Ik reis morgen naar Groningen om voor sociologiestudenten college te geven naar aanleiding van het boek Mothers and Others. The Evolutionary Origins of Mutual Understanding van Sarah Blaffer Hrdy.
De presentatie is hier te vinden: Van nature sociaal. Maar blijft dat zo?
Over een nieuw sociaalwetenschappelijk zicht op mens en maatschappij. En over de lange weg daarnaartoe.
Posts tonen met het label Sarah B. Hrdy. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Sarah B. Hrdy. Alle posts tonen
maandag 18 maart 2019
dinsdag 9 februari 2016
Overpeinzingen over de toekomst van de mensheid zonder coöperatieve zorg voor kinderen
Het patroon van coöperatieve zorg voor kinderen is essentieel geweest voor het evolutionaire succes van onze verre voorouders en dus van de mensheid. Dat wij bestaan, is er aan te danken dat vrouwen er in het verre, verre verleden tijdens zwangerschap en moederschap niet alleen voor stonden. Dat ze hulp kregen van vaders, oudere kinderen, grootouders, familie en andere vertrouwden, vergrootte de overlevingskansen van kinderen en maakte kortere intervallen tussen geboortes mogelijk. Zie de berichten Cooperative Breeding, Hebben wij grote hersenen doordat wij vroeger samenwerkten bij de zorg voor kinderen? en Over de coöperatieve zorg voor kinderen in de evolutie van zoogdieren en van mensen.
Dat patroon van coöperatieve zorg voor kinderen komt ook bij andere zoogdieren voor. En we weten dat het gepaard gaat met een toename van sociale tolerantie, van doelbewust anderen helpen (pro-actieve pro-socialiteit) en van instructie (teaching). Bij mensen ging het bovendien gepaard met een toename van hersenomvang en van intelligentie. En dat alles heeft cultuur en wetenschap mogelijk gemaakt.
Alle reden om te denken dat die coöperatieve zorg nogal fundamenteel is voor onze soort. En dus reden voor zorg als je onder ogen ziet dat coöperatieve zorg onder onze huidige levensomstandigheden nog maar zeer beperkt voorkomt. Want het blijkt voor de goede ontwikkeling van kinderen uit te maken of er contacten zijn met grootouders, met familie, met vrienden en met vertrouwde anderen in straat en buurt. En het blijkt uit te maken of kinderen op school les krijgen in een leeftijdsgemengde of een leeftijdshomogene groep.
Anders gezegd, kinderen groeien sociaal-emotioneel ongunstiger op als ze minder in aanraking komen met de elementen van die coöperatieve zorg. Vandaar dat Sarah Blaffer Hrdy, die van Een kind heeft vele moeders, zich zorgen maakt over de toekomst van de mensheid. Op den duur zullen tolerantie, empathie en pro-sociaal gedrag verpieteren. Oké, niet morgen of volgende week of volgend jaar. Maar soms denk je dat je het onder je ogen ziet gebeuren.
Ik had deze overpeinzingen naar aanleiding van drie nieuwe interessante artikelen.
In Innate teaching skills 'part of human nature', study says gaat het over Barry Hewlett, die onderzoek deed bij de Aka pygmeeën. Waar hem opviel hoe subtiel en spontaan kinderen instructies krijgen als onderdeel van het dagelijks leven. En hoe vanzelfsprekend daarbij de autonomie van de kinderen in acht wordt genomen. Die "natuurlijke pedagogiek" wijkt wel heel sterk af van het onderwijs waar wij onze kinderen op school aan bloot stellen. En wijkt hele sterk af van de bemoeienissen van onze hedendaagse helikopter ouders ("doe dit, doe dat, pas op voor, denk er om dat). Waarbij je natuurlijk meteen bedenkt dat de afwezigheid van coöperatieve zorg als vanzelf het verschijnsel van helikopter ouders voortbrengt.
In Revisiting the consequences of cooperative breeding bespreken Judith Burkart en Carel van Schaik de samenhang tussen coöperatieve zorg en hersenomvang en (sociale) intelligentie. Ze maken aannemelijk dat coöperatieve zorg kon ontstaan door toename van sociale tolerantie en pro-sociaal gedrag en dat toename van hersenomvang als bijproduct kon optreden. In plaats van een voorwaarde te zijn. Dat verklaart dat coöperatieve zorg ook voorkomt bij bijvoorbeeld de klauwaapjes (Marmosets), die niet uitblinken in hersenomvang.
En precies over die klauwaapjes is er nu Oxytocin is associated with infant-care behavior and motivation in cooperatively breeding marmoset monkeys, waaraan Judith Burkart ook meewerkte. De onderzoekers volgden twee groepen klauwaapjes over een duur van acht reproductieve cycli. Ze vonden dat onmiddellijk na een geboorte in de groep het oxytocine-gehalte toenam in de urine van niet alleen de moeder, maar ook van de vader en van andere groepsleden. (Oxytocine wordt wel het knuffelhormoon genoemd.) Bovendien bleek het zorggedrag (likken, op de rug meedragen en voedsel aanbieden) met de hoogte van dat oxytocine-niveau samen te hangen.
Dat wijst er op dat bij klauwaapjes het patroon van coöperatieve zorg zichzelf in stand houdt als het er eenmaal is. Het van nabij meemaken van de geboorte van nieuwe aanwas fungeert als prikkel voor de toename van oxytocine. Dat leidt tot zorggedrag en dus tot de zorgzame omgeving waarin jongen opgroeien. Die daardoor weer ontvankelijk zijn voor die prikkels die uitnodigen tot zorg. Het lijkt alsof die kringloop bij mensen is doorbroken nadat wij in grotere groepen zijn gaan leven.
Over die klauwaapjes weten we trouwens dat, hoewel hun hersenomvang niet opvalt, ze wel in staat zijn tot een bijzondere vorm van sociaal leren. Ze kunnen namelijk leren van instructievideo's, waarin een soortgenoot iets voordoet. Hun nieuwsgierigheid is zo groot dat je met die video's gemakkelijk hun aandacht trekt. Bij chimpansees blijkt dat veel moeilijker te zijn. (Zie hier een filmpje over de klauwaapjes.)
Al met al: hoe zal onze toekomst er uit zien als wij steeds meer gaan samenleven zonder die coöperatieve zorg voor kinderen? En kun je dan eigenlijk nog wel over samenleven spreken?
Dat patroon van coöperatieve zorg voor kinderen komt ook bij andere zoogdieren voor. En we weten dat het gepaard gaat met een toename van sociale tolerantie, van doelbewust anderen helpen (pro-actieve pro-socialiteit) en van instructie (teaching). Bij mensen ging het bovendien gepaard met een toename van hersenomvang en van intelligentie. En dat alles heeft cultuur en wetenschap mogelijk gemaakt.
Alle reden om te denken dat die coöperatieve zorg nogal fundamenteel is voor onze soort. En dus reden voor zorg als je onder ogen ziet dat coöperatieve zorg onder onze huidige levensomstandigheden nog maar zeer beperkt voorkomt. Want het blijkt voor de goede ontwikkeling van kinderen uit te maken of er contacten zijn met grootouders, met familie, met vrienden en met vertrouwde anderen in straat en buurt. En het blijkt uit te maken of kinderen op school les krijgen in een leeftijdsgemengde of een leeftijdshomogene groep.
Anders gezegd, kinderen groeien sociaal-emotioneel ongunstiger op als ze minder in aanraking komen met de elementen van die coöperatieve zorg. Vandaar dat Sarah Blaffer Hrdy, die van Een kind heeft vele moeders, zich zorgen maakt over de toekomst van de mensheid. Op den duur zullen tolerantie, empathie en pro-sociaal gedrag verpieteren. Oké, niet morgen of volgende week of volgend jaar. Maar soms denk je dat je het onder je ogen ziet gebeuren.
Ik had deze overpeinzingen naar aanleiding van drie nieuwe interessante artikelen.
In Innate teaching skills 'part of human nature', study says gaat het over Barry Hewlett, die onderzoek deed bij de Aka pygmeeën. Waar hem opviel hoe subtiel en spontaan kinderen instructies krijgen als onderdeel van het dagelijks leven. En hoe vanzelfsprekend daarbij de autonomie van de kinderen in acht wordt genomen. Die "natuurlijke pedagogiek" wijkt wel heel sterk af van het onderwijs waar wij onze kinderen op school aan bloot stellen. En wijkt hele sterk af van de bemoeienissen van onze hedendaagse helikopter ouders ("doe dit, doe dat, pas op voor, denk er om dat). Waarbij je natuurlijk meteen bedenkt dat de afwezigheid van coöperatieve zorg als vanzelf het verschijnsel van helikopter ouders voortbrengt.
In Revisiting the consequences of cooperative breeding bespreken Judith Burkart en Carel van Schaik de samenhang tussen coöperatieve zorg en hersenomvang en (sociale) intelligentie. Ze maken aannemelijk dat coöperatieve zorg kon ontstaan door toename van sociale tolerantie en pro-sociaal gedrag en dat toename van hersenomvang als bijproduct kon optreden. In plaats van een voorwaarde te zijn. Dat verklaart dat coöperatieve zorg ook voorkomt bij bijvoorbeeld de klauwaapjes (Marmosets), die niet uitblinken in hersenomvang.
En precies over die klauwaapjes is er nu Oxytocin is associated with infant-care behavior and motivation in cooperatively breeding marmoset monkeys, waaraan Judith Burkart ook meewerkte. De onderzoekers volgden twee groepen klauwaapjes over een duur van acht reproductieve cycli. Ze vonden dat onmiddellijk na een geboorte in de groep het oxytocine-gehalte toenam in de urine van niet alleen de moeder, maar ook van de vader en van andere groepsleden. (Oxytocine wordt wel het knuffelhormoon genoemd.) Bovendien bleek het zorggedrag (likken, op de rug meedragen en voedsel aanbieden) met de hoogte van dat oxytocine-niveau samen te hangen.
Dat wijst er op dat bij klauwaapjes het patroon van coöperatieve zorg zichzelf in stand houdt als het er eenmaal is. Het van nabij meemaken van de geboorte van nieuwe aanwas fungeert als prikkel voor de toename van oxytocine. Dat leidt tot zorggedrag en dus tot de zorgzame omgeving waarin jongen opgroeien. Die daardoor weer ontvankelijk zijn voor die prikkels die uitnodigen tot zorg. Het lijkt alsof die kringloop bij mensen is doorbroken nadat wij in grotere groepen zijn gaan leven.
Over die klauwaapjes weten we trouwens dat, hoewel hun hersenomvang niet opvalt, ze wel in staat zijn tot een bijzondere vorm van sociaal leren. Ze kunnen namelijk leren van instructievideo's, waarin een soortgenoot iets voordoet. Hun nieuwsgierigheid is zo groot dat je met die video's gemakkelijk hun aandacht trekt. Bij chimpansees blijkt dat veel moeilijker te zijn. (Zie hier een filmpje over de klauwaapjes.)
Al met al: hoe zal onze toekomst er uit zien als wij steeds meer gaan samenleven zonder die coöperatieve zorg voor kinderen? En kun je dan eigenlijk nog wel over samenleven spreken?
donderdag 27 juni 2013
Angst voor vreemden en het sociaal isolement van gezinnen
In de pas verschenen studie The development of stranger fear in infancy and toddlerhood: normative development, individual differences, antecedents, and outcomes (betaalpoort) laten onderzoekers zien wanneer bij peuters en kleuters de bekende angst voor vreemden opkomt en hoe die zich ontwikkelt. We zien verschillende trajecten tot en met het derde jaar. Bij sommige kinderen blijft die angst hoog of neemt hij zelfs toe; bij anderen is er een afname te zien. Bekend is dat een hoog niveau van angst voor vreemden op vroege leeftijd samenhangt met de kans op extreme verlegenheid en angststoornissen op latere leeftijd.
Waarom die angst voor vreemden? Je zou kunnen denken dat die angst nuttig is en dat er daardoor in het verleden op is geselecteerd. Hij zou onderdeel kunnen zijn van het hechtingsproces, dus de neiging om zich te hechten aan de verzorger(s) die voor het kind een veilige basis verschaffen en om bij hen in de buurt te blijven. Niets aan de hand dus. Maar er is blijkbaar een risicofactor: hoe groter die vroege angst voor vreemden, hoe meer kans op latere extreme verlegenheid en angststoornis.
Waar zou de mate van angst voor vreemden van afhangen? Dat onderzoek hierboven genoemd wijst uit dat er een erfelijke factor in het spel is. Maar ook een omgevingsfactor, namelijk het gedrag van de moeder. Als kinderen een moeder meemaken die zelf moeite heeft met omgang met vreemden, dan is de kans op angst voor vreemden groter. Het kan zijn dat beide factoren er aan meehelpen dat angst voor vreemden zo veel voorkomt en in stand blijft.
Je zou denken dat het veel uitmaakt of een gezin meer of minder sociaal geïsoleerd is. Als baby's en peuters alleen maar heel veel tijd doorbrengen in die schoot van het gezinnetje, in plaats van al vroeg met veel anderen, buren, familie en vrienden, in aanraking te komen, dan zou jeminder meer angst voor vreemden verwachten. Maar in het onderzoek dat ik ken, is daar geen aandacht aan besteed. Waarschijnlijk te moeilijk om te meten.
Zou het dan zo zijn dat kinderen die opgroeien in jagers-verzamelaarssamenlevingen, in de Paleo Sociale Omgeving, waar kinderen coöperatief worden grootgebracht, geen angst voor vreemden ontwikkelen? Ik sloeg even Mothers and Others. The Evolutionary Origins of Mutual Understanding van Sarah Blaffer Hrdy op en las (p. 133-134):
Dat suggereert dat we die angst voor vreemden, en dus die grotere kans op verlegenheid en angststoornissen, de wereld uit zouden kunnen helpen als we er in zouden slagen om het sociale isolement van gezinnen terug te dringen.
Waarom die angst voor vreemden? Je zou kunnen denken dat die angst nuttig is en dat er daardoor in het verleden op is geselecteerd. Hij zou onderdeel kunnen zijn van het hechtingsproces, dus de neiging om zich te hechten aan de verzorger(s) die voor het kind een veilige basis verschaffen en om bij hen in de buurt te blijven. Niets aan de hand dus. Maar er is blijkbaar een risicofactor: hoe groter die vroege angst voor vreemden, hoe meer kans op latere extreme verlegenheid en angststoornis.
Waar zou de mate van angst voor vreemden van afhangen? Dat onderzoek hierboven genoemd wijst uit dat er een erfelijke factor in het spel is. Maar ook een omgevingsfactor, namelijk het gedrag van de moeder. Als kinderen een moeder meemaken die zelf moeite heeft met omgang met vreemden, dan is de kans op angst voor vreemden groter. Het kan zijn dat beide factoren er aan meehelpen dat angst voor vreemden zo veel voorkomt en in stand blijft.
Je zou denken dat het veel uitmaakt of een gezin meer of minder sociaal geïsoleerd is. Als baby's en peuters alleen maar heel veel tijd doorbrengen in die schoot van het gezinnetje, in plaats van al vroeg met veel anderen, buren, familie en vrienden, in aanraking te komen, dan zou je
Zou het dan zo zijn dat kinderen die opgroeien in jagers-verzamelaarssamenlevingen, in de Paleo Sociale Omgeving, waar kinderen coöperatief worden grootgebracht, geen angst voor vreemden ontwikkelen? Ik sloeg even Mothers and Others. The Evolutionary Origins of Mutual Understanding van Sarah Blaffer Hrdy op en las (p. 133-134):
What is striking about the worldview of foragers (among people as widely dispersed as the Mbuti of Central Africa, Nayaka foragers of South India, the Batek of Malaysia, Australian Aborigins, and the North-American Cree) is that they tend to share a view of their physical environment as a "giving" place occupied by others who are also liable to be well-disposed and generous. They view their physical world as being in line with benevolent social relationships. (...)
Confidence about one's place in the world does not mean life is necessarily easy (...) Yet by definition, individuals who did survive would have done so surrounded by others who cared for and shared with them. This endowed them with a personal confidence notably different from that of many modern people who grow up in environments with more available resources but less caring. People with French and German agricultural ancestors like my own are more likely to have been reared to beware of strangers. Many of us were put to bed with folktales about the world "outside over there", a scary place peopled by impoverished widows, cruel stepmothers, hungry orphanes, and unwanted children who lived surrounded by a dangerous forest where malign creatures - wolves and witches - lurked. To an Mbuti child, the forest is not so much dangerous as nurturing - it is an benignly encompassing mother-figure. Such a child is taught to be at least intially (until encountering information to the contrary) curious rather than fearful of outsiders.Waarna een bespreking volgt van het onderzoek van Barry Hewlett, Michael Lamb en anderen (pdf), dat laat zien dat inderdaad kinderen van jagers-verzamelaars meer aanvankelijk vertrouwen hebben in anderen en minder last hebben van angst voor vreemden.
Dat suggereert dat we die angst voor vreemden, en dus die grotere kans op verlegenheid en angststoornissen, de wereld uit zouden kunnen helpen als we er in zouden slagen om het sociale isolement van gezinnen terug te dringen.
woensdag 4 januari 2012
Is de mensheid vreedzamer geworden? Vervolg
Zoals ik in dit bericht aankondigde, zou ik het boek The Better Angels of Our Nature. Why Violence Has Declined van Steven Pinker doorbladeren als het in de boekhandel zou liggen. Pinker verdedigt in dat boek zijn stelling dat het geweld in de loop van de mensheidsgeschiedenis alleen maar is afgenomen. Er is volgens hem nu minder geweld dan in de agrarische maatschappijen van voor de Industriële Revolutie.
Daar vind ik wel wat in zitten. Maar volgens Pinker was er in die agrarische maatschappijen weer minder geweld dan in de jagers-verzamelaars maatschappijen die daaraan vooraf gingen. En dat lijkt mij heel onwaarschijnlijk, zoals ik in dat vorige bericht uiteenzette. Dat maakte me wat wantrouwend over dat boek (terwijl ik eerdere boeken van Pinker heel goed vond). Dat wantrouwen werd versterkt door de bespreking van Timothy Snyder (zie onderaan het vorige bericht).
Hoe dan ook, ik was vandaag in Atheneum Boekhandel aan het Spui in Amsterdam en heb daar het boek doorgebladerd, ook de Nederlandse vertaling, die wel heel snel gemaakt is. Dat was een heel karwei, dat doorbladeren bedoel ik, want het is een dik boek. Het moedigde mij niet aan om het te kopen, hoewel er heel interessante passages in voorkomen.
Wat me echter meteen opviel toen ik de lijst met geraadpleegde literatuur doorkeek, was dat de drie naar mijn opinie onmisbare boeken als je je over de mate van geweld of vreedzaamheid van jagers-verzamelaars maatschappijen wilt informeren, in die lijst niet voorkomen.
Ik noemde die boeken in mijn vorige bericht. Ter herinnering: het gaat om Hierarchy in the Forest van Christopher Boehm, Beyond War. The Human Potential For Peace van Douglas P. Fry en Mothers and Others. The Evolutionary Origins of Human Understanding Van Sarah Blaffer Hrdy.
Ik vind dat heel vreemd. Het bevestigt de indruk van Timothy Snyder dat Pinker weliswaar uitbundig onderzoek van anderen citeert, maar meer als voetnoten bij zijn eigen al vaststaande oordelen dan als een kritische toetsing van die oordelen.
Daar vind ik wel wat in zitten. Maar volgens Pinker was er in die agrarische maatschappijen weer minder geweld dan in de jagers-verzamelaars maatschappijen die daaraan vooraf gingen. En dat lijkt mij heel onwaarschijnlijk, zoals ik in dat vorige bericht uiteenzette. Dat maakte me wat wantrouwend over dat boek (terwijl ik eerdere boeken van Pinker heel goed vond). Dat wantrouwen werd versterkt door de bespreking van Timothy Snyder (zie onderaan het vorige bericht).
Hoe dan ook, ik was vandaag in Atheneum Boekhandel aan het Spui in Amsterdam en heb daar het boek doorgebladerd, ook de Nederlandse vertaling, die wel heel snel gemaakt is. Dat was een heel karwei, dat doorbladeren bedoel ik, want het is een dik boek. Het moedigde mij niet aan om het te kopen, hoewel er heel interessante passages in voorkomen.
Wat me echter meteen opviel toen ik de lijst met geraadpleegde literatuur doorkeek, was dat de drie naar mijn opinie onmisbare boeken als je je over de mate van geweld of vreedzaamheid van jagers-verzamelaars maatschappijen wilt informeren, in die lijst niet voorkomen.
Ik noemde die boeken in mijn vorige bericht. Ter herinnering: het gaat om Hierarchy in the Forest van Christopher Boehm, Beyond War. The Human Potential For Peace van Douglas P. Fry en Mothers and Others. The Evolutionary Origins of Human Understanding Van Sarah Blaffer Hrdy.
Ik vind dat heel vreemd. Het bevestigt de indruk van Timothy Snyder dat Pinker weliswaar uitbundig onderzoek van anderen citeert, maar meer als voetnoten bij zijn eigen al vaststaande oordelen dan als een kritische toetsing van die oordelen.
donderdag 29 december 2011
Is de mensheid vreedzamer geworden? Steven Pinker
Timothy Snyder bespreekt het nieuwe boek van Steven Pinker, getiteld The Better Angels of Our Nature. Why Violence Has Declined. Zie het bericht hieronder.
Ik was enthousiast over Pinkers eerste boek, The Language Instinct (1994). Prachtig boek, alleen al om de beschrijving en weerlegging van het Social Science Standard Model, dat zo heeft huisgehouden in de sociale wetenschappen en dat het bestaan van een menselijke natuur als "biologisch" afwees. Later werkte hij die kritiek uit in The Blank Slate (2002), dat ik ook met veel plezier las. Daartussen in schreef hij How The Mind Works (1997), waar ik niet doorheen kwam.
Nu is er dus dit nieuwe boek. Hij verdedigt daar de stelling dat het geweld in de loop van de mensheidsgeschiedenis alleen maar is afgenomen. Volgens deze bespreking van Snyder zijn er volgens Pinker twee fundamentele overgangen geweest:
from the anarchy of hunting and gathering societies to the controlled violence of early states and then from a "culture of honor" associated with these states to a "culture of dignity" characteristic of the better moments of modernity.
Die tweede transitie kan goed kloppen. Agrarische maatschappijen waren sterk als statushiërarchieën georganiseerd en om die tot stand te brengen en in stand te houden was veel geweld en onderdrukking nodig. Met de industrialisering nam de onderhandelingsmacht van de factor arbeid toe, waardoor de ongelijkheid afnam. Als onderdeel daarvan kregen we algemeen kiesrecht en democratie. En democratie is een middel om conflicten anders op te lossen dan door gebruik van geweld. (Of de democratie levensvatbaar blijft, vroeg ik me hier af.)
Maar dat Pinker gelooft dat jagers-verzamelaarsmaatschappijen nog gewelddadiger waren dan agrarische maatschappijen is verbazingwekkend. Er zijn veel aanwijzingen dat jagers-verzamelaars goed in staat waren om de menselijke neiging tot statuscompetitie collectief te onderdrukken. Daardoor konden ze gemeenschappen vormen op basis van onderlinge samenwerking en coöperatief grootbrengen van de kinderen. Er kwam wel geweld voor, maar vooral gericht tegen degenen die anderen wilden overheersen en vooral op hun eigen belang uit waren. En dat geweld werd pas dan gebruikt als mildere, sociale sancties (uitsluiting, negéren, ridiculisering) niet hielpen.
Tussen gemeenschappen konden conflicten bestaan, maar die leiden zelden tot "oorlogen". Want in plaats van een conflict uit te vechten, wat in de natuur so wie so weinig gebeurt, kon je altijd met je medestanders vertrekken en ergens anders je geluk zoeken. En dat gebeurde ook op grote schaal, want het is al in dit jagers-verzamelaars tijdperk geweest dat onze verre voorouders zich over de hele aardbol verspreidden. Vanuit waarschijnlijk Oostelijk Afrika via Eurazië naar Australië en het Amerikaanse continent. Dat grote succes van die coöperatieve leefwijze is moeilijk te rijmen met de gedachte dat dit de meest gewelddadige periode was in de mensheidsgeschiedenis.
Goede bronnen voor dit inzicht zijn het werk van Christopher Boehm (Hierarchy in the Forest. The Evolution of Egalitarian Behavior), van Douglas P. Fry (Beyond War. The Human Potential For Peace) en van Sarah Blaffer Hrdy, die ik al eerder noemde (o.a. Mothers and Others. The Evolutionary Origins of Mutual Understanding).
Hoe komt Pinker dan tot zijn stelling? Ik zou het boek moeten lezen, maar de tijd is beperkt. Ik ga nu even af op Snyder:
Pinker's first target is the tendency to romanticize the distant past. Since he believes that people fantasize about a peaceful prehistory, he deliberately overemphasizes its violence, dwelling at length on the bloodiest passages of the Old Testament. His cheerful admission of this writerly tactic presages not only the friendly tone of the entire book but also one of its shortcomings. Although Pinker writes as a scientist, his approach in this book is discursive rather than deductive, charmingly but not quite persuasively advancing his ex cathedra views about life in general. The research of others, although abundantly and generously cited, too often seems to footnote Pinker's own prior assumptions.
Dat wekt geen vertrouwen. Lees ook wat Snyder later in zijn bespreking zegt over hoe Pinker omgaat met het probleem van de twee wereldoorlogen in de twintigste eeuw. Eerst zegt hij dat het "bad luck" was om twee van zulke conflicten vlak na elkaar te hebben. Dat komt niet sterk over. En hij claimt dat één individu, Adolf Hitler, toch vooral verantwoordelijk was. Als die er niet geweest was, ja, dan was de twintigste eeuw veel minder gewelddadig geweest. Tja, dat is wel een heel onwaarschijnlijke claim. Zie hierover ook mijn laatste bericht over de statushiërarchie van het Hitler-bewind.
Ik ben dus wat wantrouwend over Pinkers nieuwe boek. Als het in de boekhandel ligt, ga ik er eens door heen bladeren.
War No More | Foreign Affairs:'via Blog this'
vrijdag 30 september 2011
Cooperative Breeding
In dit bericht van gisteren had ik het over het belang van het coöperatief grootbrengen (cooperative breeding) van kinderen voor de instandhouding en cultivering van pro-sociaal gedrag. De aandacht in het sociaalwetenschappelijk onderzoek voor de voorwaarden waaronder coöperatief grootbrengen kan bestaan en naar de gunstige gevolgen er van voor het opgroeien van kinderen lijkt sterk toe te nemen. Een belangrijk onderzoekster op dit terrein is Sarah Blaffer Hrdy, waarvan in 2009 het boek Mothers and Others. The evolutionary origins of mutual understanding verscheen (vertaald als Een kind heeft vele moeders. Hoe de evolutie ons sociaal heeft gemaakt). Hrdy maakt zich zorgen over de lange-termijn effecten van onze huidige leefwijze waarin het coöperatief grootbrengen van kinderen op moeilijkheden stuit (familie woont ver weg, weinig contact met buurtgenoten). Mensen zijn nog steeds opvallend empathisch en pro-sociaal, maar als we doorgaan met het er op vertrouwen dat "opvoeding" in sociaal geïsoleerde gezinnen voldoende is om pro-sociale kinderen groot te brengen, dan kan dat volgens haar wel eens veranderen. Ik geef een citaat van de voorlaatste pagina van het boek:
If empathy and understanding develop only under particular rearing conditions, and if an ever-increasing proportion of the species fails to encounter those conditions but nevertheless survives to reproduce, it won't matter how valuable the underpinnings for collaboration were in the past. Compassion and the quest for emotional connection will fade away as surely as sight in cave-dwelling fish.Anders gezegd: op de lange termijn zal gemeenschapsgedrag steeds meer plaats maken voor statuscompetitiegedrag. En gaat onze maatschappij er, zeg maar, anders uitzien.
Abonneren op:
Posts (Atom)