Posts tonen met het label inkomensongelijkheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label inkomensongelijkheid. Alle posts tonen

vrijdag 6 juni 2025

De limitaristen hebben gelijk: zonder een rijkdomsgrens is het iedereen-telt-mee van de gemeenschapstoestand uitgesloten

De morele intuïtie van het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon behelst dat iedereen recht heeft op een menswaardig bestaan en daarmee dat we er met zijn allen voor dienen te zorgen dat niemand in armoede hoeft te vervallen als de middelen voorhanden zijn om zulks te voorkomen. 

De naoorlogse verzorgingsstaat, met sociale zekerheid en gelijke kansen op onderwijs, was een uitwerking van deze morele intuïtie ('de gemeenschap georganiseerd in de staat"). In die uitwerking was ook het inzicht verwerkt dat niet alleen armoede, maar ook excessieve rijkdom moest worden voorkomen. Er was geleerd dat extreme rijkdom niet alleen de democratie in gevaar bracht, maar ook negatieve economische gevolgen had. Ook als er geen armoede is, activeert de mogelijkheid om extreem rijk te worden gemakkelijk het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon. Dat had geleid tot de extreme zelfverrijking die voorafging aan de Grote Beurskrach van 1929 en de daaropvolgende depressie (Zelfverrijking in de financiële sector en financiële crises). Bovendien zijn er de aanwijzingen dat grote inkomensongelijkheid negatieve sociale gevolgen heeft in de vorm van het aanwakkeren van de statuscompetitie. 

Er zijn kortom goede economische en sociaalwetenschappelijke argumenten om ook als er geen armoede is, grote ongelijkheid en excessieve rijkdom te beperken. Vandaar dat de limitaristen pleiten voor een rijkdomsgrens. De politiek filosoof Dick Tmmer deed dat in het interview in de Volkskrant: Sommige mensen zijn té rijk, zegt filosoof Dick Timmer. En dat gaat om veel meer dan geld alleen. Eerder was er het boek van hoogleraar toegepaste ethiek Ingrid Robeyns: Limitarisme. Pleidooi tegen extreme rijkdom.

Dat inzicht in de noodzaak van een rijkdomsgrens leidde er in die naoorlogse jaren van de opbouw van de verzorgingsstaat toe dat er hoge marginale tarieven waren in de inkomstenbelasting, tot rond de 90 procent voor de hoogste inkomens. Die werden sinds de jaren zeventig stapsgewijs verlaagd, met het argument dat dat juist goed zou zijn voor de economische groei. Veelverdieners zouden er door worden geprikkeld om zich meer in te spannen en dat zou uiteindelijk aan iedereen ten goede komen. 

Maar dat klopt dus niet. Want al dat geld dat bij die rijkeren terechtkomt, wordt gespaard en deels uitgeleend aan de overheid. Die daar rente over betaalt, terwijl dat geld goedkoper door die hogere belastingtarieven had kunnen worden verkregen. Alles wijst erop dat door een groei van inkomensongelijkheid de economische groei stagneert. 

Daar komen de aanwijzingen bij dat een eenmaal in gang gezette toename van inkomensongelijkheid moeilijk meer is te stoppen, doordat het proces zichzelf versterkt. Al weer lang geleden zette ik ze op een rijtje:

  • Opgroeien in armoede in een welvarende maatschappij werkt negatief uit op de hersenontwikkeling die nodig is voor planning en impuls- en aandachtsbeheersing. Die vermogens helpen bij het succesvol volgen van een opleiding. Arm opgroeien verkleint dus de kans op maatschappelijk succes, waardoor armoede wordt doorgegeven aan kinderen.
  • Armoede gaat gepaard met de stress van zorgen over de toekomst en heeft daardoor negatieve effecten op het cognitieve functioneren. Omdat onze maatschappij een groot beroep doet op ons cognitieve functioneren, verkleint armoede dus de kans op maatschappelijk succes.
  • De stress van armoede en lage sociaaleconomische status heeft negatieve gezondheidseffecten en een slechte gezondheid verkleint de kans op maatschappelijk succes.
  • Een hogere sociaaleconomische status maakt mensen egoïstischer. Waardoor ze meer geneigd zijn tot inspanningen om de bestaande ongelijkheid, die in hun voordeel werkt, in stand te houden.
  • Mensen die qua persoonlijkheid aardiger zijn, en dus meer met anderen rekening houden, verdienen minder. Ze zijn minder maatschappelijk succesvol. Omgekeerd: onaardige mensen, die dus egoïstischer zijn, verdienen meer en zijn maatschappelijk succesvoller. En zullen dus meer geneigd zijn om te pogen de bestaande ongelijkheid in stand te houden.
  • Rijken hebben de neiging om bij elkaar in de buurt te gaan wonen (inkomenssegregatie) en vooral met elkaar om te gaan. Dat maakt het makkelijker om opinies te cultiveren die rijkdom moreel rechtvaardigen en die armoede toeschrijven aan individuele en moreel verwijtbare kenmerken ("ze zijn lui"). Waardoor rijken vooral geneigd zullen zijn om de bestaande ongelijkheid in stand te houden.
  • Mensen zijn geneigd om de bestaande ongelijkheid te onderschatten, waarschijnlijk doordat ze er niet goed over zijn geïnformeerd. Daardoor zullen dus degenen die minder ongelijkheid zouden willen, zich minder inspannen om die terug te dringen dan wanneer ze wel goed geïnformeerd waren.
  • Mensen die hun inkomen zien groeien doordat ze geld hebben gewonnen in een loterij, stemmen politiek gezien rechtser. Een inkomenstoename maakt rijker en doet mensen dus bijdragen aan politieke partijen die de bestaande ongelijkheid in stand willen houden.
  •  De rijken zijn machtiger dan de armen. En gevoelens van macht maken mensen minder empathisch. Dus leven rijken zich minder goed in in het lot van de armen. En zullen ze zich dus minder inspannen om dat lot te verlichten.
  • De rijkaards zijn succesvol geweest in de maatschappelijke statuscompetitie. En winnaars in een statuscompetitie hebben de neiging om neer te kijken op de verliezers en hen zelfs te vernederen. En dus om de bestaande ongelijkheid te rechtvaardigen. En verliezers hebben de neiging om zich daarbij neer te leggen in plaats van in opstand te komen.
Bij al die aanwijzingen is er nu de studie Noblesse Oblige? Social Status and Economic Inequality Maintenance among Politicians bijgekomen. De onderzoekers laten zien dat (Amerikaanse) politici met een groter financieel vermogen meer tegen gelijkheidsbevorderende wetsvoorstellen stemden dan hun minder rijkere collega's. Je moet in het Amerikaanse politieke stelsel al flink rijk zijn, of de belangen van rijke vriendjes behartigen, om een verkiezingscampagne te kunnen bekostigen. Maar ook dan nog zijn het de rijksten onder hen die het meest tegen meer gelijkheid stemmen. Dit verband gold overigens alleen voor de Democraten. De Republikeins politici zijn sowieso tegen meer gelijkheid.

Kortom, sociaalwetenschappelijk gezien is er voor het dichterbij brengen van het iedereen-telt-mee gemeenschapsevenwicht niet alleen een armoedegrens, maar ook een rijkdomsgrens nodig.

donderdag 11 januari 2024

Door de bomen het bos zien. Democratie en grote ongelijkheid zijn niet te verenigen

Het bos dat door de bomen van de dagelijkse stroom van politieke en maatschappelijke nieuwsberichten aan het zicht wordt onttrokken, is eigenlijk gemakkelijk te ontwaren. 

Want wat is het geval? Sinds zo ongeveer een eeuw hebben veel landen de democratische staatsvorm. Met algemeen actief en passief kiesrecht. Gebaseerd op de morele gemeenschapsintuïtie van iedereen-telt-mee. Iedereen beslist mee over de samenstelling van de volksvertegenwoordiging. En de volksvertegenwoordiging is op zoek naar het beste beleid voor iedereen. 

Om dat iedereen-telt-mee goed te laten werken, geldt er bij de besluitvorming een meerderheidsregel. (Of een gekwalificeerde meerderheid bij besluiten over de grondwet.) Daarbij wordt gehoopt dat de samenstelling van de minderheid kan wisselen, zodat er nooit een groep ontstaat die systematisch achter het net vist. Maar ook daarzonder is er het democratische ethos, op grond van die morele gemeenschapsintuïtie, dat altijd ook met de belangen van de minderheid rekening dient te worden gehouden.

De democratie als staatsvorm, en de ermee overeenkomende internationale verdragen over mensenrechten, zijn een grote verworvenheid in de mensheidsgeschiedenis. Een overwinning van het morele gemeenschapspatroon op het daaraan tegengestelde statuscompetitiepatroon dat eveneens deel uitmaakt van de menselijke sociale natuur. Als dat statuscompetitiepatroon overheerst, dan zijn onderdrukking en overheersing de gevolgen. Geen democratie, maar de dictatuur of de autocratie of de plutocratie, of in sociaalwetenschappelijke taal: de statushiërarchie. 

Dat de democratie inderdaad een verworvenheid is, wordt door al het onderzoek ondersteund dat erop wijst dat een gemeenschapstoestand naar menselijk welzijn en naar morele maatstaven te prefereren valt boven een statushiërarchie. Zie Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen voor verwijzingen naar dat onderzoek. En zie ook Alles bij elkaar genomen zie je dat democratieën beter presteren op algemeen wenselijke uitkomsten voor de bevolking dan niet-democratieën.

Toch zijn er vijanden van de democratie. Hoe kan dat? 

Het sociaalwetenschappelijke antwoord daarop is dat een stabiele gemeenschapstoestand, een "gemeenschapsevenwicht", weliswaar theoretisch denkbaar is, maar in de maatschappelijke werkelijkheid eigenlijk niet voorkomt. Dat ligt eraan dat het statuscompetitiepatroon nu eenmaal ook tot de menselijke sociale natuur behoort en er ook in de gemeenschapstoestand van de democratie voorwaarden kunnen ontstaan die dat patroon activeren.

Over de aard van die voorwaarden valt wel het een en ander te zeggen. Zo is er het inzicht dat een toename van ongelijkheid de statuscompetitie aanwakkert. Aanwijzingen in die richting werden al in 2009 verzameld door Richard Wilkinson en Kate Pickett in hun The Spirit Level. Why More Equal Societies Almost Always Do Better, in 2010 heruitgegeven met een extra hoofdstuk: The Spirit Level. Why Equality is Better for Everyone. Grotere ongelijkheid blijkt samen te gaan met een reeks van indicatoren voor de mate van statuscompetitie: minder sociale contacten, minder onderling vertrouwen, meer psychische aandoeningen, slechtere gezondheid, meer geweldsgebruik en criminaliteit en minder sociale mobiliteit. Zie voor meer onderzoek ook de berichten Is inkomensongelijkheid slecht omdat hij statuscompetitie aanwakkert?, Door meer ongelijkheid meer statuscompetitie en daardoor meer vraag naar een sterke leider die het niet zo nauw neemt met de democratie en Nieuwe aanwijzing dat inkomensongelijkheid de statuscompetitie aanwakkert

Welnu, dat wijst erop dat de democratie alleen dan een stabiele gemeenschapstoestand kan zijn als de ongelijkheid binnen de perken wordt gehouden. Wat die perken precies zijn, weten we niet. Maar zodra de ongelijkheid zo groot wordt, dat de statuscompetitie erdoor in werking komt, is de democratie in gevaar. 

Want wat kun je dan verwachten? Precies het proces dat we nu onder onze ogen kunnen waarnemen. De rijken, de miljardairs, blijken bedenkingen te hebben bij de democratie. Die kan immers met een eenvoudig meerderheidsbesluit afdwingen dat hun belastingen worden verhoogd, op hun inkomens en vermogens en op hun erfenissen. Dat ze moeten meebetalen aan de herverdeling van rijk naar arm en aan al die publieke voorzieningen, openbaar vervoer, volkshuisvesting, onderwijs, gezondheidszorg, die zij niet nodig hebben en die vooral aan de armen ten goede komen. Bovendien voelt het voor de rijken dat ze er op achteruitgaan, namelijk in status, als er niet meer gebeurt dan dat armen erop vooruitgaan. Want met een statuscompetitief wereldbeeld is het voor jou "winst" als anderen verliezen.

Vandaar dat de miljardairs altijd zullen proberen om de werking en de uitkomsten van de democratie te beïnvloeden. Door te bevorderen dat de armen, de "profiteurs", minder gaan stemmen of dat hun stem minder meetelt. Denk aan de Republikeinen, die door de miljardairs zijn gekocht en die als ze aan de macht zijn, stembureaus in de armere gebieden sluiten en de kiesdistricten zo indelen dat de stem van armere kiezers minder meetelt. 

En ze zullen vooral die politici ruimhartig financieren die voor hen gunstig beleid voorstaan. Diezelfde Republikeinen, die zich aan Trump hebben uitgeleverd, hebben nauwelijks meer andere beleidsstandpunten dan dat ze de belastingen voor de rijken willen verlagen en de sociale zekerheid willen terugdringen. In Nederland weten de grote donateurs vooral de VVD te vinden  En werd de nieuwe lijsttrekker van die partij, Dilan Yeşilgöz, "goedgekeurd" door vastgoedondernemer Cor van Zadelhoff.

En tenslotte zullen ze proberen om de verkiezingen zoveel mogelijk te laten gaan over andere thema's dan de verschillen tussen arm en rijk. Wakker de angst voor immigranten en andere minderheidsgroepen aan en je bereikt dat de minderbedeelden bij het uitbrengen van hun stem hun eigen belangen uit het oog zijn verloren. Het is bepaald niet een raadsel hoe het komt dat het rechts-extremisme de wind in de zeilen heeft.

Kortom, democratie en grote ongelijkheid zijn niet te verenigen. Hoewel de democratie naar algemeen wenselijke uitkomsten voor iedereen beter is, is het bij grote ongelijkheid voor de miljardairs teveel gevraagd om dat onder ogen te zien. Het statuscompetitiepatroon gaat zo overheersen dat een afweging met het iedereen-telt-mee van de democratie cognitief en emotioneel en moreel niet langer tot de mogelijkheden behoort.

Dat inzicht werd in de decennia na de Tweede Wereldoorlog in veel landen breed gedeeld. Waardoor sterk progressieve belastingheffing, met marginale tarieven in de inkomstenbelasting tot 90 procent vanzelfsprekend werden gevonden. Dat kan ook zolang het gemeenschapspatroon bij mensen overheerst. 

Maar het statuscompetitiepatroon kan altijd weer de kop opsteken. En dat gebeurde in de jaren 70 en 80. Onder invloed van de rechtse, economische denktanks, gefinancierd door de rijken en degenen die rijk wilden worden, en die als een van de eerste beleidsveranderingen wisten te bewerkstelligen dat die hoogste marginale tarieven werden verlaagd, eerst naar 70 procent en vervolgens tot 30 en 40 procent. Rijkdom en ongelijkheid, dat moest kunnen. Dat zou goed zijn voor de economische groei.

Maar het was vooral goed om de statuscompetitie aan te wakkeren. En uiteindelijk om de democratie in gevaar te brengen.

dinsdag 19 september 2023

Kiezers willen minder ongelijkheid en rechtvaardiger verhoudingen. Maar dat wilden ze eerder ook al. En dus over sociale zeepbelvorming onder politici

De werking van de innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur, waarin het gemeenschapspatroon en het statuscompetitiepatroon om de voorrang strijden, valt in alle sociale domeinen waar te nemen. In de persoonlijke fysieke en online levenssfeer, in die van de anonieme ontmoetingen, zoals in de publieke ruimte en op sociale media, in de georganiseerde verbanden van verenigingen, vrijwilligersorganisaties en ondernemingen en in het verband van de nationale staat. Ja, zelfs daarboven, in het verband van de internationale politiek, in de vorm van gewelddadige conflicten en van mensenrechtenverdragen.

In het verband van de nationale staat wijst alles erop dat we nu in een overgangstijd zitten waarin het gemeenschapspatroon opnieuw de overhand krijgt op het statuscompetitiepatroon. Terwijl na de Tweede Wereldoorlog het gemeenschapspatroon zich in de politiek doorzette met de opbouw van de sociale zekerheid en van rechtvaardige verhoudingen, kreeg vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw het statuscompetitiepatroon steeds meer het heft in handen. Waardoor de bestaansonzekerheid en de ongelijkheid toenamen.

Voor wat ons land betreft heeft dat er uiteindelijk toe geleid dat nu vrijwel alle politieke partijen aankondigen dat ze de bestaansonzekerheid willen verminderen en de ongelijkheid willen terugdringen.  Zie ook Bestaanszekerheid terug waar het hoort: in het hart van de politiek – Hoog tijd voor een nieuw politiek tijdperk.

En dat is ook precies wat de kiezers willen, getuige de uitslag van het representatieve onderzoek van Ipsos in opdracht van de NOS: Nederlanders willen dat welvaart eerlijker wordt verdeeld:

Bijna twee derde van de Nederlanders (64 procent) vindt het belangrijk dat de welvaartsverschillen kleiner worden. Kiezers van alle partijen zijn het daarmee eens. Bij linkse partijen ligt dat percentage rond de 80, maar ook onder VVD-kiezers is 43 procent er voorstander van.

Een eerlijke welvaartsverdeling moet volgens Nederlanders vooral worden betaald door bedrijven meer belasting te laten betalen. 60 procent vindt dat de belasting voor bedrijven omhoog moet. Bijna evenveel mensen (56 procent) vinden dat er meer belasting moet worden geheven op hogere inkomens. Ook verhoging van de vermogensbelasting krijgt veel steun (49 procent).

Daarbij moet meteen worden opgemerkt dat die sterke voorkeur van mensen voor minder grote inkomensverschillen niet nieuw is. In de tientallen jaren van neoliberaal beleid die achter ons liggen en die de ongelijkheid doelbewust lieten oplopen, is er eigenlijk altijd de opvallende kloof geweest tussen wat de politici teweegbrachten of lieten gebeuren en de afkeer van grote ongelijkheid bij de kiezers. Het lijkt er sterk op dat de politici veel meer meegingen in het omhelzen van het statuscompetitiepatroon dan de kiezers voor wenselijk hielden. De sociale zeepbelvorming van de marktvuistregel was er vooral onder de politici, veel minder onder de kiezers. Over het algemeen volgens mensen liever het in hen levende gemeenschapspatroon van iedereen-telt-mee dan dat vervelende statuscompetitiepatroon van het ieder-voor-zich. En dat komt to uiting in kiezersvoorkeuren. Als kiezers zijn mensen kennelijk stabieler dan als politici.

Ter toelichting hieronder een aantal berichten die eerder op dit blog verschenen.

Burgers willen geen kleinere overheid met lagere belastingen

 (16 september 2013) Steeds meer blijkt dat de voorstanders van bezuinigen in een recessie meer gemotiveerd zijn om zo de overheid een kopje kleiner te maken dan om ons uit die recessie te helpen. In ons land is dat van de VVD zonder meer duidelijk, al was het maar doordat Rutte dat met zoveel woorden heeft gezegd. Maar het lijkt er op dat de andere regeringspartij, de PvdA, ook een kleinere overheid wil.

Nu is groot of klein eigenlijk niet de eerste vraag. Belangrijker is wat je als belangrijke overheidstaken ziet en dan blijkt wel hoe groot of klein die overheid moet zijn om die taken uit te voeren. Maar de PvdA koos altijd voor een pakket taken op het gebied van sociale zekerheid, sociale voorzieningen, werkgelegenheid, onderwijs en gezondheidszorg dat met een kleine overheid moeilijk valt uit te voeren. Ook al omdat langs die weg rechtvaardigheid, gelijkheid en gelijke kansen werden bevorderd.

Daarvan lijkt nu alleen de nivellering te zijn overgebleven. Als er maar genivelleerd word, ik chargeer wat, dan stemt de PvdA graag in met een kleinere overheid, hoge werkloosheid  en een nodeloos langere duur van de recessie. Alles ten behoeve van begrotingsevenwicht, op zich een onzinnig doel.

Maar willen de burgers eigenlijk wel een kleinere overheid? En lagere belastingen?

Een antwoord op die vraag was vorige week voor Engeland te vinden in de nieuwste British Social Attitudes. In dat onderzoek wordt ook gekeken naar de houding van burgers tegenover overheidsuitgaven en de rol van de overheid.

Wat blijkt daaruit? Als je kijkt naar Figuur 2.1 op pagina 36, dan zie je dat het percentage van de Britse burgers dat zegt lagere belastingen en minder overheidsuitgaven te willen, tussen 1983 en 2012 altijd lager is geweest dan 10 procent. In Engeland moeten ze dus helemaal niets hebben van die kleinere overheid.

Hoe zit dat dan in Nederland? Ik kon alleen de cijfers vinden voor de periode tussen 1970 en 2002, in het SCP-rapport De steun voor de verzorgingsstaat, 1970-2002. Het gaat daar, op pagina 14, over de vraag hoeveel geld de overheid voor openbare voorzieningen moet hebben. Mensen konden kiezen tussen "veel meer", "een beetje meer", "zo laten", beetje minder" en "veel minder". In 1970 koos 7 procent voor een beetje of veel minder. Dat percentage nam daarna flink toe (met een maximum van 16 procent in 1975), maar was in 1996 weer naar 8 procent teruggevallen. In 2002 was het gedaald naar 6 procent. (Heeft het SCP niet de recentere cijfers?)

Ook in de Verenigde Staten blijkt keer op keer de steun voor sociale voorzieningen opvallend hoog te zijn. Terwijl daar de retoriek van de kleine overheid hoogtij viert. En de ongeïnformeerdheid schrikbarend is. Wat er toe kon leiden dat leden van de Republikeinse partij en van de conservatieve Tea Party-beweging konden uitroepen dat de overheid met haar handen van hun Medicare-uitkering moest afblijven, onwetend van de omstandigheid dat Medicare een overheidsvoorziening is.

Al met al redenen om te denken dat die opbouw van de verzorgingsstaat na de Tweede Wereldoorlog in de westerse landen niet zomaar een voorbijgaand verschijnsel is. Ik denk als je de menselijke sociale natuur combineert met algemeen kiesrecht en met voldoende garanties voor goed onderwijs en goede informatievoorziening, dat er dan altijd een behoorlijk omvangrijke verzorgingsstaat uit tevoorschijn komt. Mensen zijn bereid daarvoor te betalen.

Zijn de kiezers linkser dan de politici? 

 (25 augustus 2015) De steun voor de verzorgingsstaat kun je aflezen aan de houding tegenover de wenselijkheid van uitgaven ten behoeve van publieke en sociale voorzieningen. En dan blijkt steeds dat die houding opvallend positief is. Mensen willen helemaal geen kleinere overheid met lagere belastingen. Zie hier voor cijfers voor het Verenigd Koninkrijk en Nederland.

En cijfers uit 2008 voor 13 West Europese landen laten zien dat een ruime meerderheid (69 procent) er voor is dat de overheid maatregelen neemt om de inkomensongelijkheid terug te dringen. Een inkomensbeleid dus dat past bij de verzorgingsstaat vanwege de steun voor de zwakkeren en de hoge belastingtarieven voor de rijkeren.

Omdat de huidige Europese politieke elite geheel in de ban is van de neoliberale hervormingsdrang, vraag je je af of de politici wel doorhebben dat de kiezers een linkser beleid voorstaan. Want volgens al die hervormingen moet het allemaal wat minder met die publieke en sociale voorzieningen. We moeten bezuinigen en de overheid moet kleiner. De markt moet meer ruimte krijgen. En dat houdt in dat we grote inkomensverschillen mogen betreuren, maar dat we als overheid ons daar niet mee behoren te bemoeien. Dat dit de overheersende opvatting is geworden onder de politieke elite, ligt er overigens vooral aan dat de sociaal-democratie vrijwel naar het neoliberale kamp is overgelopen.

Dat de steun voor de verzorgingsstaat onder de kiezers groot en stabiel is, wordt bevestigd door recente cijfers van TNS NIPO, waar Tim de Beer mij op attendeerde. In juni van dit jaar konden mensen op een schaal van 1 (veel kleiner) tot 10 (veel groter) aangeven of ze kleinere of grotere inkomensverschillen wilden. Het blijkt dan dat 77 procent de voorkeur geeft aan kleinere inkomensverschillen. Opvallend is ook dat de gemiddelde score 4,0 bedraagt. Alleen de VVD-kiezers zaten met 5,51 rechts van het midden.

Het lijkt een hype te zijn, dat neoliberale "hervormings"- en bezuinigingsbeleid van de huidige politici, los gezongen van wat onder de kiezers leeft.

Je mag dus verwachten dat verkiezingen dat vroeg of laat zullen corrigeren. Ik denk even aan de ontwikkelingen in het Verenigd Koninkrijk, waar Jeremy Corbyn, een sociaal-democraat die wordt afgeschilderd als radicaal-links, hoge ogen gooit om de nieuwe leider van  Labour te worden. Met beleidsvoornemens waar nogal wat mainstream-economen zich achter hebben gesteld. 

Zijn de kiezers linkser dan de politici? Nieuwe aanwijzingen

(22 mei 2017) We maken een tijd mee waarin er sprake is van verrechtsing van het electoraat. Maar het zou wel eens kunnen zijn dat die verrechtsing, en vooral de populariteit van het neoliberalisme, vooral een fenomeen is dat zich afspeelt in de kringen van de politici.

Het lijkt soms alsof dat kringetje van politici, waar overigens politieke verslaggevers graag dicht tegenaan schurken, een eigen wereldje is geworden. Waarbinnen natuurlijk verschillen van mening bestaan, maar waarin ook een stilzwijgende afspraak lijkt te heersen dat het met die verschillen niet uit de hand moet lopen. Vooral als je de verdenking op je laadt dat je "te links" bent, dan loop je kans om niet meer echt serieus te worden genomen. In dat wereldje en de daaromheen cirkelende media is links "uit".

Verrechtsing dus in de politiek. Maar ook bij de kiezers?

Dat staat nog te bezien. Ik stond daarbij stil in de berichten Burgers willen geen kleinere overheid met lagere belastingen en Zijn de kiezers linkser dan de politici? Er zijn aanwijzingen dat de steun voor de sociale zekerheidsarrangementen en voor de kleinere inkomensverschillen van de verzorgingsstaat onverminderd hoog is. En dat de ideologie van de kleine overheid bij de kiezers helemaal niet populair is. Zie voor meer daarover ook Over ontevredenheid met de politiek en de steun voor de verzorgingsstaat - leven we in een pre-revolutionaire toestand? en Essay De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?

Daar komen nu nieuwe aanwijzingen bij voor wat de Verenigde Staten betreft. Laat je geen rad voor ogen draaien: dat daar Donald Trump op een of andere manier aan de macht is gekomen ( op welke manier zal nog blijken), doet er niets aan af dat het Amerikaanse kiezersvolk in feite steeds meer naar progressief en links tendeert. Het lijkt er zelfs op dat het verschijnsel Trump die tendens heeft versterkt.

Dit blijkt uit cijfers die Ruy Teixeira vandaag op Vox geeft. Zie What right-wing populism? Polls reveal that it’s liberalism that’s surging. We zien bijvoorbeeld dat de houding tegenover immigranten overwegend positief is en positiever is geworden. 60 procent van de Amerikanen is nu van oordeel dat immigratie Amerika meer helpt dan schaadt, terwijl slechts ruim 30 procent van het tegendeel overtuigd is. En de houding tegenover de Affordable Care Act (Obamacare) is nu positief, ondanks de massieve rechtse propaganda. Waartegenover slechts 21 procent zijn goedkeuring geeft aan het door de Republikeinen ingediende alternatief voor Obamacare.

En hoe opvallend is dit plaatje, dat ik naar ik aanneem als een citaat wel mag overnemen:



We zien dat de algemene houding tegenover de rol van de overheid in het oplossen van problemen en het tegemoetkomen aan de behoeften van mensen sinds 1995 sterk positiever is geworden. De Republikeinse anti-overheidspropaganda, die met Ronald Reagan een aanvang nam en door George Bush werd voortgezet, slaat niet meer aan. En heel recent lijkt het afschrikwekkende fenomeen Trump zijn werk te doen.

Blijft natuurlijk de vraag hoe het kon gebeuren dat er in de kringen van politici en media zo'n merkwaardige neoliberale zeepbel kon ontstaan. Wat dat betreft zijn we denk ik voorlopig nog niet uitgepraat over de betreurenswaardige rol die de sociaal-democraten daarin gespeeld hebben. 

Ruime meerderheden vinden dat overheid de ongelijkheid binnen de perken moet houden

(7 november 2019) Maarten Hermans van de KU Leuven maakte met de data van de European Social Survey de onderstaande grafiek. Je ziet voor de jaren 2002, 2008, 2014 en 2018 het percentage van de ondervraagden dat het er mee eens of er sterk mee eens is dat de overheid beleid moet voeren tegen te grote inkomensongelijkheid.

Je ziet voor de landen Nederland, Groot Brittannië, Noorwegen, België, Duitsland, Frankrijk en Italië een duidelijke toename van die percentages. Dat is gemakkelijk te verklaren uit de toename van inkomensongelijkheid in veel landen en de daarmee gepaard gaande toename van berichten in de media daarover. (Lees hieronder door.)

Maar wat je ook ziet is dat de percentages over de gehele periode ruim boven de vijftig procent liggen. Het gemiddelde van deze landen zal in 2002 zo ongeveer tegen de 70 procent hebben gelegen en lijkt in 2018 toegenomen te zijn tot tegen de 75 procent.

De verschillen tussen de landen kunnen te maken hebben met de verschillen in ongelijkheid. Volgens die redenering zou de ongelijkheid in Italië aanzienlijk groter zijn dan die in Nederland, wat geloof ik ook zo is.

Maar ze kunnen ook te maken hebben met verschillen in politieke opvattingen. Grotere inkomensgelijkheid brengt een land dichter bij het gemeenschapsevenwicht en vooral de linkse kiezers zullen daarmee instemmen. En zo gezien valt het op dat de drie grote landen Italië, Frankrijk en Duitsland in 2018 het meest links zijn. (Terwijl Duitsland in 2002 het minst linkse land was.)

Maar wat natuurlijk bovenal opvalt is dat  het zulke ruime meerderheden zijn die vinden dat de ongelijkheid niet te groot moet zijn en dat daar een taak voor de overheid ligt. Terwijl in deze periode bij de politici nog de neoliberale fantasiewereld overheerst waarin de markt vooral zijn werk moet doen en de overheid daar zo weinig mogelijk tussen moet komen. Waarin ongelijkheid die daaruit resulteert juist goed is of voor lief moet worden genomen.

Kennelijk zijn de kiezers linkser dan de politici en hebben ze meer inzicht in de negatieve effecten van te grote ongelijkheid. 

Ook met Trump aan de macht zijn Amerikanen overwegend centrum-links

(7 november 2017) 

Update. Als Amerikanen inderdaad overwegend centrum-links zijn, hoe slagen de Republikeinen er dan in om toch de verkiezingen te winnen? Door langs verschillende wegen, en met hulp van de Russen, de democratische gang van zaken zoveel mogelijk buiten werking te stellen. Zie daarover nu (april 2019): De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 16 - Hoe het Amerikaanse Grote Geld zich verdedigt tegen de democratie.
Het domein van de publieke besluitvorming, dat van de democratie en de politiek, is in de mensheidsgeschiedenis zo nieuw dat je niet kunt verwachten dat mensen er gemakkelijk hun weg in vinden en weloverwogen tot oordelen komen.

We zijn weliswaar gewend om die oordelen te rangschikken op het continuüm van links (ruwweg: meer overheid) naar rechts (ruwweg: minder overheid), maar de meeste kiezers zijn helemaal niet zo vertrouwd met die tweedeling.

In zijn opiniestuk in de New York Times van vorige week (America Is Not a ‘Center-Right Nation’) herinnert Eric Levitz aan het onderzoek van de politicoloog Philip E. Converse uit 1964, waaruit bleek dat slechts 17 procent van de Amerikaanse kiezers het verschil tussen links (liberal) en rechts (conservative) goed kon uitleggen. De grote meerderheid bracht niet zijn stem uit op grond van een duidelijke politieke ideologie. Dat klassiek geworden onderzoek werd beschreven in het essay The nature of belief systems in mass publics.

Sindsdien zijn Amerikanen niet ideologischer gaan denken over de politiek, ondanks dat het politieke speelveld sterk is gepolariseerd. Levitz verwijst naar het boek Neither Liberal nor Conservative. Ideological Innocence in the American Public van Donald R. Kinder en Nathan P. Kalmoe.

Voor de meeste mensen geldt dat ze weinig tijd hebben om zich in politieke denkbeelden en discussies te verdiepen en daar ook weinig in geïnteresseerd zijn. Veel kiezers vinden weliswaar van zichzelf dat ze "links" of 'rechts" zijn, maar wat die etiketten precies inhouden, dat hebben ze niet altijd zo duidelijk voor ogen.

Dat betekent dat de politici een grote verantwoordelijkheid hebben in het omlijnen en differentiëren van het politieke speelveld. In de woorden van Levitz:
One crucial implication of this finding is that political elites have enormous power to dictate ideological terms to their rank-and-file supporters. For a healthy chunk of conservative Republicans and liberal Democrats, the “liberal” and “conservative” position on most issues is whatever their party leaders say it is. Donald Trump’s success at redefining conservative voters’ consensus views on free trade, American policy toward Russia and the relevance of personal morality to effective political leadership offers a particularly vivid illustration of this phenomenon.

Ik denk daarbij natuurlijk ook aan de sociaal-democratische omarming van het neoliberalisme en het daarmee uit het politieke speelveld nagenoeg laten verdwijnen van linkse standpunten.

Maar wat zie als je kiezers naar hun mening vraagt over allerlei politieke strijdpunten? Dan blijkt dat de meerderheid van de Amerikanen een door de overheid georganiseerde en gefinancierde gezondheidszorg wil (Obamacare), hogere belastingen voor de rijkeren, gratis onderwijs en betere sociale voorzieningen.

Als het om de issues gaat in plaats van om de ideologie, dan zijn de meeste Amerikanen links. Dat lijkt in deze tijd algemener op te gaan: de kiezers zijn linkser dan de politici. 

woensdag 15 februari 2023

De slechtere gezondheid van de minst welvarenden heeft niet alleen met henzelf en hun omstandigheden te maken, maar ook met hoe ongelijk het land is waarin ze wonen

Tim 's Jongers vraagt op De Correspondent terecht aandacht voor de grote gezondheidsverschillen tussen arm en rijk: De gezondheidskloof tussen arm en rijk dicht je niet met broccoli en een stappenteller. Volgens cijfers van het CBS hebben de minst welvarende Nederlanders negen jaar minder te leven dan de meest welvarenden en leven ze zelfs 25 jaar korter in goede gezondheid.

Er is inderdaad een schat aan onderzoek dat wijst op het verband tussen sociaaleconomische status en gezondheid. Ik stond er in berichten op dit blog bij stil. Maar al dat onderzoek heeft een belangrijk inzicht in de oorzaken van dat verschil opgeleverd, dat in het betoog van 's Jongers niet goed naar voren komt. 

Wat blijkt namelijk? Veel mogelijke oorzaken van het verschil hebben er mee te maken dat het minder gemakkelijk is om gezond te leven en dat je woon- en werkomstandigheden ongezonder zijn als je arm bent. Maar ook als in onderzoek daarmee rekening wordt gehouden, blijft er nog een gezondheidsverschil over dat met al die oorzaken niet verklaard kan worden.

Richard Wilkinson was vermoedelijk de eerste was die daar op wees, in Mind The Gap. Hierarchies, Healt and Human Evolution uit 2000. Zie het bericht (uit 2012) Gezondheid en sociale omgeving (11): sociaal-economische statusverschillen, baanonzekerheid. Een citaat daaruit:

... het kan wel zo zijn dat mensen met lagere status meer ongezond gedrag vertonen en minder goede zorg ontvangen, maar dit verklaart niet volledig dat ze ongezonder zijn dan mensen met hogere status. Hetzelfde geldt voor verschillen in woonomstandigheden, blootstelling aan luchtvervuiling, ongezond eten en andere materiële omstandigheden. Ook kan het zogenaamde selectie-effect het gezondheidsverschil niet volledig verklaren. Dat effect houdt in dat de kans om in een lagere statuspositie terecht te komen, hoger is als je meer gezondheidsproblemen hebt. Uit onderzoek werd steeds duidelijker dat de oorzaak ligt in de sociale aspecten van statusverschillen. Wilkinson schrijft daarover (p. 7, mijn vertaling):

Achteraf gezien lijkt het alsof we leden aan een opmerkelijk niet-gesocialiseerd beeld van mensen. We namen aan dat de belangrijkste relaties die waren tussen mensen en dingen - een geloof dat zonder twijfel werd versterkt door het economische gezichtspunt dat welzijn afhangt van individuele, materiële consumptie. De sociale aspecten waren op de een of andere manier te vluchtig om mee te wegen naast de concrete milieuproblemen. Sindsdien heeft onderzoek ons er geleidelijk toe gedwongen om in te zien dat dat wat er het meest toe doet (en waarschijnlijk zelfs voor mensen die te lijden hebben van luchtvervuiling en slechte huisvesting) het psychosociale welzijn is en de kwaliteit van de sociale omgeving. Dit wil niet zeggen dat de directe effecten van materiële factoren onbelangrijk zijn; maar we moeten onderkennen dat de indirecte psychosociale effecten van relatieve deprivatie onverwacht krachtig zijn.

Dat betekent dat het bekleden van een lage status in een statushiërarchie op zich stressvol en daardoor ongezond is. Waarschijnlijk samenhangend met gevoelens van vernedering en minderwaardigheid. Van niet mee te tellen. Van niet respectvol behandeld te worden. Want dat komt naar voren uit onderzoek van Gary W. Evans, waar het bericht Armoede maakt ziek door gevoel anders behandeld te worden - Gezondheid en sociale omgeving (20) over ging. 

En er is bovendien dat andere onderzoek dat uitwijst dat het hebben van een lage status in een ongelijke samenleving op zich, dus los van leefstijl- en omgevingsfactoren, de levensverwachting voor mensen die tussen de 40 en 85 jaar zijn met ruim twee jaar verlaagt. Zie het bericht Lage sociaaleconomische status verlaagt levensverwachting fors, nog los van andere risicofactoren. Lage sociaaleconomische status op zich staat op de derde plaats in het lijstje van risicofactoren, na roken en lichamelijke inactiviteit, maar dus voor hoge bloeddruk, diabetes, alcoholgebruik en overgewicht. 

Een en ander komt er mee overeen dat ongelijkheid de stress van de statuscompetitie aanwakkert en dat dus mensen in meer ongelijke samenlevingen ongezonder zijn dan in gelijkere samenlevingen. Diezelfde Wilkinson liet dat samen met Kate Pickett zien in The Spirit Level. Why more equal societies almost always do better. Zie daarover het bericht Gezondheid en sociale omgeving (10): de gezondheidsschade van inkomensongelijkheid. Het lijkt er ook mee te maken hebben dat mensen in meer ongelijke samenlevingen elkaar minder vertrouwen, door die statuscompetitie, en daardoor meer stress ervaren. Ongelijkheid kruipt onder je huid.

Dat laatste zou er op wijzen dat zelfs degenen met hoge status gezondheidswinst zouden boeken als de ongelijkheid zou afnemen. 

Kortom, de slechtere gezondheid van de minst welvarenden heeft niet alleen met henzelf en hun positie te maken, maar ook met hoe ongelijk het land is waarin ze wonen.

maandag 12 september 2022

De gevaren van het Grote Geld en de Terreur van de Kijkcijfers voor de informatievoorziening en daarmee voor de democratie

De democratie kan niet goed functioneren als de kiezers niet goed zijn geïnformeerd. Natuurlijk kan niet iedereen van alles op de hoogte zijn, maar een zeker niveau van geïnformeerdheid hoort in een democratie te worden nagestreefd. Dat betekent dat je als overheid de media waar de kiezers hun informatie aan ontlenen, niet aan de markt kunt overlaten. 

Als je dat wel doet, dan zet je de deur wijd open voor twee gevaren: de invloed van het Grote Geld en de Terreur van de Kijkcijfers. 

Het gevaar van het Grote Geld bestaat eruit dat je de democratie uitlevert aan de rijken en de vermogenden. Die kunnen niet alleen politici rechtstreeks omkopen, ze kunnen ook televisie- en radiokanalen, kranten en andere media opkopen en daarmee beïnvloeden hoe kiezers geïnformeerd worden. Zo geïnformeerd dat ze politici en politieke partijen in het zadel helpen die voor de rijken gunstige besluiten nemen. Minder progressieve belastingen. Minder geld naar de bestrijding van belastingfraude. Meer besluiten die overeenkomen met de politieke, meestal rechts-extremistische, voorkeuren van de rijken. 

Dit kan op den duur leiden tot afschaffing van de democratie. De Amerikaanse rijken deden middels Donald Trump een poging in die richting, die vooralsnog mislukt is. Maar ook zonder afschaffing kan kan er alleen een papieren democratie overblijven. Lees over het gevaar van het Grote Geld Dark Money. The Hidden History of the Billionaires Behind the Rise of the Radical Right van Jane Mayer. Of Democracy For Sale. Dark Money and Dirty Politics van Peter Geoghehan. 

Wat te doen? Allereerst: dring de extreme inkomens- en vermogensongelijkheid terug. En zorg voor een sterkere regulering van de commerciële media. Maar ja, daar heb je een functionerende democratie voor nodig.

Dan is er nog dat gevaar van de Terreur van de Kijkcijfers. De overheid kan besluiten, zoals in ons land, dat informatievoorziening een publieke taak is en dus een publieke omroep in stand houden. Ten behoeve van de democratie. Maar wat zal er dan gebeuren als je die publieke omroep mede door reclame-inkomsten laat financieren? Dan vervaagt het onderscheid tussen publiek en commercieel. De publieke omroep wordt dan als vanzelf geprikkeld om te bezwijken voor de Terreur van de Kijkcijfers. Ten koste van de informatievoorziening. 

Vandaag fulmineert Teun van de Keuken in de Volkskrant heel terecht tegen die "kijkcijfergekte" van de publieke omroep, in het bijzonder van de talkshows. Zie De publieke omroep verwart kijkcijfers met kwaliteit. Het doel is niet meer om de kijkers te informeren:

Vaak geven omroepcollega's en -bazen pas hun mening over een uitzending als de cijfers bekend zijn: 'Mooi programma! En goede cijfers!' (...) Bij slechte cijfers hoor je meestal niks. Wel schieten de programmamakers dan in de stress. Naarstig gaan ze op zoek naar oorzaken. (...)

En dan komt het grote aanpassen. Er moeten populairdere onderwerpen komen en leukere sprekers. Dat zie je ook in de talkshows, waar kennelijk een 'oorlog' woedt. Als je wilt winnen, nodig je geen mensen uit die ergens verstand van hebben. Dan nodig je populaire BN'ers en populisten (Henk Bleker) uit, die goed zijn voor de controverse.

Wat te doen? Teun van de Keuken roept op om niet mee te doen aan die 'talkshowoorlog'. 

Maak programma's die werkelijk inzicht bieden in de energiecrisis, inflatie, armoede, het klimaat, stikstof, wereldwijde spanningen, en de opvang van vluchtelingen (het liefst niet voor het hek in Ter Apel). Met mensen die er verstand van hebben.

Kortom: leg je toe op het uitvoeren van de publieke taak van een goede informatievoorziening. Omdat de democratie niet zonder kan.

Maar waarom gebeurt dat dan niet al? 

Nou, dat is heel eenvoudig: als je het uitvoeren van een publieke taak niet financiert met publieke middelen, maar met reclame-inkomsten, dan stel je de programmamakers bloot aan de Terreur van de Kijkcijfers. Een publieke taak moet je met publiek geld financieren. 

En dan verdwijnt die publieke taak ergens naar de achtergrond. Wordt een papieren werkelijkheid. Dan kun je, met Teun van de Keuken, oproepen wat je wilt, maar het gaat niet gebeuren.

maandag 27 juni 2022

Voor rijken voelt het dat ze er op achteruitgaan, namelijk in status, als er niet meer gebeurt dan dat armen erop vooruitgaan. Het verschil wordt kleiner! Dat willen ze niet.

Als je in een democratie de ongelijkheid, van inkomens en/of vermogens, laat toenemen, dan creëer je een bovenlaag van rijken die hun rijkdom gaan zien als zelf verworven en gerechtvaardigd en die rijkdom dus willen verdedigen tegen pogingen om de ongelijkheid te laten afnemen. Ook als iedereen, dus ook zijzelf, beter af zouden zijn in een meer gelijke, egalitaire, maatschappij. Dat is, extreem kort samengevat, de conclusie van de nieuwe studie If you rise, I fall: Equality is prevented by the misperception that it harms advantaged groups. 

Een verklaring daarvoor blijkt te zijn dat de rijken een toename van gelijkheid waarnemen als een achteruitgang voor henzelf ook als dat objectief niet het geval is. Ze lijken een nul-som beeld te hebben van de verdeling: als anderen meer toevalt, dan moet dat wel ten koste gaan van wat ik nu heb. 

De onderzoekers noemen in-group favoritism, de neiging tot het bevoordelen van de eigen groep, als een mogelijke verklaring voor zulk gedrag. De rijken zien zichzelf als een groep en die groep moet worden verdedigd tegen bedreigingen. Op dat leerstuk van in-group favoritism is steekhoudende kritiek mogelijk. Zie het bericht De uitspraken van minister Blok sociaalwetenschappelijk bekeken - Politici zouden beter op de hoogte moeten zijn van het sociaalwetenschappelijk onderzoek.

Maar afgezien daarvan, het verklaart ook niet waarom de rijken een achteruitgang voor henzelf waarnemen terwijl die er objectief, zeg in euro's, niet is. Er moet "iets" zijn waarin ze zichzelf er op achteruit vinden gaan en dat zijn geen euro's of materiële middelen.

Wat dat "iets" is ligt voor de hand en het is opvallend dat de onderzoekers dat niet zien: status! Natuurlijk brengt ons dit op het terrein van de statuscompetitie. In een statuscompetitief wereldbeeld is elk verdelingsprobleem een nul-som spel. Wat de een meer krijgt, gaat altijd ten koste van de ander. Het gaat dan niet meer om wat jij objectief hebt, maar om jouw positie in de statushiërarchie. En als anderen daarin stijgen, dan daal jij automatisch. 

Voor rijken voelt het dus dat ze er op achteruitgaan, namelijk in status, als er niet meer gebeurt dan dat armen erop vooruitgaan. Het verschil wordt kleiner! Dat willen ze niet.

Het is dus de neiging tot statuscompetitie die maakt dat rijken zich verzetten tegen meer gelijkheid. En die verklaart dat ze hun middelen inzetten (het Grote Geld) om te verhinderen dat het democratische proces tot grotere gelijkheid zou leiden. Denk aan het bericht Als je de ongelijkheid laat toenemen, dan creëer je rijken die de democratische overheid niet anders kunnen zien dan als een schurk die hun geld wil. 

Vandaar dat democratie en grote ongelijkheid niet kunnen samen gaan. Democratie is de uitingsvorm van onze morele gemeenschapsintuïties van iedereen-telt-mee. Maar grote ongelijkheid verdringt die intuïties en vervangt ze door de statuscompetitie. Anders gezegd, bij grote ongelijkheid ontbreekt het gevoel van gezamenlijkheid dat voor democratie nodig is.

woensdag 16 februari 2022

Is het eigenlijk niet eigenaardig dat economen het morele domein uit hun vak hebben verbannen en aan de politiek hebben overgelaten? Want economie gaat toch over mensen?

Hans Stegeman legde gisteren in zijn column in het Financieel Dagblad heel beknopt uit dat grote ongelijkheid op allerlei manieren ten koste gaat van economische groei. Grote vermogens die bij een kleine groep geconcentreerd zijn, worden niet meer productief aangewend. De vermogenden zijn meer bezig met hun status te verdedigen en door te geven aan hun kinderen, dan met het bijdragen aan economische groei:

ultrarijke ondernemers gaan soms volslagen nutteloze dingen met hun kapitaal doen en rijke huishoudens hebben vaak als enige doel meer geld te verzamelen en goed te zorgen voor hun nageslacht. Door te teren op vermogen, handelen vermogenden extractief en bevestigen vooral hun eigen economische status
 
Er ontstaat een "rentenierseconomie",  met een groot onbenut potentieel, door de overdaad aan statusgoederen (positional goods) van de rijken, doordat de rijken alles doen om hun kinderen, ook als die niet zo slim zijn, een hoge positie te bezorgen en doordat slimme kinderen van arme ouders te weinig kansen krijgen. 

Er zijn natuurlijk meer negatieve gevolgen van te grote ongelijkheid. De rijke elite is al snel geneigd de democratie, waarin immers ieders stem even zwaar telt, als een bedreiging te zien. En zal daardoor zijn middelen aanwenden om niet alleen politici te beïnvloeden, maar ook door media op te kopen de publieke opinie. Zie Als je de ongelijkheid laat toenemen, dan creëer je rijken die de democratische overheid niet anders kunnen zien dan als een schurk die hun geld wil. Daardoor en door andere gevolgen dreigt een toenemende ongelijkheid een onomkeerbaar proces te worden. 

Hoe komt het eigenlijk dat de ongelijkheid zo is toegenomen? En dat de negatieve gevolgen ervan zo zijn onderschat? Een antwoord daarop zou wel eens te maken kunnen hebben met de aard van het vak economie. En met de invloed die dat vak op de politiek heeft uitgeoefend. 
 
Want wat is het geval? Economen vinden dat hun vak niet gaat over hoeveel ongelijkheid wenselijk is. Hans Stegeman begint daar zijn column mee:

Economen zeggen vaak dat de verdeling van welvaart, dus de uitkomst van het economisch proces, niet aan hen is. De politiek (vaak beïnvloed door gelobby) bepaalt immers de mate van ongelijkheid die een land wil hebben, niet de econoom.
 
Niet het vak economie, maar de politiek, in een democratie dus wij-met-zijn-allen, moet bepalen hoeveel ongelijkheid goed is. In die politieke besluitvorming kunnen ook morele overwegingen een rol spelen, maar daar houdt het vak economie zich niet mee bezig.
 
Hans Stegeman brengt daar dus tegenin dat ongelijkheid helemaal niet economisch neutraal is en dus niet door de economen buiten beschouwing kan worden gelaten. Dat is het argument dat we op dit blog al vroeg tegenkwamen. Zie deze berichten uit 2011: Inkomensongelijkheid is slecht voor stabiele economische groei, Inkomensongelijkheid is slecht voor (stabiele) economische groei - vervolg en De mythe dat ongelijkheid nodig is voor economische groei. Het vak economie zou moeten gaan inzien dat grote ongelijkheid slecht is voor de economie.

Maar is het eigenlijk ook niet eigenaardig dat economen het morele domein uit hun vak hebben verbannen en aan de politiek hebben overgelaten? Want economie gaat toch over mensen en morele noties zijn, hoe zeg je dat?, toch constituerend voor mensen? Als je de moraal weghaalt, dan heb je geen mensen meer. En die moraal gaat over de menselijke waardigheid van het iedereen-telt-mee.

Maar economen hebben ooit gekozen voor de "morele luchtledigheid" van hun vak. Dat ligt eraan dat ze "de markt" hebben aangewezen als enige en zaligmakende bron van welvaart en in die constructie, want dat is het, ontbreken morele noties. 
 
Maar dat is bepaald niet een onschuldig besluit. Want daarmee is hun vak "onmenselijk" geworden. In de zin dat wat het mens zijn uitmaakt, de moraal, genegeerd wordt. Zie mijn reeks berichten over wat die morele luchtledigheid voor het vak en voor het maatschappelijk denken zoal heeft betekend: De pogingen om het economieonderwijs te hervormen zijn nog niet zo succesvol - En dus over de morele luchtledigheid van het vak
 
Economie als een menselijk vak zou zich hebben laten leiden door de morele gemeenschapsintuïtie van het iedereen-telt-mee en dan had het de mate van ongelijkheid tussen mensen vanaf het begin in zijn analyses meegenomen als een cruciaal criterium. 
 
Gegeven de grote maatschappelijke invloed van het vak, hadden we dan nu in een menselijker maatschappij geleefd.

Bedenk overigens dat die morele luchtledigheid ook kleeft aan het vak sociologie: Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

maandag 24 januari 2022

Als je de ongelijkheid laat toenemen, dan creëer je rijken die de democratische overheid niet anders kunnen zien dan als een schurk die hun geld wil

""Ongelijkheid" is nooit de officiële doodsoorzaak, maar vaak wel de werkelijke." Jayati Ghosh wijst er vandaag op dat de pandemie ons op een harde waarheid heeft geattendeerd: ongelijkheid in inkomen en kansen creëert niet alleen onrechtvaardige, ongezonde en ongelukkige maatschappijen, maar is ook een doodsoorzaak. Zie The biggest killer of pandemic times: inequality.

In de afgelopen twee jaar zijn mensen gestorven doordat ze niet snel genoeg toegang hadden tot vaccinaties, terwijl dat wel mogelijk was geweest als de technologie van de productie van vaccins gedeeld was. Of ze stierven doordat de publieke gezondheidszorg tekortschoot en ze de middelen ontbeerden om van de private zorg gebruik te maken. En terwijl zij stierven, werden de rijkste mensen in de wereld rijker dan ooit en maakten de grootste ondernemingen nog niet eerder voorgekomen hoge winsten.

Ghosh haalt het recente Oxfam-rapport aan, dat berekende dat in diezelfde periode het vermogen van de tien rijkste mensen verdubbelde, terwijl 99 procent van de wereldbevolking erop achteruitging. Een toename van ongelijkheid die in verband gebracht kan worden met tenminste een extra overlijdensgeval per elke vier seconden. De getroffenen woonden meer in armere landen, waren meer vrouwen en meisjes, waren meer slachtoffer van discriminatie en waren meer afhankelijk van informele arbeid.

En zelfs in deze periode voerden regeringen een beleid dat de macht van de rijken verder vergrootte, door hen nog minder te belasten, door nog meer private monopolies toe te staan, door de regels voor bescherming van het milieu te versoepelen en door de arbeidsmarkt verder te dereguleren en de rechten van werknemers te verzwakken. Niet alleen is de ongelijkheid dodelijk voor de zwakkeren, hij vernietigt ook de aarde zoals wij die kennen en nodig hebben. Oxfam berekent dat twintig van de rijkste miljardairs verantwoordelijk zijn voor 8000 maal de uitstoot van kooldioxide van het armste miljard van de wereldbevolking.

Aan dat alles valt wat te doen. Want die extreme toename van ongelijkheid is niet ondanks, maar juist dankzij beleid van overheden tot stand gekomen. Dat beleid kan worden teruggedraaid. Overheden kunnen weer meer de verantwoordelijkheid op zich nemen voor het voorzien in de basisbehoeften van de bevolking, ze kunnen een eind maken aan de privatisering en commercialisering van kennis door intellectuele eigendomsrechten (patenten, octrooien) en ze kunnen de markt reguleren ten behoeve van het algemene belang. Anders gezegd, ze kunnen al die neoliberale "economische hervormingen" van de afgelopen tientallen jaren terug draaien. En ze kunnen een eind maken aan al die belastingvoordelen waar de rijken en de grote ondernemingen zo van profiteren.

Dat alles, en meer, kan en is hoognodig.

Maar lukt dat nog wel, nu de rijken en de grote ondernemingen zo machtig zijn geworden? Zo machtig dat ze de democratie naar hun hand kunnen zetten. Niet alleen door politieke besluiten "te kopen", door beïnvloeding, financiering van denktanks en corruptie, maar ook door media op te kopen en zo de publieke opinie te beïnvloeden. Lees allen Dark Money. The Hidden History of the Billionaires Behind the Rise of the Radical Right van Jane Mayer en Democracy For Sale. Dark Money and Dirty Politics van Peter Geoghegan. 

Moeten we niet vrezen dat een eenmaal in gang gezette ongelijkheid een onomkeerbaar proces is? De vrees dat dat zo is, moeten we onder ogen zien. Want dat maakt duidelijk hoeveel krachtsinspanning er nodig zal zijn.

Ik moest daaraan denken toen de Amerikaanse President, Joe Biden, die in zijn eerste jaar zoveel heeft gedaan (en nog meer heeft geprobeerd) om de overheid weer op het pad van het algemene belang te brengen, zich afvroeg wat zijn politieke tegenstanders, de Republikeinen, eigenlijk beweegt om politiek te bedrijven. De aanleiding daartoe was niet alleen dat de Republikeinen het niet nodig achten om een verkiezingsprogramma op te stellen, maar ook dat hun politiek in feite uit niets anders bestaat dan het dwarsbomen van alles wat de regering-Biden tot stand zou willen brengen. Lees ‘What are Republicans for?’ Just one thing. Maar lees vooral ook wat geschiedenishoogleraar Heather Cox Richardson daar over schreef:

That radicalization, stoked by Republican leaders, is at the point of destroying, once and for all, the idea of a government that works for the people. Republican leaders have stood by as Trump and his lackeys goaded followers into believing that Democratic governance is illegitimate and that Democrats must be kept from power. 
 
En abonneer je op haar dagelijkse nieuwsbrief, Letters from an American, als je op de hoogte wil blijven van de belangrijke ontwikkelingen in de Amerikaanse politiek.

Dat de Republikeinen niet of nauwelijks een programma hebben, is eigenlijk niet verrassend. Ze zijn er helemaal niet op uit om een beleid te voeren dat in een democratie bedoeld is ten behoeve van het algemeen belang. Dat in het teken staat van het iedereen-telt-mee van de morele gemeenschapsintuïties. 
 
Integendeel, de democratie vormt een bedreiging voor het eigen belang. En die moet dus aan dat eigen belang ondergeschikt worden gemaakt. Door op welke manier dan ook, legaal of illegaal, aan de macht te komen en de democratische overheid zoveel mogelijk monddood te maken. 
 
Dat klinkt allemaal heel extreem en dat is het ook. Maar de grondslag ervan kreeg ooit, in 1986, een wetenschappelijk cachet, namelijk met de toekenning van de Nobelprijs voor economie aan James M. Buchanan. De James Buchanan die er geen geheim van maakte dat rijken nooit konden instemmen met de democratie. Denk aan de passage uit het boek van Nancy MacLean die ik eerder aanhaalde:
 
But for Buchanan, once again the issue (dat van de democratie) was personal. "Why must the rich be made to suffer?", he asked pointedly. If "simple majority voting" allowed the government to impose higher taxes on a dissenting individual in the minority - "the citizen who finds that he must, on fear of punishment, pay taxes for public goods in excess of the amounts that he might voluntarily contribute" - what distinguishes that from "the thug who takes his wallet in Central Park?"

Een rijke die wordt gedwongen om meer belastingen te betalen dan waar hij uit vrije wil toe bereid zou zijn, die kan de democratische overheid niet anders zien dan als een schurk die op zijn portemonnee uit is.

Zo eenvoudig ligt dat. Als je de ongelijkheid laat toenemen, dan creëer je rijken die de democratische overheid niet anders kunnen zien dan als een schurk die hun geld wil.

dinsdag 26 oktober 2021

De strijd voor de democratie is de strijd tegen excessieve rijkdom - en dus over (progressieve) belastingheffing

Rond 1970 begon de neoliberale ideologie de politiek in zijn greep te krijgen. Een van de kernpunten van die ideologie is dat de inkomens- en vermogensverdeling geen overheidszorg behoort te zijn. Grote ongelijkheid is niet verkeerd, integendeel, juist goed, want hij prikkelt mensen om zich in te spannen. Als je "hard werkt", moet je ook meer kunnen verdienen. Jawel, dat ging uit van het treurige mensbeeld waarin mensen zonder prikkels, financiële prikkels, hun bed niet uitkomen.

Dus moeten hogere inkomens en grotere vermogens minder belast worden. Dat zou ook goed zijn voor de economie, waardoor al die rijkdom aan de top uiteindelijk ook neerdaalt bij de midden- en lagere inkomensgroepen (trickle down).

Vijftig jaar later weten we dat dat hele verhaal voor geen meter klopt. Het gaat inderdaad om een ideologie, die geheel in dienst staat van de belangen van de superrijken. Het argument dat meer ongelijkheid goed zou zijn voor de economie, is onderuitgehaald. Grote ongelijkheid heeft niet alleen grote negatieve sociale en welzijnsgevolgen, maar is ook slecht voor stabiele economische groei. Volgens IMF-berekeningen gaat een daling van de Gini-coëfficiënt (een maat voor ongelijkheid) van 40 naar 37 samen met een verlenging van 50 procent van de te verwachten periode van economische groei. En Robert H. Frank liet zien dat landen met meer inkomensongelijkheid gemiddeld een lagere economische groei vertoonden. Bovendien was per land de economische groei lager in periodes met grotere inkomensongelijkheid dan in periodes met lagere inkomensongelijkheid.

Maar daar nog bovenop zijn er de negatieve gevolgen van grote ongelijkheid voor de democratie. Als je superrijk bent, is de kans groot dat je de democratie, waarin immers iedereen - rijk en arm - gelijk meetelt, ziet als een bedreiging. Je wordt geacht je neer te leggen bij meerderheidsbesluiten, maar die kunnen slecht uitpakken voor jouw rijkdom. En superrijken hebben doorgaans de neiging om te denken dat ze hun rijkdom geheel door eigen inspanningen verdiend hebben en dat die hen dus toekomt. Die gedachte is een uitvloeisel van datzelfde mensbeeld: iedereen die arm is, heeft dat aan zichzelf te wijten. En moet dus niet, via de democratie, de kans krijgen om zich te vergrijpen aan de rijkdommen van degenen die wel hard gewerkt hebben.

Wat daaruit volgt, is gemakkelijk in te zien. De superrijken zullen hun middelen aanwenden om de democratie te beïnvloeden (zoals door het opkopen van de media), in te perken of zelfs af te schaffen. Dat begon dus al rond 1970, toen in allerlei landen politici ertoe gebracht werden om ineens te gaan denken dat het een goed idee was om de toptarieven in de inkomsten-, vermogens- en erfbelastingen sterk te laten dalen.

Maar dat was nog niet genoeg. Het Grote Geld slaagde erin om de politiek zo te beïnvloeden dat het niet of nauwelijks belasting betalen door de superrijken - door mogelijkheden tot belastingontwijking - meer of minder openlijk werd toegestaan. Denk aan wat door de Pandora-papers aan het licht werd gebracht. Of denk aan de Republikeinse partij in de Verenigde Staten, die zichzelf volledig transformeerde tot een anti-belastingpartij en die fel gekant is tegen het voornemen van de Biden-regering om de Belastingdienst (de Internal Revenue Service) eindelijk eens van voldoende middelen te voorzien om belastingontduikers en -ontwijkers aan te pakken (Biden’s Proposal to Empower I.R.S. Rattles Banks and Their Customers en The Rotten Core of the Republican Party).

En dan is er als laatste de stap om te proberen de democratie dan maar helemaal af te schaffen. Dat is de stap die de superrijken in de Verenigde Staten via die Republikeinse partij in feite al gezet hebben. Ze hebben de, op zich juiste, conclusie getrokken dat de instandhouding en uitbreiding van hun rijkdom zich niet verdraagt met de democratie. En we moeten nog maar afwachten wie er wint, het Grote Geld of de democratie.

Dat alles wijst erop hoezeer democratie en belastingheffing met elkaar samenhangen. We zien nu dat het verzet van de superrijken tegen het heffen van belasting op hun rijkdom naadloos overgaat in het verzet tegen de democratie. Maar we zagen ook, terug in de geschiedenis, hoezeer de vestiging van de democratie, en dus de introductie van het algemeen kiesrecht, en de (progressieve) belastingheffing met elkaar samenhingen. Thomas Piketty liet dat fraai zien in zijn Capital and Ideology (zie nog eens Over de strijd tussen de morele gemeenschapsintuïties van de sociaaldemocratie en het amorele vak economie).

Precies over dat verband tussen democratie en progressieve belastingheffing was er vorig jaar de studie Democracy and the global spread of progressive taxes in het tijdschrift Global Social Policy, die ik nog maar kort geleden onder ogen kreeg. De onderzoekers laten daarin zien dat voor 131 landen in de periode tussen 1800 en 2015 geldt dat de landen die op dat moment meer democratisch waren meer overgingen op progressieve belastingheffing (inkomstenbelasting en erfbelasting) dan de landen die toen minder democratisch waren. En dat verschil was er niet als het ging om indirecte, en dus niet progressieve, belastingen, zoals omzetbelasting en BTW).

De strijd om de democratie is dus een strijd tegen excessieve rijkdom en wel door middel van progressieve belastingheffing. Dat was toen zo, ruim een eeuw geleden, en het is nu weer zo.

maandag 11 oktober 2021

Het neoliberale, vulgair-economische, denken, mag bekend staan als de leer van het primaat van de markt, maar komt in de praktijk neer op het vergroten van de macht van de grote ondernemingen en van de ongelijkheid.

Het neoliberale, vulgair-economische denken, mag bekend staan als de leer van het primaat van de markt, maar komt in de praktijk neer op het vergroten van de macht van de grote ondernemingen en van de ongelijkheid. Dat maakt Simon Wren-Lewis aannemelijk in een wel heel interessante blogpost: Neoliberalism, Corporations and Wealth Inequality. Iedereen zou die moeten lezen, maar laat ik proberen er een samenvatting van te geven.

Dat die macht van de grote ondernemingen zo groot is, blijkt bijvoorbeeld uit de bepalingen in handels- en investeringsverdragen dat ondernemingen overheden kunnen aanklagen als die iets besluiten dat in het nadeel is van een betrokken onderneming. Denk aan het Zweedse kernenergiebedrijf Vattenfall dat de Duitse regering aanklaagde toen die na de ramp met de kernenergiecentrale in het Japanse Fukushima besloot om met kernenergie te stoppen. Of aan het Duitse bedrijf Uniper dat Nederland aanklaagde na het besluit om de Maasvlakte kolencentrale eerder te sluiten dan was overeengekomen. 

Het gaat om bepalingen die duidelijk de bedoeling hebben om de risico's die door nieuwe inzichten kunnen ontstaan, zoals nieuwe inzichten over negatieve effecten op milieu en klimaat, volledig bij overheden te leggen. Waardoor het overheden wordt bemoeilijkt om snel en adequaat naar die nieuwe inzichten te handelen. Het feit dat grote ondernemingen zulke bepalingen kunnen laten opnemen, wijst er op dat ze zo machtig zijn geworden dat ze hun wil aan overheden kunnen opleggen.

Wren-Lewis ziet die grote macht als een aanwijzing dat neoliberalisme in de praktijk neerkomt op de verschuiving van de macht van overheden naar die van de grote ondernemingen. Het is niet de markt die regeert, en het zijn niet de overheden, maar de grote ondernemingen. Onder het mom van "de markt doet alles goed", gaat het in feite om "Corporations can do no wrong - by definition".

Die verschuiving hield ook in dat grote ondernemingen in staat waren om voor hen gunstig overheidsbeleid af te dwingen. Denk aan de verlaging van de toptarieven in de inkomstenbelasting, zoals de verlaging in 1985 van 90 procent naar 50 procent (!) in de Verenigde Staten. Dit maakte het voor bestuurders van grote ondernemingen mogelijk om hun inkomens sterk te verhogen. 

En doordat ze zich ook lieten belonen met aandelen, kregen ze er belang bij om een groter deel van de winsten in dividenden te laten uitkeren. Waardoor de aandelenkoersen sterker gingen stijgen dan met een toename van de productie kon worden verklaard. En wat blijkt? Dat ging ten koste van het aandeel van de arbeid, dus van de lonen. En zo kwam het proces van de sterk groeiende ongelijkheid op gang. Met die daling van de toptarieven in de inkomstenbelasting was het hek van de dam.

Maar dat proces lijkt tegen zijn grenzen aan te lopen. Als overheden zo horig worden aan de grote ondernemingen, wordt uiteindelijk iedereen, behalve de rijkste 1 procent, slachtoffer. Niet alleen de werknemers, maar ook de kleine en middelgrote ondernemingen. Wren-Lewis wijst naar de gevolgen van Brexit in Groot Brittannië, door het Grote Geld ondersteund en gefinancierd, maar zo slecht uitpakkend voor de rest. En naar het "beleid" van het Trump-bewind in de Verenigde Staten, met nog meer belastingverlaging voor de allerrijksten en restricties van vrijhandel en immigratie met negatieve gevolgen voor de rest.

Geen democratische overheden die gericht zijn op het iedereen telt mee, maar populistische plutocratieën.

woensdag 1 september 2021

Democratie bedreigd door toegenomen ongelijkheid en het Grote Geld - Deel 4 van De mensheidsgeschiedenis in drie stappen

We zijn in een fase van de mensheidsgeschiedenis aangekomen waarin we met twee grote uitdagingen worden geconfronteerd. Zo besloot deel 3 van deze reeks (De Vos, 2021). De eerste is die van de onderlinge verhoudingen: zullen we de democratie weten te handhaven, de institutionele vormgeving van onze oeroude morele gemeenschapsintuïties van het iedereen telt mee? En de tweede is die van onze verhouding tot de aarde, die een afgeleide is van onze verhouding tot volgende generaties. Als dat iedereen telt mee ook de volgende generaties omvat, dan staan we voor de opgave om Moeder Aarde zo door te geven dat ook voor hen een leven mogelijk is.

Zo begint deel 4 van De mensheidsgeschiedenis in drie stappen, waarin het gaat over de bedreigingen van de democratie door de toegenomen ongelijkheid en het Grote Geld. Lees verder op Civis Mundi Digitaal #113.

Lees hier Deel 5.

maandag 30 augustus 2021

Het is bovenal de toegenomen inkomensongelijkheid die de daling van de rente in de afgelopen veertig jaar verklaart. En dus de stagnatie van de economie en de hogere werkloosheid.

Update 3. Servaas Storm heeft uitgebreide en diepgravend kritiek op de studie van Mian, Straub en Sufi. En komt met een alternatieve verklaring voor het verband tussen toenemende  ongelijkheid en dalende rente.  Daarin speelt een grote rol het verlaten van het streven naar volledige werkgelegenheid door overheden eind jaren zeventig. Interessant en belangrijk. Zie Why the Rich Get Richer and Interest Rates Go Down.

Update 2.  Lees nu ook Maarten Schinkel: De ongelijkheid jaagt nu zijn staart achterna. Met als slot:  "de maatschappelijke ontwrichting door ongelijkheid kan veel sneller gaan dan we nu nog beseffen."

Update 1. Zie nu ook het bericht in de Financial Times: The rich get richer and rates get lower. Maybe it’s not about demographics, after all. Waarin ook kort wordt ingegaan op wat er met al dat geld gebeurt dat steeds meer bij de hoogste inkomens terechtkomt en dat niet wordt geïnvesteerd. Het wordt uitgeleend aan de overheid en aan de lage inkomenshuishoudens. Bedenk daarbij dat de overheid diezelfde middelen ook had kunnen verkrijgen door hogere belastingen voor de rijken. En bedenk dat die armere huishoudens ook graag een hoger loon hadden gehad, zodat ze zich minder in de schulden hadden hoeven te steken.

En bedenk tenslotte dat dit alles een neerdrukkend effect heeft op de totale vraag naar goederen en diensten. De overheid en de lagere inkomens moeten lenen om nog wat geld te kunnen uitgeven. Als de belastingen voor de hogere inkomens en de lonen hoger waren, dan was dat niet nodig geweest en was de totale vraag groter. En dan zouden ondernemingen meer investeren en zouden de rente en de inflatie en de economische groei hoger zijn.

We leven in een geldeconomie en in een geldeconomie is de economie een kringloop. Dat leerde ik lang geleden in de colleges van Jan Pen, die voor Groningse sociologiestudenten het bijvak economie gaf. Maar die kringloop kan worden verstoord als geld wordt "opgepot", dat wil zeggen, gespaard zonder te worden geïnvesteerd. De economie verkeert dan in een toestand van seculiere, of eeuwigdurende of langdurige, stagnatie. Met weinig of geen economische groei, lage of zelfs negatieve inflatie en lage rente. Doordat geld niet "benut" wordt, worden ook de beschikbare hulpbronnen, waaronder arbeid, niet benut. Dus hoge werkloosheid en armoede.

Een belabberde toestand, die niet zou hoeven. Meer investeren zou helpen. Waardoor gebeurt dat dan niet? Hoe te verklaren dat we de laatste decennia, zo'n veertig jaar, met lage groei, lage rente, lage inflatie en met werkloosheid hebben te kampen? 

In de nieuwe studie What explains the decline in r∗?Rising income inequality versus demographic shifts wordt dat voor de Verenigde Staten onderzocht. Het gaat daarin om twee mogelijke verklaringen. Er kan een demografische oorzaak zijn, die erin ligt dat de bevolking vergrijst en er daardoor meer gespaard wordt om pensioen op te bouwen. Maar ook de toename van inkomensongelijkheid kan een rol spelen. Want hogere inkomens sparen meer en als het aandeel hogere inkomens toeneemt, wordt er dus meer gespaard.

Het is lastig om uit te maken welke oorzaak het belangrijkste is, omdat beide ontwikkelingen zich in dezelfde tijd afspeelden. Maar in die nieuwe studie gebruiken de onderzoekers een databestand van gegevens over het huishoudinkomen en de leeftijd van het hoofd van het huishouden over de periode van 1950 tot 2019. 

Uit die (voor mij veel te ingewikkelde) analyses komt inderdaad naar voren dat de 10 procent hoogste inkomens tussen de 10 en 20 procent meer van hun inkomen sparen dan de 90 procent laagste inkomens. Dat verschil bestaat over de hele periode en neemt met de tijd toe. Maar bovendien was er tussen 1983 en 2019 een grote verschuiving in het aandeel van het inkomen naar die top 10 procent. In 2019 had de top 10 procent een aandeel dat 15 procent hoger was dan het aandeel van de top 10 procent voorafgaand aan de jaren 80.  Daar zie je dus de toename van de hogere inkomens, van inkomensongelijkheid.

De combinatie van die twee, meer sparen door hogere inkomens plus de toename van het aandeel inkomen dat naar de 10 procent hoogste inkomens gaat, verklaart dat de 10 procent hoogste inkomens in de periode tussen 1995 en 2019 3 tot 3,5 procent van het nationale inkomen meer spaarde dan voorafgaand aan de jaren 80. Dat komt overeen met 30 tot 40 procent van de totale private besparingen in dezelfde periode.

Daartegenover wijst er weinig op dat de vergrijzing een grote rol speelde, omdat er maar weinig variatie is in hoeveel verschillende leeftijdsgroepen spaarden. 

Daarom concluderen de onderzoekers dat het bovenal de toegenomen inkomensongelijkheid is die de daling van de rente in de afgelopen veertig jaar verklaart. En dus de stagnatie van de economie en de hogere werkloosheid.

Dat is voor economen een belangrijke conclusie. Want die hebben de neiging om zich niet zo te interesseren voor de inkomensverdeling. Maar de afgelopen veertig jaar leert dus dat een toename van inkomensongelijkheid macro-economische gevolgen heeft. 

Er waren natuurlijk al aanwijzingen dat inkomensongelijkheid slecht is voor (stabiele) economische groei. Zie hier en hier.

En dan hebben we het nog niet over de vele negatieve sociale en maatschappelijke gevolgen van grote inkomensongelijkheid.

maandag 26 april 2021

Neoliberalisme is via toenemende ongelijkheid een bedreiging voor de democratie - In de VS. In het UK. En in Nederland?

Bericht voor degenen die dit blog via email abonnement volgen (Follow by email): als ik het goed begrijp wordt deze mogelijkheid in juli opgeheven. Ik kan daar helaas niets aan veranderen. Probeer een andere manier te vinden om dit blog te blijven volgen.

Het neoliberalisme als politiek-ideologische toespitsing van het moreel luchtledige vak economie, waar we de afgelopen decennia zo onder geleden hebben, heeft geen problemen met grote ongelijkheid. Sterker, de ongelijkheid die er is, is altijd een uitkomst van de werking van de markt en is dus altijd precies de juiste verdeling. Iedereen krijgt wat hij "verdient". En de rijken verdienen hun rijkdom omdat ze zo goed tegemoetkomen aan 'de wensen van de markt". Bovendien is er de neoliberale mythe dat die rijkdom uiteindelijk iedereen ten goede zou komen (trickle-down).

Tot dat oordeel kom je doordat je de morele noties van iedereen telt mee en van rechtvaardigheid niet kent of als niet van toepassing hebt verklaard. Ze gelden niet en horen niet te gelden, want ze zouden de juiste werking van de markt belemmeren. En die juiste werking is noodzakelijk want de markt wordt geacht de enige bron van welvaart te zijn.

Maar de geschiedenis, juist ook de recente, heeft ons gewezen op de vele negatieve gevolgen van grote ongelijkheid, die bovendien een zichzelf versterkend proces in werking stellen. Waardoor toenemende ongelijkheid een onomkeerbaar proces dreigt te worden (linkt naar een bericht uit 2014).

Een en ander wijst erop dat de markt niet neutraal is tussen gemeenschap en statuscompetitie. Als je de morele gemeenschapsintuïties buitenspel zet, dus het gemeenschapsevenwicht welbewust verlaat, dan blijf je niet ergens halverwege hangen, maar schiet je meteen door naar het statuscompetitie-evenwicht. (Ga voor die evenwichten even weer naar Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.)

Dat houdt onder meer ook in dat grote ongelijkheid een bedreiging is voor de democratie. Want de democratie is immers de hedendaagse vormgeving van onze morele gemeenschapsintuïties op het niveau van de nationale staat. En het houdt in dat de democratie zich in de loop van de vorige eeuw in veel landen doorzette, terwijl het moreel luchtledige vak economie, dat die neutraliteit van de markt als vanzelfsprekend aannam, aan de zijlijn toekeek. Het vak economie kan niet goed uit de voeten met de democratie, anders dan dat het daar altijd alleen maar zou draaien om ieders eigenbelang. 

Al met al komt dit er op neer dat het neoliberalisme, via die tolerantie voor, ja, zelfs omarming van, toenemende ongelijkheid, een bedreiging vormt voor de democratie. Simon Wren-Lewis boog zich daarover vorige week in Why neoliberalism’s evolution into a populist plutocracy was inevitable. Boeiend. Lezen! Conclusie:

To summarise, neoliberalism in the US and UK was bound to lead to plutocratic populism, because it promoted growing inequality at the top, drastically reduced the power of trade unions, deregulated the media, and adopted culture war politics. These create the conditions in which populists acting in the interests of private money can take over the main party of the right.

Zou het zo zijn dat een soortgelijk proces zich onder onze ogen ook in Nederland voltrekt? 

maandag 8 maart 2021

Ongelijkheid tussen mannen en tussen mannen en vrouwen gaan altijd samen op

De ongelijkheid tussen mannen en de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen gaan samen op. En daarom zouden tegenstanders van die twee ongelijkheden ook samen moeten optrekken.

Dat betoogt Kate Pickett vandaag, op Internationale Vrouwendag, in haar Social Europe-column: Fissures that tear us apart and pressures that weigh us all down. Ongelijkheid tussen mannen vrouwen, in politieke invloed, in rechten, in macht, in inkomen, in prestige, in veiligheid, is niet een afzonderlijk probleem. Het is onderdeel van de bredere economische ongelijkheid tussen groepen. Hoe ongelijker een land, hoe meer het statuscompetitiepatroon domineert en hoe conflictueuzer de samenleving:

Think of society as a social ladder. In more unequal societies, the ladder is propped at a steeper angle and the rungs are further apart. Where one stands on that ladder matters more in a more unequal society: status and hierarchy are more important, competition for status more intense. So inequality is linked to more aggression and more pugnacity, to more bullying and more violence, to stronger dominance hierarchies among men. And when there is more status competition among men, women’s status suffers more.

We weten dat. Ongelijkheid kwam met de Landbouwrevolutie de mensheidsgeschiedenis binnen. In jagers-verzamelaarssamenlevingen was er een grote mate van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. En dat hing samen met de grote mate van gelijkheid tussen mannen. Voor hun overleving waren jagers-verzamelaars aangewezen op samenwerking en delen van voedsel en dus op sociale harmonie. Ten behoeve daarvan werd de neiging tot statuscompetitie individueel en zo nodig collectief onderdrukt.

Dat betekende voor vrouwen dat ze niet konden worden gedwongen om zich aan een man te binden. Als haar man haar domineerde of slecht behandelde, kon ze de relatie beëindigen. En steun zoeken bij andere vrouwen, een andere man of haar eigen familie. Mannen konden geen "eigendomsrecht" op vrouwen laten gelden.

Dat veranderde met de de overgang naar landbouw en dus naar eigendom. Bezit moest worden beschermd en dat leidde er toe dat zonen bij hun vader bleven. Dus werden dochters uitgehuwelijkt en werden vrouwen van elders gehaald. Het fenomeen van de bruidsschat ontstond, waarmee vrouwen handelswaar werden. Waardoor vrouwen ondergeschikt moesten worden aan mannen. En trouw aan hun man. Want omdat je bezit had en dat wilde doorgeven aan je kinderen, wilde je als man zekerheid over het vaderschap. Waar jagers-verzamelaarsmannen niet zo om maalden, werd voor landbouwers een prioriteit.

Bovendien leidde de toegenomen ongelijkheid er toe dat een man meer vrouwen kon nemen ('kopen"). Voor vrouwen hield dat in dat ze voor de keus konden komen te staan om een van de vrouwen van een rijke man te worden of de enige vrouw van een arme man. Het eerste was dan vaak aantrekkelijker. Lees voor meer Het afscheid uit het paradijs was niet goed voor vrouwen.

Sekse-ongelijkheid is dus een van de verschijningsvormen van de dominantie van het statuscompetitiepatroon dat met de overgang naar landbouw onze geschiedenis binnenkwam.  Zie ook Sekse-ongelijkheid als verschijningsvorm van statuscompetitie. Dat betekent, in de woorden van Kate Pickett, dat je met het uitlichten van de ene vorm ook de andere voor het voetlicht brengt:

Shining the light on one kind of inequality can pave the way to looking at others. A requirement to report chief-executive pay, and the gap between that and the average worker—a vertical inequality—followed hard on the heels of reporting on gender pay gaps—a horizontal inequality—coming into force in the UK in 2019. There is great expectation that we shall soon see a requirement for larger companies to report ethnic pay gaps as well. A demand for one kind of equality can fuel demand for another.

Het terugdringen van de statuscompetitie is daarmee hét middel om in één klap meer doelen te bereiken: minder ongelijkheid tussen mannen en minder ongelijkheid tussen mannen en vrouwen en minder ongelijkheid tussen meerderheden en minderheden. Kate Pickett:

smaller inequalities of income lead to increases in women’s political participation—women are in power because their societies are more equal, because male dominance hierarchies have been loosened and because more egalitarian societies value diversity and inclusion.

En dan komt een positieve terugkoppeling in werking. Want wat blijkt? Landen met vrouwelijke politieke leiders waren succesvoller in het reageren op de coronapandemie. Kate Pickett verwijst naar dit, nog niet peer-reviewed, onderzoek: Women in power: Female leadership and public health outcomes during the COVID-19 pandemic. Daaruit blijkt dat van de 35 landen waarvan data beschikbaar waren, de landen met vrouwelijke leiders minder COVID-19 overlijdensgevallen per hoofd van de bevolking kenden en effectiever en sneller waren in het afvlakken van de toenames van het aantal besmettingen, met lagere pieken in het aantal dagelijkse sterfgevallen. 

Dat kan er zowel aan gelegen hebben dat die vrouwelijke leiders beter handelden, maar tegelijk ook aan het feit dat die landen een sterkere focus hadden op gelijkheid, menselijke behoeften en generositeit. Anders gezegd, meer verzorgingsstaten waren.