Posts tonen met het label pro-sociaal gedrag. Alle posts tonen
Posts tonen met het label pro-sociaal gedrag. Alle posts tonen

donderdag 19 augustus 2021

Zolang een omvattende theorie, zoals de Dual Mode-theorie, nog niet algemeen ingang heeft gevonden, blijven de sociale wetenschappen in het stadium van een lappendeken van theoretische aanzetten steken

De vraag hoe te verklaren dat mensen zich pro-sociaal gedragen, kun je ook formuleren als de vraag hoe te verklaren dat mensen normen opvolgen. Dat wil zeggen, als het gaat om normen die samenwerking en vertrouwen tussen mensen mogelijk maken. Door zulke normen op te volgen, draag je bij aan het welzijn van anderen, terwijl je beter af zou zijn als je dat niet deed en wel zou profiteren van de normopvolging door anderen. Het gaat dan om situaties als die van het Gevangenendilemma uit de speltheorie. 

In een nieuwe studie wordt die vraag precies zo gesteld: Why do people follow social norms? De term pro-sociaal gedrag komt er niet in voor. En de uitdrukking moreel gedrag slechts als een terzijde. Dat wijst erop dat de sociale wetenschappen nog altijd niet het stadium van een lappendeken van verschillende theoretische aanzetten, met verschillende terminologieën, gepasseerd zijn.

Hoe dan ook, in die nieuwe studie geven de onderzoekers een kort overzicht van bestaande theorieën over normopvolging. Dat zijn de theorie van de internalisering, de theorie van de zorg om reputatie (social image concerns) en de theorie van het sociale leren. 

De eerste twee gaan nog uit van het oude idee dat mensen uiteindelijk egoïsten of opportunisten zijn en dat ze uitsluitend door invloeden van buitenaf tot normopvolging of pro-sociaal gedrag aangezet kunnen worden. Dit is de benadering van het sociale vernislaagje. Zie ook het bericht De morele luchtledigheid van het vak economie geïllustreerd aan een economisch leerboek over beleid. Internalisering is eigenlijk niet meer dan een metafoor voor een onduidelijk proces waarin iemand een bestaande norm tot een eigen standpunt "transformeert" of 'verinnerlijkt". Hoe dat precies in zijn werk zou gaan, blijft altijd onduidelijk. Ook blijft onduidelijk hoe die normen ooit zijn ontstaan. Die zijn er nu eenmaal, om door ons te worden "geïnternaliseerd". 

Iets dergelijks geldt ook voor dat idee van de zorg om reputatie. Er bestaat kennelijk gedrag waarmee je een positieve reputatie kunt verwerven, eruit bestaande dat anderen je als een betrouwbaar iemand zien waarmee je kunt samenwerken en die het waard is om zo nodig geholpen te worden. Ook hier blijft het onduidelijk waar die voordelen van samenwerking en van wederzijdse hulpverlening, en dus die reputatie, vandaan komen, anders gezegd, dat alles valt buiten de theorie.

Tenslotte is er die theorie van het sociale leren. Die heeft een behavioristische achtergrond (Skinner, Hull, Rotter), maar de auteurs laten die onvermeld. Wel verwijzen ze naar recentere bijdragen, die ook op dit blog zijn langsgekomen en die overeenkomen met de tweede stelling van mijn Dual Mode-theorie. Zie Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen. Die stelling houdt in dat mensen zich bij hun "keuze" tussen gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag (stelling 1) laten leiden door welk gedrag ze in hun sociale omgeving het meeste waarnemen. In die theorie van het sociale leren zijn mensen "voorwaardelijke samenwerkers", ze zijn bereid tot normopvolging, maar vooral als genoeg anderen dat ook doen. 

Wat dat laatste betreft, is er in de literatuur een keur aan onderzoeksbevindingen, zonder, als ik het goed zie, een omvattende theorie. Dat mensen zich zo laten leiden door wat ze anderen zien doen, dat is wel onomstreden, maar waarom ze dat eigenlijk doen, blijft nagenoeg een open vraag.

Het zal geen verrassing zijn dat ik die Dual Mode-theorie beschouw als precies zo'n omvattende theorie. De evolutionaire achtergrond ervan wijst er op dat mensen zoals alle dieren erop uit zijn om zich zoveel mogelijk in een veilige omgeving te bevinden, een omgeving dus die gunstig is voor overleving en reproductie. Omdat de mens een sociale diersoort is, die voor overleving en reproductie is aangewezen op samenwerking en delen, bestaat die veilige omgeving uit een groep van vertrouwde anderen. Een groep waarin normen in het kader van dat samenwerken en delen behoorlijk goed worden opgevolgd. Anders gezegd, waarin gemeenschapsgedrag overheerst.

Als mensen in zo'n groep van vertrouwde anderen opgroeien, dan wordt hun vermogen (aanleg) tot gemeenschapsgedrag getriggerd. Maar er is ook nog dat evolutionair oudere vermogen tot statuscompetitiegedrag, dat klaar ligt om te worden uitgevoerd als de sociale omgeving onveilig is. Dat moet je jezelf verdedigen tegen het statuscompetitiegedrag van anderen. Jouw kans op overleving en reproductie hangen er dan vanaf of je hoog genoeg in de statushiërarchie terecht komt. Het is dan niet het "wij-met-zijn-allen" dat regeert, maar het "ieder-voor-zich". Er is geen normopvolging, sterker, er zijn geen normen.

Dat laatste wijst precies op de omvattendheid van de Dual Mode-theorie: hij verklaart zowel het wel of niet opvolgen van normen als het wel of niet bestaan van normen. 

Maar zolang zo'n omvattende theorie niet algemeen ingang heeft gevonden, blijven de sociale wetenschappen in dat stadium van een lappendeken van theoretische aanzetten steken.

dinsdag 23 februari 2021

Ervaren zorgzaamheid lokt zorgzaamheid uit - Over het wel of niet opgroeien in een veilige wereld

Mensen zijn ten behoeve van hun omgang met anderen toegerust met twee onderling strijdige gedragspatronen, gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag. Als ze vanaf hun geboorte in het gezin waarin ze opgroeien gemeenschapsgedrag ervaren, in de vorm van de zorg die ze krijgen, dan wordt hun aanleg tot gemeenschapsgedrag getriggerd. (Later, op school en in hun volwassen leven, komen ze in aanraking met het in onze maatschappij eveneens bestaande statuscompetitiegedrag en leren ze, de een meer de ander minder, om zich daarop in te stellen.)

Er is veel onderzoek dat bevestigt dat kinderen die van jongs af aan de zorgzaamheid van het gezin ervaren, al heel vroeg gemeenschapsgedrag (of pro-sociaal gedrag) vertonen. In de zin dat ze doorhebben dat iemand hulp of troost zou kunnen gebruiken en die ook geven als ze de leeftijd hebben bereikt om daartoe in staat te zijn. 

En er is, helaas, het onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen die al heel vroeg die zorgzaamheid ontberen. Dan gaat het om kinderen die in een gezin verwaarloosd, mishandeld of misbruikt worden. Maar er is ook het onderzoek naar de Roemeense weeskinderen die onder erbarmelijke omstandigheden opgroeiden in inrichtingen, waar ze goeddeels aan hun lot werden overgelaten. Met vreselijke gevolgen voor hun sociale ontwikkeling. In een overzicht van dat onderzoek (Orphans' Lonely Beginnings Reveal How Parents Shape A Child's Brain) lees je over een van die kinderen, die op 11-jarige leeftijd door een gezin werd geadopteerd. Dat ging in het begin wel goed, maar er kwamen al gauw grote conflicten. Daarop later terugziend, legde hij uit hoe dat kwam:

"I respond better when you beat me, or when you smack me around," he says. "That never happened. When you show me kindness, when you show me love, compassion, it seemed to make me even more angrier."

Als de zorgzaamheid ontbreekt, dan is er een "terugval" in dat andere patroon, dat van de statuscompetitie, met de aanpassing van de gehoorzaamheid en onderdanigheid. En met het onvermogen om zorgzaamheid te herkennen als een signaal voor veiligheid.

In die lijn van onderzoek naar kinderen die wel in een gezin opgroeien is er nu de nieuwe studie Caring babies: Concern for others in distress during infancy, met Carolyn Zahn-Waxler als laatste auteur, een grote naam op dit gebied. De onderzoekers volgden 165 3 maanden oude Israëlische zuigelingen toen ze 6, 12 en 18 maanden oud waren. Ze gingen na hoe de kinderen reageerden op het zien van iemand (een onderzoekster, de moeder) die zich bezeerde. Die reacties werden gefilmd en werden beoordeeld door waarnemers die niet op de hoogte waren van wat de kinderen hadden waargenomen.

Daaruit kwam naar voren dat kinderen al vanaf 3 maanden blijk geven van empathische bezorgdheid, dus van het besef dat de ander pijn heeft en van meeleven. Voor kinderen waarvoor dat met 3 maanden meer gold, gold dat ook meer op de latere tijdstippen. Ook was voor hen de kans groter dat ze met 18 maanden pogingen deden om de ander te helpen of te troosten. Het kan zijn dat die verschillen samenhangen met verschillen in de in het gezin ervaren zorgzaamheid, maar daar kan dit onderzoek niets over zeggen.

Een en ander haalt de stadia-theorie onderuit, die stelt dat kinderen beginnen met het reageren met self-distress, dus met het reageren met eigen verdriet op het verdriet van de ander, en pas gaandeweg empathische bezorgdheid leren. Dus geboren worden als kleine egoïstjes ("jij maakt mij verdrietig") en pas later leren om zich over een ander zorgen te maken. Nee, dat zorgen maken over een ander is er al met 3 maanden. Dat pleit dus voor ervaren zorgzaamheid als "oorzaak". Die ervaring is er immers vanaf de dag van de geboorte.

Voor die empathische bezorgdheid maakte het niet uit of het de onderzoekster was die zich bezeerde of de eigen moeder. Wat er dus op wijst dat de ervaren zorgzaamheid de eigen zorgzaamheid triggert, niet alleen voor de zorggever, maar ook voor anderen. Anders gezegd, de zorgzaamheid van de eigen moeder is een signaal voor een zorgzame, veilige, wereld, waarin dus geen onderscheid hoeft te worden gemaakt. 

De harde les van de noodzaak van het maken van onderscheid komt kennelijk pas veel later, als kinderen de wereld buiten het gezin binnenkomen en geconfronteerd worden met de onveiligheid van de statuscompetitie  die daar ook kan heersen. Denk aan het probleem van het pesten op scholen.

vrijdag 11 december 2020

Door een sociaal onveiliger jeugd minder pro-sociaal gedrag later - Meer empirische ondersteuning voor het realistische normatieve kader voor sociale hervormingen

Een van de onderzoekslijnen die empirische onderbouwing kunnen verschaffen voor de eerste twee stellingen van de Dual Mode-theorie is het onderzoek onder de vlag van de life history theory. Zie Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen. 

Volgens die twee stellingen beschikken mensen in hun gedrag tegenover anderen over twee gedragspatronen, het gemeenschapspatroon en het statuscompetitiepatroon, en passen ze hun gedrag aan bij het patroon dat ze in hun sociale omgeving het meest waarnemen of hebben waargenomen. Dus meer gemeenschapsgedrag in een omgeving met meer gemeenschapsgedrag en meer statuscompetitiegedrag in een omgeving met meer statuscompetitiegedrag. Eenvoudig gezegd, mensen willen best wel aardig en goedgeefs zijn, maar alleen als anderen dat ook doen.

En volgens die life history theory vertonen mensen die in hun jeugd meer onveiligheid (early life stress) hebben doorgemaakt (zoals armoede, strenge opvoeding en blootstelling aan geweld, dood en verwondingen) in hun latere leven minder pro-sociaal gedrag (gemeenschapsgedrag).

Voor zover je die stressvolle jeugd kunt opvatten als een jeugd waarin je veel in aanraking komt met statuscompetitie, dus als een sociaal onveilige jeugd, zou onderzoek naar die life history theory dus ook iets te vertellen hebben over de empirische onderbouwing van die eerste twee stellingen van de Dual Mode-theorie.

In de nieuwe studie The relations between early-life stress and risk, time, and prosocial preferences in adulthood: A meta-analytic review is al het bestaande onderzoek bij elkaar gezocht en onderworpen aan een meta-analyse. Voor wat betreft het voorspelde verband tussen early life stress en het latere pro-sociale gedrag ging het om 38 studies met in totaal 120 effectmetingen en 47.614 personen. Pro-sociaal gedrag was gemeten door mensen verdelingskeuzes voor te leggen tussen henzelf en een andere persoon, door hen in het laboratorium keuzes te laten maken, zoals in het Dictatorspel, en door henzelf te laten rapporteren over hun eigen (geneigdheid tot) pro-sociaal gedrag.

En daaruit komt een niet heel sterk, maar wel statistisch significant negatief verband naar voren. Dus hoe meer een sociaal onveilige jeugd, hoe minder pro-sociaal gedrag later in het leven. Er waren geen aanleidingen om aan publication bias te denken, dus aan de mogelijkheid dat alleen studies werden gepubliceerd die de theorie bevestigden.

Dat is dus geheel in overeenstemming met de tweede stelling van de Dual Mode-theorie. De theorie waarmee je een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen kunt ontwikkelen. Zoals in het bericht Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

maandag 30 november 2020

Het cluster van de morele gemeenschapsintuïties - Over empathie en rechtvaardigheid

Onze morele gemeenschapsintuïties lijken eruit te bestaan dat we vinden dat je met anderen rekening moet houden en hen moet bijstaan als dat nodig is (de intuïtie van de zorg voor anderen), dat je anderen in hun waarde moet laten (de intuïtie van het niet willen overheersen) en dat je rechtvaardigheid hoort na te streven. Zie het bericht Wat is het echte onderscheid tussen de progressief/linkse en de conservatief/rechtse morele intuïties?

Klopt het dat die drie intuïties inderdaad met elkaar samenhangen? In de zin dat als je mensen vergelijkt, het toegerust zijn met de ene intuïtie samengaat met de andere twee? En dat je mensen dus goed kunt indelen naar de mate waarin ze alle drie onderschrijven dan wel dat niet doen. Anders gezegd, vormen die drie intuïties een cluster?

Een aanwijzing in die richting komt naar voren uit de al in 2016 verschenen studie Empathy and motivation for justice: Cognitive empathy and concern, but not emotional empathy, predict sensitivity to injustice for others met Jean Decety als eerste auteur.

Daaruit blijkt namelijk dat mensen die meer blijk geven van empathische bezorgdheid ook degenen zijn die gevoeliger zijn voor onrechtvaardigheid. Want die empathische bezorgdheid brengt ons er toe om anderen bij te staan en om anderen in hun waarde te laten. Het vermogen tot empathie, tot het meeleven met anderen en het je in anderen kunnen verplaatsen, is immers een belangrijke element van pro-sociaal gedrag. Zie nog eens, uit 2011, Empathie en de duale menselijke sociale natuur, waarin het ook ging over Jean Decety.

Wat dus het toegerust zijn met de eerste twee intuïties bevordert, draagt ook bij aan de aanwezigheid van de derde, de gevoeligheid voor onrechtvaardigheid. En uit hetzelfde onderzoek blijkt dat ook de afwezigheid van die drie intuïties een cluster vormt, dat zoals was te verwachten samenhangt met de neiging tot psychopathie (anderen willen overheersen, egoïstische impulsiviteit, koudhartigheid).

Interessant is dat die gevoeligheid voor onrechtvaardigheid niet alleen betrekking kan hebben op de relatie tussen jou en anderen, maar ook op relaties tussen die anderen. Waar jezelf niet bij betrokken hoeft te zijn. Toch zijn mensen dus in staat om rechtvaardigheidsoordelen te hebben over zulke relaties die verder van henzelf af staan. En zelfs rechtvaardigheidsoordelen over maatschappelijke verhoudingen. Ook al er uit blijkend dat die morele gemeenschapsintuïties samenhangen met het progressief/linkse politieke denken.

Daarmee komt weer overeen dat die gevoeligheid voor rechtvaardigheid specifiek samenhangt met het meer cognitieve facet van empathische bezorgdheid. Dus met het je kunnen verplaatsen in anderen, met het je kunnen voorstellen dat je in hun schoenen zou staan. Het andere facet is de meer affectieve kant van empathie, het meeleven met iemand, het voelen van wat de ander voelt.

woensdag 14 oktober 2020

Sociaalwetenschappelijk zicht op het wel of niet naleven van de regels in de corona-crisis - Wat als Rutte wel een socioloog was geweest?

We gaan een "gedeeltelijke lockdown" in. Die is nodig omdat "teveel mensen zich niet aan de regels hebben gehouden" (Rutte gisteren). NRC.nl daarover:

En inderdaad, veel burgers hielden zich daar minder aan. Maar ook de overheid leverde niet wat zij beloofde. Het sociale contract waarmee Nederland de eerste golf eronder kreeg, staat onder druk.

Dat suggereert dat wat de overheid gedaan heeft of nagelaten ook een rol speelde in het gedrag van de burgers. Tijdens de eerste golf van de verspreiding van het coronavirus bestond er kennelijk nog zoiets als een sociaal contract tussen overheid en burgers en burgers onderling. Er dreigde rampspoed en daar moesten we met zijn allen wat aan doen. Dat deden we ook, want de verspreiding van het virus werd ingedamd.

Maar tussen toen en nu is er van alles gebeurd, of juist niet gebeurd, waardoor we nu in de tweede golf terecht zijn gekomen. NRC.nl:

Want de dijkbewaking tegen een tweede golf kwam niet op orde. De mobiele app die De Jonge in april aankondigde om uitbraken op te sporen en in te dammen, kwam er pas afgelopen weekend. Het testbeleid werd wel uitgebreid, maar onvoldoende om de golf aan mensen snel te kunnen testen. Het bron- en contactonderzoek dat in de zomer met moeite de brandhaarden in kaart kon brengen, is inmiddels vrijwel overal stopgezet. Het regionale maatwerk dat het kabinet aankondigde als dé manier om strenge landelijke maatregelen te voorkomen, werd beperkt tot Randstedelijke kroegen die iets eerder dicht moesten. Met eerder en gerichter ingrijpen waren brandhaarden wellicht geblust en was de maatschappelijke en economische schade nu beperkt gebleven.

Wat is hier sociaalwetenschappelijk gezien aan de hand? Die vraag dringt zich op nu er ook kritiek valt te horen op hoe de regering zich heeft laten adviseren. De NRC Nieuwsbrief De Haagse stemming meldt vandaag:

Als Rutte wordt gevraagd of Nederlanders zich slechter aan de regels houden dan andere Europese landen, antwoordt hij standaard: „Daar waag ik mij niet aan, ik ben geen socioloog.” Dat lijkt steeds een oproep aan zichzelf om eens met sociologen of andere gedragswetenschappers te praten over welke regels het meeste effect hebben op het gedrag van mensen. Maar zelf heeft Rutte daar blijkbaar een ander idee over, want het OMT bestaat vooral uit medici en er zit geen socioloog bij. De adviesteams in andere landen hebben een veel diversere samenstelling.

Wat zou een socioloog hebben kunnen bijdragen? Hij of zij zou er denk ik op hebben gewezen dat mensen in een toestand van dreigend gevaar informatie nodig hebben over hoe ernstig het gevaar is en over hoe belangrijk hun eigen bijdrage is aan het afwenden van het gevaar.

Als het gevaar ernstig is, dan is het belangrijk dat mensen daar ook van doordrongen raken. Ze moeten gaan inzien dat de gevaren zo ernstig en urgent zijn dat de dagelijkse gang van zaken en de dagelijkse routine niet zomaar doorgang kan vinden. Dat is belangrijk omdat mensen hechten aan wat als vertrouwd en daardoor als veilig wordt beschouwd. 

In de eerste golf van besmettingen waren het de berichten over de snel oplopende ziekenhuisopnames en sterftecijfers die "als vanzelf" zorgden voor het ontstaan van het besef dat de gevaren groot waren. Het bleek te gaan om zaken van leven en dood. De cijfers en de media deden hun werk 

Dat maakte dat de overheid het in zekere zin gemakkelijk had. Er moesten diep ingrijpende maatregelen genomen worden, aanvankelijk nog beperkt tot adviezen vaker handen te wassen en geen hand te geven, maar al snel opgeschaald tot afstand houden, thuiswerken en een complete lockdown. 

Maatregelen die economische gevolgen hadden, waardoor de overheid diep in de buidel moest tasten om mensen en bedrijven voor inkomensverlies te compenseren en om zo de economie zoveel mogelijk aan de praat te houden. Terwijl eerder nog de "bezuinigingszeepbel" heerste en het kwaad van te grote overheidstekorten breed werd uitgemeten, kon dat alles nu zonder problemen aan de kant worden geschoven. Het huishoudboekjesdenken waar de politiek zo lang door was bevangen en dat aan de kiezers als hoogste economische wijsheid was voorgehouden, moest en kon zonder enige tegenspraak worden verlaten. De corona-crisis leerde een les over de rol van geld en van de overheidsbegroting.

Niet alleen was er het inzicht in de ernst van de gevaren, ook was het mensen duidelijk wat het belang was van wat ze met het eigen gedrag konden bijdragen. Door zoveel mogelijk thuis te blijven en door afstand te houden verkleinde je de kans zelf besmet te raken, maar ook de kans anderen te besmetten. Dat laatste maakt je eigen gedrag tot een morele kwestie. Het je aan de regels houden werd daarmee een geval van pro-sociaal gedrag. Je doet het immers niet alleen voor jezelf, maar ook voor anderen. De morele intuïties van het gemeenschapsgedrag kwamen in werking.

En dan komt het sociaalwetenschappelijke inzicht binnen dat mensen zich gemakkelijker pro-sociaal gedragen hoe meer ze zien dat anderen dat ook doen. Pro-sociaal gedrag lokt pro-sociaal gedrag uit.  En in die eerste golf waren er maar weinig of zelfs geen berichten dat anderen zich weinig van de regels aantrokken. Wat waarschijnlijk sterk heeft bijgedragen aan het naleven van de regels.

Samengevat, dat de eerste golf besmettingen vrij snel werd ingedamd, kan er dus uit worden verklaard dat mensen de ernst van het gevaar inzagen en dat ze erop konden vertrouwen dat ook anderen zich aan de regels hielden.

Met precies dezelfde inzichten kan dan ook worden verklaard hoe de tweede golf kon ontstaan. Er kwamen allerlei berichten in de media die twijfel zaaiden over de ernst van de gevaren en over het belang van de eigen bijdrage. In juli stopten Rutte en De Jonge met hun persconferenties en gingen ze op vakantie. Daarmee de indruk wekkend dat de problemen achter de rug waren. Er circuleerden berichten dat het coronavirus vergelijkbaar zou zijn met een griepje en dat eigenlijk alleen kwetsbare ouderen erdoor getroffen worden. En berichten over de negatieve effecten van de genomen maatregelen. Mensen die zich door die maatregelen in hun vrijheid beknot voelden, kregen gretig gehoor in de media. Denk aan de talkshows, waarvan je soms denkt dat hun maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel minder zwaar weegt dan het belang van de kijkcijfers.

Daardoor waren er meer overtredingen van de regels. Die natuurlijk "nieuwswaardiger" zijn dan al die gevallen waarin mensen zich wel aan de regels houden. Die scheve verdeling van de inhoud van het nieuws maakte dat meer mensen de indruk kregen dat steeds minder anderen de regels naleefden, waardoor ze dat dus ook zelf minder gingen doen. Waarbij natuurlijk niet hielp dat uitgerekend de minister van Justitie, Ferdinand Grapperhaus, zich niet aan de regels bleek te hebben gehouden. Dat had door zijn aftreden kunnen worden gerepareerd, maar daar werd niet voor gekozen.

Ook hielp het niet dat de overheid, dus minister De Jonge, het testbeleid en het bron- en contactonderzoek niet van de grond kreeg. Het had, ook om de ernst van de gevaren te blijven benadrukken, geweldig geholpen als zichtbaar en snel de benodigde middelen en menskracht waren ingezet. Juist door dat na te laten, kon de indruk ontstaan dat de problemen misschien wel achter de rug waren. Wat hier misging zou nog eens grondig moeten worden uitgezocht.

Kortom, het gedrag van burgers zowel tijdens de eerste als de tweede golf van besmettingen lijkt behoorlijk goed met sociaalwetenschappelijke inzichten te kunnen worden verklaard.

Voor het overheidsbeleid zou daaruit volgen dat het belangrijk is om te blijven hameren op de ernst van de gevaren en op het belang van ieders bijdrage. Berichten die daartegen in gaan, horen duidelijk te worden weersproken. Tegenover berichten over het niet naleven van de regels door sommigen, horen te berichten te staan over het wel naleven van de meesten. Omdat het naleven van de regels ook een morele kwestie is, horen oproepen tot goed gedrag ook een morele lading te hebben. 

En uiteraard hoort een minister die geen goed gedrag vertoont, af te treden. Ook zonder hem die overtreding persoonlijk zo sterk aan te rekenen, had het aftreden van Grapperhaus veel kunnen bijdragen aan de indruk van het grote belang van die regels.

woensdag 9 september 2020

Of pro-sociaal gedrag je gelukkiger maakt, hangt er van af of degenen met wie je omgaat zich ook pro-sociaal gedragen - Over eudaimonisch welzijn en de Dual Mode-theorie

We zagen al aanwijzingen voorbijkomen dat pro-sociaal gedrag gelukkiger maakt. Mensen voelen zich beter als ze anderen bijstaan, met anderen rekening houden en iets goeds doen voor anderen. 

Er is nu de pas verschenen meta-analyse Rewards of kindness? A meta-analysis of the link between prosociality and well-being, waarin het gaat om 201 onafhankelijke steekproeven met in totaal bijna 200.000 onderzochte personen. Pro-sociaal gedrag was soms informeel, zoals het helpen van vrienden, en soms formeel, zoals vrijwilligerswerk.

Over dat geheel genomen was er een zwak, maar statistisch significant, positief verband tussen pro-sociaal gedrag en welzijnsindicatoren (hedonisch of eudaimonisch geluk, psychisch functioneren en fysieke gezondheid). Dat het verband zwak is, hoeft niet te verbazen als je bedenkt dat er natuurlijk meer zaken zijn die ons welzijn beïnvloeden.

Onder dat gemiddelde zit een grote spreiding van de uitkomsten verborgen. In sommige studies was het verband veel sterker en in andere veel zwakker. De onderzoekers keken naar allerlei zogenaamde moderatoren die die verschillen zouden kunnen verklaren. Zo bleek bijvoorbeeld dat het verband groter was als het om het eudaimonische geluk ging. Daar kom ik zo op terug. Ook was het verband groter als pro-sociaal gedrag met een gevalideerde schaal was gemeten, dat wil zeggen met een vragenlijstje over hoe vaak je in bijvoorbeeld de afgelopen veertien dagen iets pro-sociaals hebt gedaan. En het verband was sterker bij informeel dan bij formeel pro-sociaal gedrag.

Zoals al eerder opgemerkt, is er het manco aan al dit onderzoek dat geen rekening wordt gehouden met de sociale omgeving van de onderzochte personen. Zie deel 3 van de reeks Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? Want het valt immers te verwachten dat het pro-sociale gedrag van anderen jou het veiligheidsgevoel verschaft dat jouw eigen pro-sociale gedrag uitlokt. Mensen zijn van nature altruïstisch, maar dan wel in een veilige en hen goedgezinde sociale omgeving. Zie Waardoor is pro-sociaal gedrag aanstekelijk? - Doordat het de sociale veiligheid verschaft die weer meer pro-sociaal gedrag uitlokt. 

En het zou goed kunnen dat de wel of niet aanwezigheid van een veilige sociale omgeving, dus van een sociaal netwerk van anderen die zich ook pro-sociaal gedragen, de belangrijkste moderator is voor het verband met welzijn. Als jij je pro-sociaal zou gedragen in een statuscompetitieve en dus onveilige of zelfs vijandige omgeving, dan wordt je daar meestal niet gelukkiger van. Vandaar immers Stelling 2 van de Dual Mode-theorie. Mensen zijn wel goed, maar niet gek.

Dat je gelukkiger wordt van pro-sociaal gedrag zou volgens die gedachte sterk afhangen van hoeveel anderen in jouw omgeving dat ook doen. Pro-sociaal gedrag is minder een kenmerk van individuen dan van sociale netwerken. Maar dat inzicht is nog maar heel weinig tot sociaalwetenschappelijk onderzoekers doorgedrongen.

Die gedachte wordt overigens wel opvallend ondersteund door de al genoemde bevinding van deze meta-analyse dat het verband groter is als welzijn is opgevat als eudaimonisch welzijn. Want hoe wordt dat eudaimonische welzijn gemeten? Met een vragenlijstje van 8 items waarvan twee precies slaan op de aard van die sociale omgeving, namelijk "Mijn sociale relaties zijn ondersteunend en waardevol" en "Mensen respecteren mij". Zie Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter. 

Anders gezegd, eudaimonisch welzijn is dus eigenlijk niet een individueel kenmerk, maar een kenmerk van een sociaal, "ego-gecentreerd", netwerk. Van jou en de mensen met wie je omgaat. En wat blijkt? Dan komt er precies uit wat de Dual Mode-theorie voorspelt: de mate waarin pro-sociaal gedrag gelukkiger maakt, hangt af van de mate van pro-sociaal gedrag van de sociale omgeving.

donderdag 3 september 2020

Over hoe het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar pro-sociaal gedrag zou moeten profiteren van een biologisch inzicht - en daarmee over het maatschappelijk belang van de sociologie

In het onderzoek naar pro-sociaal gedrag bij mensen zijn twee gescheiden lijnen te onderscheiden, een sociaalwetenschappelijk en een biologische. Door dat gescheiden zijn profiteert het sociaalwetenschappelijk onderzoek nauwelijks van biologische inzichten. Daarop kom ik zo terug. Eerst die twee onderzoekslijnen.

Er is de sociaalwetenschappelijke onderzoekslijn, die zoekt naar verklaringen voor het optreden van pro-sociaal gedrag. Dat kan gaan om het zoeken naar de situationele voorwaarden. Zoals onderzoek naar wat maakt dat omstanders iemand die in nood verkeert wel of niet te hulp schieten. Of onderzoek naar wat de kans vergroot of verkleint dat een kennelijk op straat verloren, gefrankeerde en geadresseerde brief door iemand op de bus wordt gedaan. Of, last but not least, onderzoek waar het in het vorige bericht over ging naar pro-sociaal gedrag dat uitgelokt wordt door het waarnemen van pro-sociaal gedrag van anderen.

Maar het kan ook gaan om het zoeken naar verklaringen voor verschillen tussen mensen in hun geneigdheid tot pro-sociaal gedrag. Neem het onderzoek dat laat zien dat mensen die empathischer zijn, zich dus beter kunnen verplaatsen in anderen, meer neigen tot pro-sociaal gedrag. Of het onderzoek dat suggereert dat de geneigdheid tot pro-sociaal gedrag met het ouder worden toeneemt. En ook hier, nog eens last but not least, is er het onderzoek dat laat zien dat het hebben van een groter netwerk van persoonlijke relaties, van vrienden en familie die elkaar ondersteunen, samengaat met meer pro-sociaal gedrag.

Daarnaast en gescheiden daarvan bestaat er dus ook de biologische onderzoekslijn. Die zoekt naar verklaringen voor het gegeven dat mensen in vergelijking met andere dieren en met hun naaste verwanten opmerkelijk vaak pro-sociaal gedrag vertonen. En ook niet alleen reactief, dus als reactie op signalen van hulpbehoevendheid van anderen, maar vooral ook proactief, dus spontaan en kennelijk vanuit zorg voor het welzijn van anderen. Het is dat proactieve dat die soort en mate van menselijke samenwerking (hyper-coöperatie) mogelijk maakt die in het dierenrijk nogal uniek is. Wat is er in de evolutionaire geschiedenis van mensen gebeurd dat kan verklaren waardoor mensen zo hyper-coöperatief zijn geworden?

Het onderscheid tussen deze twee onderzoekslijnen bestaat eruit dat de sociaalwetenschappelijke lijn op zoek is naar proximate verklaringen en de biologische lijn naar ultimate verklaringen. In het bericht Over vertrouwdheid en het verschil tussen een ultimate en een proximate verklaring beschreef ik het verschil als volgt:

een ultimate verklaring geeft een antwoord op de vraag hoe een bepaald gedragspatroon in de evolutie heeft kunnen ontstaan. En vertelt ons dus hoe dat gedrag in het verleden meer heeft bijgedragen aan overleving en voortplanting dan mogelijke alternatieve patronen.
Daarentegen vertelt een proximate verklaring iets over de situaties waarin dat gedrag optreedt. Waarin het wordt getriggerd.

Of over wat maakt dat in een bepaalde situatie de ene persoon zich wel pro-sociaal gedraagt en de ander niet.

Het gaat er nu om dat het biologische onderzoek theoretisch richting zou kunnen geven aan het sociaalwetenschappelijke onderzoek. Wat dat biologische onderzoek inhoudt, wordt fraai duidelijk in het artikel The evolutionary origin of human hyper-cooperation, waar ik al in 2014 bij stilstond in het bericht Coöperatieve zorg voor kinderen is de beste verklaring voor spontaan pro-sociaal gedrag.

De onderzoekers, onder wie Judith M. Burkhart en Carel P. van Schaik, voerden een gestandaardiseerd experiment uit bij 24 apensoorten, waaronder mensen(kinderen). Klik op de link naar dat vorige bericht om te zien hoe dat experiment werd uitgevoerd. En ze gingen na in hoeverre verschillen in pro-sociaal gedrag tussen die soorten verklaard konden worden uit verschillen in hersenomvang, sociale tolerantie, samenwerking bij jagen, aanwezigheid van sterke sociale banden en de mate van coöperatieve zorg voor jongen/kinderen (cooperative breeding).  (Ik sluit maar even aan bij het spraakgebruik dat we bij dieren spreken over jongen en bij mensen over kinderen.)

Het bleek toen dat uitsluitend dat laatste, dus de mate van coöperatieve zorg, samenhing met spontaan pro-sociaal gedrag. Je ziet het gevonden verband afgebeeld in het onderstaande plaatje. Lees daaronder verder.


Op de horizontale as zijn de soorten gerangschikt naar de mate van coöperatieve zorg en op de verticale as naar de mate waarin spontaan pro-sociaal gedrag kon worden vastgesteld. Er is een duidelijk verband: hoe meer coöperatieve zorg, hoe meer pro-sociaal gedrag. De onderbroken lijn is de regressielijn zonder "ons" (Homo sapiens) en de doorgetrokken lijn met "ons".

Waarom is dit zo'n belangrijk resultaat? Omdat het in overeenstemming is met het vermoeden dat pro-sociaal gedrag door sociale veiligheid wordt uitgelokt. Zie het bericht Waardoor is pro-sociaal gedrag aanstekelijk? - Doordat het de sociale veiligheid verschaft die weer meer pro-sociaal gedrag uitlokt van twee weken geleden. In soorten met veel coöperatieve zorg, dus met veel pro-sociaal gedrag ten opzichte van jongen/kinderen, wordt je geboren en groei je op in een veilige sociale omgeving. En het is die ervaren sociale veiligheid die er toe aanzet om gemakkelijk anderen te hulp te schieten. Het is immers vanaf het geboren worden het "normale" gedrag. De vrees dat anderen van jouw goedgeefsheid zouden willen profiteren, komt niet bij je op. En wordt ook niet bewaarheid.

Het is ook het basale inzicht waar sociaalwetenschappelijk onderzoekers veel aan zouden kunnen hebben. Het vertelt immers dat wij weliswaar een apensoort zijn met een groot vermogen tot coöperatieve zorg voor kinderen, maar dat wij in de hedendaagse samenleving nog maar heel beperkt naar dat vermogen handelen en kunnen handelen. Die coöperatieve zorg voor kinderen is nog maar een fractie van wat hij was in die lange periode dat wij als jagers-verzamelaars samenleefden. Buiten het eigen gezin ervaren opgroeiende kinderen nog maar beperkt de sociale veiligheid die hen tot pro-sociaal gedrag zou aanzetten. En zelfs binnen gezinnen kennen we de problemen van kindermishandeling en -verwaarlozing. 

Voor het sociaalwetenschappelijk onderzoek zou een en ander betekenen dat je meer pro-sociaal gedrag kunt verwachten hoe meer mensen sociale veiligheid ervaren. Vandaar die twee last-but-not-least toevoegingen in de twee onderzoekslijnen waarmee dit bericht begon. Het waarnemen van pro-
sociaal gedrag en deel uitmaken van een groter sociaal netwerk zorgen voor meer pro-sociaal gedrag. 

Dat is het fundamentele (en biologische) inzicht waar het sociaalwetenschappelijk onderzoek zich op zou moeten richten. En het inzicht dat meteen duidelijk maakt wat het grote maatschappelijk belang van de sociale wetenschappen zou kunnen, en moeten, zijn. Creëer een maatschappij die in het teken staat van de sociale veiligheid die mensen nodig hebben. Zie de reeks berichten over hoe de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak zou kunnen worden, die hier begint.

woensdag 19 augustus 2020

Waardoor is pro-sociaal gedrag aanstekelijk? - Doordat het de sociale veiligheid verschaft die weer meer pro-sociaal gedrag uitlokt

Hoe komt het dat het pro-sociale gedrag van anderen de kans vergroot dat we ook onszelf meer pro-sociaal gaan gedragen? Wat verklaart dat pro-sociaal gedrag aanstekelijk is? Die aanstekelijkheid was op dit blog al eerder aanleiding om het woord gemeenschapsgedrag te prefereren boven pro-sociaal gedrag, omdat daar al dat sociale beïnvloedingsproces in besloten ligt. Het gaat om gedrag "als in een gemeenschap", dus om gedrag dat je oftewel met zijn allen doet of helemaal niet. Maar omdat het woord gemeenschapsgedrag vooralsnog alleen op dit blog is ingeburgerd, hou ik het nu maar even bij pro-sociaal gedrag.

Dat pro-sociaal gedrag aanstekelijk is, zagen we in eerdere berichten langskomen: Wie goed doet, doet dubbel goed. Pro-sociaal gedrag is aanstekelijk, Ook pro-sociaal gedrag in de media lokt pro-sociaal gedrag uit en Dreumesen schieten meer te hulp als iemand het goede voorbeeld heeft gegeven. En zie ook Nieuwe aanwijzingen voor de flexibele menselijke sociale natuur - gemeenschapsgedrag lokt gemeenschapsgedrag uit en de berichten over het verschijnsel van crowding-in.

En er is nu de nieuwe studie Prosocial modeling: A meta-analytic review and synthesis, waarin uit een meta-analyse van 88 studies met in totaal 25.354 proefpersonen blijkt dat er alles samengenomen een gematigd positief effect is van het waarnemen van pro-sociaal gedrag op het eigen pro-sociale gedrag. Het gaat dan om zaken als het doneren van geld, het geven van fooi, het oprapen van iets voor iemand die dat per ongeluk heeft laten vallen, iemand te hulp schieten en het kiezen voor samenwerken in plaats van profiteren.

Maar nu terug naar de vraag wat daarvoor de verklaring zou kunnen zijn. In die nieuwe studie worden drie gangbare verklaringen genoemd: imitatie van het gedrag, de neiging tot conformeren en de neiging om het doel van het gedrag over te nemen (goal contagion). En het zou kunnen zijn dat het een zogenaamd onderzoekerseffect is, dat wil zeggen de neiging van proefpersonen om te voldoen aan wat ze denken dat de onderzoeker van hen wil. De auteurs concluderen dat die verklaring van goal contagion het beste uit de bus komt. Mensen zouden dus als ze zien dat een persoon iemand anders helpt, daardoor zelf ook besluiten dat het goed is om anderen te helpen.

Dat is interessant. Want het zou aardig passen in het vermoeden dat bij mij steeds meer is komen bovendrijven, namelijk dat pro-sociaal gedrag een reactie is op signalen die erop wijzen dat je je bevindt in een veilige sociale omgeving. Of op signalen die je eraan herinneren dat je sociale omgeving eigenlijk best wel veilig is. Een veiligheid die eruit bestaat dat mensen bereid zijn om anderen te helpen en om bij te springen als dat nodig is.

Dat vermoeden gaat terug op de gedachte dat alle dieren, en dus ook mensen, voor de uitdaging staan om zich zoveel mogelijk te bevinden in een veilige omgeving, een omgeving die gunstig is voor overleving en reproductie. Eerder in de mensheidsgeschiedenis was die veiligheid er in de groep van jagers-verzamelaars waarin samengewerkt en gedeeld werd. In die groep was pro-sociaal gedrag niet alleen veilig om uit te voeren, omdat je er op kon rekenen dat anderen er geen misbruik van maakten, maar ook omdat je eigen overleving en reproductie er baat bij had. Je deelde mee in de opbrengsten van het samenwerken. Sociale onveiligheid bestond uit het niet deel uitmaken van zo’n groep en in je eentje moeten zien te overleven.

In de huidige samenleving is die veilige omgeving er meestal wel in het gezin waarin een kind opgroeit. (Meestal, want we kennen helaas ook het probleem van kindermishandeling.) Daardoor leren kinderen al snel om op de zorgzaamheid die ze ervaren te reageren met hulpvaardigheid. Denk weer even aan die dreumesen die te hulp schieten. En aan al die studies van Michael Tomasello en medewerkers waaruit blijkt dat kinderen al heel jong anderen helpen als ze daartoe in staat zijn. Dat is hun natuurlijke reactie op de zorgzame omgeving die ze in het gezin aantreffen.

De natuurlijkheid van die reactie blijkt eruit dat in een toestand van ervaren veiligheid de nervus vagus (de zwerfzenuw) gematigd geactiveerd is, wat precies de lichamelijke toestand is (rest and digest) waarin je gemakkelijk anderen te hulp schiet. Terwijl in een toestand van onveiligheid oftewel die zwerfzenuw bovenmatig wordt geactiveerd, waardoor je in het statuscompetitiepatroon schiet (fight or flight), of sterk verlaagd geactiveerd (immobilisation), waardoor je te maken kunt krijgen met een depressie of angststoornis. Zie De belichaming van pro-sociaal gedrag - En wat we daarvan kunnen leren. En denk aan de polyvagaaltheorie van Stephen W. Porges.

Maar in de huidige maatschappij is het gezin maar een klein eilandje in een grote zee van sociale vluchtigheid en daarmee kans op statuscompetitie. Bij het ouder worden is er buiten dat eigen gezin dus de onzekerheid over het gedrag van anderen en dus de mogelijkheid van de sociale onveiligheid van de statuscompetitie. En dat is precies de omgeving waarin we niet alleen "nieuwe" sociale veiligheid zoeken (dus vrienden willen maken), maar ook het pro-sociale gedrag dat we tegenkomen beschouwen als signalen voor het bestaan van sociale veiligheid. "O ja, mensen zijn eigenlijk heel goedaardig en behulpzaam." Dat besef vergroot ons veiligheidsgevoel, waardoor we ook zelf gemakkelijker te hulp schieten.

En dat komt dus wel wat overeen met die goal contagion-verklaring van die auteurs van die nieuwe studie. Maar het verschaft ook een onderliggende mechanisme: pro-sociaal gedrag draagt bij aan sociale veiligheid, die op zijn beurt weer meer pro-sociaal gedrag uitlokt.

maandag 10 augustus 2020

Pro-sociaal gedrag bij kinderen. En over verkeerde, maar gebruikelijke, ideeën in de sociale wetenschappen

Update. Zie onderaan het bericht.

Hoe moet je kijken naar al dat onderzoek naar de ontwikkeling van pro-sociaal gedrag (of eigenlijk beter: gemeenschapsgedrag) bij jonge kinderen? Wat leert ons eigenlijk dat onderzoek?

Die vragen kwamen bij me op naar aanleiding van de pas verschenen studie How socialization goals and peer social climate predict young children’s concern for others:Evidence for a development shift between 2 and 4 years of age. Niet doordat het onderzoek op zich zo bijzonder is, maar doordat het iets vertelt over de ideeën die in dit soort onderzoek gebruikelijk zijn en dus ook over een idee dat er in ontbreekt.

Eerst maar over dit onderzoek en over wat gebruikelijk is. De onderzoekers gingen na in hoeverre het pro-sociale gedrag (zorg voor anderen) van 2- en van 4-jarigen (zoals beoordeeld door de moeder en de voorschoolse groepsleider/ster) werd beïnvloed door de "socialiseringsdoelen" van de moeder en van de voorschoolse groepsleider/-ster en door het sociale klimaat van de voorschoolse groep (zoals beoordeeld door de groepsleider/ster). Die socialiseringsdoelen waren te onderscheiden in pro-sociale doelen (het kind leren om anderen te helpen), gehoorzaamheidsdoelen (het kind leren om de ouders te gehoorzamen) en autonomiedoelen (het kind leren om zelfstandig te worden). En bij het sociale klimaat van de voorschoolse groep ging het om hoeveel kinderen op elkaar betrokken waren (zoals samen dingen doen, vriendschap ontwikkelen, anderen erbij betrekken) versus hoeveel kinderen zich terugtrokken (niet mee willen doen, geen interesse tonen). 

Het onderzoek levert o.a. op dat de zorg voor anderen van kinderen van 2 en van 4 jaar groter is als de moeder meer pro-sociale socialiseringsdoelen heeft en van kinderen van 4 jaar groter is als het sociale klimaat van de voorschoolse groep positiever is (meer onderlinge betrokkenheid).

In het discussiegedeelte van het artikel kom je een aantal in dit soort onderzoek gebruikelijke ideeën tegen. Zo is er het idee dat kinderen door opvoeding door de ouders leren om zich pro-sociaal te gedragen. Vandaar die pro-sociale socialiseringsdoelen van de moeder. En zowaar, hoe meer de moeder haar kind wil bijbrengen dat het goed is om anderen te helpen, hoe meer het kind anderen helpt.

Andere gebruikelijke ideeën kom je tegen als het gaat om dat het effect van dat positieve sociale klimaat van de voorschoolse groep. De onderzoekers interpreteren dat als in overeenstemming met de 

general principles of peer selection, reinforcement, and reciprocity in social networks.

Die ze als volgt toelichten. Het principe van de peer selection komt neer op een voorkeur voor het zoveel mogelijk lijken op je vrienden, waardoor je hun gedrag imiteert. Als je vrienden pro-sociaal zijn, ben jij dat ook omdat je hun gedrag imiteert. De onderliggende wens is om gelijk te zijn aan je vrienden, om niet af te wijken. Dit komt neer op conformisme.

Het principe van reinforcement komt erop neer dat je van je vrienden voor jou pro-sociale gedrag positieve feedback ontvangt. De onderliggende behoefte is die aan sociale waardering.

En het principe van wederkerigheid (reciprocity) verwijst naar een omvangrijke onderzoekslijn rond het idee dat mensen gemotiveerd zijn om een verleende dienst met een wederdienst te beantwoorden en om dat ook van anderen te verwachten. Eigenlijk zou pro-sociaal gedrag in dit geval dus terug gaan tot een behoefte om niet bij anderen in het krijt te staan. Die onderzoekslijn gaat tenminste terug tot het veelgeciteerde artikel The norm of reciprocity: A preliminary statement van Alvin Gouldner uit 1960. 

Daarmee hebben we eigenlijk wel een mooie inventarisatie van hoe tot nu toe in de sociale wetenschappen is aangekeken tegen pro-sociaal gedrag. En ze hebben gemeenschappelijk dat pro-sociaal gedrag uit iets anders dient te worden verklaard. Uit conformisme, uit een behoefte aan sociale waardering of uit een behoefte aan "gesloten boeken".(quite staan of berekenende wederkerigheid).

En dat is opmerkelijk. Want het getuigt van een visie dat pro-sociaal gedrag eigenlijk niet tot het standaardrepertoire van menselijke gedragingen behoort. Het is niet "normaal" en moet dus uit iets anders verklaard worden. Er bestaat niet een motivatie om anderen te helpen. Mensen zijn eigenlijk gewoon egoïstisch en kunnen daaraan alleen ontsnappen door een ander motief dan om anderen bij te staan. "Echt altruïsme" bestaat niet.

Maar dat zijn de gebruikelijke ideeën. Die zijn zo gebruikelijk dat ze weinig ruimte gunnen aan aanwijzingen dat echt altruïsme wel degelijk bestaat. Mensen kunnen wel degelijk gemotiveerd zijn om anderen bij te staan. Als een gedrag dat niet een andere verklaring behoeft dan dat mensen onder omstandigheden altruïstisch willen zijn. Ik stond bij zulke aanwijzingen stil in het bericht (uit 2016) Puur altruïsme bestaat echt - En meer bij ouderen. Daarin ging het over onderzoek dat liet zien dat bij sommige proefpersonen hersengebiedjes actief waren waarin beloningen neuraal worden verwerkt, in gevallen waarin bepaalde sommen geld niet naar henzelf gingen, maar naar een goed doel. Bij andere proefpersonen waren die gebiedjes actief in het geval dat ze zelf dat bedrag ontvingen.

Pro-sociaal gedrag kan dus neuraal belonend zijn. Het voelt goed. En dat wisten we al uit de eerdere berichten Zijn mensen van nature zorgverleners? Waarom voor een ander zorgen goed voor je is en Geld schenken verlaagt hoge bloeddruk. 

En we weten ook dat dat belonende effect afhankelijk is van de aard van de aard van de sociale omgeving. Als mensen zich veilig voelen, zoals wanneer ze in een omgeving verkeren waarin anderen gemeenschapsgedrag vertonen, dan vertonen ze dat natuurlijke gemeenschapsgedrag ook zelf. In een toestand van sociale veiligheid zijn mensen altruïstisch. Omdat ze daartoe gemotiveerd zijn. Niet vanuit conformisme, behoefte aan sociale waardering of omdat ze quite willen staan. Als we ons tussen anderen veilig voelen, dan onderdrukken we onze sympathische vechten-of-vluchten reactie (dus ons statuscompetitiegedrag) en komt ons gemeenschapspatroon in werking. Zie (nog eens) het bericht De belichaming van de innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur.

Het punt is dat die andere ideeën in de sociale wetenschappen nog zo gebruikelijk zijn. Dat is jammer, want dat draagt bij aan de populariteit van het cynische mensbeeld waarin de moraal slechts een vernis is van het ware egoïsme. Denk aan het citaat "Krab een "altruïst" en je ziet een "huichelaar" bloeden", dat Frans de Waal aanhaalt in zijn boek De aap en de filosoof. Hoe de moraal is ontstaan (p. 30).

Update. Nog even terug naar die pro-sociale socialiseringsdoelen van de moeder, die inderdaad blijken samen te hangen met het pro-sociale gedrag van het kind. Dit lijkt in overeenstemming met het idee dat kinderen moreel gedrag leren doordat hen door hun opvoeders wordt verteld dat dit het juiste gedrag is. Denk aan het misverstand opvoeding en de mythe van de opvoedbaarheid. 

Maar dat houdt geen rekening met de mogelijkheid dat het verband een schijnverband is en in werkelijkheid tot stand komt doordat moeders met pro-sociale socialiseringsdoelen in hun gedrag tegenover hun kind zorgzamer zijn dan moeders die minder die pro-sociale socialiseringsdoelen na streven. Daarmee creëren ze voor hun kind een veiliger omgeving, die bevorderlijk is voor pro-sociaal gedrag. Oftewel echt altruïsme. Volg weer de link hierboven naar de belichaming van de innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur.

donderdag 27 februari 2020

De markt moet je niet gebruiken voor taken waarvoor je mensen met goede intenties nodig hebt - Over een nadeel van privatisering van de zorg waar de politiek te weinig aandacht voor heeft


Dat inzicht wijst op een mogelijk nadeel van het overhevelen van voorheen publieke taken naar de marktsector. Als het om taken gaat die appelleren aan de behoefte van mensen om iets goeds te doen voor anderen, dan kan het zijn dat privatisering en het vrij baan geven aan winstuitkering aan aandeelhouders een verschuiving teweegbrengt in het werknemers- en aanbiedersbestand. Dus minder werknemers die er voor anderen willen zijn en meer aanbieders die toetreden uit winstbejag.

Precies die verschuiving lijkt zich te hebben voorgedaan als gevolg van de privatisering van de zorg. Op veel nadelen van die privatisering is al gewezen, zoals op de toegenomen kosten van controle. Maar dit nadeel, dat je minder kunt vertrouwen op de pro-sociale en intrinsieke motivatie van degenen die in de zorg werkzaam zijn, krijgt nog weinig aandacht.

Aanleiding om daar bij stil te staan vormt de kamerbrief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Hugo de Jonge, waarin hij de Tweede Kamer een overzicht geeft "van de maatregelen die mijn collega-bewindspersonen van VWS en ik nemen om te voorkomen dat personen met verkeerde intenties in de zorg aan de slag gaan".

In die brief lees je een opsomming van de vele maatregelen die de minister gaat nemen om dus die personen met verkeerde intenties uit de zorg te weren. 

Zoals het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (Wibz), waarin de wettelijke eisen aan de bedrijfsvoering van zorgaanbieders worden aangescherpt. En het wetsvoorstel Bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz), waarin het waarschuwingsregister zorgfraude wordt geregeld en het beter uitwisselen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de bestrijding van zorgfraude. En de uitbreiding van de Wet Normering Topinkomens, die moet voorkomen dat zowel hoofd- als onderaannemers in de zorg die wet ontwijken en zichzelf verrijken.

Waarbij je natuurlijk bedenkt dat de noodzaak van al die maatregelen, die dus nu pas wordt ingezien,  eruit voortkomt dat je er niet aan gedacht had dat de voordelen van concurrentie misschien niet zouden opwegen tegen de nadelen van het aantrekken van die "personen met verkeerde intenties".

De markt moet je niet gebruiken voor taken waarvoor je personen met goede intenties nodig hebt. Dus mensen die er voor anderen willen zijn.

Wat trouwens meer in het algemeen betekent dat het gebied waar de markt wel goed kan werken, veel minder groot is dan in de politiek vaak wordt gedacht.

maandag 24 februari 2020

Achter "Eigen volk eerst" gaat 'Ik eerst" schuil - meer aanwijzingen dat pro-sociaal gedrag niet parochiaal, maar universalistisch is

Op onze neiging tot pro-sociaal gedrag, tot het rekening houden met en bijstaan van anderen, zijn we geselecteerd in de lange periode van de Paleo Sociale Omgeving, toen we als jagers-verzamelaars in groepen van vertrouwde anderen waren aangewezen op samenwerken en delen om te overleven. Daardoor zijn we ook nu nog toegerust met de morele intuïties van het gemeenschapsgedrag.

Maar onze sociale omgeving is sindsdien ingrijpend veranderd. In een kring van vertrouwde anderen gedragen we ons gemakkelijk en zonder dralen pro-sociaal. Maar daarbuiten kunnen we ook in aanraking komen met statuscompetitiegedrag, dus met anderen die ons niet gunstig gezind behoeven te zijn en waartegen we ons misschien moeten verdedigen. We kunnen dan moeten terugvallen op de intuïties van het statuscompetitiegedrag, dus op de vermogens om gevaar te detecteren en om daarop gepast te reageren, met vechten of vluchten, of met onderdanigheid of zelfs bevriezen (immobiliseren) als het gevaar overweldigend is.

Maar vaak weten we niet goed wat we van die anderen buiten onze kring van vertrouwde anderen, vreemden dus, te verwachten hebben. Wat doen we in die toestand van onzekerheid? Zijn we om te beginnen goed van vertrouwen? Of juist argwanend en op onze hoede?

Het antwoord zal enerzijds afhangen van de omstandigheden. Maar anderzijds zou je ook kunnen denken dat mensen van elkaar verschillen.

Dat laatste is een bekend thema in het sociaalwetenschappelijk onderzoek. Twee vermoedens ("hypothesen") staan tegenover elkaar.

Aan de ene kant de hypothese dat pro-sociaal gedrag altijd "parochiaal" is, dat wil zeggen dat degenen bij wie meer die gemeenschapsintuïties aanwezig zijn, ook altijd degenen zijn die het meeste onderscheid maken tussen vertrouwden en vreemden. Tegenover hun vrijgevigheid ten aanzien van hun vertrouwden zou dus juist hun wantrouwen en zelfs vijandigheid staan tegenover vreemden. Volgens dit vermoeden is gemeenschapsgedrag dus altijd van het type "Eigen volk eerst".
De evolutionaire gedachte hierachter lijkt te zijn dat de selectie op gemeenschapsgedrag in die Paleo Sociale Omgeving een selectie tussen onderling concurrerende en vijandige groepen was. Groepen die intern meer solidair waren, dus meer parochiaal pro-sociaal gedrag kenden, zouden succesvoller zijn in de conflicten tussen groepen. En zouden er dus zo voor zorgen dat er op dat parochiale pro-sociale gedrag geselecteerd werd.
Maar dat er in de Paleo Sociale Omgeving dat type groepsselectie plaats vond is onwaarschijnlijk. Jagers-verzamelaarsgroepen onderhielden over het algemeen goede contacten met elkaar, ook al op basis van uithuwelijkingsrelaties. Gewelddadige conflicten tussen groepen, oorlogen, kwamen pas met de landbouwrevolutie de mensheidsgeschiedenis binnen.
Aan de andere kant is er dan ook de hypothese dat gemeenschapsgedrag juist altijd universalistisch is. Dus dat een grotere geneigdheid tot pro-sociaal gedrag ten opzichte van vertrouwden juist samen gaat met dezelfde geneigdheid ten opzichte van vreemden. Volgens deze gedachte verschillen mensen "over de hele linie" in hun geneigdheid tot gemeenschapsgedrag.
Dit komt overeen met de evolutionaire gedachte dat in de Paleo Sociale Omgeving binnen de jagers-verzamelaarsgroepen werd geselecteerd op gemeenschapsgedrag. Als uitkomst van het zelfdomesticatieproces: het tegenovergestelde statuscompetitie gedrag werd door coalities van groepsleden onderdrukt, desnoods met geweld. Denk aan Richard Wranghams The Goodness Paradox. The Strange Relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution. 
Wat wijst het sociaalwetenschappelijk onderzoek uit? Tot nu toe levert dat voor beide hypothesen aanwijzingen op. In de nieuwe studie Prosociality in the economic Dictator Game is associated with less parochialism and greater willingness to vote for intergroup compromise vind je een aantal literatuurverwijzingen. Maar die studie zelf doet verslag van een onderzoek dat de tweede hypothese ondersteunt, dus dat gemeenschapsgedrag meer universalistisch van aard is.

De onderzoekers, onder wie David G. Rand, deelden deelnemers aan hun onderzoek, dat plaats vond via internet (Amazon Mechanical Turk), in twee verschillende groepen in (de blauwe groep en de paarse groep). Gedurende het experiment konden ze een stem uitbrengen voor hun eigen groep of voor de andere groep. Als aan het eind van het spel een van de groepen een bepaald minimumaantal stemmen (de drempel) had behaald, dan ontvingen de leden van beide groepen een beloning, zij het dat die voor de leden van de "winnende" groep hoger was. Als geen van de beide groepen de drempel haalde, dan kreeg niemand een beloning.

Het was dus in ieders belang dat een groep de drempel haalde. Dat betekende dat het voor de leden van een groep die duidelijk minder stemmen leek te gaan krijgen, verstandig kon zijn om een stem uit te brengen op de andere groep. Om er zo aan bij te dragen dat de drempel werd gehaald. Bij wijze van compromis. Het blijven stemmen op je eigen groep, werd gezien als een uiting van parochiaal pro-sociaal gedrag en het zo nodig stemmen op de andere groep als een uiting van universalistisch pro-sociaal gedrag. In het eerste geval is het "Eigen volk eerst" en in het tweede geval staat het algemenere belang voorop.

Los van dat groepsexperiment werd de neiging tot pro-sociaal gedrag gemeten met het zogenaamde anonieme Dictatorspel, waarin je gevraagd wordt om een bedrag naar eigen goeddunken te verdelen over jou en "een andere persoon". Er is dus niets dat je tegenhoudt om alles voor jezelf te houden. Hoeveel je dan toch weggeeft, zegt iets over je geneigdheid tot pro-sociaal gedrag.

Het blijkt dan dat hoe pro-socialer iemand is, hoe minder parochiaal en hoe meer universalistisch. Daarmee kwam overeen dat de meer pro-socialen zich ook meer identificeerden met alle deelnemers aan het experiment, terwijl de minder pro-socialen zich meer met alleen de leden van de eigen groep identificeerden.

De uitkomst wijst in dezelfde richting als het eerdere onderzoek waaruit bleek dat de geneigdheid tot "Eigen volk eerst", zoals gemeten met de Sociale Dominantie Oriëntatie, zoals verwacht samen hangt met meer vijandigheid tegenover de andere groep en dat dit niet "gecompenseerd" werd met meer pro-sociaal gedrag tegenover de eigen groep. Parochialisme gaat samen met egoïsme en universalisme met pro-sociaal gedrag. Achter "Eigen volk eerst gaat "Ik eerst" schuil.

dinsdag 11 februari 2020

Wat vertellen onze morele intuïties over het helpen van naasten en van vreemden?

Onze bereidheid om iets voor anderen te doen, om niet alleen maar aan onszelf te denken, anders gezegd onze bereidheid tot gemeenschapsgedrag, komt eruit voort dat we beschikken over morele intuïties. Intuïties die ons vertellen wat het moreel juiste gedrag is  Het belang van die intuïtieve grondslag voor pro-sociaal gedrag blijkt er uit dat we pro-socialer kiezen als we dat intuïtief doen dan wanneer we meer op ons verstand terugvallen.

Die morele intuïties van het gemeenschapsgedrag hebben zich in de mensheidsgeschiedenis ontwikkeld gedurende de lange periode van de Paleo Sociale Omgeving, toen we als jagers-verzamelaars voor onze overleving aangewezen waren op samenwerking en delen.

Dat was een sociale omgeving die vooral bestond uit vertrouwde anderen. Dat betekende dat het gestuurd worden door die gemeenschapsintuïties, doorgaans weinig complicaties met zich meebracht. Iemand had hulp nodig en je hielp. Het was duidelijk met wie je geacht werd te delen en dus deelde je. Als iemand zich zonder goede reden aan die intuïtieve verplichtingen onttrok, dan was het duidelijk dat die daarop kon worden aangesproken.

In een maatschappij als die waarin wij terecht zijn gekomen, hebben we niet alleen te maken met een kring van vertrouwde anderen, maar ook met vreemden. Die we bijvoorbeeld tegenkomen op straat. Of waarmee we als medeburger een indirecte relatie hebben via de instituties van de democratische overheid. Of waarmee we als wereldburgers in relatie staan, al was het maar doordat we als wereldbevolking voor de grote uitdagingen staan van klimaatverandering en het handhaven van de vrede.

We zijn nog steeds toegerust met die morele intuïties. In die zin klopt het dat de meeste mensen deugen. Maar het handelen volgens die intuïties is wel veel gecompliceerder geworden.

Want we kunnen er niet zomaar van uitgaan dat de anderen waarmee wij te maken hebben, zich ook volgens die intuïties zullen gedragen. Als er aanwijzingen zijn dat zij gericht zijn op de statuscompetitie, dan zijn we goed in staat om ons gedrag daarbij aan te passen. Al was het maar uit zelfbescherming. We willen best wel deugen, maar toch liever niet als anderen daar misbruik van maken.

Maar die gecompliceerdheid is er ook al zonder dat we met die statuscompetitie te maken krijgen. De nieuwe studie What We Owe to Family: The Impact of Special Obligations on Moral Judgment gaat precies daarop in.

De onderzoekers lieten mensen (inwoners van de Verenigde Staten) aan hen voorgelegde handelingen beoordelen waarbij iemand een naaste (een familielid) hielp of een vreemde of waarbij werd gekozen tussen het helpen van een naaste of een vreemde.

Daaruit kwam naar voren dat het helpen van een vreemde als moreel lovenswaardiger werd beoordeeld dan het helpen van een naaste. Maar als iemand voor de keuze werd gesteld om oftewel een naaste te helpen oftewel een vreemde, dan werd het als moreel juister geoordeeld om de naaste te helpen dan om de vreemde te helpen.

Dat laatste lijkt een aanpassing aan het probleem van het ook te maken hebben met vreemden. Onze morele intuïties zijn die van de goedgeefsheid, van het deugen. Dus van het iedereen wel willen helpen als we daartoe maar in staat zouden zijn. Maar als we moeten kiezen, dan hoort "het hemd nader te zijn dan de rok". We kunnen wel wereldburger zijn, maar niet onbeperkt.

De onderzoekers laten in dat verband zien dat er een verschil in het voelen van een morele verplichting in het spel is. Het helpen van een vreemde wordt minder gevoeld als een morele verplichting dan het helpen van een naaste.

Je zou denken als een aanpassing aan het besef of het vermoeden dat iedereen wel naasten zal hebben om op terug te vallen. Als er anderen meer aangewezen zijn om iemand in nood te helpen, dan voel jij minder de morele verplichting om dat te doen.

Je zou dus eigenlijk een onderzoek willen waarin het helpen van een vreemde die zijn naasten is kwijtgeraakt, wordt vergeleken met het helpen van een naaste van jezelf. Dat onderzoek is denk ik nog nooit uitgevoerd.

maandag 2 december 2019

Door het volgen van de natuurlijke neiging tot zorgverlening leven mensen langer - nieuwe aanwijzingen

Naast de menselijke neiging tot statuscompetitie is er ook de daaraan tegengestelde natuurlijke neiging tot zorgverlening, tot pro-sociaal gedrag. Die laatste neiging lijkt zich te hebben ontwikkeld als een uitbreiding van de zoogdierlijke zorg voor het eigen nageslacht tot ook niet-verwanten. Zie Draait alles om vertrouwdheid?

Dat het om een natuurlijke neiging tot zorgverlening gaat, wil niet zeggen dat hij onvoorwaardelijk is. Mensen zijn immers ook toegerust met die evenzeer natuurlijke neiging tot statuscompetitie. En de combinatie van die twee houdt in dat er daaraan gekoppeld een vermogen is om te bepalen wanneer zorgverlening gepast is, namelijk in een veilige omgeving waarin dus ook anderen bereid zijn tot het verlenen van zorg, en wanneer statuscompetitie noodzakelijk is, namelijk in een onveilige omgeving waarin dus ook anderen tot statuscompetitie geneigd zijn.

In het eerste geval hebben we te maken met de toestand van het gemeenschapsevenwicht en in het tweede geval met de toestand van het statuscompetitie-evenwicht. En we zagen de aanwijzingen die doen vermoeden dat het gemeenschapsevenwicht een hoger welzijn verschaft dan het statuscompetitie-evenwicht. Zie Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? En over wat de Dual Mode-theorie te bieden heeft - deel 3.

Een en ander suggereert dat als mensen zorg verlenen dat dat positieve uitwerkingen heeft op welzijn en zelfs gezondheid. In lijn met het inzicht dat het gunstig is om natuurlijk gedrag te kunnen uitvoeren. Waarbij dus de veronderstelling is dat mensen die zorg vooral of zelfs alleen verlenen als de sociale omgeving daarvoor geschikt is.

En inderdaad is er het vele onderzoek waaruit blijkt dat het verlenen van zorg, het helpen van anderen, positieve gezondheidseffecten heeft. Zie Zijn mensen van nature zorgverleners? Waarom voor een ander zorgen goed voor je is, Naast het ontvangen van steun is het geven van steun goed voor je en Geld schenken verlaagt hoge bloeddruk.

Er is nu de nieuwe studie Caregiving within and beyond the family is associated with lower mortality for the caregiver: A prospective study die met de data van de Berlin Aging Study laat zien dat de mortaliteit onder grootouders die voor hun kleinkinderen zorgden, onder ouders die voor hun volwassen kinderen zorgden en onder kinderloze ouderen die voor anderen in hun netwerk zorgden, lager was dan onder niet-zorgverlenende ouderen.

Anders gezegd, degenen die zorg verleenden leefden langer dan degenen die dat niet deden. Er werd gecontroleerd voor een serie relevante variabelen, zoals de gezondheidstoestand bij de aanvang van het onderzoek, leeftijd, geslacht, inkomen, aantal (klein-)kinderen en de afstand tot de woonplaats van de (klein-)kinderen.

Het verschil kan er dus ook mee te maken hebben gehad dat degenen die zorg verleenden meer een sociale omgeving om zich heen hadden met anderen die zorg verleenden.

dinsdag 19 november 2019

Fundamenteel sociaal zijn betekent ook dat je niet alleen begrijpt wat de ander wil, maar ook wat de ander nodig heeft

De lange periode dat mensen als jager-verzamelaars er voor hun overleving op waren aangewezen om samen te werken en te delen, heeft er voor gezorgd dat wij een heel fundamenteel sociaal groepsdier zijn.

Wat dat zoal betekent, zagen we in het bericht Hoe fundamenteel sociaal zijn wij? Over interpersonele autonome synchronie.

Zo zorgt de spontane activiteit in het zogenaamde default- (terugval-)netwerk van onze hersenen als we geen prikkels van buiten krijgen, er voor dat we voorbereid zijn (geprimed zijn) op een intentionele houding tegenover anderen. Anders gezegd, de rusttoestand van onze hersenen is die van een sociaal wezen.

En de werking van ons autonome zenuwstelsel, gemeten aan maten als hartslag, hartslagvariabiliteit, ademhaling, huidweerstand en huidtemperatuur, blijkt synchroon te gaan lopen met die van anderen die in onze nabijheid zijn. En naar het lijkt meer met die van vertrouwden dan met (nog) vreemden. Waardoor we in staat zijn tot onderlinge empathie, tot het zich in elkaar kunnen verplaatsen.

Wat dat nog meer inhoudt, wordt duidelijker uit de nieuwe studie Chimpanzees help others with what they want; Children help them with what they need, met Michael Tomasello als mede-auteur.

Het onderzoek vergelijkt het hulpgedrag van driejarige mensenkinderen met dat van chimpansees. Met een ingenieuze opzet, die het mogelijk maakt te onderscheiden tussen helpen als de ander om hulp vraagt en helpen als reactie op wat de ander nodig heeft, ook al vraagt hij om iets anders. In dat laatste geval heeft de helper meer informatie dan de hulp vragende en laat hij zich daardoor leiden. De onderzoekers noemen dat "paternalistisch helpen", dat wil zeggen, helpen met inzicht in waar de ander behoefte aan heeft.

Het blijkt dan dat zowel de kinderen als de chimpansees helpen als de ander daarom vraagt. Maar in die gevallen waarin paternalistisch helpen mogelijk was, gingen kinderen daar wel toe over en de chimpansees niet. Kinderen bleken wel inzicht te hebben in wat de ander echt nodig had en dat dat verschilde van waar hij om vroeg. Chimpansees reageerden daarentegen alleen op de hulpvraag.

Dat is een intrigerend verschil. Dat chimpansees groepsdieren zijn, lijkt te betekenen dat ze bereid zijn de ander bij te staan als die aangeeft die bijstand nodig te hebben.

Dat mensen groepsdieren zijn, lijkt daarenboven te betekenen dat ze bereid zijn om het welzijn van de ander te dienen, ook al gaat dat in tegen waar de ander zelf om vraagt.

En dat laatste is te verwachten als een resultaat van een evolutionair verleden waarin je op onderlinge samenwerking en delen was aangewezen. Waarin jouw welzijn er ook van afhing of het met de anderen wel goed ging.

En dat stelde hogere eisen aan je empathisch vermogen. Om goed te kunnen samenwerken en om goed te kunnen delen, moet je niet alleen kunnen begrijpen wat de ander wil, maar ook wat de ander nodig heeft.

vrijdag 25 oktober 2019

Sociaalwetenschappelijk onderzoekers zouden meer oog moeten hebben voor de collectieve uitdaging - neem nu het onderzoek naar schoolklassen

Verreweg de meeste kinderen en adolescenten brengen een groot deel van hun tijd door in de kunstmatige sociale omgeving van leeftijdsgenoten. Dat komt doordat we ooit een keer hebben bedacht dat onderwijs het beste kan worden gegeven door kinderen van dezelfde leeftijd bij elkaar in de klas te zetten.

We weten dat die leeftijdshomogene omgeving niet alleen kunstmatig is, maar ook negatieve effecten heeft. Zo ontstaat er in die omgeving gemakkelijk een strijd om status, die gepaard gaat met pesten en gepest worden. En we weten dat die statuscompetitie en dat pesten op scholen waar minder kunstmatig, en dus leeftijdsgemengd, gegroepeerd wordt, de helft minder voorkomt.

Er is veel onderzoek naar wat zich afspeelt in die leeftijdshomogene groepen. Maar het lijkt alsof onderzoekers niet beseffen hoe kunstmatig die sociale omgeving is. En dat ook een gunstiger, en dus leeftijdsgemengde, groepering mogelijk is.

Zo is er nu de nieuwe studie A Test of the Bistrategic Control Hypothesis of Adolescent Popularity, waarin het erom gaat welke kinderen in een klas het meest populair gevonden worden. Het blijkt dan dat er drie groepen populaire leerlingen kunnen worden onderscheiden:

  • het meest populair is de groep bi-strategische leerlingen, die populair zijn door een combinatie van pro-sociaal gedrag (hulpbereidheid) en dominerend/agressief gedrag. In dit onderzoek behoort 12 procent tot deze groep.
  • minder populair zijn de leerlingen die hun populariteit ontlenen aan hun pro-sociale gedrag. Die groep beslaat 20 procent van de leerlingen, met een oververtegenwoordiging van meisjes.
  • nog minder populair, maar dus wel populairder dan de rest, zijn de leerlingen die populair zijn door hun agressieve gedrag. Dit gaat om een groep van 5 procent.
Het is een voorbeeld van onderzoek waarin die leeftijdsheterogene groepering als gegeven wordt aangenomen en waarin vaak minutieus wordt beschreven en geanalyseerd wat zich in die groepen afspeelt. Waarin het ook als een gegeven wordt beschouwd dat er zich een strijd om populariteit afspeelt, waarin sommigen er beter afkomen dan anderen. En waarin wordt geconcludeerd dat sommigen zich beter aanpassen en meer succesvol zijn dan anderen.

En daarmee is het ook een voorbeeld van sociaalwetenschappelijk onderzoek dat zich toelegt op de individuele uitdaging van het zich moeten aanpassen aan een sociale omgeving waarin statuscompetitie bestaat. Denk aan het vorige bericht In het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar statuscompetitie is er weinig oog voor "de collectieve uitdaging".

Terwijl er daarnaast natuurlijk ook levensgroot die collectieve uitdaging is, de uitdaging van het creëren van een sociale omgeving die beter is afgestemd op wat mensen willen en kunnen. Een omgeving waarin kinderen beter gedijen omdat er minder kans is op die competitie om populariteit. En waarin dus de helft minder pesten zou voorkomen. Waarin alle leerlingen beter af zouden zijn.

En waarin misschien wel 100 procent zich pro-sociaal gedraagt. Denk aan dat gemeenschapsevenwicht.

Het zou toch mooi zijn als sociaalwetenschappelijk onderzoekers meer oog zouden hebben voor het belang van die collectieve uitdaging.

donderdag 23 mei 2019

Sterke aanwijzingen dat we pro-socialer kiezen als we meer vertrouwen op onze intuïties

Als we meer intuïtief moeten beslissen, bijvoorbeeld als we minder tijd hebben om er bewust over na te denken, dan vallen onze keuzes pro-socialer uit.

In het onderzoek waar ik over berichtte in Intuïtief zijn we pro-sociaal. Maar alleen met een sociale omgeving die pro-sociaal is, ging het over proefpersonen die moesten beslissen in een collectief goed-dilemma, waarin je kunt samenwerken met anderen voor een gemeenschappelijke opbrengst, maar waarin je dat ook kunt weigeren en toch meedelen in die opbrengst. Het is dan pro-sociaal om samen te werken. Het bleek toen dat degenen die sneller beslisten pro-socialer kozen en dat hetzelfde gold voor degenen die minder tijd kregen om te beslissen. De veronderstelling is dat minder tijd nemen of hebben ertoe leidt dat je meer intuïtiever beslist.

Een verklaring daarvoor kan zijn dat de meeste mensen de morele gemeenschapsintuïties aanleren in hun dagelijkse sociale omgeving van familie en vrienden, waarin immers samenwerken en delen en rekening houden met elkaar de normale gang van zaken is. Proefpersonen baseren zich op hun dagelijkse ervaringen, wat er dus ook in het laboratorium toe leidt dat intuïtieve keuzes meer pro-sociaal zijn.

Een aanwijzing in die richting kwam ook uit het onderzoek naar voren, want voor degenen die aangaven in hun dagelijks leven minder van zulke contacten te hebben, gold dat intuïtief kiezen minder samen ging met een pro-sociale keuze.

Dat intuïtiever kiezen inderdaad tot meer pro-sociale keuzes leidt, wordt nu bevestigd door de nog niet gepubliceerde studie van David G. Rand, die ook eerste auteur was van dat onderzoek waar het hier boven over gaat: Intuition, Deliberation, and CooperationFurther Meta-Analytic Evidence from 91 Experiments on Pure Cooperation.
Zie voor ander interessant onderzoek van David Rand ook Komt pro-sociaal gedrag eruit voort dat we ons laten leiden door wat het moreel juiste gedrag lijkt?
Rand voerde een meta-analyse uit over de resultaten van in totaal 91 studies naar de rol van intuïtie versus nadenken in keuzes tussen samenwerken of niet samenwerken maar wel mee profiteren. Daaruit blijkt dat er gemiddeld genomen intuïtief 3,1 procentpunt pro-socialer wordt gekozen dan wanneer over de keuze wordt nagedacht.

En het blijkt dat dit verschil voor een groot deel wordt veroorzaakt door die onderzoeken waarin het intuïtieve kiezen werd opgewekt door de opdracht "gebruik je gevoel" en het nadenkend kiezen door "gebruik je verstand". Maar ook als het ging om andere manipulaties, zoals tijdsdruk, bleef het effect van intuïtief kiezen statistisch significant (1,6 procentpunt).

Sterke aanwijzingen dus dat we pro-socialer kiezen als we vertrouwen op onze intuïties.

zaterdag 15 december 2018

De Onderwijsraad heeft gelijk dat leerlingen meer met klasgenoten met andere achtergronden in aanraking zouden moeten komen

De Onderwijsraad waarschuwt voor Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel. Want daardoor draagt het onderwijs bij aan de toch al toenemende sociale segmentering. Een citaat:
mensen uit verschillende sociale lagen in de samenleving bewegen zich steeds meer in gescheiden groepen en treffen elkaar niet meer vanzelfsprekend. Ook in het onderwijs zien we deze sociale segmentering. Dit begint al bij de voorschoolse voorzieningen. Deze voorzieningen zijn gefragmenteerd en georganiseerd rond verschillende doelstellingen en verschillende doelgroepen, waardoor kinderen met een risico op achterstanden vaak gescheiden blijven van andere kinderen. In het basis- en voortgezet onderwijs gaan kinderen en jongeren uit diverse sociale groepen vaak naar verschillende scholen. Dit komt deels doordat kinderen en jongeren met eenzelfde sociale achtergrond in dezelfde wijk wonen en ook in die wijk naar school gaan. Daar komt bij dat scholen soms expliciet inspelen op de keuzevrijheid en wensen van (groepen) ouders. Zo profileren scholen zich als cultuurschool, technasium, bieden Cambridge English of nieuwe vakken, categoraal onderwijs of onderwijs op religieuze of pedagogische didactische grondslag. Dit gevarieerde aanbod leidt soms tot segmentering met ongewenste gevolgen. 
Ook de scheiding tussen sectoren, schoolsoorten, leerwegen en opleidingen in het onderwijsstelsel heeft tot gevolg dat verschillende groepen leerlingen elkaar niet meer vanzelfsprekend treffen. Cijfers van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) laten zien dat bijna driekwart van alle leerlingen in het voortgezet onderwijs is ingeschreven aan een brede scholengemeenschap waar alle schoolsoorten zijn vertegenwoordigd (zie onderstaand figuur). Maar ze laten ook zien dat het overgrote deel van die scholengemeenschappen de verschillende schoolsoorten aanbiedt op aparte locaties. Slechts 18% van de leerlingen op brede scholengemeenschappen zit op een locatie met alle schoolsoorten bij elkaar. 
Als jongeren met verschillende sociale achtergronden elkaar op school niet meer ontmoeten, komen ze minder in aanraking met leerlingen of studenten die andere inzichten en waarden hebben. Terwijl de school een plek zou moeten zijn waar jongeren kunnen oefenen in het omgaan met conflicten, het voeren van een dialoog, afwijkende meningen en gedragingen tolereren, respect opbrengen voor andersdenkenden en tot consensus komen. Scholen zijn bij uitstek de plaats waar jongeren moeten leren omgaan met verschillen. Wanneer daartoe minder gelegenheid is, kan het onderwijs jongeren maar beperkt voorbereiden op een pluriforme en democratische samenleving en maar beperkt bijdragen aan sociale samenhang in de samenleving.
Kunnen scholen inderdaad bijdragen aan sociale cohesie door leerlingen met verschillende achtergronden met elkaar in contact te brengen?

De toevallig net verschenen studie Familiarity Does Not Breed Contempt:Generosity, Discrimination and Diversity in Delhi Schools geeft inderdaad sterke aanwijzingen in die richting.

De onderzoeker, Gautam Rao (Harvard University, Cambridge) maakte gebruik van een dataset van 2300 leerlingen verspreid over 17 scholen in Delhi, India. Er was een beleidswijziging die inhield dat elitescholen verplicht werden om gratis plaatsen aan te bieden aan arme leerlingen. Maar doordat sommige scholen hiervan werden vrijgesteld en andere scholen een jaar later aan deze nieuwe verplichting mochten voldoen, kon door een vergelijking tussen die twee groepen scholen (wel of geen arme leerlingen) nagegaan worden wat de effecten waren van de verandering.

Rao keek in het bijzonder naar de effecten van contact met arme klasgenoten op het gedrag van de rijke leerlingen. En zijn resultaten zijn nogal opvallend.

Zo bleek dat de rijke leerlingen met arme klasgenoten zich meer pro-sociaal gedroegen dan de rijke leerlingen zonder arme klasgenoten, gemeten aan hun bereidheid om vrijwilligerswerk en liefdadigheidswerk te doen. Ook waren ze rechtvaardiger in een afgenomen Dictator-spel, waarin je gevraagd wordt om iets te verdelen over jezelf en "een andere persoon", waarbij het niet uitmaakte of die andere persoon arm of rijk was.

Bovendien bleek dat het hebben van arme klasgenoten ertoe leidde dat rijke leerlingen minder arme leerlingen discrimineerden.

Gingen rijke leerlingen minder presteren door de aanwezigheid van arme klasgenoten? Een vaak gehoord mogelijk bezwaar van rijke ouders. Op een samengestelde index van prestaties op de vakken Engels, Hindi en wiskunde bleek dat niet het geval.

In India zijn de verschillen tussen arm en rijk aanzienlijk groter dan in ons land. Maar dat is eigenlijk geen reden om te denken dat de resultaten in ons land geheel anders zouden uitvallen.

De Onderwijsraad heeft dus wel een punt met het advies om het onderwijs meer zo in te richten dat leerlingen van verschillende groepen meer met elkaar in contact komen. Dat zou inderdaad bevorderlijk zijn voor de sociale cohesie.

Geheel in overeenstemming overigens met de bekende contacthypothese.

vrijdag 21 september 2018

Nieuwe aanwijzingen voor de flexibele menselijke sociale natuur - gemeenschapsgedrag lokt gemeenschapsgedrag uit

Op zijn eenvoudigst gezegd, bestaat de Dual Mode-theorie uit de volgende twee stellingen:

Stelling 1. In hun sociale gedrag (d.i. gedrag ten opzichte van anderen) zijn er twee gedragspatronen die mensen gemakkelijk aanleren en vaak onbewust en ongepland uitvoeren: het statuscompetitiepatroon en het gemeenschapspatroon.

Stelling 2. Mensen worden bij het aanleren en uitvoeren van deze gedragspatronen sterk beïnvloed door de mate waarin ze met het ene dan wel het andere gedragspatroon in hun sociale omgeving in aanraking komen. (Speltheoretisch gezien gaat het om frequentie-afhankelijke strategieën.)
Lees de berichten achter het label Dual Mode-theorie voor meer toelichting.
Aan de bestaande aanwijzingen die pleiten voor de tweede stelling kan nu het nieuwe onderzoek
Hunter-Gatherers Maintain Assortativity in Cooperation despite High Levels of Residential Change and Mixing worden toegevoegd.

Het onderzoek werd uitgevoerd onder de Hadza in Tanzania, een van de laatste nog bestaande jagers-verzamelaarsvolken. Hadza zijn heel mobiel en leven in groepen die veel wisselen van samenstelling.
Zie over de Hadza ook het bericht Een samenleving zonder emotionele verwaarlozing van kinderen. Kan dat? De Hadza.
Het onderzoek besloeg vier verschillende jaren (2010, 2013, 2014 en 2016). Aan de deelnemers aan het onderzoek werd per groep een publiek goed-dilemma voorgelegd.

Dit dilemma hield in dat ieder lid van de op dat moment bestaande groep, het kamp, 0 - 4  honey sticks aan het collectief kon afstaan, waarna de onderzoekers het totaal aantal "geïnvesteerde" honey sticks verdrievoudigden en over alle leden van de groep verdeelden. Hoe meer sticks je investeerde in het collectief, hoe meer de groep als geheel daar baat bij had. Maar voor ieder lid bestond de verleiding niet of weinig te investeren en tegelijk toch mee te delen in de investeringen van anderen.

In dat dilemma is de grootte van de investering van een individu in het collectief een maat voor zijn/haar samenwerkingsgeneigdheid, dus voor gedrag dat overeenkomt met het gemeenschapspatroon. Ook wel pro-sociaal gedrag genoemd.

Omdat de onderzoekers in totaal 137 individuen over meer dan twee jaar volgden, konden ze nagaan of de mate van gemeenschapsgedrag meer een stabiel persoonskenmerk was of integendeel afhankelijk was van de mate van gemeenschapsgedrag van de groep waartoe ze op dat moment behoorden.

En dat laatste bleek in sterke mate het geval. Voor ieder individu gold dat hij/zij meer gemeenschapsgedrag vertoonde in een groep waar dat gedrag meer voorkwam en minder in een groep waar het minder voorkwam.

En dat is dus precies een aanwijzing voor die flexibele menselijke sociale natuur waar het in die Dual Mode-theorie over gaat. Mensen zijn tot samenwerking en tot gemeenschapsgedrag bereid, maar worden daarbij wel beïnvloed door de aard van hun sociale omgeving. Door hoeveel anderen tot datzelfde gedrag bereid zijn. Gemeenschapsgedrag lokt gemeenschapsgedrag uit.

woensdag 19 september 2018

Door anderen te helpen voel je je beter - Want het verhoogt je gevoel van competentie

Mensen zijn zo fundamenteel sociaal dat het iets doen voor anderen voldoening verschaft. Zie het bericht Door helpen gelukkiger - Alle onderzoek op een rij. Pro-sociaal gedrag was in het verleden zo belangrijk voor overleving, omdat het samenwerken en delen mogelijk maakte, dat er een selectieproces moet hebben plaatsgevonden op de eigenschap om je er beter door te voelen iemand anders bij te staan.

De nieuwe studie Daily Ups and Downs. An Event-Sampling Study of the Mediated Moderation of Prosocial Engagement on Well-Being vertelt iets meer over de aard van dat verband tussen pro-sociaal gedrag en voldoening.

De onderzoekers vroegen de deelnemers aan het onderzoek (383 volwassenen) om een app op hun telefoon te downloaden, die hen gedurende twee weken vier maal per dag vroeg om een kort vragenlijstje te beantwoorden over of ze in de afgelopen uren iets voor iemand anders hadden gedaan en over hoe gelukkig en hoe vitaal ze zich voelden. (Vitaliteit slaat op het zogenaamde eudaimonisch welzijn.) Ook werd hen gevraagd hoe competent, hoe autonoom en hoe verbonden met anderen ze zich voelden (de drie doelen van de zelfbeschikkingstheorie).

Het bleek toen inderdaad dat mensen zich beter (gelukkiger en vitaler) gingen voelen nadat ze in de afgelopen uren meer iets voor een ander of anderen hadden gedaan. En het bleek dat dit er vooral aan lag dat het gevoel van competentie, het gevoel controle te hebben over je lot, werd verhoogd, vooral in die gevallen waarin mensen zich daarvoor weinig competent voelden.

Het is natuurlijk maar een onderzoekje. Maar het geeft toch te denken dat mensen zich door anderen te helpen competenter gaan voelen en niet, zoals je op het eerste gezicht zou verwachten, meer verbonden met anderen.

Ik kwam op de gedachte dat de evolutie kennelijk zo "slim" is geweest om ons gevoel van controle te hebben over ons leven mede afhankelijk te maken van hoeveel we voor anderen doen. Dat kun je wel fundamenteel sociaal noemen.

woensdag 12 september 2018

Meisjes meer gericht op gelijkheid dan jongens - En over de evolutionaire achtergrond daarvan

Van de twee sociale gedragspatronen waar mensen, afhankelijk van de aard van hun sociale omgeving, gemakkelijk toe over gaan, statuscompetitiegedrag en gemeenschapsgedrag, is het patroon van het statuscompetitiegedrag evolutionair gezien het oudste. Reptielen kenden en kennen eigenlijk alleen het statuscompetitiepatroon.

Met de komst van zoogdieren ging broedzorg en zorg voor nakomelingen deel uitmaken van het sociale gedragsrepertoire. Dat hield noodzakelijkerwijs in dat als de situatie daarom vroeg de neiging tot statuscompetitie moest worden uitgeschakeld. Of, zoals Henry en Wang het in 1998 uitdrukten, het ancient self preservatiev behavior moest plaatsmaken voor het nieuwe zoogdierpatroon van het species preservative behavior, dat parental care, nursing, social interaction, pair bonding and mutual defense omvatte. Hier de link naar het betreffende artikel: Effects of early stress on adult affiliative behavior, dat ik kort geleden weer eens onder ogen kreeg. Terzijde: broedzorg bij vogels is een ander verhaal.

Een en ander houdt in dat ons vermogen tot pro-sociaal gedrag, ook tegenover niet-verwanten, zich in de loop van de verdere menselijke evolutie heeft uitgebreid tot de bredere kring van vertrouwde anderen en zelfs vreemden. Je kunt je voorstellen dat verwantschapsherkenning niet altijd perfect was en dat het pro-sociale gedrag ten opzichte van niet-verwanten evolutionair versterkt kan worden. Denk aan wederkerigheidsaltruïsme of zelfs groepsaltruïsme.

Dat wijst erop dat de oorsprong van ons pro-sociale (gemeenschaps-)gedrag ligt in de broedzorg, de zorg voor het nageslacht. En dat doet weer vermoeden dat de selectie op dat nieuwe gemeenschapsgedrag voor vrouwen sterker is geweest dan voor mannen. Mannen kennen ook de neiging tot zorg, maar het effect van het daarin tekort schieten op de overleving van de kinderen is vaak geringer.

Dat zou dus betekenen dat mannen nog meer dat oude statuscompetitiegedrag vertonen en dat je bij vrouwen meer dan bij mannen het gemeenschapsgedrag aantreft. Het bestaan van gender stereotypes komt daarmee overeen. Mannen zijn volgens die typering meer competitief en gericht op hiërarchie en vrouwen meer op gelijkheid en goede onderlinge verhoudingen.

In de nieuwe studie Gender Differences in Egalitarian Behavior and Attitudes in Early Childhood vind je referenties naar onderzoekingen die in deze richting wijzen.

Terwijl de studie zelf laat zien dat deze verschillen al kunnen worden aangetroffen bij twee- tot vijf jaar jonge kinderen. In twee onderzoeken, uitgevoerd in de Verenigde Staten en in Frans-Canada, waren meisjes meer egalitair in hun verdelingen (van stickers) over anderen dan jongens.