Posts tonen met het label sociale zeepbel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sociale zeepbel. Alle posts tonen

dinsdag 19 september 2023

Kiezers willen minder ongelijkheid en rechtvaardiger verhoudingen. Maar dat wilden ze eerder ook al. En dus over sociale zeepbelvorming onder politici

De werking van de innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur, waarin het gemeenschapspatroon en het statuscompetitiepatroon om de voorrang strijden, valt in alle sociale domeinen waar te nemen. In de persoonlijke fysieke en online levenssfeer, in die van de anonieme ontmoetingen, zoals in de publieke ruimte en op sociale media, in de georganiseerde verbanden van verenigingen, vrijwilligersorganisaties en ondernemingen en in het verband van de nationale staat. Ja, zelfs daarboven, in het verband van de internationale politiek, in de vorm van gewelddadige conflicten en van mensenrechtenverdragen.

In het verband van de nationale staat wijst alles erop dat we nu in een overgangstijd zitten waarin het gemeenschapspatroon opnieuw de overhand krijgt op het statuscompetitiepatroon. Terwijl na de Tweede Wereldoorlog het gemeenschapspatroon zich in de politiek doorzette met de opbouw van de sociale zekerheid en van rechtvaardige verhoudingen, kreeg vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw het statuscompetitiepatroon steeds meer het heft in handen. Waardoor de bestaansonzekerheid en de ongelijkheid toenamen.

Voor wat ons land betreft heeft dat er uiteindelijk toe geleid dat nu vrijwel alle politieke partijen aankondigen dat ze de bestaansonzekerheid willen verminderen en de ongelijkheid willen terugdringen.  Zie ook Bestaanszekerheid terug waar het hoort: in het hart van de politiek – Hoog tijd voor een nieuw politiek tijdperk.

En dat is ook precies wat de kiezers willen, getuige de uitslag van het representatieve onderzoek van Ipsos in opdracht van de NOS: Nederlanders willen dat welvaart eerlijker wordt verdeeld:

Bijna twee derde van de Nederlanders (64 procent) vindt het belangrijk dat de welvaartsverschillen kleiner worden. Kiezers van alle partijen zijn het daarmee eens. Bij linkse partijen ligt dat percentage rond de 80, maar ook onder VVD-kiezers is 43 procent er voorstander van.

Een eerlijke welvaartsverdeling moet volgens Nederlanders vooral worden betaald door bedrijven meer belasting te laten betalen. 60 procent vindt dat de belasting voor bedrijven omhoog moet. Bijna evenveel mensen (56 procent) vinden dat er meer belasting moet worden geheven op hogere inkomens. Ook verhoging van de vermogensbelasting krijgt veel steun (49 procent).

Daarbij moet meteen worden opgemerkt dat die sterke voorkeur van mensen voor minder grote inkomensverschillen niet nieuw is. In de tientallen jaren van neoliberaal beleid die achter ons liggen en die de ongelijkheid doelbewust lieten oplopen, is er eigenlijk altijd de opvallende kloof geweest tussen wat de politici teweegbrachten of lieten gebeuren en de afkeer van grote ongelijkheid bij de kiezers. Het lijkt er sterk op dat de politici veel meer meegingen in het omhelzen van het statuscompetitiepatroon dan de kiezers voor wenselijk hielden. De sociale zeepbelvorming van de marktvuistregel was er vooral onder de politici, veel minder onder de kiezers. Over het algemeen volgens mensen liever het in hen levende gemeenschapspatroon van iedereen-telt-mee dan dat vervelende statuscompetitiepatroon van het ieder-voor-zich. En dat komt to uiting in kiezersvoorkeuren. Als kiezers zijn mensen kennelijk stabieler dan als politici.

Ter toelichting hieronder een aantal berichten die eerder op dit blog verschenen.

Burgers willen geen kleinere overheid met lagere belastingen

 (16 september 2013) Steeds meer blijkt dat de voorstanders van bezuinigen in een recessie meer gemotiveerd zijn om zo de overheid een kopje kleiner te maken dan om ons uit die recessie te helpen. In ons land is dat van de VVD zonder meer duidelijk, al was het maar doordat Rutte dat met zoveel woorden heeft gezegd. Maar het lijkt er op dat de andere regeringspartij, de PvdA, ook een kleinere overheid wil.

Nu is groot of klein eigenlijk niet de eerste vraag. Belangrijker is wat je als belangrijke overheidstaken ziet en dan blijkt wel hoe groot of klein die overheid moet zijn om die taken uit te voeren. Maar de PvdA koos altijd voor een pakket taken op het gebied van sociale zekerheid, sociale voorzieningen, werkgelegenheid, onderwijs en gezondheidszorg dat met een kleine overheid moeilijk valt uit te voeren. Ook al omdat langs die weg rechtvaardigheid, gelijkheid en gelijke kansen werden bevorderd.

Daarvan lijkt nu alleen de nivellering te zijn overgebleven. Als er maar genivelleerd word, ik chargeer wat, dan stemt de PvdA graag in met een kleinere overheid, hoge werkloosheid  en een nodeloos langere duur van de recessie. Alles ten behoeve van begrotingsevenwicht, op zich een onzinnig doel.

Maar willen de burgers eigenlijk wel een kleinere overheid? En lagere belastingen?

Een antwoord op die vraag was vorige week voor Engeland te vinden in de nieuwste British Social Attitudes. In dat onderzoek wordt ook gekeken naar de houding van burgers tegenover overheidsuitgaven en de rol van de overheid.

Wat blijkt daaruit? Als je kijkt naar Figuur 2.1 op pagina 36, dan zie je dat het percentage van de Britse burgers dat zegt lagere belastingen en minder overheidsuitgaven te willen, tussen 1983 en 2012 altijd lager is geweest dan 10 procent. In Engeland moeten ze dus helemaal niets hebben van die kleinere overheid.

Hoe zit dat dan in Nederland? Ik kon alleen de cijfers vinden voor de periode tussen 1970 en 2002, in het SCP-rapport De steun voor de verzorgingsstaat, 1970-2002. Het gaat daar, op pagina 14, over de vraag hoeveel geld de overheid voor openbare voorzieningen moet hebben. Mensen konden kiezen tussen "veel meer", "een beetje meer", "zo laten", beetje minder" en "veel minder". In 1970 koos 7 procent voor een beetje of veel minder. Dat percentage nam daarna flink toe (met een maximum van 16 procent in 1975), maar was in 1996 weer naar 8 procent teruggevallen. In 2002 was het gedaald naar 6 procent. (Heeft het SCP niet de recentere cijfers?)

Ook in de Verenigde Staten blijkt keer op keer de steun voor sociale voorzieningen opvallend hoog te zijn. Terwijl daar de retoriek van de kleine overheid hoogtij viert. En de ongeïnformeerdheid schrikbarend is. Wat er toe kon leiden dat leden van de Republikeinse partij en van de conservatieve Tea Party-beweging konden uitroepen dat de overheid met haar handen van hun Medicare-uitkering moest afblijven, onwetend van de omstandigheid dat Medicare een overheidsvoorziening is.

Al met al redenen om te denken dat die opbouw van de verzorgingsstaat na de Tweede Wereldoorlog in de westerse landen niet zomaar een voorbijgaand verschijnsel is. Ik denk als je de menselijke sociale natuur combineert met algemeen kiesrecht en met voldoende garanties voor goed onderwijs en goede informatievoorziening, dat er dan altijd een behoorlijk omvangrijke verzorgingsstaat uit tevoorschijn komt. Mensen zijn bereid daarvoor te betalen.

Zijn de kiezers linkser dan de politici? 

 (25 augustus 2015) De steun voor de verzorgingsstaat kun je aflezen aan de houding tegenover de wenselijkheid van uitgaven ten behoeve van publieke en sociale voorzieningen. En dan blijkt steeds dat die houding opvallend positief is. Mensen willen helemaal geen kleinere overheid met lagere belastingen. Zie hier voor cijfers voor het Verenigd Koninkrijk en Nederland.

En cijfers uit 2008 voor 13 West Europese landen laten zien dat een ruime meerderheid (69 procent) er voor is dat de overheid maatregelen neemt om de inkomensongelijkheid terug te dringen. Een inkomensbeleid dus dat past bij de verzorgingsstaat vanwege de steun voor de zwakkeren en de hoge belastingtarieven voor de rijkeren.

Omdat de huidige Europese politieke elite geheel in de ban is van de neoliberale hervormingsdrang, vraag je je af of de politici wel doorhebben dat de kiezers een linkser beleid voorstaan. Want volgens al die hervormingen moet het allemaal wat minder met die publieke en sociale voorzieningen. We moeten bezuinigen en de overheid moet kleiner. De markt moet meer ruimte krijgen. En dat houdt in dat we grote inkomensverschillen mogen betreuren, maar dat we als overheid ons daar niet mee behoren te bemoeien. Dat dit de overheersende opvatting is geworden onder de politieke elite, ligt er overigens vooral aan dat de sociaal-democratie vrijwel naar het neoliberale kamp is overgelopen.

Dat de steun voor de verzorgingsstaat onder de kiezers groot en stabiel is, wordt bevestigd door recente cijfers van TNS NIPO, waar Tim de Beer mij op attendeerde. In juni van dit jaar konden mensen op een schaal van 1 (veel kleiner) tot 10 (veel groter) aangeven of ze kleinere of grotere inkomensverschillen wilden. Het blijkt dan dat 77 procent de voorkeur geeft aan kleinere inkomensverschillen. Opvallend is ook dat de gemiddelde score 4,0 bedraagt. Alleen de VVD-kiezers zaten met 5,51 rechts van het midden.

Het lijkt een hype te zijn, dat neoliberale "hervormings"- en bezuinigingsbeleid van de huidige politici, los gezongen van wat onder de kiezers leeft.

Je mag dus verwachten dat verkiezingen dat vroeg of laat zullen corrigeren. Ik denk even aan de ontwikkelingen in het Verenigd Koninkrijk, waar Jeremy Corbyn, een sociaal-democraat die wordt afgeschilderd als radicaal-links, hoge ogen gooit om de nieuwe leider van  Labour te worden. Met beleidsvoornemens waar nogal wat mainstream-economen zich achter hebben gesteld. 

Zijn de kiezers linkser dan de politici? Nieuwe aanwijzingen

(22 mei 2017) We maken een tijd mee waarin er sprake is van verrechtsing van het electoraat. Maar het zou wel eens kunnen zijn dat die verrechtsing, en vooral de populariteit van het neoliberalisme, vooral een fenomeen is dat zich afspeelt in de kringen van de politici.

Het lijkt soms alsof dat kringetje van politici, waar overigens politieke verslaggevers graag dicht tegenaan schurken, een eigen wereldje is geworden. Waarbinnen natuurlijk verschillen van mening bestaan, maar waarin ook een stilzwijgende afspraak lijkt te heersen dat het met die verschillen niet uit de hand moet lopen. Vooral als je de verdenking op je laadt dat je "te links" bent, dan loop je kans om niet meer echt serieus te worden genomen. In dat wereldje en de daaromheen cirkelende media is links "uit".

Verrechtsing dus in de politiek. Maar ook bij de kiezers?

Dat staat nog te bezien. Ik stond daarbij stil in de berichten Burgers willen geen kleinere overheid met lagere belastingen en Zijn de kiezers linkser dan de politici? Er zijn aanwijzingen dat de steun voor de sociale zekerheidsarrangementen en voor de kleinere inkomensverschillen van de verzorgingsstaat onverminderd hoog is. En dat de ideologie van de kleine overheid bij de kiezers helemaal niet populair is. Zie voor meer daarover ook Over ontevredenheid met de politiek en de steun voor de verzorgingsstaat - leven we in een pre-revolutionaire toestand? en Essay De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?

Daar komen nu nieuwe aanwijzingen bij voor wat de Verenigde Staten betreft. Laat je geen rad voor ogen draaien: dat daar Donald Trump op een of andere manier aan de macht is gekomen ( op welke manier zal nog blijken), doet er niets aan af dat het Amerikaanse kiezersvolk in feite steeds meer naar progressief en links tendeert. Het lijkt er zelfs op dat het verschijnsel Trump die tendens heeft versterkt.

Dit blijkt uit cijfers die Ruy Teixeira vandaag op Vox geeft. Zie What right-wing populism? Polls reveal that it’s liberalism that’s surging. We zien bijvoorbeeld dat de houding tegenover immigranten overwegend positief is en positiever is geworden. 60 procent van de Amerikanen is nu van oordeel dat immigratie Amerika meer helpt dan schaadt, terwijl slechts ruim 30 procent van het tegendeel overtuigd is. En de houding tegenover de Affordable Care Act (Obamacare) is nu positief, ondanks de massieve rechtse propaganda. Waartegenover slechts 21 procent zijn goedkeuring geeft aan het door de Republikeinen ingediende alternatief voor Obamacare.

En hoe opvallend is dit plaatje, dat ik naar ik aanneem als een citaat wel mag overnemen:



We zien dat de algemene houding tegenover de rol van de overheid in het oplossen van problemen en het tegemoetkomen aan de behoeften van mensen sinds 1995 sterk positiever is geworden. De Republikeinse anti-overheidspropaganda, die met Ronald Reagan een aanvang nam en door George Bush werd voortgezet, slaat niet meer aan. En heel recent lijkt het afschrikwekkende fenomeen Trump zijn werk te doen.

Blijft natuurlijk de vraag hoe het kon gebeuren dat er in de kringen van politici en media zo'n merkwaardige neoliberale zeepbel kon ontstaan. Wat dat betreft zijn we denk ik voorlopig nog niet uitgepraat over de betreurenswaardige rol die de sociaal-democraten daarin gespeeld hebben. 

Ruime meerderheden vinden dat overheid de ongelijkheid binnen de perken moet houden

(7 november 2019) Maarten Hermans van de KU Leuven maakte met de data van de European Social Survey de onderstaande grafiek. Je ziet voor de jaren 2002, 2008, 2014 en 2018 het percentage van de ondervraagden dat het er mee eens of er sterk mee eens is dat de overheid beleid moet voeren tegen te grote inkomensongelijkheid.

Je ziet voor de landen Nederland, Groot Brittannië, Noorwegen, België, Duitsland, Frankrijk en Italië een duidelijke toename van die percentages. Dat is gemakkelijk te verklaren uit de toename van inkomensongelijkheid in veel landen en de daarmee gepaard gaande toename van berichten in de media daarover. (Lees hieronder door.)

Maar wat je ook ziet is dat de percentages over de gehele periode ruim boven de vijftig procent liggen. Het gemiddelde van deze landen zal in 2002 zo ongeveer tegen de 70 procent hebben gelegen en lijkt in 2018 toegenomen te zijn tot tegen de 75 procent.

De verschillen tussen de landen kunnen te maken hebben met de verschillen in ongelijkheid. Volgens die redenering zou de ongelijkheid in Italië aanzienlijk groter zijn dan die in Nederland, wat geloof ik ook zo is.

Maar ze kunnen ook te maken hebben met verschillen in politieke opvattingen. Grotere inkomensgelijkheid brengt een land dichter bij het gemeenschapsevenwicht en vooral de linkse kiezers zullen daarmee instemmen. En zo gezien valt het op dat de drie grote landen Italië, Frankrijk en Duitsland in 2018 het meest links zijn. (Terwijl Duitsland in 2002 het minst linkse land was.)

Maar wat natuurlijk bovenal opvalt is dat  het zulke ruime meerderheden zijn die vinden dat de ongelijkheid niet te groot moet zijn en dat daar een taak voor de overheid ligt. Terwijl in deze periode bij de politici nog de neoliberale fantasiewereld overheerst waarin de markt vooral zijn werk moet doen en de overheid daar zo weinig mogelijk tussen moet komen. Waarin ongelijkheid die daaruit resulteert juist goed is of voor lief moet worden genomen.

Kennelijk zijn de kiezers linkser dan de politici en hebben ze meer inzicht in de negatieve effecten van te grote ongelijkheid. 

Ook met Trump aan de macht zijn Amerikanen overwegend centrum-links

(7 november 2017) 

Update. Als Amerikanen inderdaad overwegend centrum-links zijn, hoe slagen de Republikeinen er dan in om toch de verkiezingen te winnen? Door langs verschillende wegen, en met hulp van de Russen, de democratische gang van zaken zoveel mogelijk buiten werking te stellen. Zie daarover nu (april 2019): De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 16 - Hoe het Amerikaanse Grote Geld zich verdedigt tegen de democratie.
Het domein van de publieke besluitvorming, dat van de democratie en de politiek, is in de mensheidsgeschiedenis zo nieuw dat je niet kunt verwachten dat mensen er gemakkelijk hun weg in vinden en weloverwogen tot oordelen komen.

We zijn weliswaar gewend om die oordelen te rangschikken op het continuüm van links (ruwweg: meer overheid) naar rechts (ruwweg: minder overheid), maar de meeste kiezers zijn helemaal niet zo vertrouwd met die tweedeling.

In zijn opiniestuk in de New York Times van vorige week (America Is Not a ‘Center-Right Nation’) herinnert Eric Levitz aan het onderzoek van de politicoloog Philip E. Converse uit 1964, waaruit bleek dat slechts 17 procent van de Amerikaanse kiezers het verschil tussen links (liberal) en rechts (conservative) goed kon uitleggen. De grote meerderheid bracht niet zijn stem uit op grond van een duidelijke politieke ideologie. Dat klassiek geworden onderzoek werd beschreven in het essay The nature of belief systems in mass publics.

Sindsdien zijn Amerikanen niet ideologischer gaan denken over de politiek, ondanks dat het politieke speelveld sterk is gepolariseerd. Levitz verwijst naar het boek Neither Liberal nor Conservative. Ideological Innocence in the American Public van Donald R. Kinder en Nathan P. Kalmoe.

Voor de meeste mensen geldt dat ze weinig tijd hebben om zich in politieke denkbeelden en discussies te verdiepen en daar ook weinig in geïnteresseerd zijn. Veel kiezers vinden weliswaar van zichzelf dat ze "links" of 'rechts" zijn, maar wat die etiketten precies inhouden, dat hebben ze niet altijd zo duidelijk voor ogen.

Dat betekent dat de politici een grote verantwoordelijkheid hebben in het omlijnen en differentiëren van het politieke speelveld. In de woorden van Levitz:
One crucial implication of this finding is that political elites have enormous power to dictate ideological terms to their rank-and-file supporters. For a healthy chunk of conservative Republicans and liberal Democrats, the “liberal” and “conservative” position on most issues is whatever their party leaders say it is. Donald Trump’s success at redefining conservative voters’ consensus views on free trade, American policy toward Russia and the relevance of personal morality to effective political leadership offers a particularly vivid illustration of this phenomenon.

Ik denk daarbij natuurlijk ook aan de sociaal-democratische omarming van het neoliberalisme en het daarmee uit het politieke speelveld nagenoeg laten verdwijnen van linkse standpunten.

Maar wat zie als je kiezers naar hun mening vraagt over allerlei politieke strijdpunten? Dan blijkt dat de meerderheid van de Amerikanen een door de overheid georganiseerde en gefinancierde gezondheidszorg wil (Obamacare), hogere belastingen voor de rijkeren, gratis onderwijs en betere sociale voorzieningen.

Als het om de issues gaat in plaats van om de ideologie, dan zijn de meeste Amerikanen links. Dat lijkt in deze tijd algemener op te gaan: de kiezers zijn linkser dan de politici. 

dinsdag 24 januari 2023

De Nederlandse polycrisis: een moedeloos makende waslijst van problemen - die met elkaar samenhangen en een gemeenschappelijke oorzaak hebben - deel 3

De waslijst van elf crises of problemen in de Nederlandse politiek die ik in de twee vorige berichten opsomde (zie hier het vorige bericht), kan als je de actualiteit volgt nog worden aangevuld. Eén aanvulling is de volgende:

Het mestbeleid van het Ministerie van Landbouw bestaat er al jaren uit om hoognodige maatregelen zo lang mogelijk uit te stellen. Doordat we een veel te grote landbouwsector hebben, die veel milieuschade veroorzaakt en in vergelijking daarmee maar weinig bijdraagt aan het bbp, is er een groot mestoverschot. Waardoor het grond- en oppervlaktewater sterk wordt vervuild met stikstof en fosfaat. Dat had voor de Nederlandse regering zelf al lang reden moeten zijn om in te grijpen. Maar daar is mee gedraald. En er is zelfs bij de Europese Commissie uitstel bedongen van de toepassing van Europese mestregels die waren opgesteld, met instemming van Nederland, om de kwaliteit van het water te verbeteren. Maar in ruil daarvoor moesten wel de al bestaande regels worden gehandhaafd. Omdat dat laatste niet gebeurde, denk aan het oogluikend toegestane gesjoemel met de mestboekhouding door boeren, heeft Brussel al op 19 december 2022 laten weten genoeg te hebben van het gedraal. Als nu niet wordt gehandhaafd, vervalt het Europese uitstel per direct. Immer dralend ministerie heeft elk krediet in Brussel verspeeld. Tot 20 januari 2023 wekte minister van Landbouw Adema de indruk dat nog meer uitstel mogelijk zou zijn. Hij moest die dag halsoverkop uit het buitenland terugkeren voor spoedberaad van het kabinet. Kabinet wist al weken dat Brussel Nederlands mestbeleid niet accepteert.

Oké, twaalf crises dus. Als er niet nog meer bijkomen.

Wat valt er te zeggen over het vermoeden dat al die crises uit een en dezelfde bron voortkomen? Om die vraag te beantwoorden, moeten we onder ogen zien dat politici en beleidsmakers zich meestal laten leiden door vuistregels in plaats van door diepgravende analyses. En dat bij de totstandkoming en verspreiding van die vuistregels sociale zeepbelvorming optreedt. Doordat weinigen voldoende op de hoogte zijn om zelfstandig een oordeel te kunnen vellen, kan sociale beïnvloeding een grote rol spelen. Als je merkt dat veel mensen een bepaald inzicht aanhangen, dan is het moeilijk om je aan de neiging te onttrekken om dat inzicht voor waar te houden. Zoveel mensen kunnen zich toch niet vergissen? 

Zo'n inzicht heeft vaak de vorm van een vuistregel: bij dit-en-dit probleem kies je het beste deze-en-deze oplossing. Succes is niet gegarandeerd, maar komt vaak of net vaak genoeg voor om de vuistregel in leven te houden. Tel bij dat net-vaak-genoeg die sociale beïnvloeding op en je hebt het verschijnsel van een sociale zeepbel: iedereen neemt als waar en vanzelfsprekend aan waar maar weinig empirische evidentie voor bestaat. 

Over het publieke domein van de politiek, van de vraag wat in een democratie van dag tot dag het beste beleid is, zijn we altijd onvolledig geïnformeerd. Dat is dus een domein waar gemakkelijk vuistregels en sociale zeepbellen ontstaan. Denk aan het bericht Vooroordelen, vuistregels, sociale zeepbellen en ideologieën. Zullen we ooit het publieke domein onder de knie krijgen? De menselijke sociale natuur maakt nu dat twee aan elkaar tegengestelde vuistregels als het ware klaarliggen om "uitgekozen" te worden en om zich tot een sociale zeepbel te ontwikkelen: 

  • enerzijds de vuistregel dat in een democratie de overheid een belangrijke en onmisbare rol moet spelen ten behoeve van het menselijk welzijn en 
  • anderzijds de vuistregel dat de rol van de overheid juist zoveel mogelijk dient te worden teruggedrongen om zoveel mogelijk ruimte te verschaffen voor de markt, de eigenlijk bron van welvaart

Die eerste vuistregel kun je zien als een uitwerking van de menselijke morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee. Waarin samenwerking en delen voorop staat. 

En de tweede als de uitwerking van het statuscompetitiepatroon van het ieder-voor-zich. Waarin alles draait om competitie.

In het volgende bericht zal het gaan over wat dit nu betekent voor die vraag naar de bron waar al die twaalf, of meer, crises in de huidige Nederlandse politiek uit voortkomen.

vrijdag 18 juni 2021

Klaas Knot in Witteveenlezing: bezuinigen is en was een grote fout - En dus over sociale zeepbellen

Nadat ik dit blog begon, in augustus 2011, groeide snel het aantal berichten achter het label "bezuinigingszeepbel" en "eurocrisis".  Tot vandaag schreef ik 259 berichten met het eerste en 264 met het tweede label. 

Het eerste bericht over de bezuinigingszeepbel verscheen op 9 september 2011 en was getiteld Sociale zeepbellen in economie en politiek. En op 21 september schreef ik De bezuinigingszeepbel. Volg de links om ze te lezen. 

En het eerste bericht over de eurocrisis verscheen, onder de titel Paul de Grauwe over de Europese bankencrisis, op 21 oktober 2011. Met een link naar een artikel van Paul de Grauwe die toen al helder uitlegde wat er niet deugde aan de opzet van de euro. Zeer de moeite waard om nu na bijna tien jaar te herlezen!

Beide series berichten handelden over de obsessie met overheidstekorten die politici na de Grote Financiële Crisis van 2008-2010 in zijn greep kreeg. De oplossing voor de ontstane problemen moest gezocht worden in het zo snel mogelijk terugdringen van de overheidstekorten. Op nationaal niveau en op het niveau van de eurozonelanden, de landen die so wie so gebonden waren aan de regels van het Stability and Growth Pact, dat de omvang van overheidsschulden sterk limiteerde.

Die obsessie kwam duidelijk voort uit de toen nog volop heersende neoliberale ideologie waarin de markt de maat der dingen is en de overheid zich zoveel mogelijk dient terug te trekken. Financiële en economische crisissen zouden tot het verleden behoren en wat er nog aan conjunctuurpolitiek nodig was, kon door de centrale banken afgehandeld worden. Dat de overheidsbegroting ook een macro-economische functie zou kunnen hebben, dat was achterhaald Keynesiaans gedachtengoed. 

En al helemaal niemand had ooit gehoord van  Abba Lerner (1903 - 1982) en zijn Functional Finance, d.w.z. "the principle of judging fiscal measures by the way they work or function in the economy".  Zie mijn bericht Geloof niet in de mythe van de gezonde overheidsfinanciën! De overheidsbegroting hoort functioneel te zijn van 20 januari 2016. Nee, politici bleven in de ban van het huishoudboekjesdenken.

Die intellectuele fantasiewereld had na de Grote Financiële Crisis definitief in moeten stortten, maar de politici bleven volharden in hun obsessie. Dat was niet omdat ze zich zo goed geïnformeerd hadden, want vooraanstaande macro-economen waarschuwden voor de negatieve gevolgen, zowel economisch als maatschappelijk. Naast de al genoemde Paul de Grauwe was dat vooral ook Paul Krugman, die ik op dit blog in die tijd dan ook vaak aanhaalde. Zie hier alle berichten met het label Paul Krugman. Maar politici praatten vooral elkaar na en zo ontstond die bezuinigingszeepbel.

Een van die macro-economen die probeerde om die bezuinigingsobsessie te doen keren, was in ons land Johan Witteveen (1921 - 2019), ex-minister van Financiën en ex-directeur van het Internationale Monetaire Fonds (IMF) en vooraanstaand VVD-er. In die laatste rol probeerde hij tevergeefs om Mark Rutte en andere VVD-politici ervan te overtuigen dat er in een tijd van recessie juist niet moest worden bezuinigd, maar integendeel geïnvesteerd. Ik stond daar op 7 september 2012 bij stil in het bericht Johan Witteveen: "Ik heb gezegd: het verhaal over het tekort is niet juist en dat weten jullie". 

Vooral dat laatste was nogal dodelijk, want hij wilde ermee zeggen dat ze hem wel begrepen hadden, maar uit opportunistisch-ideologische overwegingen er toch liever voor kozen om te gaan bezuinigen. Misschien ook omdat ze bang waren de kiezers niet te kunnen overtuigen, die immers systematisch in verkiezingscampagnes met dat huishoudboekjesdenken waren gevoerd.

Hoe ironisch is het nu dat Klaas Knot, directeur van De Nederlandse Bank, een week geleden uitgerekend in de Johan Witteveenlezing niet alleen uitvoerig uiteenzette hoe verkeerd het is om nu na de coronacrisis te gaan bezuinigen, maar ook dat het verkeerd was om dat na de crisis van 2008 - 2010 te doen. Je kunt die lezing hier in zijn geheel nalezen. Hij zet daar een betoog op dat heel goed door bijvoorbeeld Paul Krugman (en in Nederland door Bas Jacobs en Coen Teulings) had kunnen worden gehouden, overigens zonder naar hen, of naar wie dan ook, te verwijzen.

En zonder ook met zoveel woorden toe te geven dat hijzelf  in het verleden meezong in dat bezuinigingskoor. En toen nooit ook maar enig blijk gaf van het beheersen van de inzichten die hij nu verkondigt. Martin Visser stond daar op 12 juni bij stil in loopt corona op zijn eind, is Knot bekeerd... 

Het is altijd moeilijk en pijnlijk om toe te geven dat je onderdeel bent geweest van een sociale zeepbel. En hoewel het te prijzen valt dat je dan uiteindelijk je informatieachterstand hebt ingehaald, zou het natuurlijk nog beter zijn om je openlijk af te vragen hoe je het in het verleden zo fout hebt kunnen hebben. Al was het maar om zulke sociale zeepbellen in de toekomst beter te kunnen herkennen en te vermijden.

vrijdag 29 januari 2021

Wat is hier aan de hand? Is dit echt het begin van een historische omslag van statuscompetitief overheidsbeleid naar gemeenschapsbeleid?

Hoe moeten we aankijken tegen het presidentschap van Joe Biden? Hoe moeten we beoordelen dat de Amerikaanse kiezers al na één termijn genoeg hadden van zijn voorganger? En wat vertellen ons de eerste beleidsdaden van de nieuwe president?

Ik stond daar bij stil in het bericht In de Verenigde Staten maken we een beweging mee in de richting van het gemeenschapsevenwicht - en over de rol van de media van ruim een week geleden, een dag na de inauguratie van Biden. Met als teneur dat je deze presidentswisseling kunt zien als een beweging op het niveau van de nationale staat in de richting van het gemeenschapsevenwicht en weg van het statuscompetitie-evenwicht. Dus in de richting van een politiek waarin iedereen meetelt en de overheid een schild is voor de zwakkeren en weg van de neoliberale politiek van ieder voor zich en juist vernedering van de zwakkeren. Voor wie nog niet bekend is met die twee evenwichten, lees Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Het presidentschap van Bidens voorganger, waarvan we de naam maar liever zo weinig mogelijk nog tegenkomen, was duidelijk de culminatie van een periode van een politiek van statuscompetitie. Denk aan de exorbitante belastingverlaging voor de rijken, aan de negatieve bejegening van minderheden, aan het wegnemen van de bescherming van de zwakkeren en aan het inruilen van democratische verantwoordelijkheidslijnen door de persoonlijke loyaliteiten van een statushiërarchie. En denk aan het uittreden uit internationale samenwerkingsverbanden. Als er al een beleid te onderkennen was, dan was het dat van het vrij baan geven aan het iedereen-zoekt-het-zelf-maar-uit van de statuscompetitie. Rijken zijn rijk door verdienste en armen en zieken hebben het er zelf naar gemaakt. En de president bekleedt niet een functie, maar staat aan het hoofd van een statushiërarchie. Aan die positie kan door verkiezingen niet getornd worden, dus kan een ongunstige verkiezingsuitslag nimmer erkend worden.

Daarentegen kunnen we aan de eerste beleidsdaden van president Biden duidelijk een beweging richting het gemeenschapsevenwicht onderkennen. Hij neemt wel de coronapandemie serieus, terwijl Trump die aanvankelijk ontkende en verder op zijn beloop liep, met veel onnodige besmetting en sterfgevallen tot gevolg. Hij beëindigde de bouw van de muur aan de Mexicaanse grens, bedoeld om immigranten tegen te houden, en wil een nieuw en ruimer immigratiebeleid. Hij beëindigde het verbod op inreizen uit moslimlanden en trad weer toe tot het Klimaatakkoord van Parijs en de Wereldgezondheidsorganisatie. Hij schrapte de uitsluiting van transgenders uit het leger, breidde de voedselhulp uit en begon met het beëindigen van de private gevangenissen. Hij breidde de toegankelijkheid tot de collectieve ziektekostenverzekering (Obamacare) uit, daarmee een maatregel van zijn voorganger terugdraaiend. En hij kondigde aan de klimaatcrisis als hoogste prioriteit te gaan behandelen en een echt begin te maken met de verbetering van de sterk verouderde Amerikaanse infrastructuur. De Amerikaanse overheid is terug.

Wat is hier aan de hand? Is dit echt het begin van een historische omslag van statuscompetitief overheidsbeleid naar gemeenschapsbeleid?

Dat staat natuurlijk nog te bezien. Maar ik ben niet de enige die zich dit afvraagt. In haar column gisteren in de New York Times noemt Michelle Goldberg de Biden-regering het eerste post-Reagan presidentschap. Met een verwijzing naar de theorie van de political time van de Amerikaanse politieke historicus Stephen Skowronek. Volgens Skowronek zijn er in het Amerikaanse presidentschap 40- tot 60-jarige cycli of regimes te onderkennen, die elk beginnen met een transformerende president die voor zijn opvolgers het speelveld van wat politiek mogelijk is omgrenst. 

Franklin Delano Roosevelt was zo'n figuur, de grondlegger van de principes van de New Deal, waar zowel de Democraten als de Republikeinen zich achter schaarden. Dat was de politieke tijd van de opbouw van de verzorgingsstaat, van de "gemeenschap georganiseerd in de staat". Aan die politieke tijd kwam met de verkiezingsoverwinning van de Republikein Ronald Reagan in 1981 een eind. Het nieuwe politieke speelveld werd afgebakend met het adagium van de overheid als probleem in plaats van als oplossing. De neoliberale periode van de kleine overheid en zoveel mogelijk marktwerking nam een aanvang. Zelfs de democratische presidenten Bill Clinton en Barack Obama gingen daarin mee, de een meer, de ander minder, met hun beduchtheid voor overheidsschulden, voor inflatie en voor alles wat riekte naar Big Government.

Een vrijwel parallelle ontwikkeling begon in 1982 in Nederland met het eerste kabinet-Lubbers. En wie weet, zien we na de verkiezingen op 17 maart, als ze doorgaan, in Nederland een kabinet geformeerd worden dat net als Joe Biden in Amerika voor de komende 40- tot 60 jaar een politiek speelveld creëert waarin de overheid terug is. Waarin weer de gemeenschap is georganiseerd in de staat.

Hoe zou het komen, als het zo is, dat er in de politiek zulke cycli of regimes zijn te onderkennen? Dat moet wel te maken hebben met het verschijnsel van de sociale zeepbelvorming. We hebben in het publieke domein van de politiek nu eenmaal te maken met een groot gebrek aan informatie. Ook als iedereen gemotiveerd is door de democratische waarde van het vinden van het beste beleid voor iedereen, wat geenszins gegarandeerd is, dan nog is er altijd te weinig informatie beschikbaar om te kunnen bepalen wat dat beste beleid is.

En zulke informatietekorten zijn de voedingsbodem voor sociale zeepbellen. De meningen verschillen, maar sommigen zijn meer overtuigd van zichzelf dan anderen. Door die overtuigingskracht, die inhoudelijk niet veel hoeft voor te stellen, vergroot zo iemand zijn aanhang, wat voor anderen weer een signaal vormt: zoveel mensen zullen het wel niet verkeerd hebben. Sociale beïnvloeding doet zijn werk. Zie, uit 2013, het bericht Vooroordelen, vuistregels, sociale zeepbellen en ideologieën. Zullen we ooit het publieke domein onder de knie krijgen?

In dat proces speelt natuurlijk mee dat elk politiek speelveld dat door sociale zeepbelvorming tot stand komt, na verloop van tijd met de maatschappelijke werkelijkheid geconfronteerd wordt. Het is vanuit een toestand van informatietekort ontstaan en door het in werking te stellen, door de omschreven politiek in beleid om te zetten, wordt natuurlijk die informatie ras aangevuld. Politici en kiezers ondervinden de echte gevolgen van het uitgevoerde beleid. Die ondervindingen stapelen zich op en, zo vermoedt Stephen Skowronek, na zo'n 40 tot 60 jaar komt die "politieke tijd" aan zijn eind en breekt er een nieuwe aan.

Wat je natuurlijk hoopt is dat we niet na elke cyclus weer van voren af aan beginnen. Als het goed is wordt er over een reeks van cycli het een en ander geleerd. Zodat de grote historische lijn er een is van een vallen-en-opstaan beweging richting het gemeenschapsevenwicht.

zaterdag 26 september 2020

Over de sociale zeepbel van het neoliberalisme: Dat hadden we nooit moeten doen

De Nederlandse sociaal-democraten vielen al in de jaren tachtig van de vorige eeuw ten prooi aan de neoliberale ideologie van kleinere overheid, meer marktwerking en "meer eigen verantwoordelijkheid". Dat bracht hen er toe om in de jaren negentig (Kok I en Kok II) en in de jaren tien van deze eeuw (Rutte II) mee te werken aan de neoliberale revolutie in het sociaaleconomische beleid. 

Over de ontwikkelingen in de jaren negentig in de Partij van de Arbeid schreven Duco Hellema en Margriet van Lith Dat hadden we nooit moeten doen. De PvdA en de neoliberale revolutie van de jaren negentig (Prometheus, Amsterdam). Tot de bronnen waarop ze zich baseren, behoren ook interviews met tientallen direct betrokken personen.

In het slothoofdstuk maken Hellema en Van Lith een soort balans op, die duidelijk maakt wat de sociaaldemocraten "nooit hadden moeten doen". En dat komt eigenlijk neer op alles wat ze wel deden:

De PvdA-prominenten van de jaren negentig menen merkwaardig genoeg dat verschillende maatregelen en ontwikkelingen waarvoor ze zelf verantwoordelijk zijn geweest, (...) zouden moeten worden teruggedraaid. De inkomensongelijkheid moet weer worden verminderd, zeggen sommigen, de belastingen op hoge inkomens en vermogen moeten daarom weer worden verhoogd. Weer anderen zeggen dat de onzekerheid op de arbeidsmarkt moet worden beperkt. En zo is er veel meer: verschillende privatiseringsmaatregelen zouden moeten worden teruggedraaid (zoals in de gezondheidszorg, het openbaar vervoer en de energiesector); er moet veel meer worden geïnvesteerd in de publieke sector; collectieve instituties zoals woningbouwverenigingen en corporaties moeten in ere worden hersteld; de overheid moet versterkt; de macht van de grote internationale ondernemingen beperkt; en vooral de financiële sector moet weer aan banden worden gelegd. (p. 269)

Je kunt het boek zien als een case study van sociale zeepbelvorming in het publieke domein, in het bijzonder de politiek. Het publieke domein kennen we altijd minder goed en minder direct dan het persoonlijke domein. En het is een domein waar we, gezien tegen de achtergrond van de mensheidsgeschiedenis, nog maar kort ervaring mee hebben. Veel van die ervaring is neergeslagen in wetten en instituties. Maar het collectieve leerproces is nog in volle gang. Daardoor kunnen eenmaal geleerde lessen ook weer wegzakken in het collectieve geheugen.

Anders gezegd, in het publieke domein heerst er een fundamenteel informatietekort. Niet alleen bij de burgers en de media, maar ook bij de politici. En een informatietekort, gecombineerd met de onvermijdelijkheid dat er nu eenmaal beleid gevoerd moet worden en dat er gereageerd moet worden op opduikende problemen, schept de ideale voorwaarden voor sociale zeepbelvorming. Ik omschreef dat eerder als volgt:

Sociale zeepbellen ontstaan als mensen slecht geïnformeerd zijn over zaken waar ze over moeten beslissen en zich dan vooral laten leiden door wat anderen doen. Het begin van een zeepbel kan heel nietig en onbeduidend zijn. Van al die slecht geïnformeerden zijn er sommigen die een bepaalde overtuiging hebben en daar, onterecht, zo zeker van zijn, dat ze die uitdragen. Anderen raken daarvan onder de indruk en nemen die overtuiging over, waardoor nog weer anderen er ook mee in aanraking komen. Dat versterkt de eersten in hun overtuiging waardoor ze die nog meer uitdragen. Het zo in stand gezette groeiproces dijt snel uit en zo ontstaat een zeepbel, een wijdverbreide overtuiging die weinig met de werkelijkheid te maken hoeft te hebben.

Die beschrijving lijkt aardig op te gaan voor de ontwikkeling van de neoliberale zeepbel, want daar gaat het hierover. Wat er zich in de PvdA afspeelde, staat voor wat er in vrijwel het gehele politieke spectrum gebeurde. Er waren sommigen die met veel overtuigingskracht een bepaald beleid bepleitten. Door dat informatietekort was het niet voor iedereen zo gemakkelijk om de merites van die beleidsvoorstellen te beoordelen. Waardoor die overtuigingskracht als een signaal kon gaan fungeren voor de juistheid van wat er betoogd werd. Denk aan de rol die Milton Friedman kon spelen in het opblazen van de zeepbel. En aan die van Alan Greenspan, de voorzitter van de Amerikaanse Fed, die in 2008 voor het Congres getuigde hoe verbijsterd hij was dat de ontwikkelingen anders waren verlopen dan hij met grote zekerheid dacht te kunnen voorspellen: 

In Congressional testimony on October 23, 2008, Greenspan acknowledged that he was "partially" wrong in opposing regulation and stated "Those of us who have looked to the self-interest of lending institutions to protect shareholder's equity—myself especially—are in a state of shocked disbelief."[97] Referring to his free-market ideology, Greenspan said: "I have found a flaw. I don't know how significant or permanent it is. But I have been very distressed by that fact." When Representative Henry Waxman (D-CA) pressed him to clarify his words. "In other words, you found that your view of the world, your ideology, was not right, it was not working," Waxman said. "Absolutely, precisely," Greenspan replied. "You know, that's precisely the reason I was shocked, because I have been going for 40 years or more with very considerable evidence that it was working exceptionally well."[98] Greenspan admitted fault[99] in opposing regulation of derivatives and acknowledged that financial institutions didn't protect shareholders and investments as well as he expected. (Wikepedia)

Dat hij zo verbijsterd was (shocked disbelief, distressed) wijst op zijn eerdere rotsvaste overtuiging dat zijn vrije markt-ideologie de oplossing was van alle problemen. Iemand kan dus, terwijl er objectief gezien wel degelijk een informatietekort heerst, een rotsvaste overtuiging hebben. En daarnaar handelen. Met het grote gevaar dat anderen die zelfverzekerdheid gaan aanzien als een bewijs van deskundigheid en wijsheid. Het begin van een sociale zeepbel.

Dat dat proces van sociale zeepbelvorming zich dus ook in de PvdA van de jaren tachtig en negentig afspeelde, maar dus niet alleen daar, kun je opmaken uit de passages in het boek waaruit blijkt dat die "neoliberale revolutie" veel meer een sociaal dan een intellectueel proces was.

'we gingen met de tijd mee', 'we zochten pragmatische oplossingen', zo luidt het vaak in interviews die we met oud-bewindslieden en andere PvdA-prominenten hadden. (p.15).

Nu is het achteraf natuurlijk makkelijk praten. Maar toch is het merkwaardig dat er binnen de PvdA eigenlijk geen fundamenteel debat plaatsvond over marktwerking. (p. 94)

Binnen de top van de Partij van de Arbeid, of meer specifiek binnen het PvdA-bewindspersonenoverleg (BPO) werd, zoals gezegd, nauwelijks over de principiële kanten van dergelijke kwesties gesproken. (p. 102)

Maar dat was 'een sluipend proces', er lag geen visie aan ten  grondslag. (...).'We praatten onszelf aan dat het economisch noodzakelijk was, niet omdat onze filosofie in die richting ging, maar omdat het moest.' (p. 137)

een opvallend aspect van de koerswijziging de de Partij van de Arbeid onderging: de neiging om de betekenis daarvan te relativeren, voor te stellen als noodzakelijke aanpassing, en daarmee ook eigenlijk niet de moeite waard om er een diepgaand politiek debat aan te wijden. (p. 144-145)

deels omdat de 'tijdgeest' geen andere keuzes leek te laten; maar ook vaak, zo erkennen verschillende betrokkenen, zonder een goed beeld te hebben van de maatschappelijke consequenties van de genomen beslissingen. (p. 175)

Wim Meijer meent achteraf dat er binnen de PvdA inmiddels sprake was van 'ideologische leegte'. De markt sloeg zich op de borst: wij kunnen alles oplossen. En dat werd geloofd, omdat er geen ideologisch weerwoord was', aldus Meijer. (p. 209)

De feitelijke opstelling van de PvdA (ten aanzien van de bijstelling van het systeem van corporate governance ten gunste van de kapitaalverschaffers) was. zoals sommigen zeggen, ook gevolg van gebrek aan kennis en aandacht. (p. 228)

 Verscheidene betrokkenen menen, zoals gezegd, dat de Partij van de Arbeid niet bewust heeft gekozen voor een neoliberaal georiënteerd beleid: de partij werd meegesleurd, 'we wilden ontzettend graag regeren', het waren 'pragmatische keuzes', het beleid was technocratisch, er werd geen debat gevoerd (...) Wie niet meeging in het marktdenken, was 'ouderwets' en werd niet serieus genomen. (p. 262)

en deels ook omdat verschillende PvdA-prominenten zichzelf en elkaar aanpraatten dat het allemaal 'niet anders kon'. Door deze opstelling vergat de PvdA 'een eigen verhaal te vertellen". (p. 271)

Zoals in het begin gezegd, het gaat hier om een case study. Die sociale zeepbelvorming voltrok zich breder. Denk ook aan Ontspoord kapitalisme van Bert de Vries. 

En niet alleen in de politiek, ook in de wetenschap. Ik was zelf ooit een bewonderaar van het werk van James M. Buchanan, die een grote invloed heeft gehad op dat neoliberale denken. Hier leg ik uit hoe dat kwam.

vrijdag 16 november 2018

Vooroordelen wegnemen via internet, kan dat?

Voor- en tegenstanders van Zwarte Piet zijn met elkaar in gesprek gegaan. Kick Out Zwarte Piet-voorman Jerry Afriyie en "Blokkeer-Friezen" troffen elkaar in de woonkamer van activiste en vlogster Joyce Beukema in Leeuwarden. Zie het bericht in de Leeuwarder Courant: Blokkeerders in gesprek met Kick Out Zwarte Piet. Een citaat:
,,We zijn een gesegregeerd land”, zei Afriyie. ,,Iedereen zit achter zijn eigen muren, in zijn eigen bubbel. Gelukkig zijn er mensen die proberen om over die muren heen te klimmen. Iets zei me dat ik hier vanavond moest zijn. Ik ben heel blij dat ik het gedaan heb.”
Volgens de sociaalwetenschappelijke contacthypothese is de kans groot dat de beide partijen meer begrip voor elkaar hebben gekregen en dat de wederzijdse vooroordelen wat zijn verzacht. Zie hier de berichten op dit blog achter het label contacthypothese. 

Het ging hier om een face-to-face contact. Jeryy Afriye nam de moeite om er voor naar Leeuwarden te reizen.

Vaak zal het niet zo gemakkelijk zijn om tegenstanders face-to-face bij elkaar te krijgen. Zou het ook via internet kunnen? Kunnen vooroordelen ook via online contacten worden verminderd?

Ja, dat blijkt het geval te zijn. Australische onderzoekers ontwikkelden een online programma, E-contact, waarmee leden van verschillende groepen elkaar leren kennen en met elkaar samenwerken. Zo brachten ze katholieken en protestanten in Noord-Ierland, moslim en katholieke leerlingen van gesegregeerde scholen in Australië, homoseksuelen en heteroseksuelen en mensen met en zonder schizofrenie online met elkaar in contact.

Met als resultaat dat mensen meer begrip voor elkaar kregen en dat vooroordelen werden verminderd. Hier doen de onderzoekers daar verslag van: How research is helping to reduce prejudice between people online. Een uitgebreider overzicht vind je hier: Improving Intergroup Relations in the Internet Age: A Critical Review. 

Als het internet aan zichzelf wordt overgelaten, is er het levensgrote gevaar dat iedereen zich in zijn eigen zeepbel opsluit. En dat het kuddegedrag juist wordt versterkt.

Maar je blijkt het internet dus ook te kunnen inzetten om mensen juist dichter bij elkaar te brengen.

dinsdag 7 augustus 2018

Over sociale zeepbellen en dat je die soms aan kleine dingen kunt herkennen - Zoals aan een passage uit Zomergasten

De aanleiding tot dit bericht is een passage uit Zomergasten van afgelopen zondag. Maar dat blijkt pas aan het eind. Even doorlezen dus.
Het publieke domein is een zo recent verschijnsel in de mensheidsgeschiedenis dat je er niet op kunt vertrouwen dat wij er goed op zijn ingesteld om het te doorgronden en er goed geïnformeerde keuzes in te maken.

Verreweg het grootste deel van het mensheidsbestaan, ruwweg 98 procent, brachten mensen hun leven door in een groep waarin op basis van persoonlijke relaties gedeeld werd en werd samengewerkt. Iedereen werd als onderdeel van de dagelijkse gang van zaken ruimschoots geïnformeerd over wat er in de groep (en in de fysieke omgeving) aan de hand was.

Vergeleken daarmee is het bestaan van het hedendaagse, publieke domein er de oorzaak van dat we altijd een fundamenteel informatietekort hebben. In het bericht Vooroordelen, vuistregels, sociale zeepbellen en ideologieën. Zullen we ooit het publieke domein onder de knie krijgen? omschreef ik dat als volgt:
We leven in een maatschappij met een omvangrijk publiek domein. Dat is het sociale domein dat bestaat uit alle mensen, relaties, omstandigheden en gebeurtenissen waar we geen directe, op persoonlijke ervaringen berustende kennis van hebben. In vergelijking met het persoonlijke domein, dat van de familie en vrienden waarmee we een persoonlijke geschiedenis delen, is onze relatie met het publieke domein er een van een fundamenteel informatietekort. Vrijwel alles wat we weten of menen te weten, hebben we van horen zeggen. Sommigen van ons doen hun best om dat informatietekort te verminderen. Ze lezen kranten, ze raadplegen boeken en internet en ze volgen het (sociaalwetenschappelijk) onderzoek. Maar verreweg de meesten maken zich afhankelijk van wat ze zoal horen en onder ogen krijgen bij hun dagelijkse bezigheden die op andere zaken gericht zijn.
Omdat dat publieke domein ons op allerlei manieren wel raakt en omdat ons welzijn sterk afhankelijk is van wat er zich daar afspeelt, voelen we wel de noodzaak om ons er oordelen over te vormen. Al was maar omdat de politiek er onderdeel van is en we dus van tijd tot tijd onze stem kunnen uitbrengen.

Dat informatietekort zorgt er dan voor dat er gemakkelijk sociale zeepbellen ontstaan. In het bericht
Sociale zeepbellen in economie en politiek kom je daarover deze alinea tegen:
Sociale zeepbellen ontstaan als mensen slecht geïnformeerd zijn over zaken waar ze over moeten beslissen en zich dan vooral laten leiden door wat anderen doen. Het begin van een zeepbel kan heel nietig en onbeduidend zijn. Van al die slecht geïnformeerden zijn er sommigen die een bepaalde overtuiging hebben en daar, onterecht, zo zeker van zijn, dat ze die uitdragen. Anderen raken daarvan onder de indruk en nemen die overtuiging over, waardoor nog weer anderen er ook mee in aanraking komen. Dat versterkt de eersten in hun overtuiging waardoor ze die nog meer uitdragen. Het zo in stand gezette groeiproces dijt snel uit en zo ontstaat een zeepbel, een wijdverbreide overtuiging die weinig met de werkelijkheid te maken hoeft te hebben.
Het bestaan van sociale zeepbellen is dus inherent aan het soort maatschappij waarin wij leven, want dan informatietekort zal er altijd zijn. Media zouden op de wereld moeten zijn om dat tekort zo klein mogelijk te houden, maar dat is helaas niet altijd het geval. Wat misschien ook weer een gevolg is van een sociale zeepbel, de gedachte namelijk dat je de media wel aan de markt, en dus aan het Grote Geld, kunt overlaten.

Hoewel sociale zeepbellen dus veel voorkomen, worden ze niet altijd opgemerkt. Dat kan eraan liggen dat sommigen zich in een van de bestaande zeepbellen bevinden en van andere geen weet hebben. En misschien merk je ze eerder op als je ouder bent geworden, want dat maakt de kans groter dat je al enkele aan je voorbij hebt zien gaan.

Nu is het natuurlijk niet zo dat alle zeepbellen gelijkwaardig zijn. Sommige hebben meer contact met de werkelijkheid dan andere. Zo meen ik dat de zeepbel die in de politiek van na de Tweede Wereldoorlog heerste en inhield dat je als overheid moet streven naar bestaanszekerheid voor je burgers en dat je de ongelijkheid binnen de perken moet houden, meer contact had met de werkelijkheid dan de neo-liberale zeepbel die na de jaren 70 opkwam en waar we nu nog steeds onder lijden. De ene zeepbel kan een achteruitgang zijn vergeleken met een andere. Denk aan het bericht Zullen we weer terug kunnen keren op het pad van de vooruitgang?

Dit alles bedacht ik me toen ik ik terugdacht aan een passage in het programma Zomergasten waarin Louis van Gaal gast was. Het was maar een stukje van misschien een halve minuut, dat me aan het denken zette. Van Gaal vertelde over het tragische overlijden van zijn eerste vrouw, bij wie alvleesklierkanker werd vastgesteld. De artsen, zo vertelde hij, als ik me goed herinner tot twee keer toe, deden, "omdat ik Louis van Gaal ben", extra hun best. Meer dus dan ze bij iemand anders gedaan hadden.

En dat bleef dus bij mij hangen. Want ik verwachtte eigenlijk van hemzelf of van gastvrouw Janine Abbring iets te horen in de trant van: eigenlijk hoort dat natuurlijk niet. Want laten we wel wezen, je mag nog zo beroemd zijn of nog zoveel geld hebben, maar het hoort niet dat artsen zich daardoor meer voor jou inspannen dan voor iemand anders. 

Maar dat hoorde ik dus niet. 

En ik dacht bij mezelf: ook aan kleine dingen, die in een gesprek voorbijkomen en waarop niet wordt gereageerd, kun je een sociale zeepbel herkennen. In dit geval dus de zeepbel dat ongelijkheid in het publieke domein helemaal niet zo verkeerd is en dat ongelijke behandeling er nu eenmaal bij hoort. (Dat Van Gaal die extra inspanningen voor zijn vrouw accepteerde, valt natuurlijk goed te begrijpen.)

Ik kan dat natuurlijk niet hard maken, maar ik stel me voor dat zo'n passage in een televisieprogramma van veertig of vijftig jaar geleden anders was verlopen. Iemand had het belangrijk gevonden om toch even te wijzen op het ongepaste van ongelijke behandeling.

donderdag 23 november 2017

De neoliberale fantasiewereld van "bezuinigen", "hervormen" en "de kleine overheid" kost mensenlevens

Update. Zie nu ook Simon Wren-Lewis over dit onderzoek: Austerity and mortality. Ook over de curieuze beslissing van de BBC om er geen aandacht aan te besteden. Wat doet denken aan Door slechte media hebben we slecht geïnformeerde kiezers die slecht geïnformeerde leiders kiezen.
In Groot-Brittannië is beroering gaande over een wetenschappelijke studie die inschat dat het sinds 2010 gevoerde bezuinigingsbeleid (austerity) verantwoordelijk kan worden gehouden voor 120.000 sterfgevallen.

Zie hier het bericht Is austerity linked to 120,000 unnecessary deaths? op de site van THE UK’S INDEPENDENT FACTCHECKING CHARITY. En zie hier de studie zelf: Effects of health and social care spending constraints on mortality in England: a time trend analysis, verschenen in de British Medical Journal.

Die beroering is meer dan terecht. Maar de dodelijke effecten van het alom gevoerde bezuinigingsbeleid, als antwoord op de Grote Financiële Cris van 2008-2010, waren natuurlijk al bekend. In 2013 verscheen al het indrukwekkende boek The Body Economic. Why Austerity Kills van David Stuckler en Sanjay Basu, Zie het bericht op dit blog dat ik daar toen over schreef: Als bezuinigen in een depressie als een geneesmiddel getest was, dan zou er al lang mee gestopt zijn vanwege de dodelijke bij-effecten.

De neoliberale ideologie van bezuinigen, hervormen en de kleine overheid zal in een wolk van goede bedoelingen en vermeende wijsheid naar boven zijn gekomen. Maar door het gebrek aan empirische onderbouwing, ja, het ingaan tegen wat bekend was, kreeg hij het karakter van een sociale zeepbel. Niemand was goed geïnformeerd en allen keken naar elkaar om te bepalen wat ze moesten vinden en moesten zeggen. Een toestand waarin een ondoordachte en foute opvatting die wel enig "gezag" lijkt te hebben, zomaar voor iedereen als de vanzelfsprekende waarheid kan doorgaan.

Daarbij heeft ongetwijfeld geholpen dat politici het wel stoer vonden overkomen om bezuinigingen en een kleinere overheid te bepleiten. En om de werkloosheid te laten oplopen, omdat dat nu eenmaal onvermijdelijk zou zijn, want noodzakelijk voor de aanpassing van de economie. Het spoorde goed met het adagium "No pain, no gain". En die stoerdoenerij bleek het goed te doen bij de al even slecht geïnformeerde kiezers.

Maat het was en is een onverantwoordelijke, want dodelijke stoerdoenerij. (Zie over de negatieve effecten van werkloosheid ook nog eens Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders.)

Het is hoog tijd om afscheid te nemen van de neoliberale fantasiewereld. Hij kost mensenlevens.

maandag 22 mei 2017

Zijn de kiezers linkser dan de politici? Nieuwe aanwijzingen

We maken een tijd mee waarin er sprake is van verrechtsing van het electoraat. Maar het zou wel eens kunnen zijn dat die verrechtsing, en vooral de populariteit van het neo-liberalisme, vooral een fenomeen is dat zich afspeelt in de kringen van de politici.

Het lijkt soms alsof dat kringetje van politici, waar overigens politieke verslaggevers graag dicht tegenaan schurken, een eigen wereldje is geworden. Waarbinnen natuurlijk verschillen van mening bestaan, maar waarin ook een stilzwijgende afspraak lijkt te heersen dat het met die verschillen niet uit de hand moet lopen. Vooral als je de verdenking op je laadt dat je "te links" bent, dan loop je kans om niet meer echt serieus te worden genomen. In dat wereldje en de daaromheen cirkelende media is links "uit".

Verrechtsing dus in de politiek. Maar ook bij de kiezers?

Dat staat nog te bezien. Ik stond daarbij stil in de berichten Burgers willen geen kleinere overheid met lagere belastingen en Zijn de kiezers linkser dan de politici? Er zijn aanwijzingen dat de steun voor de sociale zekerheidsarrangementen en voor de kleinere inkomensverschillen van de verzorgingsstaat onverminderd hoog is. En dat de ideologie van de kleine overheid bij de kiezers helemaal niet populair is. Zie voor meer daarover ook Over ontevredenheid met de politiek en de steun voor de verzorgingsstaat - leven we in een pre-revolutionaire toestand? en Essay De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?

Daar komen nu nieuwe aanwijzingen bij voor wat de Verenigde Staten betreft. Laat je geen rad voor ogen draaien: dat daar Donald Trump op een of andere manier aan de macht is gekomen ( op welke manier zal nog blijken), doet er niets aan af dat het Amerikaanse kiezersvolk in feite steeds meer naar progressief en links tendeert. Het lijkt er zelfs op dat het verschijnsel Trump die tendens heeft versterkt.

Dit blijkt uit cijfers die Ruy Teixeira vandaag op Vox geeft. Zie What right-wing populism? Polls reveal that it’s liberalism that’s surging. We zien bijvoorbeeld dat de houding tegenover immigranten overwegend positief is en positiever is geworden. 60 procent van de Amerikanen is nu van oordeel dat immigratie Amerika meer helpt dan schaadt, terwijl slechts ruim 30 procent van het tegendeel overtuigd is. En de houding tegenover de Affordable Care Act (Obamacare) is nu positief, ondanks de massieve rechtse propaganda. Waartegenover slechts 21 procent zijn goedkeuring geeft aan het door de Republikeinen ingediende alternatief voor Obamacare.

En hoe opvallend is dit plaatje, dat ik naar ik aanneem als een citaat wel mag overnemen:



We zien dat de algemene houding tegenover de rol van de overheid in het oplossen van problemen en het tegemoetkomen aan de behoeften van mensen sinds 1995 sterk positiever is geworden. De Republikeinse anti-overheidspropaganda, die met Ronald Reagan een aanvang nam en door George Bush werd voortgezet, slaat niet meer aan. En heel recent lijkt het afschrikwekkende fenomeen Trump zijn werk te doen.

Blijft natuurlijk de vraag hoe het kon gebeuren dat er in de kringen van politici en media zo'n merkwaardige neo-liberale zeepbel kon ontstaan. Wat dat betreft zijn we denk ik voorlopig nog niet uitgepraat over de betreurenswaardige rol die de sociaal-democraten daarin gespeeld hebben.

dinsdag 2 mei 2017

Juist meer persoonlijke vrijheid in landen met een omvangrijkere overheid - Over de ideologie van de kleine overheid

Ergens in het laatste kwart van de vorige eeuw is, samen met de opkomst van het neoliberalisme, de ideologie van de kleine overheid gemeengoed geworden. Het politieke denken vindt doorgaans plaats in de vorm van een aansprekend hoofdverhaal en het verhaal werd dat de overheid niet de oplossing is,  maar het probleem. De Amerikaanse president Ronald Reagan gebruikte dat verhaal in zijn inaugurele rede in 1981.

Dat verhaal sloeg aan. Zelfs de sociaal-democratie ging er in mee. En na de financiële crisis van 2008-2010 zette het de politici ertoe aan de ontstane budgettaire problemen aan te grijpen om de overheid, de verzorgingsstaat, een kopje kleiner te maken. Dat was de nauwelijks verborgen agenda achter het economisch rampzalige bezuinigingsbeleid dat alom werd gevoerd.

Volgens dat verhaal zou een grote overheid een bedreiging zijn voor economische groei en voor persoonlijke vrijheid.

Ondertussen weten we dat het verband met economische groei sterk afhankelijk is van wijze van belastingheffing en van het uitgavenpatroon. Zie Does Big GovernmentHurt Economic Growth? van Peter Lindert.

En over dat verband met persoonlijke vrijheid is er nu They Go Together: Freedom, Prosperity, and Big Government. Countries with larger government sectors tend to have more personal freedom van Edwin Dolan. Bij die persoonlijke vrijheid gaat het om zaken als rechtszekerheid (rule of law), vrijheid van beweging en vergadering, persoonlijke veiligheid, vrijheid van informatie en meningsuiting en vrijheid in de sfeer van persoonlijke relaties.

En wat blijkt? Dolan's analyse van 143 landen waarvoor data beschikbaar zijn, levert op dat de persoonlijke vrijheid niet kleiner, maar juist groter is in landen met een meer omvangrijke overheid.

Die ideologie van de kleine overheid, met dat verhaal van de overheid als probleem in plaats van als oplossing, die zouden we nu eens, als een van die sociale zeepbellen, achter ons moeten laten.

dinsdag 18 april 2017

Door slechte media hebben we slecht geïnformeerde kiezers die slecht geïnformeerde leiders kiezen

De Verenigde Staten hebben met Donald Trump een president aan de macht die om verschillende redenen voor dat ambt ongeschikt is. In ieder geval een van die redenen is dat hij meestal niet weet waarover hij praat. Hij voerde campagne met een eenvoudig wereldbeeld, door Matthew Yglesias (Donald Trump’s big problem is he doesn’t know what he’s talking about) omschreven als
Trump’s basic worldview, as articulated on the campaign trail, was that all the major dilemmas of American public policy had easy solutions. The reason the problems had not been solved already was that America’s political leaders were too stupid, too corrupt, or too “politically correct” to solve them.
This is a reasonably widespread view of things among the mass public, but as Trump has been discovering since taking office, it’s not true.
Nu hij in de positie terecht is gekomen waarin hij niet kan volstaan met praten en tweeten, ontdekt hij dat de wereld anders en ingewikkelder in elkaar zit. Yglesias noemt drie in het oog springende voorbeelden van zulke ontdekkingen:
Als hij wat minder onsympathiek was geweest, zou je de naïviteit, die maakt dat hij meestal het standpunt inneemt van zijn laatste gesprekspartner, nog wel ontwapenend kunnen vinden.

Maar hoe dan ook, het is natuurlijk verbijsterend dat iemand die zo overduidelijk van niets weet door kiezers in het zadel kan worden gehesen.

Toch is dat verschijnsel niet uniek. Want ook in Europa, en dus ook in Nederland, hebben we leiders aan de macht die slecht geïnformeerd zijn over hoe je op een economische crisis moet reageren en over hoe je een muntunie moet organiseren. Vandaar dat ik verzuchtte dat we in Europa een sekte aan de macht hebben: Als je door een sekte geregeerd wordt, dan loopt dat niet goed af.

En in Groot-Brittannië hebben slecht geïnformeerde kiezers een regering aan de macht gebracht die met Brexit een beleid uitvoert dat niet kan waarmaken wat de Brexiteers beloofden en dat slecht voor het land zal uitpakken.

Als je bedenkt dat slecht geïnformeerde leiders zijn gekozen door slecht geïnformeerde kiezers, dan vraag je je af hoe het komt dat kiezers zo slecht geïnformeerd zijn.

En dan kom je onvermijdelijk terecht bij de rol van de media. Wat zich dan wel erg opdringt, is dat die hun werk slecht doen. De Brits-Amerikaanse journalist Harold Evans heeft het daarover in het interview dat vorige week verscheen: ‘Slechte journalisten hebben Trump groot gemaakt’:
Harold Evans wil op een warme lentemiddag praten over de beroerde staat van zijn vak. Slechte journalistiek, zegt hij, heeft Donald Trump groot gemaakt. Slechte journalistiek heeft de Brexit in gang gezet. „It stinks. De Angelsaksische journalistiek is gecorrumpeerd door geld en machtshonger. De pers dient een politiek doel, of het commerciële belang van de eigenaren. Het publieke belang is ondergeschikt gemaakt. Ik heb het zelf zien veranderen. Ik ben geen journalist geworden om rijk te worden.”
In dezelfde richting beklaagt de Engelse macro-econoom Simon Wren-Lewis zich al langer over de Britse media, de tabloids en de BBC. Hier lees je de laatste aflevering: When journalism becomes propaganda.

En, o ja, lees vooral ook Jesse Frederik over de "de alternatieve werkelijkheid waarin Nederlandse politici en journalisten zijn terechtgekomen" waarin Jeroen Dijsselbloem als de redder (in plaats van als de slager) van Griekenland wordt beschouwd: Als je nog steeds denkt dat Jeroen Dijsselbloem Griekenland heeft geholpen, lees dan dit.

Nu is het klagen over de media van alle tijden, maar misschien is er nu toch meer aan de hand. Want het is onderdeel van de neoliberale golf waarin we zijn terechtgekomen om te denken dat je de media kunt overlaten aan de commercie. De markt is overal goed voor en zal er dus ook wel voor zorgen dat de burgers goed worden geïnformeerd over het publieke domein.

Dat is een ernstige misvatting. Media overlaten aan de markt heeft in feite betekend dat de mediamagnaten het heft in handen hebben genomen. En die hebben hun eigen belangen.

En zijn zo machtig geworden dat ze niet alleen de berichtgeving en de politieke commentaren naar hun hand zetten, maar ook rechtstreeks de politici beïnvloeden.

En nog los daarvan, heeft de commercialisering van de media in de hand gewerkt dat er een omvangrijke amusementsindustrie kon ontstaan. Een bijkomend effect daarvan is dat de indruk wordt gewekt dat het ook helemaal niet nodig is om je goed te informeren. Wat weer de ruimte creëerde voor de populist die gemakkelijke oplossingen aandraagt en die de verpersoonlijking is van dat amusement en van de alternatieve feiten.

Aanwijzingen voor de invloed van amusementstelevisie op populistisch stemgedrag komen naar voren uit onderzoek waarover hier gerapporteerd wordt: People who watch entertainment TV are more likely to vote for populist politicians.
Update. Slechte geïnformeerdheid verhoogt niet alleen de kans op slecht geïnformeerde leiders maar meer in het algemeen ook de kans op sociale zeepbellen. Zie Sociale zeepbellen in economie en politiek.

donderdag 9 maart 2017

Leert het verleden lessen? En over sociale zeepbellen

Hoe na te denken over de toekomst? Zeg, over de komende vijftig jaar? Zie Wat stuur je in een tijdcapsule naar 2067?

Me dunkt, door naar het verleden te kijken en na te gaan welke lessen daaruit zijn te leren.

Dat geldt op het persoonlijke vlak. Door terug te kijken op wat je zoal gedaan hebt en hoe dat heeft uitgewerkt, kom je meer of minder bewust tot aanpassingen van je gedrag en tot nieuwe voornemens. Dat noemen we wel persoonlijke ontwikkeling. Samen met de notie van een mismatch tussen onze sociale natuur en de aard van de sociale omgeving waarin we na de geboorte terechtkomen, verklaart zulks dat we door de bank genomen gedurende onze levensloop iets gelukkiger worden. We leren te leven in een omgeving die niet naadloos past bij onze natuurlijke aanleg, zoals onze natuurlijke goedheid.

Zie Geluk en ouder worden, Succesvol ouder worden en omgaan met emoties en Tevredenheid met het leven daalt tot je 40ste en neemt daarna weer toe. En zie over onze natuurlijke goedheid: Zijn wij van nature goed? Ja, maar..., Meer pro-sociaal gedrag als je minder tijd hebt om na te denken en
Pro-sociaal gedrag is aanstekelijk.

Maar het geldt natuurlijk ook op het vlak van hoe we de maatschappij beter kunnen inrichten. Want het is onloochenbaar dat onze drijfveer om te werken aan een beter leven ook geactiveerd wordt als het gaat om het samenleven, om maatschappij-inrichting, beleid en politiek. De meeste mensen zijn niet alleen maar egoïstisch.

Als je met die blik nu, in 2017, naar de toekomst kijkt, welke lessen leert het verleden dan? Met die vraag in mijn hoofd bedacht ik me dat ik me al eens eerder met zulke lessen uit het verleden had beziggehouden. Dat was in 2003, toen ik onder de titel "Geld en 'de rest'. Over de noodzaak van gemeenschapsbeleid" een tweeluik schreef over het thema dat we na de Tweede Wereldoorlog er in economisch opzicht wel op zijn vooruitgegaan, maar in sociaal opzicht niet. Dat 'de rest' in de titel staat voor wat je sociale welvaart zou kunnen noemen.

Dat tweeluik is voor een deel gepubliceerd, in de Sociologische Gids. Ik las het nu weer eens door. Hier zijn de links naar de beide delen (het meeste van het tweede deel is daarmee nu voor het eerst openbaar toegankelijk):

Een les die ik daar nu uit leer is dat ik toen, in 2003, nog in zoiets geloofde als "de perfectionering van het kapitalisme". Die formulering was weliswaar licht ironisch bedoeld, maar ik moet toegeven dat ik toen nog wel dat het met het kapitalisme, puur economisch gezien, de goede kant op ging. Er zou meer aandacht moeten zijn voor sociale welvaart en niet zo eenzijdig voor alleen maar economische. Maar afgezien daarvan leek het mij dat de overheden de economische problemen wel aan konden.

Ik had beter kunnen weten. Er was immers al de internetzeepbel geweest, die in 2000 knapte en tot een, weliswaar lichte, recessie leidde. En er was het Enron-schandaal geweest. Maar er was toch nog de allesoverheersende consensus dat het de goede kant op ging. Er was nog het geloof in de Great Moderation. 

Er hing een optimisme in de lucht dat mij er toen toe aanzette om te denken dat we ons in een proces van perfectionering van het kapitalisme bevonden. En het belangrijkste leek om daar sociaalwetenschappelijke kanttekeningen bij te plaatsen.

Dat alles werd radicaal anders toen in 2008 de crisis uitbarstte, eerst in de Verenigde Staten en met wat vertraging overgewaaid naar Europa. Toen bleek dat veel van de welvaartsgroei op een zeepbel berustte.

En van de weeromstuit ging iedereen over sociale zeepbellen praten. Er was naast de financiële zeepbel de sociale zeepbel van het geloof in de weldaden van de ongebreidelde marktwerking, het neo-liberalisme. En ik begon in 2011 het geloof van politici in het bezuinigen als het beste antwoord op de crisis te karakteriseren als de bezuinigingszeepbel.

Een belangrijke les die je, kortom, uit het verleden kunt trekken, is dat de kans op sociale zeepbellen aanzienlijk is. Over het publieke domein zijn we nu eenmaal minder goed geïnformeerd dan over het persoonlijke domein. En in geval van gebrekkige informatie kijken we naar elkaar en naar wat de meerderheid lijkt te denken en zijn we sterk onderhevig aan sociale beïnvloeding.

Zo was ik in 2003 nog onderdeel van die neo-liberale sociale zeepbel en geloofde ik nog in de perfectionering van het kapitalisme.

zaterdag 31 december 2016

Op de drempel van 2017: de gevaren van sociale zeepbellen in het publieke domein - Americans believe crazy, wrong things

Catherine Rampell gaf drie dagen geleden in de Washington Post een overzichtje van enkele krankjorume en feitelijk onjuiste ideeën die Amerikanen er op grote schaal op nahouden. Zie
Americans — especially but not exclusively Trump voters — believe crazy, wrong things - The Washington Post.

Zou het in Europa beter zijn? Ik weet het nog zo net niet. En in Nederland? Waar het grootste deel van de goegemeente zeker meent te weten dat het bezuinigingsbeleid van achtereenvolgende kabinetten precies het goede antwoord was op de crisis? Waar we dus de continuing story van de bezuinigingszeepbel meemaken?

Want ja, het gaat om sociale zeepbellen. Als we slecht geïnformeerd zijn, dan doet de onweerstaanbare neiging om ons door anderen te laten beïnvloeden heel gemakkelijk sociale zeepbellen ontstaan.

Toevallig hoor je de ene opinie wat vaker dan de andere en dan denk je dat daar toch wel wat in zal zitten. Of die ene opinie wordt bewust in en door de media verspreid, door fanatieke gelovigen of door cynische belanghebbenden.

En het is bovenal het publieke domein waarover we doorgaans niet zo goed zijn geïnformeerd. Doordat dat nu eenmaal verder van ons afstaat.

Maar ook doordat de media hun werk niet goed doen. Door verkeerde informatie te verspreiden, waardoor we in de  post-truth society lijken te zijn beland.

Of door zich in de hang naar reclame-inkomsten en dus kijkcijfers bovenal te richten op vermaak en amusement. Waardoor de indruk kan postvatten dat het ook helemaal niet nodig is om je over zaken in dat publieke domein te informeren.

Dat alles dringt zich wel erg aan je op, op deze laatste dag van 2016.

Op het goed laten functioneren van dat publieke domein, en van de democratie als middel daartoe, zijn wij van nature niet goed ingesteld. Het is dus niet verrassend dat daar veel inspanning en toewijding voor nodig is.

Hopelijk weten genoeg mensen in 2017 die inspanning en toewijding op te brengen.

maandag 5 oktober 2015

Bijwerkingen van de vrije markt: manipulatie, bedrog en kuddegedrag

Twee interessante berichten die weer eens aanzetten tot nadenken over de bijwerkingen van de vrije markt.

In de New York Review of Books bespreekt Cass Sunstein (die van Going To Extremes: How Like Minds Unite and Divide) het nieuwe boek van de economen en Nobelprijswinnaars Akerlof en Shiller (Phishing for Phools: The Economics of Manipulation and Deception). Zie Why Free Markets Make Fools of Us.

En Steven Pearlstein schreef in de Washington Post een lange beschouwing naar aanleiding van het vertrek van Oliver Blanchard als hoofdeconoom van het IMF. Zie The smartest economist you’ve never heard of.

Wat hou je, althans ik, er op zijn kortst samengevat aan over?

Doordat het menselijk gedrag niet rationeel is, in de betekenis die economen daaraan toekennen, functioneren markten niet zoals economen denken dat ze doen of zoals ze zouden willen dat ze doen. Er valt zo langzamerhand een lijst op te stellen van duidelijk aanwijsbare afwijkingen ("zwakheden") in ons gedrag van het rationele model: we zijn te zelfverzekerd en onrealistisch optimistisch, we kunnen slecht overweg met waarschijnlijkheden, we hebben te weinig oog voor de langere termijn en we laten ons meer drijven door mogelijke verliezen dan door gelijkwaardige verbeteringen.

Die zwakheden zijn eigenlijk geen zwakheden, maar aanpassingen aan omstandigheden in het verleden, toen de markt nog niet bestond. Nu die er wel is, maken ze ons kwetsbaar voor manipulatie en bedrog. Want hoewel economen graag uitgaan van het principe van de consumentensouvereiniteit, van de gedachte dat niemand anders dan jijzelf weet wat het beste voor je is, maken deze zwakheden ons tot een gemakkelijke prooi van degenen die er werk van maken om ons te manipuleren en te bedriegen. Omdat ze daar zelf beter van worden.

En zo is de markt een oorzaak van gezondheidsproblemen, van het najagen van aangewakkerde behoeften, van overdadige statuscompetitie en de stress die daarmee gepaard gaat en van financiële crises.

Als consument of als investeerder of als kiezer worden we te grazen genomen. Uiteraard is het verstandig als we dat met zijn allen, via de overheid en door regulering en wetgeving, tegengaan. Maar dat gebeurt meestal als het kwaad al is geschied of het gebeurt onvolkomen, doordat ook de overheid wordt gemanipuleerd en bedrogen (denk aan Volkswagen, maar niet alleen daaraan, want de rij is lang). En bovendien hangt er "boven de markt" nog altijd dat blinde geloof in de onbegrensde weldadigheid er van ("op den duur komt alles goed") en in de overheid als probleem in plaats van als een oplossing.

Wat je er aan overhoudt is dat er nog heel veel werk te doen is om de monsterachtige kant van de vrije markt voldoende te temmen. Want diezelfde markt creëert ook de bedrijven die graag bereid zijn om die menselijke zwakheden te exploiteren. Sunstein:
If a company can make money by deceiving or manipulating people, someone is going to create such a company, and it will prosper (unless the law regulates it). And if it prospers, companies that do not deceive or manipulate people may well be at a competitive disadvantage.
En aan dat prachtige stuk van Steven Pearlstein over Oliver Blanchard, dat trouwens ook een mooi overzicht geeft van de crisis in het vak economie, hield ik vooral de laatste alinea over, die getiteld is The tiranny of bad ideas. Want dat gaat er in feite over dat wij met zijn allen, inclusief al die zogenaamde deskundigen, de vrije markt en het publieke domein dat daarmee ontstaan is, nog maar slecht begrijpen.

De markt heeft een weldadige kant, die van de voordelen van de concurrentie. Maar dus ook die monsterachtige kant, van manipulatie en bedrog. En het vereist serieuze studie en hard werken en een open geest om dat beest onder controle te krijgen en goed voor ons allen te laten werken.

Maar dat komt er vaak niet van. Wat hem het meest verbaasde, zegt Blanchard, is:
"how quickly a consensus can develop around some question on the basis of what decision-makers read in the press or hear over dinner". (...)
"There’s a big risk of people agreeing on something without thinking about it or doing the hard analysis,” he said. In the face of incomplete information and genuine uncertainty, he said, it was disquieting “how easily bad ideas become entrenched.”
Dat is het kuddegedrag dat ontstaat door een andere menselijke "zwakheid", onze sterke neiging tot sociale beìnvloedbaarheid onder omstandigheden van onvolledige informatie en onzekerheid. Waardoor we met zijn allen achter idiote ideeën aanlopen omdat, ja, omdat de meeste anderen dat ook doen. Zo ontstaan de sociale zeepbellen. Die inderdaad financiële crisissen veroorzaken. En totaal verkeerd economisch beleid. Denk aan de bezuinigingszeepbel.

vrijdag 18 september 2015

Wordt een vaak herhaalde onwaarheid waar? Ja, zelfs als mensen beter weten

De nieuwe studie Knowledge Does Not Protect Against Illusory Truth (betaalpoort) laat zien dat wij gemakkelijk geneigd zijn om onwaarheden voor waar te gaan houden als we ze maar vaak genoeg horen. De kans dat proefpersonen een onware uitspraak voor waar hielden, was groter als ze die uitspraak eerder onder ogen hadden gehad. Dit was zelfs het geval als andere antwoorden er op wezen dat ze wel over de kennis beschikten om de onwaarheid onder ogen te zien.

De resultaten lijken er op te duiden dat zoiets als vlotheid (fluency) een rol speelt. Mededelingen waar je niet teveel over hoeft na te denken om ze te begrijpen, komen niet alleen vlot bij je binnen, maar lijken ook meer waar te zijn. In lijn daarmee is wat je al eerder gehoord hebt, sneller cognitief te verwerken dan iets wat nieuw is.

Daardoor ben je automatisch geneigd om die bewering voor waar te houden. In dat automatisme zit het probleem: als iets bekend is, krijg je niet het sein om je bestaande kennis te inspecteren en zo de mededeling op overeenkomst daar mee te checken. (Zie ook The Persuasive Power of Repeated Falsehoods voor meer informatie.)

Het is onderzoek dat van groter actueel belang is dan je zou wensen. Ik denk natuurlijk meteen aan die merkwaardige hype (sociale zeepbel) in de Europese economische politiek dat bezuinigen in een depressie verstandig beleid is. Zie het bericht van gisteren. Dat die onwaarheid zo wijd verbreid voor waar wordt gehouden, heeft er zeker mee te maken dat je hem vaak hoort. Update. Beter: dat de politici hem vaak horen in hun eigen kring.Vandaar dat je gaat denken dat dat die kring trekken van een sekte heeft aangenomen.

En dat heeft er misschien weer mee te maken dat je die bewering ook vaak hoort als het om huishoudens gaat, het domein waar bezuinigen wel verstandig is als je in de schulden zit. Denk aan de fout om de huidhoudboekjeslogica  toe te passen op het overheidsbudget.

Zou trouwens, bedenk ik ineens, de bekende voorkeur van de VVD voor de vlotte Jip-en-Janneke taal er ook uit voortkomen dat je zo gemakkelijker onwaarheden als waarheid aanvaard krijgt?

En precies vandaag krijg ik deze berichten onder ogen over de bizarre fantasiewereld waar de Republikeinse kandidaten voor het Amerikaanse presidentschap in leven. Die televisiedebatten tussen hen geven een verontrustend inkijkje in een gezelschap waarin onwaarheden in stand worden gehouden door ze maar zo vaak mogelijk uit te wisselen. Lees het redactionele commentaar van de New York Times: Crazy Talk at the Republican Debate. En lees dan meteen ook de column van Paul Krugman: Fantasies and Fictions at G.O.P. Debate.

Huiveringwekkend de gedachte dat iemand uit zo'n sociale zeepbel van onwaarheden zomaar president van de Verenigde Staten zou kunnen worden.