Posts tonen met het label moreel universalisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label moreel universalisme. Alle posts tonen

woensdag 9 november 2022

De strijd om de klimaatverandering tegen te gaan ligt in het verlengde van de strijd om de democratie.

Je bent moreel universalistischer, en dus meer politiek links (zie het vorige bericht), als je bij het (fictief) verdelen van een som geld over jezelf en een andere persoon, meer voor een gelijke verdeling kiest wie die andere persoon ook is. Dus minder verschil maakt als die andere persoon bijvoorbeeld een landgenoot is of een medemens ergens op de wereld. Je vindt dan dat iedereen hoort mee te tellen hoe klein of groot de sociale afstand ook is. Of nog anders gezegd, je morele gemeenschapsintuïties strekken zich uit tot alle medemensen. Je bent daarentegen juist moreel parochialistisch als je juist wel verschil maakt.

Die vraag naar de verdeling van een som geld werd in 2020 in de Global Universalism Survey gesteld aan in totaal 64000 mensen verdeeld over representatieve steekproeven van 60 landen. Iedereen werd gevraagd om een hypothetisch bedrag van 1000 dollar, of ongeveer daarmee overeenkomend in een andere munteenheid, te verdelen over twee andere personen met een ongeveer gelijk inkomen. Zie Moral universalism: Global evidence.

Het bleek toen dat ongeveer 26 procent van de ondervraagden moreel universalistisch kan worden genoemd, in de zin dat ze in alle gevallen het bedrag gelijk verdeelden. Ter vergelijking: in de studie Identification With All Humanity as a Moral Concept and Psychological Construct bleek dat 15 procent van de ondervraagde Amerikanen zich evenveel identificeerden met alle mensen op de wereld dan met hun dorps- of stadsgenoten en met hun landgenoten. Ook maakte die 15 procent geen verschil als het ging om de bereidheid om mensen te helpen die in nood verkeerden. Zie het bericht Kunnen wij wereldburgers zijn? Een beetje

Onze morele gemeenschapsintuïties van iedereen-telt-mee zijn geëvolueerd in de lange periode dat we als jagers-verzamelaars in kleine groepen leefden. Maar het blijkt dus mogelijk om in de huidige tijd de geldigheid van dat iedereen-telt-mee uit te breiden tot de gehele wereldbevolking. 

Hoewel het om een minderheid gaat die daar heel ver in gaat, geeft het enige hoop dat we als wereldbevolking in staat zullen zijn om de grote problemen die op dat niveau spelen, die van de door mensen veroorzaakte klimaatverandering, met succes aan kunnen pakken. Net zo als we lang geleden in kleine groepen moesten samenwerken om te kunnen overleven, geldt nu dat we als wereldbevolking moeten samenwerken om een klimaatramp te voorkomen. In de woorden van António Guterres, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties: “We have a choice – collective action or collective suicide. It is in our hands.”

Of we op tijd tot die samenwerking zullen komen, zal er dus van afhangen of genoeg mensen in staat zijn tot moreel universalisme. Volgens Stelling 2 van de Dual Mode-theorie mogen we daar meer op hopen, hoe meer mensen met dat moreel universalisme in aanraking komen. 

In dat verband is een resultaat van die Global Universalism Survey interessant. Het blijkt namelijk dat mensen die in hun eigen land meer met democratie in aanraking komen, dus met het iedereen-telt-mee op landniveau, ook moreel universalistischer zijn. Je ziet dat verband in dit plaatje afgebeeld (overgenomen van Moral universalism: Global evidence):

:

Op de verticale as staat het gemiddelde morele universalisme per land en op de horizontale as de mate waarin een land democratisch is. Je ziet dat de bewoners van een land dat democratischer is ook moreel universalistischer zijn. Als je in een land woont waarin iedereen mee telt, dan vind je ook meer dat iedereen van de wereldbevolking behoort mee te tellen. 

Dat dit een oorzakelijk verband zou kunnen zijn, blijkt eruit dat mensen die gezien hun land en hun leeftijd langer met democratie in aanraking zijn geweest ook moreel universalistischer zijn. En andersom: mensen die gezien hun land en hun leeftijd juist langer met de afwezigheid van democratie in aanraking zijn geweest, zijn ook minder moreel universalistisch.

De strijd om de klimaatverandering tegen te gaan ligt dus in het verlengde van de strijd om de democratie.

maandag 7 november 2022

Politiek links is moreel universalistisch en ziet de wereld als veilig en politiek rechts is moreel parochialistisch en ziet de wereld als onveilig

Als we even afzien van de minderheid van psychopaten en kwaadaardige narcisten, dan zijn alle mensen toegerust met de morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee. Dat hebben we overgehouden aan de lange periode waarin onze voorouders als jagers-verzamelaars voor hun overleving waren aangewezen op samenwerking en delen. Dat was alleen mogelijk als iedereen er van uit ging dat hij of zij meetelde, zowel in het behoren bij te dragen aan de samenwerking als in het mogen meedelen in de opbrengsten van die samenwerking. 

Dat wij mensen nu nog bestaan, komt doordat er in het verleden een selectie is geweest op het toegerust zijn met die morele gemeenschapsintuïties. Overigens zonder dat die evolutionair oudere intuïties, die van het statuscompetitiepatroon en dus van het ieder-voor-zich, volledig zijn uitgeselecteerd. Vandaar die innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur, zoals we die aantreffen in de Dual Mode-theorie.

Volgens Stellling 2 van die theorie, zullen mensen zich laten leiden door die morele gemeenschapsintuïties als ze waarnemen dat anderen dat ook doen. Er bestaat dan namelijk de sociale veiligheid die nodig is om mensen tot gemeenschapsgedrag te brengen. Ik ben bereid om aan de samenwerking bij te dragen, om daarvoor opofferingen te brengen, omdat ik erop vertrouw dat anderen dat ook doen en dat ik zal meedelen in de opbrengsten. Sociale veiligheid, oftewel gemeenschapsgedrag van anderen, lokt gemeenschapsgedrag uit.

Maar tegenwoordig bestaat die sociale veiligheid niet meer in die mate waarin hij in jagers-verzamelaarssamenlevingen bestond. Hoewel verreweg de meeste mensen met die morele gemeenschapsintuïties zijn toegerust, verschillen we in hoeveel sociale veiligheid er in onze omgeving is en in hoeveel we waarnemen. Vandaar dat we in onze huidige samenlevingen ook veel te maken hebben met dat statuscompetitiepatroon. 

Mensen kunnen namelijk verschillen in de omvang van hun kring van sociale veiligheid. Sommigen vinden die veiligheid alleen in hun kleine kring van familie en vrienden, anderen in de kring van hun landgenoten en nog weer anderen in de kring van de wereldbevolking. (Hoe kleiner die kring, hoe groter de kans op een angststoornis.)

In de nieuwe studie Moral universalism and the structure of ideology laten de onderzoekers zien dat die variatie in de omvang van die kring van sociale veiligheid bepalend is voor de structuur van de ruimte van politieke opvattingen, van ideologieën.

De omvang van die kring stellen ze vast door mensen steeds te laten kiezen hoe ze een bepaald bedrag aan geld zouden verdelen over zichzelf en anderen, waarbij die anderen hun naasten zijn, hun buurtgenoten, hun landgenoten of mensen die ergens op de wereld wonen. Het gelijk verdelen van dat bedrag ook als de ander iemand is die "ergens op de wereld" woont, valt dan aan te duiden als moreel universalisme. Als je daar voor kiest, dan strekt je morele gemeenschapsintuïtie van iedereen-telt-mee zich uit tot de gehele wereldbevolking. En als je kring klein blijft, dus bijvoorbeeld beperkt blijft tot die van je landgenoten, dan valt dat aan te duiden als moreel parochialisme. Het is alleen de "eigen parochie" die meetelt.

Nu blijkt dat de mensen die zichzelf politiek links noemen, meer moreel universalistisch zijn. Het zijn ook degenen die hogere overheidsuitgaven voor sociale zekerheid, volksgezondheid, ontwikkelingshulp, natuur en klimaat en een voorkeursbeleid voor minderheden voorstaan. Zij volgen duidelijk het iedereen-telt-mee en de geldigheid daarvan strekt zich uit tot de wereldbevolking. Dat is in dit onderzoek niet meegenomen, maar zij zullen ook positiever staan tegenover vluchtelingen.

Daarentegen zijn de mensen die zich tot politiek rechts rekenen, meer moreel parochialistisch. Ze staan juist hogere overheidsuitgaven voor defensie, contraspionage, politie en grenscontrole voor. Het is het wereldbeeld van ieder-voor-zich, dus van de statuscompetitie.

Waaruit je kunt opmaken, dat moreel universalisme samengaat met een wereldbeeld van sociale veiligheid. Waarin je uit mag gaan van goede bedoelingen. En moreel parochialisme juist met het beeld van een sociaal onveilige wereld, waarin het eigen volk dient te worden beschermd tegen kwaadwillende interne en externe vijanden.

Dat het er bij dat morele universalisme dan wel parochialisme uiteindelijk gaat om het beeld van een veilige dan wel onveilige wereld, dat kom je in dat onderzoek trouwens niet tegen. Dat is een inzicht dat door de Dual Mode-theorie wordt aangeleverd.

maandag 24 februari 2020

Achter "Eigen volk eerst" gaat 'Ik eerst" schuil - meer aanwijzingen dat pro-sociaal gedrag niet parochiaal, maar universalistisch is

Op onze neiging tot pro-sociaal gedrag, tot het rekening houden met en bijstaan van anderen, zijn we geselecteerd in de lange periode van de Paleo Sociale Omgeving, toen we als jagers-verzamelaars in groepen van vertrouwde anderen waren aangewezen op samenwerken en delen om te overleven. Daardoor zijn we ook nu nog toegerust met de morele intuïties van het gemeenschapsgedrag.

Maar onze sociale omgeving is sindsdien ingrijpend veranderd. In een kring van vertrouwde anderen gedragen we ons gemakkelijk en zonder dralen pro-sociaal. Maar daarbuiten kunnen we ook in aanraking komen met statuscompetitiegedrag, dus met anderen die ons niet gunstig gezind behoeven te zijn en waartegen we ons misschien moeten verdedigen. We kunnen dan moeten terugvallen op de intuïties van het statuscompetitiegedrag, dus op de vermogens om gevaar te detecteren en om daarop gepast te reageren, met vechten of vluchten, of met onderdanigheid of zelfs bevriezen (immobiliseren) als het gevaar overweldigend is.

Maar vaak weten we niet goed wat we van die anderen buiten onze kring van vertrouwde anderen, vreemden dus, te verwachten hebben. Wat doen we in die toestand van onzekerheid? Zijn we om te beginnen goed van vertrouwen? Of juist argwanend en op onze hoede?

Het antwoord zal enerzijds afhangen van de omstandigheden. Maar anderzijds zou je ook kunnen denken dat mensen van elkaar verschillen.

Dat laatste is een bekend thema in het sociaalwetenschappelijk onderzoek. Twee vermoedens ("hypothesen") staan tegenover elkaar.

Aan de ene kant de hypothese dat pro-sociaal gedrag altijd "parochiaal" is, dat wil zeggen dat degenen bij wie meer die gemeenschapsintuïties aanwezig zijn, ook altijd degenen zijn die het meeste onderscheid maken tussen vertrouwden en vreemden. Tegenover hun vrijgevigheid ten aanzien van hun vertrouwden zou dus juist hun wantrouwen en zelfs vijandigheid staan tegenover vreemden. Volgens dit vermoeden is gemeenschapsgedrag dus altijd van het type "Eigen volk eerst".
De evolutionaire gedachte hierachter lijkt te zijn dat de selectie op gemeenschapsgedrag in die Paleo Sociale Omgeving een selectie tussen onderling concurrerende en vijandige groepen was. Groepen die intern meer solidair waren, dus meer parochiaal pro-sociaal gedrag kenden, zouden succesvoller zijn in de conflicten tussen groepen. En zouden er dus zo voor zorgen dat er op dat parochiale pro-sociale gedrag geselecteerd werd.
Maar dat er in de Paleo Sociale Omgeving dat type groepsselectie plaats vond is onwaarschijnlijk. Jagers-verzamelaarsgroepen onderhielden over het algemeen goede contacten met elkaar, ook al op basis van uithuwelijkingsrelaties. Gewelddadige conflicten tussen groepen, oorlogen, kwamen pas met de landbouwrevolutie de mensheidsgeschiedenis binnen.
Aan de andere kant is er dan ook de hypothese dat gemeenschapsgedrag juist altijd universalistisch is. Dus dat een grotere geneigdheid tot pro-sociaal gedrag ten opzichte van vertrouwden juist samen gaat met dezelfde geneigdheid ten opzichte van vreemden. Volgens deze gedachte verschillen mensen "over de hele linie" in hun geneigdheid tot gemeenschapsgedrag.
Dit komt overeen met de evolutionaire gedachte dat in de Paleo Sociale Omgeving binnen de jagers-verzamelaarsgroepen werd geselecteerd op gemeenschapsgedrag. Als uitkomst van het zelfdomesticatieproces: het tegenovergestelde statuscompetitie gedrag werd door coalities van groepsleden onderdrukt, desnoods met geweld. Denk aan Richard Wranghams The Goodness Paradox. The Strange Relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution. 
Wat wijst het sociaalwetenschappelijk onderzoek uit? Tot nu toe levert dat voor beide hypothesen aanwijzingen op. In de nieuwe studie Prosociality in the economic Dictator Game is associated with less parochialism and greater willingness to vote for intergroup compromise vind je een aantal literatuurverwijzingen. Maar die studie zelf doet verslag van een onderzoek dat de tweede hypothese ondersteunt, dus dat gemeenschapsgedrag meer universalistisch van aard is.

De onderzoekers, onder wie David G. Rand, deelden deelnemers aan hun onderzoek, dat plaats vond via internet (Amazon Mechanical Turk), in twee verschillende groepen in (de blauwe groep en de paarse groep). Gedurende het experiment konden ze een stem uitbrengen voor hun eigen groep of voor de andere groep. Als aan het eind van het spel een van de groepen een bepaald minimumaantal stemmen (de drempel) had behaald, dan ontvingen de leden van beide groepen een beloning, zij het dat die voor de leden van de "winnende" groep hoger was. Als geen van de beide groepen de drempel haalde, dan kreeg niemand een beloning.

Het was dus in ieders belang dat een groep de drempel haalde. Dat betekende dat het voor de leden van een groep die duidelijk minder stemmen leek te gaan krijgen, verstandig kon zijn om een stem uit te brengen op de andere groep. Om er zo aan bij te dragen dat de drempel werd gehaald. Bij wijze van compromis. Het blijven stemmen op je eigen groep, werd gezien als een uiting van parochiaal pro-sociaal gedrag en het zo nodig stemmen op de andere groep als een uiting van universalistisch pro-sociaal gedrag. In het eerste geval is het "Eigen volk eerst" en in het tweede geval staat het algemenere belang voorop.

Los van dat groepsexperiment werd de neiging tot pro-sociaal gedrag gemeten met het zogenaamde anonieme Dictatorspel, waarin je gevraagd wordt om een bedrag naar eigen goeddunken te verdelen over jou en "een andere persoon". Er is dus niets dat je tegenhoudt om alles voor jezelf te houden. Hoeveel je dan toch weggeeft, zegt iets over je geneigdheid tot pro-sociaal gedrag.

Het blijkt dan dat hoe pro-socialer iemand is, hoe minder parochiaal en hoe meer universalistisch. Daarmee kwam overeen dat de meer pro-socialen zich ook meer identificeerden met alle deelnemers aan het experiment, terwijl de minder pro-socialen zich meer met alleen de leden van de eigen groep identificeerden.

De uitkomst wijst in dezelfde richting als het eerdere onderzoek waaruit bleek dat de geneigdheid tot "Eigen volk eerst", zoals gemeten met de Sociale Dominantie Oriëntatie, zoals verwacht samen hangt met meer vijandigheid tegenover de andere groep en dat dit niet "gecompenseerd" werd met meer pro-sociaal gedrag tegenover de eigen groep. Parochialisme gaat samen met egoïsme en universalisme met pro-sociaal gedrag. Achter "Eigen volk eerst gaat "Ik eerst" schuil.