ervaring van positieve emoties. (Voor de statistici: ook als je statistisch al rekening had gehouden met de gezondheidseffecten van die positieve en negatieve emoties afzonderlijk.)

En wat gebeurde er in de tijd? Mensen waren eerst vijf en toen tien jaar ouder geworden. Zeker bij de wat ouderen kon je enige verslechtering van gezondheid verwachten. Dat was ook zo, maar die bleek weer minder te zijn voor diegenen die in de tijd meer gemengde emoties waren gaan ervaren. Hoe beter je in de loop van je leven leert om zowel positieve als negatieve emoties te ervaren, hoe langer je gezond blijft.

Hoe is dit te verklaren? Een verklaring zou kunnen zijn dat het in staat zijn om negatieve emoties te combineren met positieve, dus om ook in het slechte toch nog het goede te zien of om het slechte te relativeren, het gemakkelijker maakt om negatieve ervaringen goed te verwerken. In plaats van ze met inspanning te onderdrukken of geforceerd te proberen ze uit de weg te gaan. Dat laatste is misschien wat degenen die vooral veel positieve emoties rapporteerden, wel deden.

Maar denk ook aan dit eerdere bericht over culturele verschillen in geluk. Het kan zijn dat de deelnemers aan dit onderzoek die meer gemengde emoties ervoeren, het geluksbegrip van de Oost-Aziatische, collectivistische culturen meer benaderden. Dat begrip houdt namelijk in dat je gelukkig bent als je een goed evenwicht weet te handhaven tussen positieve en negatieve emoties, waardoor je kalm, onverstoorbaar en niet opgewonden bent. De extremen van zowel positieve en negatieve emoties moet je allebei zien te vermijden. En het opvallende is dat mensen uit die culturen het ook gezond vinden om dat evenwicht na te streven. Daar konden ze dus wel eens gelijk in hebben.

vrijdag 17 augustus 2012

Bescheidenheid en zelfverheffing als collectief gedrag

Een bekend inzicht uit het cultureel-psychologisch onderzoek is dat bescheidenheid (of nederigheid) en zelfverheffing cultureel gebonden gedragingen zijn. Noord-Amerikanen en West-Europeanen zijn geneigd tot zelfverheffing, dat wil zeggen tot het hoog inschatten van de eigen vaardigheden. Daarentegen schatten Oost-Aziaten hun eigen prestaties liever in als minder goed dan die van anderen. Ze zijn dus juist bescheiden of nederig. Dit culturele verschil komt natuurlijk ergens vandaan en in dit eerdere bericht besprak ik onderzoek waaruit blijkt dat het (ook) samenhangt met de mate van inkomensongelijkheid in een land. Hoe ongelijker de inkomensverdeling, hoe meer de statuscompetitie domineert in de onderlinge contacten en hoe belangrijker het is om je niet minder voor te doen dan je bent. Dus eerder zelfverheffing dan bescheidenheid.

Hoe dan ook, waar ook de achterliggende oorzaak ligt, het blijkt dat deze twee verschillende gedragspatronen niet zomaar individueel gekozen worden. Ze komen collectief tot stand: in een sociale omgeving waarin anderen bescheiden zijn, kun je dat zelf ook gemakkelijk zijn en lijkt het ook raadzaam om het te zijn, omdat zelfverheffing door anderen niet gewaardeerd zou worden. Andersom: in een sociale omgeving waarin anderen zich zelf verheffen, zich op de borst kloppen, daar zou nederigheid en bescheidenheid niet in jouw voordeel zijn. Anderen zouden je niet zien staan. Update. We hebben het hier natuurlijk over een toestand van statuscompetitie.

Zoals in veel zaken is hier dus een belangrijke rol weggelegd voor sociale beïnvloeding. En daar kan een strategisch element in meespelen. Je bent zowel in staat tot bescheidenheid als tot zelfverheffing, maar bij het bepalen van je gedrag, hou je er rekening mee hoe anderen zich opstellen. De mate waarin die strategie bewust of onbewust wordt uitgevoerd, is een tweede. (Zie ook nog eens dit bericht over de Dual-Mode theorie.)

Een aanwijzing voor dat strategische element is dit onderzoek van o.a. Toshio Yamagishi en Karen S. Cook, twee bekende namen in de sociale psychologie, dat al in maart van dit jaar verscheen, maar dat ik nu pas onder ogen kreeg. De onderzoekers lieten Amerikanen en Japanners inschatten hoe ze hadden gescoord op een test, onder of boven het gemiddelde. Toen bleek inderdaad dat meer Amerikanen (52%) dan Japanners (28%) hun eigen score hoger inschatten dan het gemiddelde, wat al eerder was gevonden.

Vervolgens lieten ze twee andere groepen dezelfde inschatting doen, maar dan met de mededeling dat ze een beloning zouden krijgen als ze hun eigen score correct zouden inschatten. En toen bleek het culturele verschil te verdwijnen. Ongeveer twee derde van zowel de Japanners als de Amerikanen schatten zichzelf in als hoger dan het gemiddelde.

Als je dus geneigd bent tot bescheidenheid, dan valt het effect daarvan weg als je gevraagd wordt om je eigen prestatie zo correct mogelijk in te schatten en daarvoor ook beloond wordt. De vrees voor negatieve reacties van anderen op wat zij als zelfverheffing zouden kunnen zien, valt dan weg. Je bent gelegitimeerd om niet bescheiden te zijn. Dat wijst er dus op dat in die gevallen waarin je wel bescheiden bent, je eigenlijk wel weet dat je dat bent. Dat het dus strategisch gedrag is, een aanpassing aan je sociale omgeving.

zaterdag 9 juni 2012

"Bemoei je met je eigen zaken!" geldt niet overal

Eerder stond ik stil bij onderzoek naar de moeilijkheid van het om hulp vragen. Als iemand je om hulp vraagt, vind je dat prettig, maar zelf om hulp vragen, dat gaat niet gemakkelijk. Vandaar dat er waarschijnlijk meer hulpbereidheid is dan dat in gedrag tot uiting komt. Zie dit bericht. Maar ook blijkt dat vrienden elkaar gemakkelijker om hulp vragen. En ook wordt gemakkelijker om hulp gevraagd in culturen waarin mensen meer tussen vertrouwde anderen opgroeien. Zie dit bericht.

Er is nu recent onderzoek (fulltext achter de poort) dat interculturele verschillen laat zien in het gemak waarmee mensen een bepaalde vorm van hulp aanbieden, namelijk goede raad of advies. Russen staan, in vergelijking met Amerikanen, heel gemakkelijk klaar met goede raad en advies. Je kunt er op straat of in het openbaar vervoer allerlei praktische wetenswaardigheden opdoen, die mensen je ongevraagd en met de beste bedoelingen mede delen. (Mijn eigen verblijf in Moskou en Sint Petersburg was kennelijk te kort om deze ervaring op te doen.) Ook schijnen Russen elkaar gemakkelijk en ongevraagd allerlei adviezen te geven, zonder de vrees voor bemoeizuchtig te worden aangezien. De uitdrukking "Bemoei je met je eigen zaken!" kun je weliswaar letterlijk in het Russisch vertalen, maar Russen vinden het moeilijk om te begrijpen wat iemand er mee zou kunnen bedoelen.

De onderzoekers denken dat dit gedrag een onderdeel is van meer interdependente culturen dan de West-Europese en Noord-Amerikaanse. Als mensen zich zelf meer als onderdeel van een groter geheel zien en als meer met anderen verbonden, dan vragen ze niet alleen gemakkelijker om hulp, maar ook bieden ze gemakkelijker hulp aan. Zoals in de vorm van goede raad en advies. Het is trouwens niet een vast onderdeel van die culturen, want in de eveneens sterk interdependente Oost-Aziatische culturen komt dat ongevraagde advies geven veel minder voor. Misschien is het in Rusland een overblijfsel van de communistische periode, waarin mensen sterk op elkaar vertrouwden door de notoire onbetrouwbaarheid van alle officiële informatie.

Het leek me dus interessant om even te kijken of de mate van vertrouwen tussen mensen in Rusland dan ook groter is dan in de Verenigde Staten. Voor veel landen zijn daar gegevens over beschikbaar doordat in landenvergelijkend onderzoek vaak de vraag naar het interpersonele vertrouwen gesteld is. Die vraag luidt:
In het algemeen gesproken, vindt u dat de meeste mensen zijn te vertrouwen of dat je niet voorzichtig genoeg kunt zijn in de omgang met mensen?
Mensen kunnen dan aangeven in hoeverre ze het eens zijn met de twee mogelijke antwoorden:
  • de meeste mensen zijn te vertrouwen
  • Je kunt nooit voorzichtig genoeg zijn in de omgang met anderen
Op deze site kun je in een oogopslag landen met elkaar vergelijken. Maar het blijkt dan dat de interpersonele vertrouwensindex van Rusland juist lager is dan die van de Verenigde Staten (55,4 tegen 78,8). Leuk geprobeerd, maar mensen zitten meestal ingewikkelder in elkaar dan je denkt.

Een andere keer meer over die verschillen tussen landen in dat onderlinge vertrouwen.

maandag 31 oktober 2011

Wat is geluk? Culturele verschillen

Naast verschillen in leeftijd zijn er ook verschillen naar culturele achtergrond in wat mensen onder geluk verstaan. Zo is er een heel interessant verschil tussen hoe Europeanen en Amerikanen geluk (of welbevinden) opvatten en hoe mensen uit oostelijk Azië dat doen. Dit verschil wordt aardig samengevat door Shinobu Kitayama en Hazel Rose Markus in het hoofdstuk The Pursuit of Happiness and the Realization of Sympathy: Cultural Patterns of Self, Social Relations and Well-being van het prachtige boek Culture and Subjective Well-being, dat werd geredigeerd door Ed Diener en Eunkook M. Suh (Cambridge, Mass., 2000).

Mensen die in de Europees-Amerikaanse, individualistische cultuur opgroeien, zien de persoon als een onafhankelijk iemand die anderen beïnvloedt. En ze zien geluk als samenhangend met hoe goed je over jezelf denkt (self-esteem), met hoe optimistisch je bent en met het nastreven van het eigen geluk. Geluk is dus altijd subjectief en persoonlijk.

Daarentegen zien mensen uit de Oost-Aziatische, collectivistische cultuur de persoon als een met anderen wederzijds verbonden iemand die zich aan anderen aanpast. Geluk hangt niet samen met hoe goed je over jezelf denkt, maar juist met zelfkritiek en discipline. Die kritische houding ten opzichte van zichzelf leidt tot onderlinge sympathie en dus tot onderlinge verbondenheid. Daardoor is geluk altijd meer relationeel, intersubjectief, gemeenschapsgebonden en collectief.

Dit culturele verschil hangt er mee samen dat Europeanen en Amerikanen vooral proberen om zoveel mogelijk positieve emoties te ervaren en zo weinig mogelijk negatieve emoties. Daartegenover staat dat Japanners meer proberen om een goed evenwicht te handhaven tussen positieve en negatieve emoties, wat er toe leidt dat ze "kalm", "onverstoorbaar", "niet opgewonden" en dus "gezond" zijn. De extremen van zowel positieve als negatieve emoties worden gezien als slecht en dienen daarom te worden vermeden. Een citaat (p. 140):
Only when the person detaches him of herself from a seemingly natural desire for good feelings and an aversion against bad feelings can he or she most effectively immerse him of herself in the web of mutually sympathetic relations, which in turn may well ensure the emergence of subjective well-being, life satisfaction, and thus happiness. In East-Asia, therefore, happines may not be what one whishes to pursue. If one does, it will go away - if one doesn't, it may come.
Geluk moet je niet willen nastreven. Vanuit "onze" cultuur gezien: heeft dat niet iets heel aantrekkelijks?

woensdag 31 augustus 2011

Pro-sociaal Gedrag

Tot 2009 verzorgde ik het vak Pro-sociaal Gedrag als onderdeel van de Master Sociologie van de Rijksuniversiteit Groningen. Ter informatie hieronder de beschrijving van het vak, samen met de literatuurlijst.