Posts tonen met het label omwegbeleid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label omwegbeleid. Alle posts tonen

woensdag 24 januari 2018

Een minister voor eenzaamheidsbestrijding?

Groot Brittannië kent sinds kort een minister voor Eenzaamheid. Tracey Crouch combineert dat beleidsterrein met dat van de sport. Zie The World's First Minister of Loneliness. Premier Theresa May verklaarde dat de minister deze "sad reality of modern life" moet gaan bestrijden.

Een opmerkelijke ontwikkeling. Die ook in Duitsland in gang lijkt te worden gezet, want daar wordt ook gepleit voor een ministeriële verantwoordelijkheid voor het coördineren van de bestrijding van eenzaamheid. Zie Auch deutsche Politiker fordern mehr Einsatz im Kampf gegen Einsamkeit.

Als je tot je laat doordringen hoe ernstig het probleem van eenzaamheid is, zou je deze ontwikkelingen moeten toejuichen. We weten dat eenzaamheid veel voorkomt. Volgens onderzoek van het CBS, de verzamelde GGD's en het RIVM voelt 30 procent van de bevolking zich enigszins eenzaam en 8 procent ernstig of zeer ernstig eenzaam. Update. Volgens de nieuwste cijfers, van 2016, is 33 procent van de volwassen bevolking matig eenzaam en 10 procent ernstig of zeer ernstig eenzaam. (Met dank aan Marc van Dijk van CoalitieErbij.)

Eenzaamheid komt veel voor bij ouderen. Dat hangt vaak samen met het overlijden van de partner, maar dat de impact daarvan zo groot is, zal ermee te maken hebben dat wij op volwassen leeftijd nog maar weinig nieuwe vrienden maken. Zie Waardoor maken we in ons volwassen leven maar weinig nieuwe vrienden?  En daar komt nog bij dat de frequentie van contacten met vrienden die we nog wel hebben gedurende de levensloop afneemt. Zie Met het verstrijken van de levensloop minder contacten met vrienden - Nieuwe aanwijzingen.

Maar jongeren zijn bepaald niet vrij van eenzaamheid en dat zal er mede aan liggen dat wij onze kinderen veroordelen tot die kunstmatige sociale omgeving van de leeftijdshomogene schoolklas. Zie
De eenzaamheid van de adolescent - Nee, van de scholier!

Eenzaamheid is niet slechts een gevolg van een gebrek aan sociale contacten. Want veel contacten die we hebben zijn slechts vluchtig van aard en beschermen ons niet tegen eenzaamheid. Of ze zijn niet ondersteunend, maar staan integendeel in het teken van de statuscompetitie.

Naar de negatieve gezondheidseffecten van eenzaamheid is al veel onderzoek gedaan en de resultaten daarvan zijn onomstreden. Een van de meer recente onderzoeken laat zien:
  • dat gedurende de levensloop ervaren sociale stress (sociale afwijzing, echtscheiding ouders, negatieve en competitieve relaties met anderen, verlies van partner) de ontstekingsactiviteit verhoogt
  • dat in het laboratorium opgeroepen stress (zoals abrupt moeten presteren voor een beoordelend publiek) de ontstekingsactiviteit verhoogt
  • dat eenzaamheid en sociaal isolement samengaan met verhoogde ontstekingsactiviteit en met een verhoogde ontstekingsreactie op bedreigingen van het immuunsysteem.
En dat alles heeft die negatieve effecten op de gezondheid, dat wil zeggen dat de kans op ontstekingsgerelateerde ziektes toeneemt (artritis, diabetes, obesitas, aderverkalking en sommige typen kanker).

Oké, maar hoe komt het dan dat die aandacht voor het eenzaamheidsprobleem zo toegenomen is? Komt dat doordat eenzaamheid is toegenomen?

Ja, daar valt wat voor te zeggen. Een wel heel duidelijke aanwijzing komt voort uit het tjjdsbestedingsonderzoek dat het SCP sinds 1975 om de vijf jaar uitvoert. Daaruit blijkt dat de tijd die we besteden aan het bij elkaar op bezoek gaan is gehalveerd.

En daarmee komen we bij de vraag wat een minister voor Eenzaamheidsbestrijding voor maatregelen zou kunnen nemen. Want die toename van eenzaamheid heeft natuurlijk sociaal-structurele oorzaken. Doordat we in het kader van opleiding en arbeidsloopbaan over grotere afstanden zijn gaan verhuizen, wonen we minder in de nabijheid van familie en vrienden. Door de toename van de woon-werkafstand is ons sociale netwerk meer gefragmenteerd en kennen we minder goed onze buren. Door schaalvergroting en concentratie van voorzieningen en door functiescheiding (wonen en werken) zijn er in woonbuurten minder ontmoetingsplekken.

Al die ontwikkelingen stonden in het teken van ons streven naar meer economische welvaart. Maar dat we daarnaast ook nog een fundamentele behoefte hebben aan sociale welvaart, het welzijn dat voortkomt uit het hebben van vertrouwde sociale contacten, dat lijken we ons maar slecht te hebben gerealiseerd. We zijn er wat geld betreft op vooruitgegaan, maar "de rest" is minder geworden.

En het corrigeren van die ontwikkelingen, dat lijkt een taak die het vermogen van één minister te boven gaat. Wat doet vermoeden dat we met die ene minister niet verder komen dan meer individuele "eenzaamheidsinterventies", zonder de collectieve aanpak die hoognodig is. 

woensdag 5 november 2014

Zoveel symptoombestrijding! Naar aanleiding van Rutger Bregman over de Week van de Werkstress

Het is de Week van de Werkstress. Stress op het werk leidt tot gezondheidsproblemen en ziekteverzuim en de kosten daarvan lijken hoog te zijn.

Je zou denken dat het voor de hand ligt om te zoeken naar de oorzaken. Hoe komt het dat werkstress toeneemt? Misschien heeft het er mee te maken dat we teveel verwachten van het aanwakkeren van concurrentie tussen bedrijven. En met de flexibilisering van de arbeidsmarkt. En met het ontbreken van een macro-economisch beleid gericht op volledige werkgelegenheid. Allemaal zaken die de baanonzekerheid bevorderen. Op zich is dat al een oorzaak van stress. Maar bovendien verhoogt het de prestatiedruk en de concurrentie tussen werknemers. Die nog eens de stress verhogen.

Het zou dus goed zijn om in de Week van de Werkstress bij die oorzaken stil te staan. Vooral de politiek zou zich achter de oren moeten krabben. Moeten we niet meer naar wetgeving toe die recht doet aan de noodzaak van een meer ontspannen samenleving? Die de autonomie op het werk verhoogt? Moeten we daar niet eens goed over gaan nadenken? Zie ook mijn bericht Een baan met meer autonomie geeft minder kans op burn-out - Dat pleit voor minder hiërarchie op het werk.

Maar nee, dat doen onze politici niet. Rutger Bregman wijst er terecht op dat de Week van de Werkstress geheel in het teken staat van symptoombestrijding. Zie Een Week van de Werkstress en dan hup: gauw weer aan het werk. Want het enige wat er deze week gebeurt is het geven van voorlichting. Voorlichting? Ja, kennelijk is het heel urgent dat iedereen er goed van op de hoogte is dat werkstress zo maar op de loer ligt en wat je daar als individuele werknemer dan aan moet doen. Je moet je er niet voor schamen. Je moet het aankaarten. En je moet het bespreekbaar maken.

De probleemdiagnose van de politiek en van minister Asscher is kennelijk dat er nog een taboe rust op werkstress en dat als we dat taboe maar opheffen, dat dan alles beter wordt.

En dat is uiterst merkwaardig. Want eerst creëer je als overheid de voorwaarden waaronder werkstress gemakkelijk ontstaat en vervolgens leg je dat probleem neer bij de slachtoffers van dat beleid. Doe er wat aan. Schizofreen, ja, dat woord lijkt van toepassing.

En Bregman heeft ook gelijk dat we in een tijdperk van symptoombestrijding lijken te leven. Want als je goed om je heen kijkt, zie je die praktijk overal. De werkloosheid pakken we aan met sollicitatietrainingen. Depressies? Meer psychologen.

Ik dacht natuurlijk ook aan ons jeugdbeleid. Door het toegenomen sociaal isolement van de gezinnen groeien onze kinderen niet meer op in een sociale omgeving die ze nodig hebben. Dat is slecht voor hun sociale en morele ontwikkeling en dat uit zich in gedragsproblemen en psychosociale problemen.

We zouden ons eens goed kunnen bezinnen op de oorzaken van dat toegenomen sociaal isolement. Die liggen op het terrein van de economie en de fysieke infrastructuur. Dan hebben we het over de schaalvergroting en de centralisatie van allerlei voorzieningen, waardoor in buurten niet meer als vanzelf ontmoetingsplekken bestaan. En we hebben het over functiescheiding, waardoor de woon-werkafstand is toegenomen en waardoor onze sociale netwerken zijn gefragmenteerd. En we hebben het over de toename van verhuizingen over langere afstanden, waardoor familie minder bij elkaar in de buurt woont.

Maar nee, in plaats daarvan hebben we de nieuwe sector van de jeugdzorg en de jeugdhulpverlening en de opvoedondersteuning laten ontstaan. Die allemaal erg hun best doen, maar pas in actie komen als de problemen al zijn ontstaan en daarna niet veel meer kunnen doen dan symptomen te bestrijden.

Wel iets aan die oorzaken doen, dat zou betekenen dat we echt kiezen voor omwegbeleid. Zie Overheidsonmacht in de jeugdzorg. Een pleidooi voor omwegbeleid.

Maar ik moest natuurlijk ook denken aan de Week van de Eenzaamheid. Die ook nagenoeg geheel gewijd is aan voorlichting en bewustwording. En aan de noodzaak van trainingen voor hulpverleners in het herkennen van eenzaamheid. Ook daar ontbreekt vrijwel geheel het besef dat eenzaamheid oorzaken heeft die in maatschappelijke ontwikkelingen zijn gelegen. Vrijwel dezelfde ontwikkelingen die het sociaal isolement van gezinnen hebben vergroot.

En tenslotte moest ik denken aan hoe we het pestprobleem op scholen aanpakken. Of dus eigenlijk niet aanpakken. In plaats van in te zien dat we met de leeftijdssegregatie waaraan we onze kinderen blootstellen, het pesten in de hand werken, laten we dat gewoon gebeuren en vinden we dat pesten met anti-pestprogramma's moet worden bestreden. En o ja, we hebben immers ook een Week Tegen het Pesten. Zie nog eens Het beste middel tegen pesten: leeftijdsgemengde groepen en mijn discussie met Mieke van Stigt.

Je zou natuurlijk denken dat er hier bij uitstek een grote opdracht ligt voor de sociale wetenschappen. Maar helaas, wat je in feite ziet is dat die zich nogal dienstbaar maken aan deze trend van de symptoombestrijding. Zo is er op het gebied van pesten vele malen meer sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit van anti-pestprogramma's dan naar de oorzaken van de toename van pesten. Tragisch is dat.

donderdag 23 oktober 2014

Nieuwe stap in richting buurtzelfbeheer - pleidooi voor buurtrechten van PvdA-Kamerlid Grace Tanamal

Het zou goed zijn als mensen weer meer zelf en gezamenlijk hun lokale omgeving, dus hun dorp of buurt, inrichten en beheren. Lokale zelforganisatie dus. Zie eerder mijn bericht Wanneer is buurtzelfbeheer succesvol? Over mandeligheid, zelforganisatie en de participatiesamenleving, waarin het o.a. ging over mandeligheid als juridische vorm van gezamenlijk eigendom van openbare ruimte.

Nu is er vandaag het pleidooi van PvdA-Kamerlid Grace Tanamal voor het geven van buurtrechten aan buurtbewoners als die daar om vragen. Het AD besteedt er aandacht aan.

Wat zijn buurtrechten? Daarover kom je meer te weten op de website van het Landelijk Samenwerkingsverband Actieve bewoners. Het gaat om sterk door ontwikkelingen in Engeland geïnspireerde ideeën over het geven van specifieke rechten aan buurtbewoners.

Zoals het recht om mee te mogen doen bij openbare aanbestedingen van publieke diensten, zoals " op het terrein van wijkcentra, peuterspeelzalen, groenbeheer, ouderenvervoer of het beheer en behoud van een zwembad." De bewoners hebben er dan recht op dat de sociale waarde van de zelforganisatie wordt meegewogen bij de beslissing, zoals de bevordering van een actieve, sociale en betrokken buurt.

Of het recht om te mogen beschikken over maatschappelijk vastgoed, zoals een buurthuis. Of het recht op buurtplanning, het recht dus om inbreng te hebben in de fysieke inrichting van de buurt. Denk aan Ontmoetingsplekken in de buurt: markt, overheid, zelforganisatie? In dezelfde richting gaan natuurlijk ook de pleidooien voor participatory budgeting.

Natuurlijk zullen niet alle buurten meteen aanvragers worden van zulke buurtrechten. Er zijn nogal wat hindernissen te overwinnen voordat een buurt zichzelf goed organiseert. Kijk nog even naar de voorwaarden voor zelforganisatie in dat bericht hierboven. Maar als het gebeurt waar dat het geval is, dan is dat uiterst waardevol en belangrijk.

De mogelijke voordelen liggen niet alleen op het terrein van de kwaliteit van de geleverde diensten, die wel eens beter zou kunnen zijn als de bewoners het zelf doen. Nee, de voordelen zijn vooral ook indirect.

Want zelfbeheer zal bewoners meer met elkaar in contact brengen en hun betrokkenheid bij elkaar vergroten. En onderzoek wijst uit dat dat positieve gezondheidseffecten heeft. Zie het bericht  Gezondheid en sociale omgeving (4): maakt de buurt verschil? En wat zou je denken van de kans dat je hiermee ook een bijdrage levert aan de vermindering van eenzaamheid? Denk nog even aan Peter Lovenheim.

Ook weten we dat meer contacten tussen buurtbewoners er aan bijdragen dat het algemene vertrouwen van mensen in elkaar toeneemt. En dat vertrouwen is belangrijk voor de kwaliteit van samenleven en voor de werking van de democratie.

En we weten dat kinderen beter opgroeien in buurten waarin mensen elkaar kennen en wel eens iets voor elkaar doen. Zie het bericht Sociale ontwikkeling en pro-sociaal gedrag.

Dat alles komt er op neer dat het geven van buurtrechten aan bewoners eigenlijk voor een groot deel een vorm van omwegbeleid is, beleid dus dat er op gericht is om indirect allerlei positieve effecten te bereiken, die er uit voortkomen dat mensen zich lokaal meer als een gemeenschap gedragen. Zie  Overheidsonmacht in de jeugdzorg. Een pleidooi voor omwegbeleid.

Belangrijke en ingrijpende ontwikkelingen gaan zelden snel en soepel. Maar ze moeten wel op gang komen. En dit pleidooi voor buurtrechten is een belangrijke stap.

woensdag 25 juni 2014

De toename van chronische ziekten is mede een gevolg van een meer gestresste samenleving. Dus is collectieve aanpak nodig

Het CBS verwacht voor 2013 een toename van de gezonde levensverwachting, van de verwachte levensduur zonder fysieke gebreken en in als goed ervaren gezondheid. Maar bij die vooruitberekening werd geen rekening gehouden met de te verwachten toename van chronische ziekten. Als het CBS dat wel gedaan had, dan was het beeld minder gunstig geweest. Zie het bericht van eergisteren.

Toevallig (?) is er nu vandaag de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014 (VTV-2014) van het RIVM. Daarin vind je een trendscenario van het aantal mensen met een of meer chronische ziekten tot 2030. En dat laat inderdaad zien dat er een sterke toename te verwachten valt. Volgens de meest recente schatting heeft 32 procent van de bevolking een of meer chronische ziekten. Dat percentage zal in 2030 zijn opgelopen tot 40. Vier op de tien Nederlanders zullen dan een chronische ziekte hebben. Als je bedenkt dat jongeren nog weinig last hebben van chronische kwalen, hoe hoog zal dat percentage dan wel niet zijn bij volwassenen en ouderen?

Omdat chronische ziekten zich in de loop van de levensduur openbaren, valt de toename uiteraard voor een deel te verklaren uit de vergrijzing van de bevolking. En ja, ook een deel van de verklaring is dat veel van deze kwalen sneller worden opgespoord en behandeld.

Maar het is bekend dat chronische ziekten sterk samenhangen met hoeveel stress je in je leven te maken krijgt. Denk aan de Type II allostatische (over)belasting. Die heeft met onze leefwijze te maken, met hoeveel onzekerheid, statuscompetitie en eenzaamheid we in onze sociale omgeving moeten weten om te gaan.

Het gaat om ervaringen die niet acuut tot problemen leiden, maar die wel, als ze cumuleren, chronische ontstekingsprocessen in werking zetten. Waardoor de kans op hart- en vaataandoeningen, suikerziekte, hoge bloeddruk en sommige soorten kanker toeneemt. Zie nog eens Als stress geen individuele verantwoordelijkheid is, dan moet stressbestrijding dat ook niet zijn en We leven langer. Maar ook langer met meer stress?

Wat te doen? Medici hebben natuurlijk sterk de neiging tot behandeling en tot individuele preventie. Dat is het medische model. Maar alles wijst er op dat we een collectief probleem hebben, dat te maken heeft met hoe wij onze maatschappij inrichten. Dus, ik citeer me zelf:
Waarom zouden we een collectief probleem niet collectief aanpakken? We zouden de statuscompetitie kunnen verminderen door de inkomens- en vermogensongelijkheid terug te brengen. En door de armoede te bestrijden. En door een beleid gericht op volledige werkgelegenheid, zodat minder mensen te maken krijgen met (de dreiging van) werkloosheid. Meer fatsoenlijke banen.

We zouden scholen zo kunnen inrichten dat leerlingen meer leeftijdsgemengd opgroeien, zodat de kans op statuscompetitie en pesten vermindert. We zouden meer geld kunnen uittrekken voor ontmoetingsplekken in buurten en daarmee de kans op eenzaamheid kunnen terugdringen. We zouden kleinschaligheid en spreiding van bedrijven en voorzieningen kunnen bevorderen, om de woon-werkafstand en mobiliteit te verminderen, waardoor we weer meer een sociaal leven kunnen leiden. We zouden de reclame nog verder aan banden kunnen leggen, zodat we ons minder laten verleiden tot materialisme en statuscompetitie.

Kortom, waarom niet meer omwegbeleid? In plaats van de oorzaken hun werk te laten doen en achter de feiten te blijven aanlopen.
Het valt op dat instellingen als het CBS en het RIVM voor die maatschappelijke oorzaken maar weinig aandacht hebben. Dat is jammer. En schadelijk.

vrijdag 18 april 2014

Als stress geen individuele verantwoordelijkheid is, dan moet stressbestrijding dat ook niet zijn

Vandaag een bijna uitstekend betoog (De bestrijding van stress verdient meer politieke aandacht en budget) van Martijn van Winkelhof (Ministerie van Financiën), Bram Bakker (psychiater) en Remko Kuipers (Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, Amsterdam) op MeJudice. Waarom uitstekend en waarom bijna?

Uitstekend omdat de auteurs terecht aandacht vragen voor de grote omvang van de aan chronische stress gerelateerde zorgconsumptie. Onderzoek wijst uit dat tussen de 60 en 90 procent van de huisartsbezoeken stressgerelateerd is. Ongeveer hetzelfde geldt voor ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Van de totale collectieve zorgconsumptie in Nederland van ongeveer 90 miljard gaat al zo'n twintig miljard naar de kosten van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. De collectieve lasten van chronische stress zullen zeker miljarden euro's bedragen. Zie ook het bericht We leven langer. Maar ook langer met meer stress?

Ook uitstekend omdat de auteurs die grote omvang van chronische stress in verband brengen met onze huidige leefwijze.
Er wordt wel eens gezegd dat de moderne mens op een dag meer prikkels verwerken dan onze verre voorvaderen in hun hele leven. Dat betreft dan vooral de belasting van ons brein. Ondertussen is onze fysieke constitutie niet ingrijpend veranderd, maar wel staat door alle hersenactiviteit onze autonome ontspanning (beweging, slaap) zwaar onder druk.

Wij zullen onder ogen moeten zien dat onze huidige leefwijze gepaard gaat met een aanmerkelijk verhoogd risico op een ziekmakende ontregeling van het stresssysteem. Dat behoeft meer en expliciete aandacht op de werkvloer, in het onderwijs én in medische protocollen.
Wat er dan mis is met onze leefwijze? Dat we teveel blootstaan aan de risico's van statuscompetitie en eenzaamheid. Loop nog eens, als je een keer de tijd kunt vinden(!), deze blogberichten na over het verband tussen die risico's en chronische stress:

Lage status, armoede, piekeren en chronische stress
Gezondheid en sociale omgeving (7): de stress van statuscompetitie en eenzaamheid
Gezondheid en sociale omgeving (8): allostatische belasting en de levensloop
Gezondheid en sociale omgeving (10): de gezondheidsschade van inkomensongelijkheid
Wie zijn het meest gestresst? En is stress toegenomen? Wat zegt dat over onze maatschappij?
Leefstijl, stress, eenzaamheid en de kans op dementie - Gezondheid en sociale omgeving (19)
Armoede maakt ziek door gevoel anders behandeld te worden - Gezondheid en sociale omgeving (20)
Kinderen steeds eerder in puberteit: snellere levensloop-strategie door vroege sociale stress?
Betaald werk hebben maakt gelukkig, maar betaald werken maakt ongelukkig. Was dat niet vervreemding?
Door eenzaamheid meer stress, grotere kans op ontstekingen en eerder overlijden
Over de negatieve lange termijn-effecten van pesten en gepest worden op jonge leeftijd
Opgroeien in armoede is af te lezen aan langzamere hersenontwikkeling in eerste levensjaren

Het is overduidelijk dat de aard van onze maatschappij een leefwijze met zich meebrengt die ons sterk blootstelt aan eenzaamheid en statuscompetitie. Wat zouden we daaraan moeten doen?

En dan wordt duidelijk waarom ik dat betoog van Van Winkelhof, Bakker en Kuipers bijna uitstekend vind. In plaats van gewoon uitstekend. Want wat bepleiten ze als oplossing? We moeten, zeggen ze, de stress bestrijden met
ontspanningsoefeningen met behulp van ademhaling, yoga, running-therapie, of mindfulness-programma’s
Stressinterventieprogramma's dus. En ze hebben gelijk dat de werking daarvan is aangetoond. Ze willen dus dat er een budget wordt uitgetrokken om scholieren en werknemers op een reguliere basis zulke programma's aan te bieden. En dat budget zal veel groter moeten zijn dan de één miljoen euro die minister Asscher nu voor de gehele kabinetsperiode heeft uitgetrokken voor het "Plan van aanpak (werk)stress".

Maar daarmee schieten ze in een reflex die je vaker ziet optreden: we hebben een collectief, maatschappelijk probleem en dat gaan we oplossen met individuele behandelmethoden. Het medische model is in dat denken allesoverheersend. De maatschappij brengt met zich voort mee dat individuen klachten ontwikkelen en die klachten moeten we gaan bestrijden. Door mensen te gaan leren hoe ze zich beter kunnen wapenen tegen de risico's van statuscompetitie en eenzaamheid.

Maar dan laten we de oorzaken van die risico's gewoon bestaan. Waarom zouden we een collectief probleem niet collectief aanpakken? We zouden de statuscompetitie kunnen verminderen door de inkomens- en vermogensongelijkheid terug te brengen. En door de armoede te bestrijden. En door een beleid gericht op volledige werkgelegenheid, zodat minder mensen te maken krijgen met (de dreiging van) werkloosheid. Meer fatsoenlijke banen.

We zouden scholen zo kunnen inrichten dat leerlingen meer leeftijdsgemengd opgroeien, zodat de kans op statuscompetitie en pesten vermindert. We zouden meer geld kunnen uittrekken voor ontmoetingsplekken in buurten en daarmee de kans op eenzaamheid kunnen terugdringen. We zouden kleinschaligheid en spreiding van bedrijven en voorzieningen kunnen bevorderen, om de woon-werkafstand en mobiliteit te verminderen, waardoor we weer meer een sociaal leven kunnen leiden. We zouden de reclame nog verder aan banden kunnen leggen, zodat we ons minder laten verleiden tot materialisme en statuscompetitie.

Kortom, waarom niet meer omwegbeleid? In plaats van de oorzaken hun werk te laten doen en achter de feiten te blijven aanlopen.

maandag 14 april 2014

Van consultatiebureau naar de vragenlijst van de Jeugdgezondheidszorg is een ijzeren logica

Ouders krijgen tegenwoordig een brief van de Jeugdgezondheidszorg met een lange vragenlijst. In het kader van de vroegsignalering wil de Jeugdgezondheidszorg van alles van ouders en hun kinderen weten.

Hoewel het met de meeste kinderen goed gaat, zijn er ook veel kinderen met psychosociale en gedragsproblemen. In dat verband hebben we taken toebedeeld aan de Jeugdgezondheidszorg. Die moet in actie komen als die problemen zich voordoen of dreigen voor te doen. Maar ouders en kinderen wonen in buurten en straten en de Jeugdgezondheidszorg is een instelling die natuurlijk niet zomaar weet wat er zich in die buurten en straten en huizen afspeelt. En die moet dus, om die taken goed te kunnen uitvoeren, informatie verzamelen.

Daaruit vloeit voort dat de probleemgevallen of dreigende probleemgevallen alleen maar kunnen worden gevonden door alle ouders van kinderen van 2-4 jaar te ondervragen. Het kan niet anders als je een deel van de verantwoordelijkheid voor het goed opgroeien van onze kinderen bij een instelling legt. Die moet er natuurlijk vroeg genoeg bij zijn. Dus: vroegsignalering.

En dan krijg je als ouders een lange vragenlijst. Voor psychosociale problemen, als uitvoering van de JGZ Richtlijn Vroegsignalering van psychosociale problemen (pdf). En voor gedragsproblemen, zoals te vinden in het Dossier Instrumenten voor Vroegsignalering van Gedragsproblemen van het Nederlands Jeugd Instituut.

Ik weet van dichtbij dat het moeten invullen van zo'n vragenlijst bij ouders hilarische reacties teweeg kan brengen. En vandaag wijdt Sheila Sitalsing haar column in De Volkskrant aan haar reactie op de confrontatie met die vragenlijst.

Ze begon die braaf in te vullen, maar met snel stijgende verbazing. Want inderdaad: ze vragen je het hemd van het lijf. Niet alleen over voeding, tandenpoetsen, slapen, bed plassen, zwemles, maar ook over psychische problemen van de ouders. Sheila verzucht, in een fictieve brief aan de Jeugdgezondheidszorg:
ik geloof niet dat de relatie tussen U en ons zich al zodanig heeft ontwikkeld dat wij intieme details met U willen delen over stemmen, geestverschijningen en die ene keer dat een van ons ontvoerd is geweest door wezens die ter ufo reisden en bezwangerd terugkeerde.
Begrijp ons niet verkeerd, wij weten dat U uit aardige, deskundige en goedwillende mensen bestaat. Toen u nog consultatiebureau heette, kwamen we er graag. (...) uw weegschaal deed het prima en Uw prikken waren van uitmuntende kwaliteit.
Sheila is duidelijk wanhopig. En dat is meer dan begrijpelijk.

Maar hoe komt dit allemaal? Hoe heeft deze ontwikkeling van consultatiebureau naar vragenlijst zich kunnen afspelen? Sheila heeft een vermoeden, namelijk dat de Jeugdgezondheidszorg lijdt aan
de illusie van controle. Dat U denkt dat U, als U maar voldoende Big Data verzamelt, de risicokindjes er al uit kunt vissen ver voordat de eerste klap is gevallen of de eerste kilo's er teveel aan zitten. Dat U, als U maar alle niet-pluissignalen documenteert, bijdraagt aan een heerlijke wereld.
Begrijpelijk. Maar sociaalwetenschappelijk gezien speelt zich hier meer af dan een even uit de hand gelopen controlebehoefte van de Jeugdgezondheidszorg.

Want als we ze laten opgroeien in sociaal geïsoleerde gezinnen, dan hebben kinderen niet de sociaal rijke omgeving die ze nodig hebben. Ze missen te veel de vertrouwde contacten met familie, grootouders, buren en vriendjes en vriendinnetjes van verschillende leeftijden. Hun sociale omgeving wijkt veel teveel af van die van de Paleo Sociale Omgeving.

Omdat niet alle kinderen daar even goed in gedijen, zien we die toename van psychosociale en gedragsproblemen. We hebben ooit verzonnen dat het goed opvoeden door de ouders voldoende, of zelfs precies goed is, om kinderen goed te laten opgroeien. We hebben de mythe van de opvoedbaarheid van kinderen in het leven geroepen.

Daarmee hebben we ouders met een onmogelijke taak opgezadeld. Ouders en kinderen zijn er niet voor "bedoeld" om zo exclusief op elkaar te zijn aangewezen.

In plaats van met zijn allen te proberen om dat sociale isolement van gezinnen te doorbreken, door omwegbeleid, zoals bepleit in Overheidsonmacht in de jeugdzorg. Een pleidooi voor omwegbeleid, zijn we er toe overgegaan om het grootbrengen van kinderen te transformeren tot een deskundigheidsdomein. Waarvoor je moet hebben doorgeleerd.

En de inzichten die daaruit voortkomen, zijn we gaan vertalen in richtlijnen waar professionals zich aan moeten houden bij het "interveniëren" in die gevallen waarin het met kinderen en gezinnen niet goed gaat. De ijzeren logica van die mythe van de opvoedbaarheid vereist dan natuurlijk ook dat die deskundige inzichten zo tijdig mogelijk te bestemder plekke aanwezig zijn. Vandaar de vroegsignalering en de vragenlijsten en de Big Data.

Het gaat dus niet om een uit de hand gelopen behoefte aan controle. Een maatschappelijke ontwikkeling in een bepaalde richting brengt nu eenmaal van alles met zich mee. Het is diezelfde ijzeren logica die leidt tot pleidooien voor ouderschapsonderwijs en voor het verplicht testen van ouders.

maandag 18 november 2013

Wat is het èchte nieuwe wondermiddel tegen depressie?

Wat is er toch met mensen aan de hand dat de kans om depressief te worden zo groot is en steeds maar lijkt toe te nemen?

Volgens het laatste rapport van de World Health Organization zijn er wereldwijd 350 miljoen mensen depressief. Nu kun je zeggen dat dat niet eens zo veel is op een wereldbevolking van meer dan 7 miljard (5 procent). Maar je kunt er ook van uit gaan dat depressie, een hevige en langdurige neerslachtigheid die het dagelijks functioneren aantast, eigenlijk helemaal niet zou moeten voorkomen. Met een evolutionaire blik zou je zeggen dat organismen in de loop van de tijd behoorlijk goed zijn aangepast aan hun omgeving en dat ze daardoor een soort optimale uitdaging ervaren. Waardoor ze zich in hun omgeving thuis voelen. En voldoende competent voelen om het leven aan te kunnen. Chronische neerslachtigheid, met zelfmoordgedachten, past daar niet in.

Met diezelfde evolutionaire blik zou je zeggen dat de kans op depressie groter wordt als een organisme snelle veranderingen in de omgeving meemaakt, zo snel dat de evolutionaire aanpassing dat niet kan bijbenen. De uitdagingen die de omgeving stelt, gaan de mogelijkheden dan te boven. Een chronisch gevoel van hier niet thuis te zijn en van incompetentie, van vervreemding, maakt depressief.

Dat mensen nu al duizenden jaren lang een snel veranderende omgeving meemaken staat buiten kijf. Natuurlijk ook de fysieke, maar toch vooral de sociale omgeving. En de kortste samenvatting van die veranderingen is dat mensen sinds de "Agrarische Revolutie", die eigenlijk geen revolutie was, in hun omgeving veel meer de uitdagingen van de statuscompetitie het hoofd moeten bieden dan in de Paleo Sociale Omgeving gebruikelijk was. Zie dit bericht. En dit bericht.

En het is bekend dat de kans op depressiviteit en suïcide groter is in een cultuur van statuscompetitie. Die wereldwijde toename van depressies is goed te begrijpen als je bedenkt dat ook de cultuur van statuscompetitie wereldwijd is toegenomen. Degenen onder ons die daar qua aanleg het slechtst tegen bestand zijn, worden dan het eerst getroffen. En afhankelijk van de mate waarin die cultuur zich nog meer verbreidt, zal het aantal getroffenen verder toenemen.

Wat te doen? Wat we nu al tientallen jaren doen is er op rekenen dat de farmaceutische industrie een oplossing verzint. Een marktoplossing dus, die er voor zorgt dat er middelen te koop zijn die je kunt slikken en die je minder neerslachtig maken. Antidepressiva. Het zou zo mooi zijn als die ook echt werkten en nog mooier, als er geen vervelende bijwerkingen waren. Dan hoefden we ons immers niet te bekommeren om hoe we onze maatschappij minder statuscompetitief zouden kunnen inrichten. Anders gezegd, we zouden niet hoeven na te denken over hoe we met omwegbeleid de echte, maatschappelijke, oorzaken kunnen aanpakken.

Maar die antidepressiva werken maar heel gebrekkig. Vandaag herinnert Simone Grimm, van de Universiteit van Zürich, ons er aan dat maar ongeveer de helft van de patiënten die een antidepressivum slikken er goed op reageren. En als ze dat al doen, dan kan dat weken of zelfs maanden duren, te lang voor mensen met zelfmoordgedachten.

Maar ze wijst ook op wat misschien een nieuwe doorbraak is in de farmaceutische ontwikkeling: het middel ketamine is de rijzende ster in het onderzoek naar depressie. Ketamine is al bekend als een anestheticum, een verdovend middel, in de diergeneeskunde, en als een pijnstiller in ziekenhuizen bij operaties en andere ingrepen. Maar nu blijkt het ook bij depressie te werken, doordat het na te zijn geïnjecteerd, snel, in minuten of uren, de symptomen er van terugdringt. Een wondermiddel, lijkt het. Het werkt via de neurotransmitter glutamaat. En produceert zo een verandering in de bewustzijnstoestand die wordt omschreven als het oplossen van de grenzen van het zelf en het ervaren van eenheid met de wereld om je heen.

Tja, en zou dat nu juist niet precies de ervaring zijn die je zou hebben als je zou opgroeien en leven in die Paleo Sociale Omgeving, waarin vertrouwde anderen er voor jou als vanzelfsprekend zijn? En jij er voor hen als vanzelfsprekend bent? Waarin je voor anderen een waardevol iemand bent, zonder dat je een schijn hoeft op te houden en zonder dat je je voortdurend moet bewijzen. Waarin je geaccepteerd wordt zoals je bent. Waarin je kortom een zinvol leven kunt leiden?

Hebben we met ketamine dus eindelijk het wondermiddel tegen depressie en voor een zinvol leven? Nee, want natuurlijk zijn er vervelende bijwerkingen. Op het vlak van leren, waarnemen en geheugen. Nog er van afgezien dat de weldadige werking er van weliswaar snel optreedt, maar niet langdurig is.

Misschien is er geen ander middel om een zinvol leven te ervaren dan om ook echt dat zinvolle leven te leiden.

En zit er niets anders op dan, door omwegbeleid, onze maatschappij zo in te richten dat een zinvol leven meer binnen ieders bereik komt.

woensdag 30 oktober 2013

Vijf boeken over de werkelijke economie die je gelezen moet hebben. Volgens John Kay



De financiële crisis van 2008 en de economische recessie die daarop volgde en die ons nu nog plaagt, hebben tot veel kritiek op het vak economie aanleiding gegeven. Die kritiek is divers, maar een gemeenschappelijke noemer lijkt te zijn dat grote delen van het vak nauwelijks nog over de economische (en sociale) werkelijkheid gingen. Een van de uitingen van die kritiek is de Real-World Economics Review (een aanrader en gratis te lezen).

Maar de aanleiding tot dit bericht is het interview met John Kay, de auteur van onder meer Obliquity, het boek waarin hij uitlegt dat we veel van onze doelen het beste via een omweg kunnen bereiken.

Een omweg? Ja, denk ook aan Overheidsonmacht in de jeugdzorg!, waarin Arie Glebbeek, Rudi Wielers en ik uitleggen dat omwegbeleid de aangewezen weg is op het terrein van de jeugdzorg.

In dit interview noemt John Kay de vijf boeken (zie hierboven) die wij allemaal, maar in de eerste plaats de economen onder ons, zouden moeten lezen. Want ze gaan over de werkelijke wereld en de werkelijke geschiedenis. En daarvoor is in de huidige economie-opleidingen veel te weinig ruimte. Lees het interview.

Hm, ik heb alleen nog Guns, Germs and Steel van Jared Diamond gelezen. Vertaald als Zwaarden, Paarden en Ziektekiemen. Maar daar wel heel, heel veel van geleerd. Wel nog vier te gaan dus.

vrijdag 28 juni 2013

Ouderschapsonderwijs als ijzeren consequentie van de mythe van de opvoedbaarheid

Jan Willems, onderzoeker structurele preventie van kindermishandeling aan de Universiteit van Maastricht, volgt de ijzeren logica van de mythe van de opvoedbaarheid. Zie de link onderaan.

Hij heeft gelijk dat er redenen zijn voor grote zorg. Jaarlijks heeft circa tien procent van de kinderen in Nederland (dat is ruim driehonderdduizend) te maken met verwaarlozing, seksueel misbruik of fysiek en emotioneel geweld binnen het gezin. Daarom stelt hij ouderschapsonderwijs voor. Want er zou een fundamenteel recht van kinderen moeten zijn op veilige gehechtheid. Een op de drie kinderen is niet veilig gehecht. Daarom moeten we ouders leren en in staat stellen om sensitieve opvoeders te zijn. Door cursussen voor ouders en een minimumstandaard voor competent ouderschap.

De bedoelingen zijn natuurlijk goed. Maar Willems gaat er helemaal van uit dat goed opgevoed worden door de ouders voldoende en precies goed is voor de ontwikkeling van veilige gehechtheid en voor een gunstige sociale en morele ontwikkeling. En dat is een toestand die in de loop van de mensheidsgeschiedenis nooit heeft bestaan. Aan ouders is deze opvoedingstaak nooit toebedeeld. Altijd was er de gemeenschapskring van grootouders, familie, vrienden en buren, waarin kinderen veilig konden opgroeien en zich ontwikkelen. Nu die er veel minder is, kunnen we niet zomaar verwachten dat ouders in hun eentje daarvoor een vervanging zijn.

Ook niet als we ze verplichten tot ouderschapscursussen. Of als we, in de woorden van Willems, "een professioneel zorgcontinuüm" garanderen. Want, zoals hij zelf ook inziet, ontbreekt het de beroepsgroepen en de beroepskrachten aan de kennis en vaardigheden die nodig zijn om (aanstaande) ouders en kinderen effectief bij te staan. Er nog van afgezien dat die kennis en vaardigheden inherent beperkt en onvolkomen zijn.

We moeten dus gaan inzien dat we de schadelijke gevolgen van het sociale isolement van gezinnen niet kunnen bestrijden met ouderschapscursussen en professionele hulpverlening. Dat gewone sociale netwerk van stabiele en vertrouwde relaties rondom het gezin is niet te vervangen door kennisoverdracht en professionals. Er zijn problemen waarvoor "deskundigheid" geen oplossing is. Denk aan de Overheidsonmacht in de jeugdzorg. Een pleidooi voor omwegbeleid.

Maastrichtse onderzoeker pleit voor ouderschapsonderwijs - Maastricht - dichtbij.nl - Maastricht:

'via Blog this'

vrijdag 17 mei 2013

Overheidsonmacht in de jeugdzorg. Een pleidooi voor omwegbeleid

Op het beleidsterrein van de jeugdzorg speelt niet alleen de vraag hoe die zorg het beste kan worden georganiseerd, maar ook de vraag naar de grenzen van wat de overheid kan doen. In hoeverre zijn instellingen bij machte om zorg voor kinderen te bieden die die zorg niet voldoende van de eigen sociale omgeving krijgen? Kunnen door de overheid aangestuurde instellingen een sociale omgeving vervangen die kinderen nodig hebben? Ik moest daar weer aan denken toen ik een tweet langs zag komen die ongeveer als volgt luidde: "Omdat de overheid niet van u kan houden, kan zij u ook niet de hulp geven die u echt nodig heeft".

Dit is een zo fundamentele vraag dat hij steeds weer opduikt in de debatten over de jeugdzorg. Vaak in de vorm van pleidooien om als hulpverlenende instanties meer oog te hebben voor de eigen kracht van mensen en om die te bevorderen.

Maar moet een nog verdergaand antwoord niet zijn dat de overheid zich meer terugtrekt uit het veld van de directe hulpverlening en zich meer richt op het verbeteren van de voorwaarden voor het goed opgroeien van kinderen? Op een "omwegbeleid", dat er op gericht is om de sociale omgeving waarin kinderen opgroeien te verbeteren?

Daarover schreven Arie Glebbeek, Rudi Wielers en ik in 2009 het essay Overheidsonmacht in de jeugdzorg: Een pleidooi voor omwegbeleid. Het verscheen als achtergrondessay bij het advies Investeren rondom kinderen van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) en de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ).

Omdat het mij nog steeds uiterst relevant lijkt voor de discussies over de jeugdzorg en over hoe het met onze kinderen gaat,  en omdat er nog regelmatig vraag naar is, maak ik het via dit blog beschikbaar. Zie Overheidsonmacht in de jeugdzorg: Een pleidooi voor omwegbeleid (let op: p. 143-164). Dit is de samenvatting:
De overheidsbemoeienis met jeugd, gezin en opvoeding neemt toe, terwijl er weinig aanwijzingen zijn dat deze interventies succes hebben. Wij betogen dat hier een vorm van overheidsfalen aan de orde is die ontstaat als de overheid een haar wezensvreemd domein betreedt. Er is sociaalwetenschappelijke evidentie dat gezinnen en opgroeiende jongeren voor een goede sociale en morele ontwikkeling een gemeenschapsnetwerk nodig hebben. Dit netwerk zorgt voor de tijdigheid, continuïteit, tweezijdigheid en collectiviteit die de overheid nooit kan verschaffen. We pleiten er daarom voor om de directe overheidsbemoeienis met jeugd en gezin om te buigen in de richting van een omwegbeleid, gericht op de voorwaarden voor gemeenschapsvorming. Net zoals overheden (soms pijnlijk) hebben geleerd dat zij de markt niet kunnen vervangen doch wel beter kunnen laten werken, kan onze overheid leren dat zij gemeenschappen niet moet willen vervangen maar wel beter kan laten werken. We eindigen het artikel met een verkenning van dit omwegbeleid.

vrijdag 25 januari 2013

Niet "pedagogische civil society", maar "buurten voor kinderen"

Als we het hebben over de noodzaak van het verbeteren van de sociale omgeving van kinderen, dus over het verminderen van het sociale isolement van gezinnen, dan pleit ik voor dat wat het meest voor de hand ligt, namelijk het kindvriendelijker maken van buurten waarin die kinderen en gezinnen wonen.

En een kindvriendelijke buurt is een buurt waar gelegenheid is om elkaar te ontmoeten, waar mensen elkaar (dus) kennen, waar kinderen weten dat ze gekend worden, waar mensen op elkaar betrokken zijn, waar ze wel eens iets samen en voor elkaar doen en waar kinderen daardoor als vanzelf leren dat andere mensen zijn te vertrouwen en als vanzelf leren hoe je met elkaar om hoort te gaan. Anders gezegd, een kindvriendelijke buurt is eerst en vooral een sociale buurt. Hoewel dat het belangrijkste is, gaat het natuurlijk ook om een gunstige fysieke inrichting, om speelplekken en groenvoorzieningen.

De aanwezigheid van zo een gemeenschap van kennen en gekend worden rond kinderen en gezinnen, waarin kinderen niet zoals nu zo uitsluitend met leeftijdsgenootjes omgaan, was tot voor kort in de mensheidsgeschiedenis veel meer vanzelfsprekend. En er zijn goede redenen om te denken dat die gemeenschap onmisbaar is voor een goede sociale en morele ontwikkeling van kinderen. En trouwens ook voor een plezierige en veilige jeugd, zonder eenzaamheid, pesten, verwaarlozing en wat dan ook waarvan we vinden dat kinderen er van gevrijwaard horen te blijven.

Daarom is het goed om op dat lokale niveau te streven naar buurten voor kinderen. Zie Niet (nog) beter opvoeden, maar: Buurten voor kinderen! en een reeks andere berichten op dit blog, zoals achter de labels buurtcohesie, mythe van de opvoedbaarheid en cooperative breeding.

Waarom schrijf ik dit (nog een keer) op? Omdat ik eergisteren die bijeenkomst over de pedagogische civil society bijwoonde, waar ik hier al melding van maakte. Want de ideeën achter die uitdrukking pedagogische civil society gaan natuurlijk aardig in de richting die ik hierboven omschrijf. Zie hier voor uitleg van het Nederlands Jeugd Instituut. Toch ben ik ongelukkig met die uitdrukking pedagogische civil society. Dat ligt er aan dat hij twee verkeerde associaties oproept: die met de "burgermaatschappij" en die met "opvoeding".

Die associatie met de burgermaatschappij is ongelukkig omdat daarmee meestal gedoeld wordt op de sfeer van de vrijwillige organisaties, zoals (buurt-)verenigingen, vakbonden, vrijwilligersorganisaties, coöperaties, non-profitorganisaties, liefdadigheidsinstellingen en kerken. Ik ontleen dit lijstje aan wikipedia, waar bovendien de burgermaatschappij met zoveel woorden wordt omschreven als (cursivering van mij):
het institutionele domein van vrijwillige associaties. Het is een aanduiding van organisaties of instituties buiten de sfeer van de overheid, de markt en de sfeer van familie en vrienden.
Maar bij die sociale omgeving die kinderen nodig hebben gaat het nu juist precies wel over dat laatste: alle persoonlijke en vertrouwde relaties waar een gezin onderdeel van is en die voor een kind de dagelijkse sociale leefwereld vormen of zouden moeten vormen. Het gaat om concrete personen, met naam en toenaam, die een gezamenlijke geschiedenis hebben, tante Annie, buurman Kees, vriend Nico, mevrouw Van Dijk die om de hoek woont. Die vormen het sociale verband waar opgroeiende kinderen hun observaties doen en waarin ze leren om mee te doen en een "persoon" te worden. Het is de persoonlijke sociale leefwereld, waarin kinderen hun sociale vaardigheden en morele intuïties ontwikkelen. En dat laatste gebeurt minder naarmate die leefwereld minder aanwezig is. Die persoonlijke sociale leefwereld hoort precies de associatie te zijn, niet die van de "burgermaatschappij".

Maar bovendien is de associatie met opvoeding ongelukkig. Want bij opvoeding denken mensen toch vooral aan het bijbrengen van wat wel en niet mag of wat wel en niet hoort. En mensen vinden dat opvoeding typisch een taak is van de ouders. Er is een buitengewoon grote terughoudendheid om zich met de opvoeding van andermans kinderen te bemoeien.

En daar is ook niets mis mee. Want het gaat bij die sociale en morele ontwikkeling van onze kinderen niet om opvoeding. De resultaten van opvoeding op het gedrag van kinderen zijn meestal oppervlakkig. Door opvoeding leren kinderen vooral hoe ze zich thuis en in aanwezigheid van de ouders maar het beste kunnen gedragen. Maar ze hebben al gauw door dat er in de wereld buiten het gezin andere regels kunnen gelden. En als die leefwereld heel anders is, dan is het effect van opvoeding nog maar heel beperkt. Kinderen worden al gauw veel meer beïnvloed door wat ze buitenshuis observeren en meemaken dan door de lessen van hun eigen ouders. Zie de berichten over de mythe van de opvoedbaarheid.

Juist daarom is die aanwezigheid van een gemeenschap rond het gezin zo cruciaal. En als die er niet is, dan valt dat niet te vervangen door van ouders te verwachten dat ze (nog) beter opvoeden. Dat is het onmogelijke verwachten. En het is krenkend voor verreweg de meeste ouders.

Bovendien breng je die gemeenschap niet tot stand door van buurtbewoners te vragen om mede-opvoeder te worden. Zoals gezegd, dat is voor mensen een stap te ver, omdat het een privacy-grens overschrijdt. Wat je daarentegen wel met succes van buurtbewoners kunt vragen, is of ze mee willen helpen aan een sociale en kindvriendelijke buurt. Zo een buurt wil eigenlijk iedereen wel, maar als hij er niet is, ontstaat hij niet vanzelf. Daar zijn voortrekkers voor nodig. Die zijn er ook vaak wel. Maar indien niet, dan kan een Centrum voor Jeugd en Gezin zo'n voortrekkersrol vervullen. Samen met andere professionals, zoals jongeren-, buurt- en welzijnswerkers (als die er nog zijn). En natuurlijk samen met een bewonersvereniging. In heel veel buurten die nu nog niet sociaal en kindvriendelijk zijn, is een groot potentieel aanwezig om dat te veranderen. Maar iemand moet beginnen. En dan is het aan mevrouw Van Dijk die om de hoek woont heel goed uit te leggen dat je een buurt voor kinderen wilt. Veel beter dan wanneer je aan mevrouw Van Dijk duidelijk moet maken dat er een "pedagogische civil society" gemaakt moet worden.

Daarin kan die "burgermaatschappij" wel een rol spelen, in het meehelpen bij het tot stand brengen van die persoonlijke, sociale leefwereld die kinderen nodig hebben. Als je dat doet, dan besef je dat je als (overheids-)instelling, dus als burgermaatschappij, die leefwereld natuurlijk nooit kunt vervangen, maar wel via een omweg kunt proberen om hem te laten bloeien. Die persoonlijke, sociale leefwereld, daar gaat het voor kinderen om. Dus: buurten voor kinderen!

woensdag 23 januari 2013

De retoriek van de te grote overheid

Vandaag was ik in Den Haag op het symposium Verder denken over de pedagogische civil society ter gelegenheid van het afscheid van Micha de Winter van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.

Misschien later daarover meer. Nu even over die deelnemer die met enig poeha verkondigde dat we last hebben van een veel te grote overheid. Nu kan ik daar, als mede-auteur van Overheidsonmacht in de jeugdzorg: een pleidooi voor omwegbeleid, wel een stukje in meegaan.

Maar dat die opmerking alleen maar retorisch bedoeld was, bleek er uit dat die spreker daarna niet kwam met voorstellen om het takenpakket van de jeugdzorg terug te brengen. Nee, integendeel, de jeugdzorg moest zich er veel meer op toeleggen om de problemen met kinderen en gezinnen veel vroeger te signaleren. Of en hoe dat tot een kleinere overheid zou leiden, werd niet duidelijk.

We leven in een tijd van de retoriek van de kleine overheid. Waarin je met die retoriek eer in legt. Zelfs als dat samen gaat met het pleiten voor verdere uitbreiding van overheidstaken. Vreemd.

woensdag 31 augustus 2011

Sociale Welvaart

Update 2021. Dit bericht is van 2011 en het vak waar het over gaat dateert van 2007-2008. Mijn denken over wat "sociale welvaart" inhoudt, heeft zich natuurlijk verder ontwikkeld. Omdat dit bericht nog steeds wordt gelezen, is een update noodzakelijk. Lees voor een actuele beschouwing: Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen. 

Sociale Welvaart is de titel van een vak dat ik tot 2008 heb verzorgd als onderdeel van de Bachelor Sociologie van de Rijksuniversiteit Groningen. Dat vak gaat over de sociale en maatschappelijke voorwaarden voor welzijn en gezondheid en over de manieren om die voorwaarden te bevorderen. Ter informatie hieronder de beschrijving van het vak, met daaronder de literatuurlijst.