Posts tonen met het label jagers-verzamelaars. Alle posts tonen
Posts tonen met het label jagers-verzamelaars. Alle posts tonen

woensdag 13 maart 2024

Waar ligt het moment dat het kwaad moet worden tegemoetgetreden? - Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 19

De opening van het Nationaal Holocaustmuseum in Amsterdam doet ons terugdenken aan het verleden, aan de geschiedenis van de Jodenvervolging in Nederland, maar is evenzeer een oproep om de actualiteit van het huidige rechts-extremisme onder ogen te zien. Hier het vorige bericht. Zoals je op de website van het museum kunt lezen:

Hier komen bezoekers te weten hoe de Holocaust heeft kunnen gebeuren, wie de slachtoffers en verantwoordelijken waren en hoe we kunnen voorkomen dat dit opnieuw gebeurt. (...)

In het Nationaal Holocaustmuseum herdenk je de slachtoffers en bespreek je de gevolgen van onverschilligheid en discriminatie, toen en nu.

Een antwoord op de vraag hoe het kon dat Nederlanders het lieten gebeuren dat driekwart van hun Joodse landgenoten werden afgevoerd en vermoord, is niet alleen van historisch, maar ook van groot actueel belang. En het is een bijzonder geval van de fundamentele sociaalwetenschappelijke vraag naar de voorwaarden waaronder de extreme uitingsvormen van het statuscompetitiepatroon, het kwaad, in een samenleving ruim baan krijgen.

Wat die laatste vraag betreft, zagen we al hoe het natuurlijke tegenwicht tegen het kwaad van dat statuscompetitiepatroon, het gemeenschapspatroon, kan falen als het kwaad in kleine stapjes wordt toegediend. Er kan dan namelijk een switch plaatsvinden naar de activering van het statuscompetitiepatroon. Want hoe meer mensen dat patroon in hun omgeving waarnemen, hoe groter de kans dat ook hun eigen gedrag erdoor geleid gaat worden. Geheel volgens Stelling 2 van de Dual Mode-theorie. 

Het beeld van een onveilige wereld wordt dan overgenomen. Waardoor je ook gaat geloven dat er vijanden zijn (de Joden, de vreemdelingen, de linkse intellectuelen) die moeten worden bestreden. Of waardoor je in je schulp kruipt en probeert om het er door die "immobilisatie" nog zo goed mogelijk van af te brengen. In het eerste geval wordt je een meeloper of een collaborateur. En in het tweede geval maak je je kwetsbaar voor de beschuldiging van de onverschilligheid, van het wegkijken.

En we zagen dat mensen zich er zolang hun gemeenschapspatroon geactiveerd is, maar moeilijk het kwaad van dat statuscompetitiepatroon kunnen voorstellen. We kunnen aan ons beeld van een veilige wereld zo lang mogelijk willen vasthouden en daardoor het kwaad laten voortwoekeren tot het te laat is.

Er zijn dus verschillende wegen waarlangs het "gemeenschapsverzet" tegen het kwaad van het statuscompetitiepatroon niet tot stand komt. Terwijl dat verzet soms zo hoog nodig is.

Daarmee zijn we aangekomen bij het onderscheid dat Richard Wrangham in zijn The Goodness Paradox. The Strange Relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution maakt tussen reactieve en proactieve agressie. 

Reactieve agressie is de agressie die voortkomt uit het geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon. Je gaat er vanuit dat het in de wereld draait om ieder-voor-zich en dat je dus altijd op je hoede moet zijn en geen gelegenheid voorbij moet laten gaan om te laten zien hoe sterk en krachtig jij bent. Alles is al snel een aanleiding om je te laten gelden en anderen op hun nummer te zetten. Het is de vorm van agressie die je bij vrijwel alle dieren tegenkomt, omdat het statuscompetitiepatroon nu eenmaal zo wijd verbreid is. Wrangham noemt het the "hot" type of aggression. Hot in de zin van direct voortkomend uit de emoties van het onveilige wereldbeeld van het statuscompetitiepatroon. 

Daarentegen heeft zich in de menselijke evolutie ook het vermogen tot proactieve agressie ontwikkeld. En dan gaat het precies over dat gemeenschapsverzet tegen het kwaad van het statuscompetitiepatroon. Die proactieve agressie heeft het mogelijk gemaakt dat de mensheid zichzelf heeft "gedomesticeerd".  Dat wil zeggen, zich tot een soort heeft ontwikkeld die in grote mate staat is tot onderlinge goedaardigheid, dus tot gemeenschapsgedrag. 

Maar daarvoor was nodig dat mensen in dat verzet, dus het verzet tegen degenen die de baas willen spelen en willen onderdrukken en overheersen, en met dat oogmerk reactief agressief zijn, onderling samenwerkten. En precies dat is waar onze vroege voorouders, de jager-verzamelaars, toe in staat waren. Ze wisten door collectief optreden, voorafgegaan door onderling overleg, eerst zachtzinnig, zoals door overreding en sociale uitsluiting, maar zo nodig met "proactieve agressie", overheersingsgedrag te onderdrukken. Wrangham geeft daar fraaie beschrijvingen van, deels op basis van onderzoek door Christopher Boehm (Moral Origins. The Evolution of Virtue, Altruism, and Shame). Die proactieve agressie is "cold", planned and deliberate.

Dat het gemeenschapsverzet in die jager-verzamelaars samenlevingen vaak succesvol was, komt doordat het statuscompetitiegedrag meestal maar bij een enkel groepslid voorkwam, snel werd opgemerkt en er daardoor snel op kon worden gereageerd. Dat is een groot verschil met huidige samenlevingen, waarin immers statuscompetitiegedrag en de bijbehorende agressie zich gemakkelijk kan uitbreiden. Zoals wanneer een vijandelijk leger met kwaadaardige bedoelingen je land binnenvalt. Of zoals wanneer kwaadaardig rechts-extremisme zich weet uit te breiden. 

Wat bepaalt dan de kans dat gemeenschapsverzet zal ontstaan en succesvol is? In plaats van die switch naar het statuscompetitiepatroon of van dat in je schulp kruipen? Hier het vervolg.

dinsdag 5 maart 2024

Een nieuw onderzoek dat er weer eens op wijst hoe onze samenleving is afgedwaald van die waarin mensen zich oorspronkelijk hebben kunnen ontwikkelen

De nieuwe studie Sensitive Responsiveness and Multiple Caregiving Networks Among Mbendjele BaYaka Hunter-Gatherers: Potential Implications for Psychological Development and Well-Being wijst er nog eens op hoe de sociale omgeving waarin kinderen tegenwoordig opgroeien afwijkt van wat in de lange periode dat onze voorouders als jagers-verzamelaars leefden gebruikelijk was. 

Die tegenwoordige sociale omgeving wordt erdoor gekenmerkt dat gezinnen in grote mate sociaal geïsoleerd leven. In de berichten op dit blog achter het label "sociaal isolement van gezinnen" lees je niet alleen over de mate van dat sociale isolement en dus over de vele tijd die kinderen met alleen de eigen ouders doorbrengen, maar ook over de aanwijzingen dat het voor de ontwikkeling en het welbevinden van kinderen beter is om ook buiten het eigen gezin vertrouwde contacten met oudere kinderen en met andere volwassenen te hebben. 

Zo is er het vele onderzoek naar het belang van veilige gehechtheid voor kinderen en zijn er de aanwijzingen dat het sociale isolement van gezinnen de kans vergroot op het ontwikkelen van een angstige of een vermijdende hechtingsstijl. Zie Waarom zijn we niet allemaal veilig gehecht? Hoe minder opgroeiende kinderen ervaren dat er ook buiten het eigen gezin vertrouwde anderen zijn bij wie ze zich veilig voelen, hoe groter de bekende angst voor vreemden en hoe moeilijker de overgang naar volwassenheid. 

Anders gezegd, kinderen groeien weliswaar op in de gemeenschapsomgeving van het eigen gezin, maar zijn onzeker of zie die omgeving daarbuiten wel zullen aantreffen. Die sociale onveiligheid vergroot de kans op de activering van het statuscompetitiepatroon, ook al doordat kinderen in het onderwijssysteem te maken krijgen met de leeftijdshomogene groepen waarin ze zich moeten zien te handhaven. Zie ook Minder pesten door kleinere scholen en leeftijdsgemengde groepen.

Die nieuwe studie doet verslag van onderzoek uitgevoerd bij een jagers-verzamelaarsgroep, de Mbendjele, in het Congolese regenwoud. De Mbendjele zijn mobiel en egalitair. Een kamp bestaat uit tussen de 20 en 80 personen, verdeeld over verschillende kerngezinnen met een lage gemiddelde verwantschap. Naast de eigen moeder zijn er andere volwassenen (allomothers) die een grote bijdrage leveren aan de zorg voor kinderen. We zien duidelijk het patroon van de coöperatieve zorg. Als een kind huilt, is er vrijwel altijd en meteen een geruststellende reactie, die vaak fysiek is. In  40 tot 50 procent van de gevallen afkomstig van een "allo-moeder", die ook een ouder kind kan zijn. Kinderen groeien in een veilige sociale omgeving op en kunnen ervan uitgaan dat die gedurende hun leven blijft bestaan.

Het onderzoek wijst er weer eens op hoe onze samenleving is afgedwaald van die waarin mensen zich oorspronkelijk hebben kunnen ontwikkelen. Die oorspronkelijke sociale omgeving van coöperatieve zorg was er voor verantwoordelijk dat het gemeenschapspatroon sterk werd bevorderd en het statuscompetitiepatroon weinig kans kreeg om te worden geactiveerd. 

In de huidige manier van samenleven moeten we vele malen meer moeite doen om iets te bereiken wat daar zelfs maar in de buurt komt. Terwijl we de voordelen van dat gemeenschapspatroon kennen en evenzeer de nadelen van dat statuscompetitiepatroon. 

We willen natuurlijk graag alle voordelen van het moderne leven. Neem de hoogontwikkelde medische zorg. Maar we moeten nog zien uit te vinden hoe we die kunnen combineren met een voor mensen geschiktere sociale omgeving. 

Waarin we meer samenwerken, niet alleen bij het grootbrengen van de kinderen, maar ook bij het in stand houden en beschermen van wat de aarde ons te bieden heeft.

vrijdag 28 januari 2022

Over David Bohms onderscheid tussen participerend denken en letterlijk denken - en over de vraag of we ons verantwoordelijk kunnen voelen voor onze planeet

David Bohm wijst erop dat wij mensen, anders dan andere dieren, de wereld om ons heen, maar ook onszelf en ons denken, op een heel bepaalde manier waarnemen. Namelijk door het filter van onze vooronderstellingen. Vooronderstellingen waarmee we geboren werden en die we gedurende onze levensloop op grond van de ervaringen die we opdoen hebben bijgesteld en uitgebreid. (Zie hier het vorige bericht). 

Dat eerste hebben we nog gemeen met andere dieren, maar dat laatste doen wij op een unieke manier, doordat wij vroeg in ons leven de stap maken naar zelfbewustzijn en waarschijnlijk gelijk daarmee taal aanleren. Dat gemeenschappelijke met andere dieren bestaat eruit dat we, doordat we levende wezens zijn en dus het resultaat van een evolutionair proces, erop zijn voorbereid dat de wereld veilig of onveilig kan zijn en dat het zaak is om veiligheid te zoeken en onveiligheid te mijden. 

Dat gemeenschappelijke houden we bij ons, maar daar komen, zo ongeveer aan het einde van ons tweede levensjaar, zelfbewustzijn en taal bij. Met grote gevolgen, zo groot dat ze moeilijk zijn te overzien. In feite heeft Bohm het daarover in zijn boek Dialoog, waarvan ik me aanvankelijk afvroeg of het triviaal of juist heel diepzinnig was. Ik neig nu naar het laatste.

Als je iets als diepzinnig ervaart, dan is dat iets niet zo eenvoudig uit te leggen. Ook niet voor jezelf uit te leggen. Dat moet dus in kleine stapjes gebeuren, want je kunt het geheel (nog) niet overzien. Wat nu volgt, dat bestaat dus uit een aantal kleine stapjes na elkaar. Waarbij bovendien elk stapje voorlopig is en naderhand kan worden bijgesteld. De lezer, en ikzelf, moeten dus enig geduld hebben

Ik begin ermee een aantal passages van Bohm naar voren te halen. Bohms betoog bestaat uit twee delen, een deel over het feit van die vooronderstellingen en een deel over de moeilijkheid en noodzaak van dialoog als mensen met verschillende vooronderstellingen naar de wereld kijken. Ik blijf voorlopig bij dat eerste deel.

In hoofdstuk 7 (Participerend denken en het onbegrensde) onderscheidt Bohm twee soorten denken; het participerend denken en het letterlijk denken. Dat hoofdstuk begint zo (p. 137):

In vroegmenselijke culturen, en in zekere zin ook nu nog, bestond er iets wat 'participerend denken' wordt genoemd. Mensen in dit soort culturen hadden het gevoel dat ze deel uitmaakten van de dingen die ze zagen - dat alles in de wereld met elkaar verbonden was, en dat de geest van alle dingen ten diepste één was. Zo leefde onder Eskimo's de overtuiging dat er veel, heel veel zeehonden waren, maar dat al die zeehonden een manifestatie waren van de ene zeehond - de geest van de zeehond. Die ene zeehond manifesteerde zich in vele zeehonden. Daarom baden ze tot de geest van de zeehond om zich aan hen te manifesteren, zodat ze te eten zouden hebben. Ik vermoed dat indianen uit Amerika de buffel op een vergelijkbare manier zagen. Dit soort culturen hadden het gevoel dat ze deel uitmaakten van de natuur. En ze waren er zich scherp van bewust dat ook hun denken deel was van de werkelijkheid.

Bohm zal zich hier baseren op antropologische literatuur over de Eskimo's, maar het boek bevat geen verwijzingen. Dat participerende slaat er dus op dat die vroege mensen zich onderdeel voelden van, ja, van wat? Van 'het geheel', de wereld, de natuur. Merk op dat woorden hier tekort schieten. En dat zal eraan liggen dat er nog geen taal en zelfbewustzijn bestonden zoals wij die kennen. 

Maar ergens in de mensheidsgeschiedenis veranderde dat. Bohm (p. 138-9):

Mer dan een miljoen jaar heeft de mens zo gedacht. In de laatste vijfduizend jaar is ons denken radicaal veranderd.

Ook hier weer ontbreekt een verwijzing. Maar het gaat er nu niet om of die vijfduizend jaar wel of niet klopt. Ergens in de tijd heeft die verandering plaatsgevonden.

Onze hedendaagse cultuur zegt: 'Dat is onzin. Aan dat soort ideeën geven we geen aandacht meer.' De manier van denken die wij in onze tijd prefereren, wordt dan ook wel 'letterlijk' denken genoemd.

Letterlijk denken meent dat ons denken een weerspiegeling is van de werkelijkheid zoals die is - het pretendeert ons te kunnen vertellen hoe de dingen werkelijk zijn. We zijn geneigd om het te zien als de beste manier van denken. (...) Owen Barfield heeft het letterlijk denken wel getypeerd als idolatrie of afgoderij. Een religieus beeld symboliseert een macht die groter is dan wij of verwijst naar een bepaalde spirituele kracht. Op den duur wordt dat beeld vereenzelvigd met die kracht - letterlijk. (...) Je zou kunnen zeggen dat wij onze woorden en onze gedachten op eenzelfde manier hebben verheven tot afgodsbeelden. We pretenderen dat ze beschrijvingen van en uitspraken over de werkelijkheid zijn zoals die is. Maar in werkelijkheid kunnen woorden die pretentie nooit hebben. We hechten er te veel waarde aan. Taal kan een deel van de werkelijkheid weergeven, maar nooit de 'gehele' werkelijkheid.

Nu hebben we wel een verwijzing. En wel naar het boek Saving the Appearances van Owen Barfield uit 1965. Daar had ik nog nooit van gehoord, maar na even googelen denk ik dat dat misschien wel heel onterecht is. 

Dat letterlijk denken slaat er dus op dat wij door het filter van onze vooronderstellingen (woorden, gedachten) naar de werkelijkheid kijken, maar dat filter niet of niet meer als zodanig ervaren. Met als gevolg dat we onze woorden en ons denken te serieus nemen.

Nu benadrukt Bohm dat dat letterlijke denken ook in die vroegmenselijke culturen al bestond, maar dat het toen beperkt bleef tot het domein van de "eenvoudige technische doeleinden" (p. 141-2):

Een half miljoen jaar geleden hadden de mensen het letterlijk denken niet echt nodig. Ze leefden in kleine groepen van jager-verzamelaars. Ze kenden elkaar en gebruikten deze vorm van denken alleen voor eenvoudige technische doeleinden. Maar toen kwam de landbouwrevolutie. Er ontstonden veel grotere gemeenschappen. Voor deze samenlevingen was meer organisatie nodig, meer orde ook en technologie. Het belang van letterlijk denken nam toe. Men begon de samenleving te organiseren en zei: 'Jij hoort hierbij, jij daarbij. Jij moet dit doen, jij dat.' De mensen werden steeds meer gezien als afzonderlijke objecten - ook andere volken. Mensen werden gebruikt voor een bepaald doel. Ja, hoe verder de samenleving zich ontwikkelde, des te meer men het denken ging gebruiken als middel tot een doel. (...) Het participerend denken fragmenteerde en verdween naar de achtergrond.

Maar in die achtergrond is het er nog wel. Bohm beschrijft dat dan als de "kosmische dimensie", waar mensen nog steeds een verlangen naar hebben. Naar "een verbond met de natuur", waar we met het letterlijke denken een einde aan maakten. Waardoor we gingen denken dat we de natuur, moeder aarde, onbeperkt konden exploiteren. Maar (p. 147):

Die luxe positie hebben we niet meer. We kunnen niet langer onbeperkt op de natuur vertrouwen.

Toen de mensheid dit begon te beseffen leidde dat tot een grote psychologische verandering. Het was alsof iemand tegen ons zei: 'Je kunt niet meer op je moeder rekenen. Je staat er nu alleen voor.' Dat is de situatie waarin we nu verkeren - want of de aarde het overleeft hangt van ons af. Dat geeft een nieuw perspectief: het laat zien dat we als mensen werkelijk verantwoordelijk zijn voor deze planeet. De vraag is: wat is de grond van dit alles? Wie zijn wij?

Uit welke innerlijke bron kunnen we putten om bij dat gevoel van verantwoordelijkheid te komen? Wat zou het fundament van die mogelijkheid kunnen zijn?

Bohms antwoord dat daarop volgt, en dat het boek afsluit, is niet zo gemakkelijk kort of in een citaat samen te vatten. Maar het lijkt me er op neer te komen dat dat participerende denken van de achtergrond naar de voorgrond moet worden gehaald en dat mensen daartoe in staat zijn. We kunnen boven de begrensdheid van het letterlijk denken uitstijgen. We kunnen onze aandacht richten op "het onbegrensde", op het grotere geheel waar we allen deel van uitmaken (p. 150):

Het is mogelijk dat er zowel begrensde aandacht is, zoals concentratie, als onbegrensde aandacht - van fundamentele aard. Door zulke aandacht komen we bij steeds subtielere niveaus van de impliciete orde - de algemenere lagen van het hele proces. Op deze algemene niveaus verschilt het bewustzijn van de ene persoon nauwelijks van het bewustzijn van de ander. Dit impliciete en stilzwijgende denken, dat de basis vormt van het bewustzijn, wordt door alle mensen gedeeld.

En dat gedeelde bewustzijn, het besef van gemeenschappelijkheid en van deel zijn van de planeet, dat zou het fundament zijn van dat gevoel van verantwoordelijkheid, van het verbonden zijn met de natuur, dat we nodig hebben om te kunnen overleven. 

En als dat er eenmaal is, dan hebben we natuurlijk toch dat letterlijk denken nodig om de technische kennis te verwerven die anders handelen mogelijk maakt. Niet langer de planeet exploiteren, maar beheren en er voor zorgen. Wat tegelijk betekent zorgen voor onszelf en voor de volgende generaties.

Dat zijn grote woorden. Maar tegelijk een eerste stapje. Wordt vervolgd. Hier het vervolg.

maandag 2 augustus 2021

Hoe de menselijke hang naar egalitaire verhoudingen voortkwam uit de noodzaak van samenwerken en delen - een speltheoretische analyse van de eerste stap in de mensheidsgeschiedenis

De eerste stap van de mensheidsgeschiedenis bestond er naar alle waarschijnlijkheid uit dat jagers-verzamelaars de noodzaak gingen inzien van samenwerken en delen en daarmee van onderlinge gelijkheid. Zie De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 2. 

Die eerste stap hield in dat het gemeenschapspatroon in het onderlinge gedrag ging overheersen en dat het statuscompetitiepatroon individueel en collectief werd onderdrukt. Anders gezegd, de morele gemeenschapsintuïties van iedereen telt mee en van rechtvaardigheid, onze moraal, ontwikkelden zich zo sterk dat degenen die nog neigden naar statuscompetitiegedrag, die "de baas wilden spelen", op hun nummer werden gezet en zich neerlegden bij de bestaande, egalitaire verhoudingen. Er ontstond het gemeenschapsevenwicht waarmee de mensheid zich ging onderscheiden van de sociale structuur van de meeste andere primaten en zoogdieren, die van het statuscompetitie-evenwicht. 

Zoals bekend was er ook de tweede stap in de mensheidsgeschiedenis, de overgang van jagen-verzamelen naar landbouw, waardoor het handhaven van het gemeenschapsevenwicht sterk werd bemoeilijkt. Maar die morele gemeenschapsintuïties kennen we tot vandaag de dag en daarmee onze hang naar egalitaire verhoudingen.

Er is nu de nieuwe studie Gains to cooperation drive the evolution of egalitarianism van Paul L. Hooper, Hillard Kaplan en Adrian V. Jaeggi, die de al bestaande aanwijzingen versterkt dat die hang naar egalitaire verhoudingen inderdaad voortkwam uit de noodzaak van samenwerken en delen. De onderzoekers ontwikkelen een speltheoretische analyse van de situatie waarin jagers-verzamelaars verkeerd moeten hebben. Dat doen ze met behulp van het Hawk-Dove Game (ook wel bekend als het Chicken Game) en het Prisoner's Dilemma Game. In dat laatste spel gaat het erom dat je er door samen te werken allebei een goed resultaat boekt, maar dat de verleiding bestaat om door niet samen te werken (defecteren) er nog beter uit te komen, maar dan wel ten koste van de ander die wel samenwerkt.

Uit simulaties blijkt dan dat een Duif-strategie die het Havik-gedrag bestraft met het defecteren in het Prisoner's Dilemma, de spelers van die Havik-strategie ertoe kan bewegen om zich volgens de Duif-strategie te gaan gedragen. (Mijn uiterst vereenvoudigde samenvatting van de resultaten.) Denk bij de Duif-strategie aan gemeenschapsgedrag en bij de Havik-strategie aan statuscompetitiegedrag. Zodat vervolgens een evenwicht van egalitaire onderlinge verhoudingen ontstaat. Anders gezegd, een gemeenschapsevenwicht. 

Er is enige overeenkomst tussen het gedrag van deze Duif-strategie en dat van de degenen die in het onderzoek van Kelley en Stahelski uit 1970 aangaven dat ze er in het Prisoner's Dilemma op uit waren om samen te werken, maar wel met defecteren reageerden op defectie van andere spelers.

Hooper, Kaplan en Jaeggi laten vervolgens zien dat hun simulaties een behoorlijk goede weerspiegeling vormen van de situatie waarin jagers-verzamelaars zich bevonden van hoe ze daarop reageerden. Kortom, een interessante speltheoretische analyse van de eerste stap in de mensheidsgeschiedenis.

dinsdag 12 november 2019

Het vermogen tot samenwerking en delen verklaart het uitzonderlijke succes van de mensheid (tot nu toe)

Antropologe Karen L. Kramer geeft een fraai overzicht van de mensheidsgeschiedenis bekeken vanuit de vraag waarom wij zo succesvol zijn geweest in vergelijking met onze naaste verwanten, de andere grote apen: How There Got to Be So Many of Us: The Evolutionary Story of Population Growth and a Life History of Cooperation. Het is een uitgebreid en uitbundig gedocumenteerd betoog, waarvan je op ScienceDaily een korte samenvatting kunt lezen: How Human Population came from our ability to cooperate.

Het gaat om "succes" in de zin van met hoeveel wij nu zijn, dus met succes in overleving en voortplanting. In het artikel afgebeeld met dit plaatje:


Daarin valt natuurlijk meteen de exponentiële groei op in de laatste twee eeuwen. Maar dat succes begon eerder. Want hoewel er in die lange periode bottlenecks zijn geweest. zoals tussen 10.000 en 60.000 jaar geleden, toen we met niet meer dan enkele duizenden waren, is er de laatste 50.000 jaar een gemiddelde groei geweest van ongeveer 0,4 procent per jaar. Gepaard gaande met een verspreiding over vrijwel de gehele aardbol, en dus met een aanpassing aan uiteenlopende omstandigheden.

Rond 1800, dus nog voor die exponentiële versnelling, waren we al met 1 miljard. We weten geloof ik niet hoeveel chimpansees er toen waren, maar wel dat dat er vele malen minder waren.

Hoe is dat succes (tot nu toe!) te verklaren? Waarom wij wel en de chimpansees niet?

Kramer geeft een fraai overzicht van alle aanwijzingen die wijzen in de richting van de verklaring  dat wij leerden om samen te werken en te delen. In het "vinden" en verwerken (koken!) van voedsel en in de intergenerationele samenwerking bij het grootbrengen van kinderen en de zorg voor zwangere vrouwen (cooperative breeding). Waardoor niet alleen meer kinderen overleefden, maar ook de geboorte-intervallen korter konden worden. En er dus per vrouw meer kinderen konden worden geboren. Wat het weer mogelijk maakte dat oudere kinderen meehielpen bij het grootbrengen van de jongere.

En dat overzicht wordt aangevuld met een beschrijving van de resultaten van haar veldonderzoek bij de Maya die leven van de opbrengsten van landbouw op het Yucatan schiereiland (Mexico) en bij de Savanna Pumé, die als jagers-verzamelaars leven op de savannen van westelijk-centraal Venezuela.

Of dat succes in stand zal kunnen blijven, nu we zo ingrijpend geconfronteerd worden met de eindigheid van de aardse hulpbronnen, dat staat natuurlijk nog te bezien. Het moet nog blijken of ons vermogen tot samenwerken ook in staat is om deze uitdaging het hoofd te bieden.

dinsdag 24 september 2019

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 18 - Spannende tijden voor de democratie - en meer aanwijzingen voor de eerste twee stappen

In de loop van de negentiende, maar vooral vanaf het begin van de twintigste eeuw, zette zich in veel landen de beweging door in de richting van de democratische staatsvorm. Dat was een uiterst belangrijke ontwikkeling gezien vanuit het verloop tot dan toe van de mensheidsgeschiedenis.

Zie over de plaats van de democratie in die mensheidsgeschiedenis de vorige zeventien berichten op dit blog, die nu bijna een jaar geleden begon met De mensheidsgeschiedenis tot nu toe in drie stappen - 1. En hier is het vorige bericht: De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 17 - Over een politieke partij, de Amerikaanse Republikeinen, als verlengstuk van het Grote Geld. Je kunt die reeks, voorwaarts of achterwaarts, volgen door in die berichten op de links naar het volgende dan wel het vorige bericht te klikken.

Ik noemde die ontwikkeling naar de democratie de derde stap in de mensheidsgeschiedenis. De eerste stap bestaat eruit dat onze vroegste voorouders in staat bleken om zich te ontdoen van de sociale vorm van de statushiërarchie als organisatieprincipe van de onderlinge verhoudingen.

Die statushiërarchie, en de statuscompetitie die ermee gepaard gaat, kennen we als de bij de primaten, denk aan de chimpansees, overheersende sociale vorm. Hij staat bekend als het alfa-mannetjes model. Een mannetje vecht zich naar de top van de hiërarchie, beheerst de gang van zaken in de groep en monopoliseert de voortplanting.

Die eerste stap was inderdaad fundamenteel voor het ontstaan van de menselijke soort. Het was een sociale uitvinding, die een antwoord was op de uitdaging waaraan die eerste mensen werden blootgesteld, namelijk dat ze alleen door middel van samenwerken en delen van voedsel konden overleven. Dat lukte alleen door de ongelijkheid in de groep binnen de perken te houden, dus door een egalitaire samenlevingsvorm. En dus door de neiging tot statuscompetitie, die natuurlijk nog steeds aanwezig was, individueel en collectief te onderdrukken.

Dat laatste lukte door statuscompetitiegedrag af te keuren en er, collectief, als dat nodig was met sancties op te reageren. En als dat nodig was, met sociale uitsluiting of zelfs fysiek geweld tot executie aan toe. Denk wat dat laatste betreft aan Richard Wrangham's The Goodness Paradox. The Strange relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution.

Die collectieve onderdrukking bracht op den duur met zich mee dat geselecteerd kon worden op de vermogens om de morele intuïties van het gemeenschapsgedrag bij het opgroeien in de groep gemakkelijk aan te leren. Je hoort anderen als gelijken te beschouwen, je hoort met anderen rekening te houden, je hoort je voor anderen en voor de groep in te spannen en je hoort bij te dragen aan de sociale harmonie. Denk aan de Big Two van de persoonlijkheid van jagers-verzamelaars.

Daar kwam, zoals we zagen, verandering in bij de overgang naar de landbouwsamenlevingen, ongeveer 8000 tot 10.000 jaar geleden. Dat was de tweede stap in de mensheidsgeschiedenis. Uit het vierde bericht in deze reeks:
De sociale gevolgen van de Agrarische Revolutie zijn ronduit dramatisch te nomen. De nog altijd in de menselijke natuur aanwezige drang tot statuscompetitie, als erfenis meegegeven door de gemeenschappelijke voorouder van chimpansee en mensachtigen, kon in de nieuwe economische verhoudingen niet meer goed worden beteugeld.
Er ontstonden plotsklaps aanspraken op eigendom: land, water, werktuigen, gebouwen, voorraden, ja, zelfs vrouwen en slaven. En er ontstonden dynastieën, die hun bezittingen wilden doorgeven aan volgende generaties. De institutie van het eerstegeboorterecht ontwikkelde zich, maar ook de jongere zonen moesten tevreden worden gesteld. Waardoor elke dynastie een prikkel had om land en bezittingen uit te breiden. En dus kwamen legers en oorlogen de mensheidsgeschiedenis binnen.
Zo kwamen er de eerste staten, met een sterke man aan het roer, met belastingheffing, een bureaucratie, een onderdrukkingsapparaat en een leger. Zorgvuldig doordachte en uitgewerkte statushiërarchieën, maar wel gemodelleerd naar het Alfamannetjes-model van de primaten. Wat jagers-verzamelaars niet kenden en niet wilden kennen, grote ongelijkheid, armoede en rijkdom naast elkaar, werd hét kenmerk van de landbouwsamenleving.
Anders gezegd, het statuscompetitiepatroon overheerste het gemeenschapspatroon.
Waarna dus nog maar heel recent de derde stap in de mensheidsgeschiedenis zich begon te voltrekken, de overgang naar de democratie op het niveau van de nationale staten. En nog recenter de internationale erkenning van mensenrechten. Beide als collectieve pogingen om die nog steeds bestaande morele gemeenschapsintuïties van samenwerking en delen en gelijke rechten opnieuw vorm te geven. Nu niet in de kleine groep van jagers-verzamelaars, maar op het niveau van nationale staten en van de wereldbevolking.

En vandaag de dag maken we mee of die derde stap wel of niet bestendig is. Zal de democratie zich weten te handhaven? Nu hij in allerlei landen bedreigd wordt. In het Verenigd Koninkrijk is er vandaag het vonnis van het Hooggerechtshof dat het naar huis sturen van het parlement door de regering-Johnson onwettig was en moet worden beschouwd als niet te hebben plaats gevonden. In de Verenigde Staten zit de lang verwachte afzettingsprocedure van "president" Trump er nu aan te komen.

Ontwikkelingen die hoopvol stemmen, maar de tijden zijn spannender dan je zou wensen.

Laten we maar even weer afstand nemen en terugkijken op de grote lijn en dus op die eerste twee stappen in de mensheidsgeschiedenis.

Een mooi overzicht van alle aanwijzingen die er bestaan voor die stappen, voor die egalitaire verhoudingen in de jagers-verzamelaarsgroepen en voor de terugval in de statuscompetitie en -hiërarchie, dus in de ongelijkheid en de despotie van de landbouwsamenlevingen, valt te lezen in Making and unmaking egalitarianism in small-scale human societies van Chris von Rueden.

De meeste daarvan zijn hier op dit blog al eens langsgekomen. Maar misschien kom ik er nog een kee rop terug.

dinsdag 6 november 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 3

Voor het overgrote deel van de mensheidsgeschiedenis, 95 tot 98 procent, voerden mensen de uiterst succesvolle leefwijze van het jagen en verzamelen en het samenwerken en delen. Zie het vorige bericht in deze reeks.

Die lange periode begon met de eerste stap in de mensheidsgeschiedenis: de aanpassing aan het savannelandschap, waarvoor dat samenwerken en delen een vereiste was. Gaandeweg bleek dat die manier van samenleven ook geschikt was om onder andere geografische en klimatologische omstandigheden een bestaan op te bouwen.

Zoals in het vorige bericht uiteengezet, was voor dat samenwerken en delen een behoorlijke mate van sociale harmonie noodzakelijk. Voor het toentertijd bestaan van die harmonieuze en vreedzame verhoudingen zijn velerlei aanwijzingen. Ik stond daar eerder, hier en hier en hier, bij stil.

Dat wil ook weer niet zeggen dat er geen conflicten en geweld voorkwamen. Want het handhaven van de harmonie was een collectieve opgave, omdat egoïsme en statuscompetitie, nog altijd in de menselijke sociale natuur aanwezig, moesten worden bestreden.

En dat kon wel degelijk, in laatste instantie, met gebruik van geweld gepaard gaan. Het schijnt dat Richard Wrangham daar meer informatie over verschaft in zijn nieuwste , nog te verschijnen boek The Goodness Paradox: The Strange Relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution.

Dat collectieve onderdrukken van egoïsme, statuscompetitie en de daaruit voortkomende conflicten, werd sterk bemoeilijkt met de introductie van de landbouw, zo ongeveer 8 - 10.000 jaar geleden.. Het was overigens niet zo dat mensen de landbouw "uitvonden", maar er na lang aarzelen tot overgingen omdat door de toegenomen lokale bevolkingsdichtheid de opbrengsten van het jagen en verzamelen verminderden.

Daar waar landbouw het gemakkelijkst te beoefenen was, zoals in het gebied van de Eufraat en de Tigris, begon het met vallen en opstaan en verspreidde het zich. Lees daarover vooral Guns, Germs, and Steel. The Fates of Human Societies van Jared Diamond. In het Nederlands vertaald als Zwaarden, paarden en ziektekiemen. de ongelijkheid in de wereld verklaard.

Dat gebeurde inderdaad met vallen en opstaan, want het was een uiterst hachelijke onderneming. Jared Diamond noemde het de grootste vergissing die de mensheid ooit heeft gemaakt. Want de landbouw bracht allerlei plagen met zich mee: mislukte oogsten en dus hongersnood, en epidemieën, door het houden van vee en huisdieren. We stonden daar bij stil in de berichten over het Oerboek van de mens. zoals hier en hier.

Maar daar kwam nog bij dat de landbouweconomie gepaard ging met grote ongelijkheid en daarmee tot grootschalige conflicten, zeg maar oorlogen. De nog steeds bestaande neigingen tot egoïsme en statuscompetitie konden niet langer collectief worden onderdrukt en kregen een sociale vorm in de statushiërarchieën van vorstendommen en keizerrijken. En in onderdrukking en slavernij.

Dat pas met de introductie van de landbouw, met de Agrarische Revolutie, het grootschalige geweld de mensheidsgeschiedenis binnenkwam, stuit nog wel eens op ongeloof. De aanwijzingen ervoor komen o.a. uit de bestudering en vergelijking van nog waargenomen jagers-verzamelaarssamenlevingen en tuinbouw- en kleinschalige landbouwsamenlevingen.

Een recente studie is Implications of the Neolithic Revolution for Male-Male Competition and Violent Conflict van Menelaos Apostolou. Hij laat met de gegevens van de Standard Cross-Cultural Sample van 186 pre-industriële samenlevingen zien dat gewelddadige conflicten (op de basis van statuscompetitie tussen mannen) talrijker zijn in landbouwsamenlevingen dan in jagers-verzamelaarssamenlevingen.

De tweede stap in de mensheidsgeschiedenis bestaat er dus uit dat op landbouw werd overgestapt en dat daarmee een eind kwam aan de daarmee vergeleken harmonieuze en vreedzame sociale verhoudingen van de jagers-verzamelaarssamenlevingen. Zie hier het vervolgbericht.

dinsdag 30 oktober 2018

De mensheidsgeschiedenis tot nu toe in drie stappen - 1

Het begin van de mensheidsgeschiedenis is nog niet zo gemakkelijk te bepalen. Volgens deze goed bijgehouden Wikipedia-pagina waren er rond 300.000 jaar geleden, of misschien nog vroeger, de eerste mensen, d.w.z. de eerste anatomisch moderne mensen (Homo sapiens). Laten we daar maar even vanuit gaan.

Die eerste stap moet naar alle waarschijnlijkheid gelokaliseerd worden in Oostelijk Afrika. Er zijn aanwijzingen dat onze vroege voorouders zich voor de uitdaging gesteld zagen van een zich door een periode van afkoeling terugtrekkend regenwoud. Daarvoor in de plaats kwam er een savannelandschap, waarin voedsel meer over de ruimte verdeeld was en waarin jagen op groot wild een vereiste was om re kunnen overleven.

Onze voorouders pasten zich aan die nieuwe uitdagingen aan door een sociaal arrangement dat ik eerder de Paleo Sociale Omgeving noemde. Die uitdagingen brachten met zich mee dat je in je eentje moeilijk kon overleven. Ook was het risicovol om je, zoals in het regenwoud, groepsgewijs te verplaatsen, omdat het dan kon gebeuren dat je als groep niet tijdig genoeg voldoende voedsel vond.

Het nieuwe sociale arrangement, de eerste menselijke sociale uitvinding, bestond uit samenwerken en delen. Gestileerd gezegd; aan het begin van de dag verspreiden we ons vanuit het basiskamp over de ruimte in kleine groepjes op zoek naar voedsel, aan het eind van de dag keren we terug en verdelen we het voedsel over iedereen, ook over degenen die niets gevonden hebben.

Voor dat samenwerken en delen was nodig dat afscheid moest worden genomen van het oudere sociale patroon, dat van de statushiërarchie (het Alfamannetjesmodel). In dat patroon was er het voortdurende conflict (statuscompetitie) tussen mannen om het monopolie over de voortplanting en dus over de vrouwtjes. Overwinnaars werden de baas in een statushiërarchie, tot ze door hun opvolger werden afgezet. Er was eenvoudig gezegd, ongelijkheid, zich uitend in een behoorlijk grote mate van seksuele dimorfie.

Daartegenover kon dat samenwerken en delen alleen goed slagen bij een grote mate van gelijkheid. Wilde iedereen gemotiveerd zijn om er aan deel te nemen, dan moest wel verzekerd zijn dat je aan het eind van de dag meedeelde ook als jezelf niets kon inbrengen. Dat betekende dat de groep min of meer moest kunnen garanderen dat egoïsme en de neiging tot statuscompetitie werden onderdrukt. Degenen die de baas wilden spelen en die meer wilden dan anderen moesten te horen, en te voelen, krijgen dat zulk gedrag niet werd geaccepteerd.

Precies daarin ligt de oorsprong van ons vermogen tot moreel gedrag, onze morele intuïties. Oftewel pro-sociaal gedrag of, beter, gemeenschapsgedrag. We werden geselecteerd op het vermogen om met anderen rekening te houden en niet alleen maar voor onszelf te zorgen. Vandaar dat we schuld- en schaamtegevoelens kennen.

Maar we zijn geen morele automaten. Onze sociale natuur is ambivalent, want die neiging tot statuscompetitie, die kennen we ook nog. Die periode van jagen en verzamelen en dus van de Paleo Sociale Omgeving duurde lang, in vergelijking met de duur van de mensheidsgeschiedenis verreweg de langste periode, maar niet zo lang dat egoïsme en statuscompetitie volledig werden weg geselecteerd.

Dat kwam wel heel duidelijk aan het licht na de overgang van jagen-verzamelen naar het beoefenen van de landbouw. De tweede stap in de mensheidsgeschiedenis. Daarover in het volgende bericht.

donderdag 28 juni 2018

Wat deden de eerste landbouwers? Ze bouwden een dorpshuis

Met de overgang van jagen-verzamelen naar de landbouw kwam er een nieuw probleem de mensheidsgeschiedenis binnen. Want de landbouw bracht eigendom met zich mee en daarmee dus ook ongelijkheid. Voor het overleven was het niet langer noodzakelijk om in de groep samen te werken en te delen. Families konden zichzelf redden en sommige beter dan andere.

Het probleem dat daarmee ontstond was het uiteenvallen van de sociale verbanden, van de sociale cohesie. Dat was om twee redenen een probleem. De eerste is dat conflicten uit de hand konden lopen en zelfs tot oorlogen konden leiden. Met veel schade en risico's voor iedereen.

Maar er was daarnaast natuurlijk ook nog de menselijke behoefte aan verbondenheid, aan de vertrouwdheid van de gemeenschap. Want met de landbouwsamenlevingen begon eigenlijk al wat we tegenwoordig "individualisering" noemen en daarmee het risico op eenzaamheid.

De eerste landbouwers probeerden dus uit te vinden hoe ze die sociale cohesie in stand konden houden, tegen de nieuwe centrifugale krachten in. In dat verband kennen we al de belangrijke rol van "fictieve verwantschap" en van religie. Maar we hebben nu aanwijzingen dat ze, zodra ze zich gingen vestigen, het belang inzagen van het gezamenlijk bouwen en onderhouden van een dorpshuis.

Een dorpshuis? Jazeker. Opgravingen in het zuiden van Jordanië hebben de resten van een gemeenschappelijke ruimte blootgelegd die wel bedoeld moet zijn geweest als een plek voor gezamenlijke activiteiten en ontmoetingen van de bewoners van het omliggende dorp. Je ziet een foto van de resten van het vloeroppervlak van het bouwwerk, dat de onderzoekers Building 37 noemden.

Een citaat uit het artikel (Constructing community in the Neolithic of southern Jordan: Quotidian practice in communal architecture):
Although Building 37 was likely used for occasional dramatic celebrations, the ease of access to the structure and evidence for heavy use suggests it was a space for routine and regular practices, interactions, and communication. The large open-floor plan, while probably insufficient to house the entire Beidha community at one time, still would have facilitated easy flow of movement and communication between individuals and small groups. These small-scale, regular and repetitive interactions operated through quotidian practices conducted within Building 37 would have fostered the production and reproduction of social norms to generate highly durable modes of community cohesion.
En daarmee beschrijven ze toch eigenlijk de functie van een dorps- of buurthuis.

Die eerste landbouwers en dorpsbewoners hadden dus al een goed inzicht in het belang van een gemeenschappelijke ontmoetingsplek. In de loop van de latere geschiedenis is dat inzicht vaak weggezakt of zelfs expliciet als "ouderwets" weggezet. 


En denk aan de berichten op dit blog over ontmoetingsplekken.

dinsdag 20 februari 2018

Homo sapiens heeft zichzelf, groepsgewijs, gedomesticeerd - maar niet voorgoed

De evolutionaire achtergrond van de Dual Mode-theorie houdt in dat onze verre voorouders, de eerste Anatomisch Moderne Mensen, in staat waren om, groepsgewijs, het van de andere primaten en de meeste zoogdieren bekende gedragspatroon van statuscompetitie en statushiërarchie te onderdrukken en het evolutionair nieuwe patroon van pro-sociaal gedrag en egalitaire gemeenschap tot stand te brengen en te bevorderen.

Deze ontwikkeling speelde zich af in de Paleo Sociale Omgeving, waarin het voor overleving en reproductie noodzakelijk was om te delen en samen te werken bij het verwerven van voedsel (verzamelen en jagen) en het bieden van bescherming tegen roofdieren. Een belangrijk onderdeel van dat samenwerken en delen was het coöperatief grootbrengen van de kinderen.

Dat groepsgewijs onderdrukken van de statuscompetitie en daarmee het voorkómen van het ontstaan van de statushiërarchie (het Alfa-mannetjesmodel), die bij zoogdieren verreweg het meest voorkomt, was een sociaal proces. Oplopende ruzies en vijandigheden konden op sociale afkeuring rekenen. Als je de baas wilde spelen, werd je uitgelachen of, erger, sociaal genegeerd. En als dat aanhoudend niet hielp, liep je het risico dat je in het uiterste geval om het leven werd gebracht.

Omdat die periode van dat jagen en verzamelen heel lang heeft geduurd, zeker zo'n 95 procent van het bestaan van de mensheid, kon er dus ook een selectie plaatsvinden op pro-sociaal gedrag, op het rekening houden met anderen en het je inspannen voor het welzijn van de groep. Denk even aan de Big Five en de Big Two.

Omdat die selectie weliswaar sterk is geweest, maar niet "volledig", zijn wij mensen nu uitgerust met het vermogen tot twee gedragspatronen, dat van het evolutionair oudere patroon van de statuscompetitie en de statushiërarchie en het nieuwere patroon van het pro-sociale gedrag dat het leven in een gemeenschap mogelijk maakt.

Er is al verschillende keren op gewezen, al door Charles Darwin in 1888 en door Franz Boas in 1938, dat dit proces van het onderdrukken van statuscompetitie en het bevorderen van pro-sociaal gedrag overeenkomsten vertoont met wat er bij dieren gebeurd is die wij hebben gedomesticeerd. En die wij daarmee tot huisdieren hebben gemaakt.

De nieuwe studie Self-domestication in Homo sapiens: Insights from comparative genomics wijst op die overeenkomsten. (Ik heb er ook die verwijzingen naar Darwin en Boas aan ontleend.) Zo zijn bijvoorbeeld de verschillen in schedel en gezicht tussen wolven en honden vergelijkbaar met die tussen Neanderthalers en mensen. En qua gedrag blijft de gedomesticeerde variant jeugdiger dan de oorspronkelijke. Het verschil is dat wij mensen niet door een andere soort zijn gedomesticeerd, maar dat wij dat zelf hebben gedaan. Of eigenlijk beter: wij hebben elkaar gedomesticeerd. Vandaar: zelf-domesticatie.

In die nieuwe studie wordt deze hypothese van de zelf-domesticatie onderbouwd op het niveau van het genoom. De onderzoekers kunnen laten zien dat de genetische verschillen tussen huisdieren en hun niet-gedomesticeerde verwante soorten overlap vertonen met de genetische verschillen tussen mensen en Neanderthalers en de Denisovanmens.

Dat is fascinerend.

Maar de evolutie kent geen eindpunt. Net zo als een gedomesticeerde soort weer "terug kan verwilderen", kan ook de mens weer "terugvallen". Die zelf-domesticerende omstandigheden bestonden in de jagers/verzamelaarssamenlevingen. We leefden in kleine groepen van vertrouwde anderen en waren sterk van elkaar afhankelijk. Maar die omstandigheden zijn sinds de opkomst van de landbouwsamenlevingen veel minder aanwezig.

We proberen ze met de democratische verzorgingsstaat weer enigszins op het grootschalige niveau van de nationale staat terug te brengen. En zelfs met de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens op het niveau van de wereldbevolking.

Maar als je vandaag de dag het nieuws volgt, dan zijn er volop redenen om er niet gerust op te zijn.

vrijdag 2 februari 2018

De neurochemische grondslag voor de menselijke persoonlijkheidsstijl die samenwerking en delen mogelijk maakte

De cruciale veranderingen in het sociale gedrag van onze verre voorouders, vergeleken met de Laatste Gemeenschappelijke Voorouder die we met de chimpansees en de bonobo's delen, bestonden eruit dat we in egalitaire groepen groepen van vertrouwde anderen samenwerkten en deelden. Onderdeel van dat sociale arrangement was dat we collectief de pogingen van enkelingen om een statushiërarchie te vestigen, met de daarbij behorende monopolisering van de voortplanting, onderdrukten.

En daarmee hing weer samen dat we, als jagers-verzamelaars, min of meer monogaam werden en dat vaders (en andere groepsleden) meehielpen bij het grootbrengen van de kinderen, die langer zorg nodig hadden (cooperative breeding). Hetgeen weer gepaard ging met de ontwikkeling van empathie, pro-sociaal gedrag en van taal.

De nieuwe studie A neurochemical hypothesis for the origin of hominids geeft inzicht in de veranderingen in de hersenstructuur en de neurochemie die dat sociale gedrag mogelijk maakten. Als een eenvoudig socioloog begrijp ik daar niet alles van, maar wel net genoeg om het uiterst fascinerend te vinden.

Want de auteurs maken het aannemelijk dat die onderliggende anatomische en neurochemische veranderingen een op een dopamine-gedomineerd striatum gebaseerde persoonlijkheidsstijl in het leven riep.

En dat is een persoonlijkheid waarbij het gedrag sterk door externe factoren wordt gemotiveerd. Dat zijn aan de ene kant de sociale factoren die behoren tot het leven in een groep, waarin, zoals gezegd, samengewerkt en gedeeld wordt. Wil zo'n groep functioneren, dan moeten de groepsleden sterk op elkaar en op elkaars gedrag en op elkaars bedoelingen betrokken zijn. Er moet dus veel aandacht zijn voor wat anderen doen en een grote bereidheid om zich daar wat van aan te trekken.

Dat lijkt de grondslag te zijn voor de specifiek menselijke gedeelde intentionaliteit. Zie in dat verband het bericht Menselijk vermogen tot samenwerking en pro-sociaal gedrag is aanpassing aan onderlinge afhankelijkheid, met een verwijzing naar het onderzoek van Michael Tomasello. En bedenk dat verlegenheid als persoonlijkheidstrek (in tegenstelling tot stoutmoedigheid) daarmee belangrijk werd. Zie Het menselijke temperament: verlegenheid, eveneens met een verwijzing naar onderzoek van Tomasello.

Maar aan de andere kant moet die motivatie om door externe factoren te worden gemotiveerd, ook zijn uitwerking hebben gehad op onze houding ten opzichte van de fysieke omgeving. Een houding die onze voorouders ertoe aanzette om die omgeving te verkennen en beter te leren kennen, ook los van de directe behoefte van honger hebben en eten gaan zoeken. Onze neiging dus tot kennisverwerving en exploratie van de wereld. Die de grondslag legde voor de ontwikkeling van cultuur en wetenschap.

Dat is fascinerend. Ons pro-sociale gedrag en onze geneigdheid tot kennisverwerving en wetenschap zijn kennelijk onderdeel van een en hetzelfde pakket van aanpassingen dat voor onze overleving cruciaal was..

En fascinerend is dat het onderzoek van Tim Kasser naar wat mensen in het leven nastreven hiermee
geheel overeenkomt. Want volgens dat onderzoek kun je mensen indelen naar of ze meer gemeenschapsaspiraties hebben of meer statuscompetitie-aspiraties. De gemeenschapsmensen streven naar naar zaken als goede relaties met anderen, iets goeds doen voor de maatschappij en anderen bijstaan, terwijl de statuscompetitiemensen erop uit zijn om veel geld te verdienen en om een hoge status te hebben. 

En wat blijkt? Het zijn de gemeenschapsmensen, en niet de statuscompetitiemensen, die het belangrijk vinden om zichzelf te ontplooien, dus om hun kennis te vergroten en zichzelf te ontwikkelen. 

Die statuscompetitiemensen worden meer gemotiveerd door de interne en individuele drijfveren van geld, status en roem, voor de verwerkelijking waarvan je juist wat minder met anderen rekening moet houden. Zie het bericht Gezondheid en sociale omgeving (9): maakt het uit wat mensen nastreven? voor de negatieve gezondheidseffecten daarvan.

woensdag 27 december 2017

Hoe een sociale diersoort sociale media uitvond en ging gebruiken - neem nu WhatsApp en WhatsApp-stress

Het internet heeft ons de sociale media opgeleverd. Zo zijn velen van ons lid geworden van een of meer WhatsApp-groepen. Waarom zijn we dat in zo grote getale gaan doen? Hoe worden we erdoor beïnvloed en hoe gaan we ermee om?

Toen ik die vragen gesteld kreeg, bedacht ik me dat je veel van het menselijk gedrag kunt begrijpen als dat van een sociale diersoort die verzeild is geraakt in een nieuwe omgeving. Een omgeving die afwijkt van de oorspronkelijke omgeving, waarin die diersoort is geëvolueerd en waaraan hij is aangepast. Die gedachte staat wel bekend als die van de evolutionaire mismatch theorie.

Mensen zijn geëvolueerd in en aangepast aan hun zogenaamde Omgeving van Evolutionaire Aangepastheid (de term is van de hechtingsonderzoeker John Bowlby), ruwweg de omstandigheden die bestonden in de lange periode dat mensen leefden als jagers-verzamelaars. De uitdagingen in die periode bestonden eruit dat je door samenwerken en delen moest zien te overleven.

Dat bleek te lukken, en wel zeer succesvol, in min of meer stabiele groepen waarin je elkaar persoonlijk kende. Met naburige groepen was van tijd tot tijd contact, al was het maar in het kader van de uithuwelijking. De relaties binnen en tussen de groepen waren gebaseerd op de voor die samenwerking en dat delen wenselijke vertrouwdheid.

Voor de individuele levensloop hield dat in dat je opgroeide en je leven doorbracht in een groep van vertrouwde anderen. Daarbinnen ontwikkelde iedereen de bijpassende sociale motivaties en vaardigheden. Het was nodig om voldoende vrijgevig, bescheiden en vriendelijk te zijn en om je voldoende in te spannen voor de anderen en het gezamenlijke welzijn. Denk even aan Persoonlijkheid en maatschappij: de Big Five en de Big Two.

Tegen die achtergrond is het niet verwonderlijk dat in onze huidige maatschappij de sociale media en in het bijzonder die WhatsApp-groepen werden bedacht en zo snel populair werden.
Ik schreef daarover in 2004, toen de sociale media nog minder ver ontwikkeld waren, maar die ontwikkeling zich al wel aandiende: Community and Human Social Nature in Contemporary Society: Opportunities and Restrictions for Online Cooperation.
De naam WhatsApp is een samentrekking van 'What's up' (Hoe is het? en Wat is er?) en 'Application'. Wij hebben nu veel minder altijd die groep van vertrouwde anderen om ons heen. Familie en vrienden zijn over de ruimte verspreid en we ontmoeten elkaar niet dagelijks en niet als vanzelf. Een sociaal leven is niet vanzelfsprekend en moet altijd georganiseerd worden.

Vandaar dat we als we elkaar dan toch ontmoeten, altijd eerst vragen "hoe het gaat". We proberen de ontbrekende gezamenlijke tijd zo gauw mogelijk weer in te vullen. De vertrouwdheid dient steeds opnieuw te worden hersteld. Eigenlijk verlangen we, onbewust, naar die gezamenlijke, continue geschiedenis van weleer.

Aan die behoefte aan vertrouwde sociale contacten komt onze huidige manier van leven altijd maar beperkt tegemoet. We verkeren ook veel onder vluchtige contacten en die geven ons minder een goed gevoel dan de vertrouwde contacten.

Vandaar dat bijna iedereen graag meer (vertrouwde) sociale contacten zou willen. Want hoe meer contact met familie, vrienden en buren, hoe gelukkiger. En vandaar dat we niet graag alleen zijn en dat we eenzaamheid erkennen als een belangrijk maatschappelijk probleem.

De vraag is dan natuurlijk in hoeverre de sociale media ons nu echt behulpzaam zijn in ons sociale leven. Eerder onderzoek wees uit dat tijdsbesteding op sociale media, in tegenstelling tot tijdsbesteding aan face-to-face contacten, niet gelukkiger maakt. Maar onderzoek naar de effecten van WhatsApp-groepen heb ik nog niet onder ogen gehad.

Wat me wel opvalt is dat de populariteit ervan samen gaat met negatieve berichten van gebruikers. Die gaan niet alleen over de vraag naar de veiligheid ervan, maar ook over de "sociale druk" die ervan uit kan gaan. Je hebt je telefoon eigenlijk altijd bij je en op elk moment kan er een berichtje binnenkomen. Dat maakt nieuwsgierig, waardoor je gaat kijken en de ander kan zien dat je hebt gekeken. En dus hoopt hij of zij op een reactie. Omdat iedereen, ook jijzelf, zo nu en dan de behoefte voelt om iets van zich te laten horen, kan dat dus de hele dag doorgaan. Hoe ga je daar mee om, is een veel gestelde vraag. Hoe voorkom je "WhatsApp-stress"?

Misschien hangt die stress ermee samen dat het medium nog nieuw is en dat we nog moeten leren hoe het in ons dagelijks leven in te passen.

In ieder geval zou het kunnen helpen om je te realiseren dat die sociale druk niet alleen door de anderen op jou wordt uitgeoefend, maar dat jij omgekeerd hetzelfde doet. Net zo als in het echte sociale leven is het goed om wat tolerant te zijn voor elkaar. Net als de anderen, heb jij ook zelf wel eens behoefte aan belangstelling en aandacht. Een zekere mate van "druk" hoort er dus bij. Is nu eenmaal een onderdeel van dat sociale leven dat we nodig hebben en dat ons gelukkiger maakt. Misschien moeten we dus weer leren om er voldoende tijd en aandacht voor te hebben.

Maar aan de andere kant is het ook een onderdeel van datzelfde sociale leven om elkaar zo nu en dan te corrigeren. Als iemand teveel aandacht opeist, dan kunnen we dat laten weten. Dat kan, net zo als in het echte sociale leven, een subtiele feedback zijn. Wat langer laten wachten op een reactie of zelfs niet reageren. Of een grapje als "nou kan ie wel weer".

Misschien is die WhatsApp-stress dezelfde sociale stress die we so wie so al kennen. Onze sociale contacten zijn nu eenmaal minder vanzelfsprekend en vertrouwd dan ze in het verleden waren. Zo heel goed weten we vaak niet wie onze echte vrienden zijn. Daardoor zijn we wel eens bang of we "er nog wel bij horen". En menen we al gauw signalen van sociale afwijzing te bespeuren. Waardoor we sneller die sociale druk ervaren. Toch maar snel reageren, anders zien ze mij over het hoofd.

Maar dat is dus "gewoon" de sociale stress die we toch al hadden. Ook zonder WhatsApp.

maandag 28 november 2016

Een God waar je maar beperkt blij van wordt - Een biologische antropologie van de Bijbel - 16

Ik betrapte me er op dat ik na deel I (Genesis: toen het leven moeilijk werd) en deel II (Mozes, Jahwe en het morrende volk: hoe de enige God ontstond) van het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel van Carel van Schaik en Kai Michel de grote lijn wat was kwijtgeraakt. En daarmee was kennelijk ook mijn interesse om verder te lezen wat verminderd.

Maar nu heb ik ook deel III (Koningen en profeten: de moraal komt voortaan van God) gelezen en doe ik een poging om de lijnen van het verhaal weer op te pakken. (Zie Waarom een staatsgod? Over statushiërarchie en narcisme voor het vorige bericht in deze reeks.)

Hoe begon het allemaal? Voorafgaand aan de landbouw hadden we de jagers-verzamelaarssamenlevingen met hun egalitaire moraal van samenwerken en delen. En daarmee met hun collectieve onderdrukking van neigingen tot statuscompetitie, conflict en pogingen tot overheersing.

De overgang naar landbouw leidde tot eigendom, grootschaligheid en risico. Dat risico slaat op de toegenomen kans op rampspoeden: mislukte oogsten, epidemieën, conflicten, vijandelijke invallen, moordpartijen en slavernij.

Je moet er even voor gaan zitten om tot je te laten doordringen wat een geweldige indruk dat op mensen moet hebben gemaakt. De uitwerking er van op hun denken is bijna niet voor te stellen.

Maar we kunnen proberen te reconstrueren wat er aan de hand geweest moet zijn. Dat kan, lijkt me, in de volgende zeven stappen.

1. Rampspoed vraagt om een verklaring. Jager-verzamelaars waren er al best goed in om naturalistische verklaringen te vinden voor de gebeurtenissen in hun dagelijkse omgeving. Hun wijze van leven was gebaseerd op een groot reservoir van cultureel gecumuleerde kennis van hun fysieke omgeving (planten, dieren, seizoenen) en van hun eigen groepsleven. Voor zaken die ze (nog) niet begrepen, bedachten ze het ingrijpen van geesten , inclusief geesten van voorouders. Voor de onvoorstelbare grote rampen die zich na de landbouwrevolutie voordeden waren dringend verklaringen nodig. Wat te doen om ze in de toekomst te voorkomen? De naturalistische kennis ontbrak nog. De gebeurtenissen waren te groot om aan "gewone" geesten te kunnen worden toegeschreven. Of aan een god van veel andere goden. Dus drong zich het beeld op van de ene, machtige en gewelddadige God, wiens toorn kennelijk was opgewekt. Het monotheïsme kwam de geschiedenis binnen.

2. De jagers-verzamelaarsmoraal van samenwerken en delen kwam in het gedrang door eigendom, ongelijkheid en grootschaligheid. Maar de emotionele kracht van die moraal was onverminderd groot. Dus werd naar wegen gezocht om die moraal, nu meer expliciet, een nieuwe vorm te geven en daarmee haar geldingskracht te behouden.

3. Dat laatste hield in dat het beeld van de enige God werd gevuld met moraal. En daarmee met de straffende hand. Rampspoed kon daarmee worden gezien als bestraffing voor verkeerd handelen en de moraal zoals overgeheveld naar de regels en voorschriften van die morele God, vertelde wat verkeerd was (het kwade) en wat goed was.

4. Maar de rampen, en dus de straffen, waren zo onvoorstelbaar groot, dat God kennelijk niet alleen een goede God was, de drager van de moraal, maar ook een kwaadaardige en wraakzuchtige. Vandaar al die gruwelijkheden waar de Bijbel over verhaalt. Sla even de citaten op die Van Schaik en Michel aanhalen in hoofdstuk 13 van Bijbelwetenschapper Raymond Schwager en van bioloog en atheïst Richard Dawkins. En lees ook even de opsomming van gruwelijkheden die Maarten 't Hart geeft in het hoofdstuk Zeshonderduizend doden van zijn De Schrift betwist. De Bijbel gelezen en gefileerd. Ik kan het niet laten even te citeren:
En dan moet Bodar beweren dat het lezen van de bijbel een 'afnemend besef van normen en waarden' kan keren, terwijl er zeshonderdduizend mensen zonder enig gewetensbezwaar door God zelf of zijn dienstknechten opgespietst, van de rots af gedonderd, met builenpest geslagen, verbrijzeld, met de scherpte des zwaards afgeslacht, dan wel door speren of tentpinnen doorboord worden. En dan zwijgen we nog over al die gevallen waarin geen aantallen genoemd worden.
5. Grootschaligheid en ongelijkheid samen schiepen de voorwaarden voor de groei van de georganiseerde en gerationaliseerde religie. Er kwamen specialisten die Gods straffen en "tekenen" uitlegden en de regels en voorschriften opstelden waaraan ieder zich moest houden. Een soort proto-wetenschap. Dit gebeurde onder de hoede van de wereldlijke heersers, die met een flinke dosis narcisme voor zichzelf een goddelijke status opeisten en de gehoorzaamheid, ja, zelfs liefde, van hun onderdanen afdwongen.

6. Daarmee hebben we dus de combinatie van de almachtige en gewelddadige God, de morele God en de God die de wereldlijke macht legitimeert. Kortom, een God waar je maar beperkt blij van wordt.

7. In het verdere verloop van de geschiedenis is die priesterlijke proto-wetenschap gaandeweg omgevormd en vervangen door een wetenschappelijker wereldbeeld. Dat uiteindelijk, ik citeer Van Schaik en Michel
in de loop van duizenden jaren de kennis opleverde van wat er werkelijk achter zwaard, honger en pest stak: machtswellust, wanbeheer, klimaatverandering, bodemerosie, plaattektoniek, microben. Ironisch genoeg was het dus de wetenschap die God ontlastte: hij werd vrijgesproken van de verdenking dat hij de impulsieve bruut was voor wie hij altijd was gehouden. Als dat niet geestig is: de wetenschap was een van de krachten die van God de lieve God van nu maakte.
Volgende keer over deel IV. Psalmen, Job en de ontdekking van het hiernamaals: de tweede God in de Bijbel.

donderdag 17 november 2016

Een evolutionaire verklaring voor het bestaan van autisme (Asperger)

Dat wij mensen zo fundamenteel sociaal zijn, met een groot empathisch vermogen en met het vermogen tot gedeelde intentionaliteit, is het resultaat van een selectieproces dat in het verleden heeft plaatsgevonden.

In de Paleo Sociale Omgeving hing ons overleven er van af of we wel genoeg samenwerkten en deelden. Dat we overleefden en zelfs zo succesvol dat we ons over de aardbol konden verspreiden, lag er aan dat die sociale vermogens tot gemeenschapsgedrag evolutionair versterkt werden en onze neigingen tot statuscompetitie en tot het vormen van een statushiërarchie verzwakt.

Diezelfde sociale vermogens hielpen om het altijd op de loer liggende statuscompetitiegedrag collectief te onderdrukken. Iemand die toch nog de baas wilde spelen of egoïstisch was, kreeg van de anderen op zijn kop.

Deze bekende inzichten vinden een verdere uitwerking in de nieuwe studie Are there alternative adaptive strategies to human pro-sociality? The role of collaborative morality in the emergence of personality variation and autistic traits.

Want de noodzaak van dat samenwerken en delen in groepsverband hield meer in dan dat iedereen in een-op-een interacties voldoende pro-sociaal was. Ook in de evolutionair oudere statushiërarchieën (het alfa-mannetjes model) bestonden er al de een-op-een allianties. Maar in de menselijke jagers-verzamelaarsgroepen ging het om meer dan dat. Het ging er om de groep in stand te houden en daarvoor was nodig dat iedereen voldoende aan zijn trekken kwam, dat iedereen naar vermogen bijdroeg en dat er rechtvaardig werd verdeeld. Een ingewikkeld groepsproces dus, waarin normen ontwikkeld en onder woorden gebracht werden en waarin op naleving daarvan gelet werd.

En waarin het er dus ook om ging wat iedereen kon bijdragen aan het groepswelzijn en om het belang van die verschillende bijdragen goed te kunnen onderkennen. Het verschil met de toestand van een-op-een allianties maken de auteurs in dit plaatje duidelijk.


In de rechter afbeelding zie je een groepsgebeuren, waarin een samenwerkingsmoraal heerst. En die houdt ook in dat sociaal kwetsbare leden van de groep, die zich waarschijnlijk in een structuur van een-op-een allianties niet zouden kunnen handhaven, bescherming genieten omdat ze wel een bijdrage aan de groep leveren.

Anders gezegd, er kan daardoor een selectie plaatsvinden op een breder repertoire aan sociale vermogens. Er ontstaat een speelveld waarin ook sociale vaardigheden op het groepsniveau, naast die op het een-op-een niveau belangrijk worden en dus gewaardeerd worden. Er is ruimte voor een differentiatie in de vaardigheden en vermogens waarop geselecteerd wordt.

Daarmee komen we op het terrein van de evolutionaire verklaring voor het bestaan van de diversiteit van persoonlijkheidseigenschappen. Denk bijvoorbeeld aan de variatie in creativiteit. Het kan zijn dat een hoge mate van creativiteit voor de overleving van de groep heel belangrijk was, ook als die misschien samenging met eigenschappen die iemand sociaal kwetsbaar maakten. Te denken valt aan eigenschappen die we nu tot de psychische stoornissen rekenen, zoals schizotypie, bipolariteit en obsessiviteit.

Maar in dat artikel werken de auteurs deze gedachtegang in het bijzonder uit voor autisme, maar dan de variant van autisme zonder intellectuele beperkingen (Asperger). En die uitwerking is uiterst fascinerend, Kortheidshalve neem ik hieronder het plaatje over waarin ze een overzicht geven van de bijzondere perceptuele, analytische en sociale vaardigheden die met autisme samenhangen.


Waarna de auteurs er vervolgens uitvoerig op ingaan hoe zulke vaardigheden van groot belang geweest moeten zijn voor het functioneren van die jagers-verzamelaarsgroepen, voor het verwerven en cumuleren van kennis over de natuurlijke omgeving en over de interne sociale mechanismen. In zekere zin was dat domein van de samenwerkingsmoraal precies het ideale speelveld voor de intelligente autist. (Nu geen tijd om daar verder over uit te weiden, maar ik neem me voor om er nog een keer op terug te komen.)

Waardoor autisten waarschijnlijk cruciale bijdragen leverden, die ook door de andere leden van de groep konden worden onderkend. En waardoor de (vele) genen die met autisme samenhangen succesvol aan volgende generaties werden doorgegeven. Kortom, een interessante evolutionaire verklaring voor het bestaan van autisme.

dinsdag 19 april 2016

Over vertrouwdheid en het verschil tussen een ultimate en een proximate verklaring - Een biologische antropologie van de Bijbel - 9

In het hoofdstuk van Het oerboek van de mens waarin Carel van Schaik en Kai Michel een evolutionair geïnspireerde verklaring geven voor die merkwaardige obsessie met stambomen die we in Genesis tegenkomen, tref je deze passage aan:
In de kleine groepen van jagers-verzamelaars waren er drie mechanismen die een garantie vormden voor altruïstisch gedrag: verwantschap ('als ik mijn familie help, help ik kopieën van mijn eigen genen'), wederkerigheid ('voor wat, hoort wat') en indirecte wederkerigheid ('ik help diegenen van wie ik weet dat ze ook anderen helpen - en draag zo bij aan mijn eigen reputatie, zodat anderen mij weer helpen').
En dat is een passage die om opheldering vraagt. Want Van Schaik en Michel presenteren hier drie ultimate verklarende mechanismen voor altruïsme (of pro-sociaal gedrag) alsof het proximate verklaringen zijn.

Wat is het verschil tussen ultimate (ongeveer: uiteindelijke) en proximate (ongeveer: dichtbije) verklaringen?  Daarvoor kunnen we even teruggaan naar het bericht "Wij samen" maakt pro-socialer - Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (13), waarin ik dit citaat aanhaalde:
Kort gezegd gaan uiteindelijke verklaringen over waardoor een gedrag bestaat en gaan proximate verklaringen over hoe een gedrag werkt.
Iets uitgebreider: een ultimate verklaring geeft een antwoord op de vraag hoe een bepaald gedragspatroon in de evolutie heeft kunnen ontstaan. En vertelt ons dus hoe dat gedrag in het verleden meer heeft bijgedragen aan overleving en voortplanting dan mogelijke alternatieve patronen.

Daarentegen vertelt een proximate verklaring iets over de situaties waarin dat gedrag optreedt. Waarin het wordt getriggerd.

Ter illustratie: er is een ultimate verklaring voor seks, die inhoudt dat ons seksuele gedrag er is omdat het in het verleden bijdroeg aan evolutionair succes. Maar de proximate verklaring voor een seksuele handeling is dat er zich een situatie voordoet die daartoe triggert. Een romantisch samenzijn. Of het bekijken van porno. Alles wat onhandig onder woorden gebracht, maar u begrijpt wat ik bedoel.

Welnu, verwantschap en (indirecte) wederkerigheid zijn typisch ultimate verklarende mechanismen voor pro-sociaal gedrag. En vertellen ons dus niet hoe precies dat pro-sociale gedrag in die jagers-verzamelaarsgroepen tot stand kwam. Want jagers-verzamelaars waren niet bijzonder in verwantschap geïnteresseerd. Het maakte hen niet veel uit, ook al omdat vaak niet precies duidelijk was wie de vader was.

Ook waren ze niet berekenend in hun onderlinge gedrag, in de zin dat ze niet of nauwelijks bijhielden of er tegenover een dienst wel een wederdienst stond. Omdat meestal iedereen hielp als dat nodig was, hoefde je daar niet zo op te letten.

Nee, de proximate verklaring voor het pro-sociale gedrag was veel meer de omstandigheid dat er tussen alle groepsleden een grote mate van vertrouwdheid bestond. Je groeide in die groep op en leerde bij het opgroeien dat samenwerking en delen vanzelfsprekend waren.  Je wist niet beter dan dat je de mensen met wie je vertrouwd was, bijstond als dat nodig was. Net zo als je dat van hen verwachtte als jij hulp nodig had. Ga ook nog even weer terug naar het bericht Berust wederkerigheid op vertrouwdheid of op berekening?

Die vertrouwdheid, daar ging het om. (Update. En omdat verwantschap en vertrouwdheid sterk samenhingen, veel vertrouwden waren ook verwanten, kon pro-sociaal gedrag tussen vertrouwden dus evolutionair versterkt worden. Net zo werd de neiging om vertrouwden te helpen evolutionair aan volgende generaties doorgegeven, omdat vertrouwdheid altijd tweezijdig is.)

En precies die vertrouwdheid, die werd precair in de veel anoniemere landbouwsamenlevingen. Pro-sociaal gedrag werd niet meer als vanzelf getriggerd, omdat je ook vaak onder vreemden verkeerde. Waardoor voortdurend conflicten, chaos, competitie en geweld op de loer lagen. En dat gaf aanleiding tot al die Bijbelverhalen, in het bijzonder tot die obsessie met stambomen, waar het in het vorige bericht over ging.

Wie verdiende jouw hulp en bijstand wie niet? Om die vragen te beantwoorden, vonden mensen verwantschap uit als richtlijn. Inderdaad, een uitvinding.

Maar ook fictieve verwantschap, omdat er voor een vreedzame samenleving meer pro-sociaal gedrag nodig was dan alleen tussen verwanten. Van Schaik en Michel:
De Bijbel simuleert één grote familie en vervangt anonimiteit door een uit een gezamenlijk verleden voortkomende vertrouwdheid.
Precies! Het gaat om die vertrouwdheid. Liever de echte, maar als het niet anders kan, dan maar een geconstrueerde.

dinsdag 12 april 2016

Door de overgang naar landbouw meer kindersterfte en toch bevolkingsgroei - De neolithische paradox

Door het afscheid uit het Paradijs, de overgang van jagen en verzamelen naar landbouw, werd het leven een geploeter. De gezondheidstoestand verslechterde, zich uitend in een afname van lichaamslengte, en de mortaliteit nam toe. Toch nam ook de bevolkingsomvang toe. Terwijl de bevolkingsgroei voor de landbouwrevolutie op minder dan 0,001 procent wordt geschat, nam die daarna toe tot ongeveer 0,04 procent. Dat wordt wel de paradox van de Neolithische demografische transitie genoemd. Hoe is die te verklaren?

Toevallig verscheen gisteren de studie Reproductive trade-offs in extant hunter-gatherers suggest adaptive mechanism for the Neolithic expansion, die daar licht op werpt. De onderzoekers maken er gebruik van dat de Palanan Agta bevolkingsgroep, die leeft in het Northern Sierra Madre Natural Park op een van de Philippijnse eilanden, zich in de overgang bevindt van jagen en verzamelen naar landbouw. Sommigen leven nog geheel van jagen en verzamelen en zijn mobiel. Anderen combineren jagen-verzamelen en landbouw en zijn semi-mobiel en nog weer anderen zijn geheel op landbouw overgegaan met een vaste verblijfplaats.

Wat blijkt nu? Degenen met een vaste woonplaats hebben meer last van virale en bacteriële infecties en van wormen (behalve als ze toegang hebben tot schoon drinkwater). Ook is de kindersterfte hoger. Dit lijkt samen te hangen met de mate van bevolkingsconcentratie. Bovendien gaat landbouw samen met een eenzijdiger dieet, wat de kans op virale infecties vergroot.  Alles in vergelijking met degenen die zijn blijven jagen en verzamelen en zich niet vast hebben gevestigd.

Toch was de vruchtbaarheid hoger. Ondanks de hogere kindersterfte hadden de landbouw-moeders gemiddeld 4,4 kinderen die tot hun zestiende overleefden en de jagers-verzamelaars-moeders 3,8.

Mogelijke verklaringen zijn dat landbouw-vrouwen minder energie verbruikten en mede door het koolhydraatrijke dieet een hogere BMI (body mass index) hadden. Dit maakte kortere intervallen tussen geboortes mogelijk.

De hogere kindersterfte werd dus meer dan gecompenseerd door meer geboortes.

En dat werpt weer een ander licht op de geboortepijnen waartoe vrouwen in de Bijbelverhalen door God werden veroordeeld. Niet alleen namen die pijnen per geboorte toe, als gevolg van de slechtere gezondheidstoestand na de overgang naar de landbouw, maar vooral ook nam het aantal geboortes per vrouw toe.

Tot slot: die toename van de bevolking na de landbouwrevolutie moet je wel in perspectief zien. De echte toenames begonnen pas na de riolering, de geneeskunde en de gezondheidszorg en de antibiotica. Zie het verloop van de wereldbevolking sinds 8000 voor Christus.
Het plaatje van de bevolkingsbom overgenomen van Hoeveel mensheid kan een aarde aan?

vrijdag 1 april 2016

Het afscheid uit het paradijs was niet goed voor vrouwen (Wat leert ons een biologische antropologie van de Bijbel? - 6)

De overgang naar landbouw in de mensheidsgeschiedenis had ingrijpende gevolgen voor de positie van de vrouw. Daarmee zijn we beland bij het derde thema in de Bijbelverhalen. Zie voor het eerste thema hier en het tweede hier.

In jagers-verzamelaarssamenlevingen was er een grote mate van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. En dat hing samen met de grote mate van gelijkheid tussen mannen. Voor hun overleving waren jagers-verzamelaars aangewezen op samenwerking en delen van voedsel en dus op sociale harmonie. Ten behoeve daarvan werd de neiging tot statuscompetitie individueel en zo nodig collectief onderdrukt.

Voor vrouwen betekende die gelijkheid dat ze nooit gedwongen konden worden zich aan een man te binden. Van Schaik en Michel daarover in Het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel:
Weliswaar was er sprake van een zekere dominantie van de man, maar een vrouw kon altijd naar haar familie terugkeren of van man wisselen als haar eigen man zich te eigenmachtig gedroeg. De paarbinding was nog niet specifiek exclusief. Er bestonden wel monogame relaties, maar dat een vrouw zich haar hele leven lang zou moeten binden aan één man, was geen vaste praktijk.
Een vrouw kon diverse partners na elkaar hebben. Soms had ze ook op hetzelfde moment diverse relaties. Dat ging gemakkelijk, omdat de precieze vaderschapsverhoudingen niet vastgesteld konden worden. Het verkeer met meerdere mannen was in het belang van de vrouw; zo kon een netwerk van potentiële vaders worden opgebouwd die zich verantwoordelijk voor haar voelden.
En voor haar kinderen.

Dat veranderde met de introductie van eigendom in de landbouwsamenleving. Bezit moest worden beschermd en dat leidde er toe dat zonen bij hun vader bleven. Dus werden dochters uitgehuwelijkt en werden vrouwen van elders gehaald. Het fenomeen van de bruidsschat ontstond, waarmee vrouwen handelswaar werden.

Waardoor vrouwen ondergeschikt moesten worden aan mannen. En trouw aan hun man. Want omdat je bezit had en dat wilde doorgeven aan je kinderen, wilde je als man zekerheid over het vaderschap. Waar jagers-verzamelaarsmannen niet om maalden, werd voor landbouwers een prioriteit.

Bovendien leidde de toegenomen ongelijkheid er toe dat een man meer vrouwen kon nemen ('kopen"). Voor vrouwen hield dat in dat ze voor de keus konden komen te staan om een van de vrouwen van een rijke man te worden of de enige vrouw van een arme man. Het eerste was dan vaak aantrekkelijker.

En dat creëerde weer de omstandigheden waaronder de obsessie met de maagdelijkheid van de vrouw voor het huwelijk zich kon ontwikkelen. Door de omgang met huisdieren, ook in de vorm van sodomie, ontstonden de infectieziekten. Die sodomie werd juist ook uitgelokt doordat de rijke mannen de vrouwen monopoliseerden, waardoor een reservoir aan overgebleven mannen ontstond. Wat bijdroeg aan de cultus van de maagdelijkheid en de "reinheid" van vrouwen.

Kortom, de overgang naar de landbouw zorgde voor een terugkeer naar het alfa-mannetjes-model van de chimpansees en veel andere primaten. Terwijl het bij die primaten vooral gaat om verschillen in de fysieke kracht van de mannetjes, vandaar de seksuele dimorfie, gaf bij de landbouwers het bezit de doorslag. En de vrouwen delfden het onderspit.

En natuurlijk moeten we daarbij bedenken, aldus Van Schaik en Michel, dat de Bijbelverhalen werden geschreven door mannen en met het oog op de doeleinden van mannen. Dat vrouwen zouden moeten gehoorzamen aan hun man, is duidelijk niet te rijmen met de egalitaire morele intuïties van de jagers-verzamelaars. Vandaar dat in de Bijbelverhalen die gehoorzaamheid zo moest worden benadrukt.

woensdag 30 maart 2016

Afscheid uit het paradijs: de gevolgen van eigendom (Wat leert ons een biologische antropologie van de Bijbel- 5)

De Bijbelverhalen gaan over de problemen die voortkwamen uit de combinatie van jagers-verzamelaarsmoraal en de overgang naar een landbouwsamenleving. En er zijn drie thema's in te onderscheiden: het thema van het leven als een geploeter, het thema van het eigendom en het thema van de positie van de vrouw (en dus ook van de man). Zie Van Schaik en Michel, Het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel.

In het vorige bericht ging het over het leven als een geploeter. Nu over de gevolgen van eigendom.

Het gaan beoefenen van landbouw betekende dat je het land moest bewerken en gewassen moest zaaien. Daardoor ontstond er zoiets als arbeid en daarmee de tijdsspanne tussen het verrichten van arbeid en het genieten van de opbrengsten daarvan. Economisch gezegd: er ontstond kapitaal: percelen grond en zaaigoed.

En dus ontstond het probleem van eigendom. Degene die de arbeid had verricht, claimde het eigendom van de grond en de opbrengst. Maar zulke claims gingen in tegen de bestaande moraal, wat Van Schaik en Michel de "eerste natuur" noemen. Want de jagers-verzamelaarsmoraal hield in dat je samenwerkte bij het jagen en verzamelen van voedsel en dat je alles met elkaar deelde. Samenwerken en delen was noodzakelijk om te overleven.

Er ontstond dus het probleem dat de moraal niet meer geschikt leek onder de nieuwe omstandigheden. Dat zal een rem zijn geweest op de introductie van de landbouw. En het verklaart de terughoudendheid om op landbouw over te gaan.

Maar toen er toch niets anders op leek te zitten, moest dus dat probleem van (claims op) eigendom worden opgelost. En zo ontstonden er verhalen, want verhalen gaan nooit over het bekende en het vanzelfsprekende, maar altijd over het nieuwe en het bijzondere.

Zo vond het verhaal ingang van Adam en Eva die van een verboden (!) vrucht aten. Iedereen ging het er over hebben dat het niet langer was toegestaan om je "iets toe te eigenen" dat "van een ander" was of zou kunnen zijn.

En daardoor, zo benadrukken Van Schaik en Michel, veranderden de sociale verhoudingen ingrijpend:
Daarmee werd een eenrichtingsweg ingeslagen naar een wereld waarin het leven materieel weliswaar steeds rijker werd, maar in sociaal en emotioneel opzicht verarmde. Relaties tot mensen buiten de familie verloren aan existentiële noodzaak. Bovendien moest bezit worden beschermd, zo nodig met geweld. Omdat de eigen familie de beste bondgenoot is - bloed is immers dikker dan water - blijven zonen bij vaders en broers wonen. Met als gevolg dat vrouwen ergens anders vandaan moeten worden gehaald. In het patriarchaat dat zich gaat vormen, worden zij handelswaar, bezit.
Waar de voorraadeconomie succes heeft, schieten de bevolkingsaantallen omhoog. Concurrentie overheerst, de sociale verschillen worden groter. Er ontstaan hiërarchieën, vormen van heerschappij. De onvrede bij mannen die geen bezit of vrouwen hebben, groeit. Dit alles leidt onvermijdelijk tot maar één ding: geweld.
Daarmee is in een notendop zo ongeveer de verdere mensheidsgeschiedenis geschetst. Sinds de Agrarische Revolutie voeren we de strijd tussen onze hang naar gelijkheid en gemeenschap en de neiging tot bescherming van bezit en zelfverrijking.

Anders gezegd: terwijl in de jagers-verzamelaarssamenlevingen de "economie" en "sociale leven" gelijk optrokken - elkaar ondersteunend en versterkend -, zijn die twee met de landbouw en het eigendom uit elkaar getrokken. Met als uitkomst: materieel rijk, sociaal verarmd.

En die strijd wordt natuurlijk gevoerd tot vandaag de dag. Ik moest denken aan het artikel Geld en "de rest". Over uitzwerming, teloorgang van gemeenschap en de noodzaak van gemeenschapsbeleid, dat ik in 2003 schreef. Daarin gaat het over een inwoner van het Drentse dorp Anderen, die terugkijkt op wat er in het dorp sinds zijn jeugd in de jaren 50 was veranderd. Wat hij daarvan denkt, weet hij kernachtig onder woorden te brengen: "Mensen hebben het van geld beter gekregen, maar de rest is minder geworden."

En het is overduidelijk wat hij met "de rest"bedoelde: het sociale leven.

Kortom, na de overgang naar landbouw lijk je de mensheidsgeschiedenis onder die ene noemer te kunnen brengen van de onophoudelijke strijd tussen "materieel rijk" en "sociaal rijk".

donderdag 24 maart 2016

Wat leert ons een biologische antropologie van de Bijbel? - 4 - Afscheid uit het paradijs: het leven een geploeter

Van Schaik en Michel sluiten hoofdstuk 1 (Adam en Eva: de echte zondeval van de mens) van hun boek Het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel af met een samenvatting van wat mensen werkelijk bezighield ten tijde van en na de overgang van jagen en verzamelen naar landbouw. Zie hier, hier en hier voor de vorige berichten.

Wat mensen in ieder geval niet bezighield was het probleem van goed en kwaad. De moraal was er immers al. Die was evolutionair en cultureel ontstaan als antwoord op de uitdagingen van het jagers-verzamelaarsbestaan. De onderlinge afhankelijkheid maakte delen, samenwerking en onderlinge harmonie noodzakelijk. De moraal zoals wij die nu ook nog kennen (vrijgevigheid, elkaar bijstaan, rechtvaardigheid, erkenning van elkaars autonomie) was aanwezig toen de landbouw begon.

En precies die combinatie van moraal en landbouw schiep de problemen, nieuwe problemen dus, die aanleiding gaven tot nieuwe verhalen, de Bijbelverhalen. In die verhalen zijn er volgens Van Schaik en Michel steeds drie thema's:
verbazing dat het leven zo'n geploeter is; problemen met het accepteren van bezit; en het merkwaardige feit dat vrouwen ondergeschikt moeten zijn aan mannen.
Waarom was het leven nu ineens "zo'n geploeter"? (Over bezit en de ondergeschiktheid van vrouwen in het volgende bericht.)  Omdat het beoefenen van landbouw, althans in het begin, meer inspanning vereiste voor hetzelfde aantal calorieën. Omdat de bestaanszekerheid afnam, want oogsten konden mislukken. En land en opbrengsten moesten worden verdedigd (denk aan dat thema van het bezit). En door de verandering van dieet en door het samenleven met huisdieren ontstonden gezondheidsproblemen en epidemieën.

Doordat alles verslechterde de algemene gezondheidstoestand, zich uitend in een korter leven en in een geringere lichaamslengte. En dat leidde weer tot het fenomeen van de geboortepijnen:
Tot op heden is onopgemerkt gebleven dat de Bijbel gelijk heeft wanneer hij de geboortepijnen presenteert als een fenomeen dat verklaring behoeft. Ze zijn namelijk geen normaliteit: in de ontwikkelingsgeschiedenis van de mens gaat het om een betrekkelijk recent verschijnsel en dus een mismatch-fenomeen. Met de komst van de landbouw werden de vrouwen als gevolg van moeilijke leefomstandigheden en ziektes kleiner, maar de grootte van de kinderen (met name de omvang van het hoofd) bleef min of meer gelijk. Dat verzwaarde de weg door het geboortekanaal en vergrootte de pijnen en risico's bij de geboorte.
Waarop een verwijzing volgt naar paleodemografische analyses die aantonen dat de perinatale mortaliteit bij de eerste landbouwers hoger was dan bij de jagers-verzamelaars.

Dat het leven een geploeter werd en dat vrouwen in pijn kinderen moesten baren, moest dus als het ware in verhalen worden gerechtvaardigd. Het was maar beter om het te accepteren, want wat kon je er aan doen? Dus dook er in die verhalen een God op, in wier oordeel je je nu eenmaal moest schikken. Later, niet in het paradijsverhaal, duikt in dat verband de zondeval op.