Posts tonen met het label sociale welvaart. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sociale welvaart. Alle posts tonen

maandag 20 januari 2020

In een vluchtige maatschappij hebben mensen ontmoetingsplekken nodig

Update. Er is nu het bericht in het AD dat de gemeente Arnhem jaarlijks een half miljoen uittrekt om ontmoetingsplekken in buurten te stimuleren. "Dat de gemeente geld steekt in ontmoetingsplekken komt niet uit de lucht vallen. In bijna alle bestaande plannen die er al zijn voor de leefbaarheid in wijken geven Arnhemmers zelf aan dat zij het belangrijk vinden dat er in de buurt een gelegenheid is om elkaar tegen te komen en dat dit beter is dan langs elkaar heen leven of in een isolement te geraken."
Een sociaal vluchtige samenleving als de onze, waarin het moeilijk is om op volwassen leeftijd nog nieuwe vrienden te maken en waarin dus eenzaamheid voor velen op de loer ligt, vraagt om woonomgevingen waarin mensen elkaar gemakkelijk kunnen ontmoeten. Want hoe vaker je iemand ontmoet, hoe groter de kans dat er een vertrouwde relatie groeit en mensen voelen zich in vertrouwde relaties beter dan in vluchtige.
Zo begon mijn laatste bericht over het belang van ontmoetingsplekken voor mensen:
Ontmoetingsplekken dichterbij zorgen voor minder sociaal isolement en meer vertrouwen in andere mensen. Met daarin een verwijzing naar onderzoek waaruit dat belang blijkt.

In een vluchtige samenleving is het niet gegarandeerd dat mensen op dagelijkse basis in contact komen met vertrouwde anderen. Bij de fysieke en ruimtelijke inrichting van onze maatschappij hebben we met die menselijke basisbehoefte aan vertrouwde contacten te weinig rekening gehouden.

Sterker, in het naoorlogse sociaalwetenschappelijke denken heerste de opvatting dat die basisbehoefte als ouderwetse "territoriale integratie" naar de geschiedenis kon worden verwezen en succesvol zou kunnen worden vervangen door de nieuwe en eigentijdse 'functionele integratie". Zie nog eens het bericht Van het afscheid van de wijkgedachte in 1955 naar de buurtrechten in 2015 - hoe het denken over de buurt veranderde.

In lijn met die manier van denken hebben we Nederland sindsdien zo ingericht dat allerlei voorzieningen ruimtelijk geconcentreerd werden, vaak gepaard gaande met schaalvergroting, en dat wonen en werken ruimtelijk werden gescheiden. Dat was een proces waarin vergaand werd tegemoet gekomen aan de eisen en overwegingen van de markt en voor de economische welvaart. En waarin weinig oog was voor die "ouderwetse" sociale behoeften en dus voor sociale welvaart.

Daardoor zijn mensen meer in buurten en dorpen komen te wonen waarin ze elkaar niet zo goed kennen. Omdat ze moeten verhuizen in verband met baan en carrière. Of doordat ze meer tijd kwijt zijn aan woon-werk verkeer. Dat alles heeft eraan bijgedragen dat het moeilijker is geworden om sociale contacten te behouden. Vandaar dat we dat probleem van eenzaamheid kennen en van de psychische problemen die deels daarmee samenhangen (depressie, angststoornissen).

Als we meer vooruitziend waren geweest, en als de sociale wetenschappen daarbij hadden geholpen, dan hadden we er voor gezorgd dat mensen er op kunnen rekenen dat ze in hun woonomgeving een ontmoetingsplek tot hun beschikking hebben. Want we weten dus dat die helpen bij het met elkaar in contact komen. Elk buurtje en elk dorp zou als basisvoorziening een ontmoetingsplek dienen te hebben. Maar de markt zorgt daar niet voor. En de overheid laat het afweten.

Vandaar dat er nu zo nu en dan berichtjes in het nieuws komen over buurt- of dorpsbewoners die er samen in slagen, als een vorm van zelforganisatie, om zo'n ontmoetingsplek te creëren of in stand te houden.

Vorige week was dat het bericht in de Volkskrant van Jurre van den Berg over de inwoners van het Drentse dorp Langelo, die verenigd in een stichting er voor gezorgd hebben dat er in het dorp een café blijft bestaan: In Langelo beheert het dorp het laatste dorpscafé: de ziel is gered. En er was het bericht dat de inwoners van het Groningse dorp Sauwerd, verenigd in een coöperatie, de supermarkt in stand hebben weten te houden: NOS bezoekt Sauwerd vanwege strijd tegen leegloop: saamhorigheid in Sauwerd een voorbeeld voor andere dorpen.

Dat zijn mooie berichten. Maar je denkt meteen aan al die dorpen en buurten waarin zulke initiatieven niet lukken of niet eens op gang komen. En die dus niet het nieuws halen. En dat zijn dus precies die plekken waar de kans op eenzaamheid het grootst is.

Het zou eigenlijk zo moeten zijn dat elke gemeente het standaard tot haar taken rekent om er voor te zorgen dat mensen in hun woonomgeving kunnen rekenen op de aanwezigheid van een ontmoetingsplek. Als dat zou lukken, dan zou het wel eens kunnen dat het huidige eenzaamheidsbeleid grotendeels overbodig wordt.

vrijdag 6 december 2019

Een persoonlijke ideeëngeschiedenis over sociologie en economie. En over een discussie in 1965 tussen Kenneth Boulding en Milton Friedman

Bij het (her-)lezen van het werk van Kenneth E. Boulding (zie het vorige bericht) viel mijn oog op het essay Economic libertarianism in zijn boek Beyond Economics. Essays on Society, Religion and Ethics (1970). Ik was het vergeten, maar ergens in de jaren tachtig moet ik dat essay als tentamenliteratuur hebben opgegeven, waarschijnlijk voor het keuzevak Het paradijs der sociologen, dat ik destijds een paar jaar gegeven heb. Waarschijnlijk, want noch zoeken op mijn harde schijf, noch zoeken in verschillende stapels papieren, leverde uitsluitsel op.

Hoe ouder je wordt, hoe meer geschiedenis om op terug te zien. En meestal met gemengde gevoelens, want als het goed is, ben je met de jaren wat wijzer geworden. Want de tijd waar we het over hebben, is die van de opkomst van het neoliberale denken in de economie en in de politiek. Milton Friedman kun je wel de invloedrijkste vertegenwoordiger noemen van dat denken. Zie nog eens het vorige bericht. In het vak economie kreeg dat de vorm van het afscheid van het Keynesiaanse denken en de groeiende populariteit, ja, dominantie, van de neoklassieke economie.

En ik was toen, als socioloog, onder de indruk van die neoklassieke economie. Het was een intellectueel bouwwerk waar mee vergeleken de sociologische theorie niet veel voorstelde. De onderste steen was die van de marginale analyse (een persoon, een goed), met daarbovenop achtereenvolgens de indifferentiecurvenanalyse (een persoon, twee goederen), de Edgeworth Box-analyse (twee personen, twee goederen) en de theorie van de markt (veel personen, veel goederen).

En dan had je daarnaast nog, alles met dezelfde "nutstheorie", de speltheorie, waarin het gaat om strategische gedrag, dus gedrag waarin personen proberen om met elkaars gedrag rekening te houden.

Het prestige en daarmee de invloed van die neoklassieke theorie en de speltheorie was groot, ook op het vak sociologie. Dat resulteerde er in dat een flink deel van de sociologen, waaronder ikzelf, in de ban raakten van de "rationele keuzetheorie". Dus van de poging om de Homo economicus ook als sociologisch mensbeeld toe te passen. Een uiting van "economisch imperialisme" werd dat wel genoemd.

Wat mij daarin aantrok, was niet alleen dat dit denken intellectueel meer voorstelde dan de theoretisch veel minder ontwikkelde sociologie, maar vooral ook dat er een welvaartstheorie op kon worden gebaseerd. Dat wil zeggen, een theorie die het mogelijk maakte om individuele en maatschappelijke verbeteringen vast te stellen en voor te stellen. Een toestand is beter als hij meer welvaart ("nut") verschaft. Wat voor het collectief kon worden geformuleerd met het Pareto-optimum: een toestand is beter als er tenminste een persoon op vooruitgaat en niemand er op achteruitgaat.

Maar ondanks dat ik daarvan onder de indruk was, had ik al wel het besef dat de sociologie, of algemener de sociale wetenschappen, niet zomaar die economische welvaartstheorie zouden kunnen overnemen. Want een echte empirische sociale wetenschap, die zich er rekenschap van geeft dat het sociale en maatschappelijke leven uit meer bestaat dan uit de markt, kan niet zonder empirisch onderbouwde aannames over de menselijke sociale natuur. En dus over wat mensen kunnen (hun gedrag) en willen (hun behoeften). Zie nog eens deel 1 van de reeks berichten over het maatschappelijk belang van de sociologie.

Een en ander leidt tot de gedachte dat de sociologie een eigen sociale welvaartstheorie nodig heeft. Zie om de gedachten te bepalen de berichten op dit blog achter het label sociale welvaart.

Ergens in de jaren zeventig of tachtig bracht mij dat op dat idee van, tongue in cheek, een paradijs der sociologen. Naar analogie van het paradijs der economen (efficiëntie, Pareto-optimaliteit) zou er ook een paradijs der sociologen moeten komen. Een bepaling van een maatschappelijke toestand die zo goed mogelijk tegemoetkomt aan wat mensen kunnen en willen en die zo richtinggevend kan zijn voor sociologische beleidsadvisering. Denk aan wat ik nu het gemeenschapsevenwicht noem.

Maar destijds was ik nog niet zover. ik dacht toen, laat ik er maar een keuzevak over aanbieden, dan dwing ik mezelf om er een poos systematisch over na te denken.

En om relevante en geschikte literatuur te zoeken om studenten te laten lezen. Zo kwam ik onder meer terecht bij het werk van Kenneth Boulding. Een econoom weliswaar, maar eentje die zich verzette tegen dat neoliberale marktdenken van Milton Friedman en anderen.

En precies daarom is dat essay waarmee ik dit bericht begon, Economic libertarianism, zo interessant. Want het is de de enigszins geredigeerde transcriptie van zijn mondelinge bijdrage aan de discussie die hij had met diezelfde Milton Friedman op 6 mei 1965 in Chicago, het hol van de neoliberale leeuw.

Achteraf zou je kunnen zeggen dat die discussie een historische betekenis had. Want we weten nu dat Friedman de meeste aanhang kreeg, maar ook dat we in 2019 tot de conclusie komen dat we misschien beter naar Kenneth Boulding hadden moeten luisteren.

In het volgende bericht meer daarover. Dit was een inleidende persoonlijke ideeëngeschiedenis.
Update. Lees hier het volgende bericht: Boulding in 1965: er is wel degelijk een maatschappij. En dus een collectieve uitdaging en opdracht.

maandag 6 mei 2019

Hoe meer gemeenschapsgedrag, hoe beter - Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? - deel 6

Update. Zie nu ook deel 7 van deze reeks.
Om een maatschappelijk belangrijker vak te kunnen zijn, zou de sociologie zich wat toepassing betreft moeten kunnen oriënteren op een empirisch onderbouwd inzicht in wat sociaal gezien nastrevenswaardig is. Een conclusie van de vorige berichten in deze reeks (zie hier deel 5)  was dat van de twee evenwichten die je op grond van de ambivalente menselijke sociale natuur als uitkomsten kunt verwachten, het gemeenschapsevenwicht te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht.

Dat gemeenschapsevenwicht is te omschrijven als de toestand waarin iedereen heeft "gekozen voor" gemeenschapsgedrag. En omdat mensen van elkaar verschillen, zal dat voor de een een "keuze" betekenen uit innerlijke overtuiging en misschien voor de ander meer een aanpassing aan wat kennelijk de norm is. Uiteraard gaat het hier om een theoretisch construct, dat zeker in grotere groepen en maatschappijen nooit volledig te realiseren valt, maar dat wel richtinggevend kan werken.

De noodzaak van zo'n richtinggevend construct wordt gelukkig steeds meer ingezien. Zoals in de pleidooien voor een breder welvaartsbegrip dan alleen het economische. Zie over dat brede welvaartsbegrip ook de eerdere berichten op dit blog:
In de betogen over dat brede welvaartsbegrip gaat het natuurlijk ook over de vraag welke indicatoren geschikt zijn om het sociale aspect er van te meten. Christine Carabain en Kim Putters van het Sociaal en Cultureel Planbureau buigen zich nu over de vraag naar mogelijke indicatoren voor sociale samenhang als een belangrijk onderdeel van brede welvaart. Zie Brede welvaart vereist een brede en kritische blik op sociale samenhang.

Een van de problemen die ze daarbij signaleren is dat sociale samenhang weliswaar belangrijk is, maar dat meer er van niet per se beter is. Want als je bij sociale samenhang denkt aan de contacten die mensen hebben, dan zou de frequentie van contacten die mensen "binnen hun eigen groep" hebben wel eens te kosten kunnen gaan van de contacten en de verbondenheid met mensen buiten die groep. En dat zou dan de sociale samenhang in de maatschappij als geheel kunnen schaden.

Waar ze hier op wijzen is een bekend sociologisch talking point. In navolging van een veel geciteerd artikel van de socioloog Mark Granovetter uit 1973 (The Strength of Weak Ties), wordt dan onderscheiden tussen sterke en zwakke bindingen en wordt gewezen op het belang van die zwakke bindingen. Bij Granovetter ging het erom dat die zwakke bindingen (kennissen, mensen die je vaag of via-via kent) juist erg behulpzaam kunnen zijn bij het vinden van een baan. Meer algemeen: het zijn bronnen van informatie over verder af gelegen zaken. Waar de mensen dichtbij, je sterke bindingen, weinig over te vertellen hebben.

Dat klopt ook allemaal wel, maar het veel gehoorde talking point is dat het hebben van veel sterke bindingen daardoor ook wel eens niet goed zou kunnen zijn. In de woorden van Carabain en Putters:
Het uitgangspunt van de indicator ‘frequentie van sociale contacten’ van dashboard ‘hier en nu’ is: hoe meer contacten, hoe beter dit is voor de brede welvaart. Deze indicator richt zich op contacten binnen groepen. Sterke binding binnen groepen hoeft echter niet altijd positief te zijn voor de samenleving in haar geheel. Integendeel, want zwakkere verbondenheid binnen groepen kan zelfs het bruggen slaan naar andere groepen bevorderen.
Maar klopt dat wel? We hebben op dit blog al het onderzoek zien voorbijkomen over het belang van sociale contacten voor mensen en over de negatieve gezondheidseffecten van de stress van eenzaamheid en statuscompetitie. Zou het dan echt zo zijn dat mensen toch ook te veel hechte contacten kunnen hebben? Dat het maar beter is om niet heel goede vriendschappen te hebben, omdat je daardoor minder betrokken kunt zijn bij anderen? Is het maar beter om met zoveel mogelijk mensen een zwakke binding te hebben? Is het beter om een sociaal vluchtige maatschappij te hebben?

Dat lijkt onwaarschijnlijk. Sterker, het klopt niet. Want er is al het onderzoek dat er op wijst dat het hebben van hechte contacten met je eigen groep helemaal niet gepaard gaat met meer afstandelijkheid tot andere groepen.

Ik stond daarbij stil in dit bericht, waarin het ging om het overzicht dat Marilynn Brewer gaf van dat onderzoek. Mensen hebben wel de neiging om hun eigen groep positief te beoordelen, maar het is niet zo dat dat samenhangt met negatieve oordelen over andere groepen. Gehechtheid aan de eigen groep staat niet gelijk aan vijandigheid tegenover andere groepen.

Die vijandigheid is er uitsluitend als daar redenen voor zijn, echte of vermeende redenen. Dus als er aanleidingen zijn om een andere groep als een bedreiging te zien. Maar die bedreigingen hebben dan ook een oorzaak: ze zijn echt of ze worden kunstmatig aangewakkerd. Marilynn Brewer over dat laatste:
When groups are political entities, however, these processes may be exacerbated by group leaders’ deliberate manipulations to mobilize collective action to secure or maintain political power. Social category differentiation provides the fault lines in any social system that can be exploited for political purposes.
En dat komt natuurlijk bekend voor, in deze tijd van opkomend rechts-extremisme.

Politici kunnen er belang bij hebben om mensen tegen elkaar op te zetten. En door meer bestaansonzekerheid kunnen maatschappelijke tegenstellingen worden aangewakkerd  Maar het is dus niet zo dat sociale samenhang binnen de eigen groep automatisch leidt tot tegenstellingen tussen groepen.

Anders gezegd, dat gemeenschapsevenwicht is gewoon nastrevenswaardig: hoe meer gemeenschapsgedrag, hoe beter.

dinsdag 15 januari 2019

Buurten en dorpen horen ontmoetingsplekken te hebben. Maar die zijn er niet meer als vanzelf

In het Friese dorp Nij Beets ging een jaar of vier geleden de laatste dorpssupermarkt ter ziele. Een jaar lang miste het dorp niet alleen een boodschappenwinkel, maar ook een trefpunt. Toen slaagde de melkboer er met steun van de dorpsbewoners in om de dorpswinkel weer tot leven te wekken. De Leeuwarder Courant bericht daar over: De wederopstanding van de dorpswinkel van Nij Beets. 

Dat een dorpswinkel niet alleen een economische functie heeft, maar ook een sociale, blijkt eruit dat de winkelier, Sjoerd Fennema, kort na de opening in zijn winkel een gesprek opving tussen twee klanten, allebei Nij Beetsters, die elkaar een jaar lang niet gezien hadden: ,,De lêste kear dat se inoar seagen wie in jier earder, yn ’e Spar doe’t dy noch iepen wie.’’ ("De laatste keer dat ze elkaar zagen was een jaar eerder, in de Spar toen die nog open was.")

Het is een mooie illustratie van een algemener verschijnsel, namelijk dat dorps- en buurtbewoners  om elkaar te ontmoeten, en om niet te vervallen in eenzaamheid, ontmoetingsplekken nodig hebben. En dat economische ontwikkelingen als schaalvergroting en ruimtelijke concentratie van voorzieningen tot gevolg kunnen hebben dat ontmoetingsplekken verdwijnen. Zie Steeds minder ontmoetingsplekken door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie. Waaruit dit citaat:
Aan de onvervulde behoefte aan ontmoetingsplekken in wijken en buurten zouden commerciële voorzieningen tegemoet kunnen komen, zoals horeca en detailhandel. Hoe kleiner die voorzieningen en hoe meer gespreid, hoe groter de kans dat ze een sociale functie krijgen. Klanten wonen dan dichtbij en treffen herhaaldelijk medebuurtbewoners. Dan is een praatje gauw gemaakt en kan van alles worden uitgewisseld. Kortom, commerciële voorzieningen kunnen een sociale functie hebben.
Maar daarvoor zijn kleinschaligheid en ruimtelijke spreiding nodig. En die zijn niet gegarandeerd als ondernemers en winkelketens zich bij hun vestigingskeuzes onbelemmerd door louter bedrijfseconomische overwegingen kunnen laten leiden.
Wat we dan zien, en wat we de afgelopen halve eeuw hebben gezien, is een proces van schaalvergroting en ruimtelijke concentratie. Zie (nog) eens Geld en ‘de rest’ : Over uitzwerming, teloorgang van gemeenschap en de noodzaak van gemeenschapsbeleid. Winkels en horeca concentreren zich in de binnensteden, omdat ze zo van de aanwezigheid van elkaars klanten profiteren. En hoe hoger de concentratie van klanten, hoe groter je vestiging kan zijn en hoe lager je kosten.
Het dorp Nij Beets is er een voorbeeld van dat het soms lukt om deze ontwikkeling te keren. Maar in hetzelfde bericht in de Leeuwarder Courant gaat het ook over het dorp Wijnjewoude, zo'n twintig kilometer verderop, waar het nog niet is gelukt om de gesloten dorpswinkel nieuw leven in te blazen.

Het algemene punt is dat commerciële voorzieningen ook een belangrijke sociale functie kunnen hebben, maar dat die sociale voordelen niet meewegen in de economische afweging over het wel of niet handhaven ervan. En dat die sociale functie zo belangrijk kan zijn dat er een overheidstaak opduikt. Want een overheid bekommert zich natuurlijk niet alleen over onze economische, maar ook over onze sociale welvaart. Nog een citaat:
Een ding is duidelijk: door dat louter economische overwegingen mogen overheersen bij vestigingskeuzes, benutten we niet de mogelijkheden om economische en sociale functies te combineren. Daardoor zien we dat er in buurten te weinig ontmoetingsplekken zijn. Die alleen met veel inspanningen van beroepskrachten en vrijwilligers soms toch nog succesvol tot stand komen. En met subsidies van diezelfde gemeenten die dat proces van schaalvergroting en ruimtelijke concentratie vrij baan geven.

woensdag 16 mei 2018

De rol van sociale welvaart en van bestaanszekerheid in de Monitor Brede Welvaart 2018 van het CBS is beperkt

Het CBS presenteerde vandaag de Monitor Brede Welvaart 2018. In die Monitor, die bedoeld is als alternatief voor het Bruto Nationaal Product als indicator voor de economische welvaart, gaat het "om zowel de economische als de ecologische en sociaal-maatschappelijke aspecten van welvaart". Zie hier mijn eerdere berichten over de notie van het brede welvaartsbegrip:
Het is mooi dat deze monitor er nu is, maar ook als je hem heel welwillend beoordeelt, kom je tot de conclusie dat dit een eerste poging is, die nog op vele punten moet worden verbeterd. Voor een deel ligt dat er natuurlijk aan dat het geheel gebaseerd is op bestaande indicatoren, die bovendien al lang genoeg bestaan om een vergelijking in de tijd te kunnen maken, en die bovendien ook van genoeg andere landen bekend zijn om internationale vergelijking mogelijk te maken. Dat zijn zwaarwegende beperkingen.

Wat mij er bij eerste kennismaking in opviel was dat sociale welvaart en bestaanszekerheid er bekaaid afkomen.

Sociale welvaart, de mate van behoeftebevrediging die voortkomt uit het hebben van persoonlijke relaties waarin mensen om elkaar geven, wordt in de Monitor meegenomen met de indicator "contacten om sociale redenen met vrienden, familie of collega's". 

Het gaat dan om het percentage dat meer dan een keer per maand een ontmoeting heeft. Je komt dan uit op het hoge percentage van 93,5 (in 2016), dat tussen de jaren weinig varieert. Het was beter geweest om de variatie van aantallen ontmoetingen per maand, van dagelijks tot meerdere keren, meer gewicht te geven, door de grens wat minder laag te leggen. En een indicator voor de frequentie van eenzaamheidsgevoelens ontbreekt helaas. Volgens de laatste cijfers (2016) is 33 procent van de volwassen bevolking matig eenzaam en 10 procent ernstig of zeer ernstig eenzaam.

En het viel me op dat een indicator voor de mate van bestaans(on)zekerheid geheel ontbreekt. Zie hier voor het belang daarvan voor de kwaliteit van leven: 

Maar hulde voor het CBS, dat een begin heeft gemaakt met wat zich in de toekomst ongetwijfeld nog verder zal ontwikkelen: het van jaar tot jaar bijhouden van hoe het met mensen gaat, niet alleen wat "het geld", maar ook wat "de rest" betreft. 

vrijdag 16 maart 2018

Hoe ons streven naar economische welvaart ten koste kan gaan van onze sociale welvaart - en van ons geluk

De nieuwe studie Consume More, Work Longer, and Be Unhappy: Possible Social Roots of Economic Crisis?, die ik net onder ogen kreeg, gaat in op de ingewikkelde relatie tussen economische welvaart en sociale welvaart. 

Denk bij economische welvaart aan de behoeftebevrediging die je ontleent aan goederen waarvan de waarde in geld is uit te drukken. En denk bij sociale welvaart aan de behoefte bevrediging die ontstaat door het hebben van persoonlijke relaties met anderen die "om elkaar geven".

De onderzoekers laten zich inspireren door het werk van Karl Polanyi (The Great Transformation, 1944) en Fred Hirsch (Social Limits to Growth, 1977). Zie ook het bericht Is groei BBP een noodzakelijke voorwaarde voor groei Brede Welvaart? 

Ze gaan na welke aanwijzingen er zijn voor het vermoeden dat de groei van economische welvaart, via de toename van ongelijkheid, kan leiden tot een afname van sociale welvaart en daarmee tot een afname van welbevinden (geluk). En voor het vermoeden dat mensen die afname van geluk proberen te compenseren door meer te gaan consumeren en dus meer uren te gaan werken en meer geld te lenen. Waardoor weer meer economische welvaart en weer minder sociale welvaart. Een paradoxaal zichzelf versterkend proces dus, dat mensen steeds maar ongelukkiger maakt.

Globaal gezien zijn de aanwijzingen voor deze vermoedens sterker voor de Verenigde Staten dan voor de meeste Europese landen, met uitzondering van Groot-Brittannië.

Ik ga er nog preciezer naar kijken en kom er nog een keer op terug. Boeiend, omdat het in dezelfde lijn ligt als mijn Geld en 'de rest'. Over uitzwerming, teloorgang van gemeenschap en de noodzaak van gemeenschapsbeleid uit 2003. Waarin geld stond voor economische welvaart en 'de rest' voor sociale welvaart.

maandag 29 januari 2018

Wat gebeurde er omstreeks 1970? De welzijnsparadox: van geld rijker, maar sociaal armer?

Jan-Pieter Smits, van de Universiteit Eindhoven en het CBS, is de geestelijk vader van een nieuwe welzijnsindex. Die is zo samengesteld dat je er zo goed mogelijk landen mee kunt vergelijken. Zie in dat verband het rapport CONFERENCE OF EUROPEAN STATISTICIANSRECOMMENDATIONS ON MEASURINGSUSTAINABLE DEVELOPMENT.

Die index bestaat uit een groot aantal indicatoren, waaronder: tevredenheid met het leven, inkomensongelijkheid, beloningsverschil mannen-vrouwen, obesitas, levensverwachting en statusongelijkheid in levensverwachting, (jeugd-)werkloosheid, opleiding en statusongelijkheid in opleiding, woonomstandigheden, vrije tijd, interpersoonlijk vertrouwen, opkomst bij verkiezingen en aandeel vrouwen in de volksvertegenwoordiging. Zie hier voor het complete overzicht (stuurt je naar hoofdstuk 8 van dat rapport).

Met een beperktere set van 15 indicatoren keek Smits, samen met Harry Lintsen, Frank Veraart en John Grin naar de ontwikkeling van het welzijn in Nederland in de periode 1850 - 2007. Als je dan een vergelijking maakt met de ontwikkeling van het Bruto Nationaal Product per hoofd van de bevolking, met de groei van de economie, dan levert dat dit intrigerende plaatje op.


Je ziet dat als je beide indexen in 1850 op 100 stelt, dat dan vanaf omstreeks 1900 de welzijnsindex uitgaat boven de BNP. Maar dat slaat drastisch om omstreeks 1970. We zien de opmerkelijke stijging van de welvaart na de Tweede Wereldoorlog, maar we zien ook dat de welzijnsgroei daar sterk bij achterblijft. Helaas is de recentere ontwikkeling, in en na de Grote Financiële Crisis van 2008-2010 nog niet in het plaatje verwerkt.

Zoals in het persbericht van de Universiteit Eindhoven opgemerkt, hebben we vanaf 1970 te maken met een welzijnsparadox: we zijn wel rijker geworden, maar niet tevredener.

En dat zet je natuurlijk aan het denken over wat er na 1970 is gebeurd. Ik deed dat eerder in Geld en 'de rest'. Over uitzwerming, teloorgang van gemeenschap en de noodzaak van gemeenschapsbeleid. Met als conclusie dat het overheidsbeleid te eenzijdig gericht is geweest op de groei van de economische welvaart en zich te weinig gelegen heeft laten liggen aan de negatieve repercussies van meer marktwerking en de terugtredende overheid op de sociale welvaart. Intrigerend om dat nu zo fraai in een grafiek te zien afgebeeld.

Het maakt wel nieuwsgierig naar wat precies die 15 indicatoren zijn. Het persbericht is daar vaag over, maar meldt dat er een boek zit aan te komen waarin een en ander uit de doeken wordt gedaan. Om in de gaten te houden.

donderdag 9 maart 2017

Leert het verleden lessen? En over sociale zeepbellen

Hoe na te denken over de toekomst? Zeg, over de komende vijftig jaar? Zie Wat stuur je in een tijdcapsule naar 2067?

Me dunkt, door naar het verleden te kijken en na te gaan welke lessen daaruit zijn te leren.

Dat geldt op het persoonlijke vlak. Door terug te kijken op wat je zoal gedaan hebt en hoe dat heeft uitgewerkt, kom je meer of minder bewust tot aanpassingen van je gedrag en tot nieuwe voornemens. Dat noemen we wel persoonlijke ontwikkeling. Samen met de notie van een mismatch tussen onze sociale natuur en de aard van de sociale omgeving waarin we na de geboorte terechtkomen, verklaart zulks dat we door de bank genomen gedurende onze levensloop iets gelukkiger worden. We leren te leven in een omgeving die niet naadloos past bij onze natuurlijke aanleg, zoals onze natuurlijke goedheid.

Zie Geluk en ouder worden, Succesvol ouder worden en omgaan met emoties en Tevredenheid met het leven daalt tot je 40ste en neemt daarna weer toe. En zie over onze natuurlijke goedheid: Zijn wij van nature goed? Ja, maar..., Meer pro-sociaal gedrag als je minder tijd hebt om na te denken en
Pro-sociaal gedrag is aanstekelijk.

Maar het geldt natuurlijk ook op het vlak van hoe we de maatschappij beter kunnen inrichten. Want het is onloochenbaar dat onze drijfveer om te werken aan een beter leven ook geactiveerd wordt als het gaat om het samenleven, om maatschappij-inrichting, beleid en politiek. De meeste mensen zijn niet alleen maar egoïstisch.

Als je met die blik nu, in 2017, naar de toekomst kijkt, welke lessen leert het verleden dan? Met die vraag in mijn hoofd bedacht ik me dat ik me al eens eerder met zulke lessen uit het verleden had beziggehouden. Dat was in 2003, toen ik onder de titel "Geld en 'de rest'. Over de noodzaak van gemeenschapsbeleid" een tweeluik schreef over het thema dat we na de Tweede Wereldoorlog er in economisch opzicht wel op zijn vooruitgegaan, maar in sociaal opzicht niet. Dat 'de rest' in de titel staat voor wat je sociale welvaart zou kunnen noemen.

Dat tweeluik is voor een deel gepubliceerd, in de Sociologische Gids. Ik las het nu weer eens door. Hier zijn de links naar de beide delen (het meeste van het tweede deel is daarmee nu voor het eerst openbaar toegankelijk):

Een les die ik daar nu uit leer is dat ik toen, in 2003, nog in zoiets geloofde als "de perfectionering van het kapitalisme". Die formulering was weliswaar licht ironisch bedoeld, maar ik moet toegeven dat ik toen nog wel dat het met het kapitalisme, puur economisch gezien, de goede kant op ging. Er zou meer aandacht moeten zijn voor sociale welvaart en niet zo eenzijdig voor alleen maar economische. Maar afgezien daarvan leek het mij dat de overheden de economische problemen wel aan konden.

Ik had beter kunnen weten. Er was immers al de internetzeepbel geweest, die in 2000 knapte en tot een, weliswaar lichte, recessie leidde. En er was het Enron-schandaal geweest. Maar er was toch nog de allesoverheersende consensus dat het de goede kant op ging. Er was nog het geloof in de Great Moderation. 

Er hing een optimisme in de lucht dat mij er toen toe aanzette om te denken dat we ons in een proces van perfectionering van het kapitalisme bevonden. En het belangrijkste leek om daar sociaalwetenschappelijke kanttekeningen bij te plaatsen.

Dat alles werd radicaal anders toen in 2008 de crisis uitbarstte, eerst in de Verenigde Staten en met wat vertraging overgewaaid naar Europa. Toen bleek dat veel van de welvaartsgroei op een zeepbel berustte.

En van de weeromstuit ging iedereen over sociale zeepbellen praten. Er was naast de financiële zeepbel de sociale zeepbel van het geloof in de weldaden van de ongebreidelde marktwerking, het neo-liberalisme. En ik begon in 2011 het geloof van politici in het bezuinigen als het beste antwoord op de crisis te karakteriseren als de bezuinigingszeepbel.

Een belangrijke les die je, kortom, uit het verleden kunt trekken, is dat de kans op sociale zeepbellen aanzienlijk is. Over het publieke domein zijn we nu eenmaal minder goed geïnformeerd dan over het persoonlijke domein. En in geval van gebrekkige informatie kijken we naar elkaar en naar wat de meerderheid lijkt te denken en zijn we sterk onderhevig aan sociale beïnvloeding.

Zo was ik in 2003 nog onderdeel van die neo-liberale sociale zeepbel en geloofde ik nog in de perfectionering van het kapitalisme.

donderdag 2 maart 2017

Doorgeschoten commercialisering - Neem nu die perrontrappen die er niet zijn

Toekomstige generaties zullen over onze tijd oordelen als een van doorgeschoten commercialisering.

Denk even aan het verschijnsel dat als je bedrijven onbelemmerd de voordelen van schaalvergroting en ruimtelijke concentratie laat opzoeken, je woonbuurten creëert waarin ontmoetingsplekken ontbreken. Zie Steeds minder ontmoetingsplekken door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie en Als aanbieders tegen elkaar aanschurken, werkt de markt niet optimaal. Je hebt dan een ontwikkeling waarin de commercie prevaleert boven de sociale welvaart van buurten.

Maar het kan nog vreemder. Grotere gemeenten hebben in de loop van de jaren er in toegestemd, of willens en wetens bevorderd, dat de grote stations en hun directe omgeving werden getransformeerd tot commerciële centra.

Het vroegste voorbeeld daarvan was het Utrechtse Hoog Catharijne. Maar meer algemeen is nu elk groot station een winkelcentrum geworden waar je eigenlijk voor al je dagelijkse behoeften terecht kunt.

Een te begrijpen ontwikkeling. Want waar veel mensen langskomen, zullen aanbieders zich graag vestigen.

Maar het wordt anders als gemeenten er aan gaan meewerken dat hun burgers gedwongen worden om zich door dat winkelcentrum heen te bewegen.

In feite is dat in Utrecht gebeurd. Dat heeft er mee te maken dat er naast het Utrechtse Centraal Station een wandel- en fietsbrug is aangelegd, de Moreelsebrug, die over de uiteinden van de perrons loopt. De foto is vanaf die brug richting stationshal gemaakt. Daarachter zie je het Stadskantoor fraai in het winterse zonnetje oprijzen.

Nu ligt het voor de hand om vanaf de perrons trappen naar die brug aan te leggen. Zodat de reizigers voor wie dat handig en tijdsbesparend is langs die weg het station kunnen binnenkomen en verlaten.

Maar wat is het geval? De gemeente Utrecht heeft er in het overleg met de eigenaar van Hoog Catharijne mee ingestemd dat die trappen er niet komen. Waarmee aankomende reizigers dus gedwongen worden om zich via de commerciële voorzieningen in de stationshal en Hoog Catharijne huiswaarts te begeven. Omdat dat immers bijdraagt aan de economische waarde van die voorzieningen en dus aan de inkomsten van de eigenaar.

Bedenk dat de gemeente dus niet (meer) die eigenaar is. Ware dat wel het geval, dan had dit probleem, wat een probleem is van externe effecten, intern kunnen worden opgelost.

Nu moet ik er bij zeggen dat de gemeente wel een voorwaarde had gesteld. Die houdt in dat als de drukte van het reizigersverkeer blijft toenemen, er een situatie kan ontstaan waarin die perrontrappen om veiligheidsredenen noodzakelijk worden. De mensenmassa in de stationshal zou dan te groot kunnen worden. Zie dit bericht en dit bericht van De Utrechtse Internet Courant (DUIC).

En dat is opmerkelijk. Want de gemeente acht het dus niet bezwaarlijk om ons te dwingen tot die route langs al die winkeltjes, ook als ons dat tijdverlies oplevert en ons slecht uitkomt, zolang er maar geen veiligheidsproblemen ontstaan.

Dat is dus doorgeschoten commercialisering. Met als gevolg dat die commerciële bedrijvigheid in die stationshal groter is dan wat economisch gezien optimaal zou zijn.
Update. Nu, een dag later, is er het nieuws dat passagiers van de Uithoftram straks ook niet rechtstreeks naar de binnenstad kunnen lopen, maar gedwongen worden tot de omweg door de stationshal. Laten we zeggen dat het eigenaardig is.
Update. Zie nu ook Aan: Gemeente Utrecht. Bouw perrontrappen aan de Moreelsebrug!

vrijdag 23 december 2016

Is groei BBP een noodzakelijke voorwaarde voor groei Brede Welvaart?

Een korte notitie naar aanleiding van de reacties op de deze week gepresenteerde Brede Welvaartsindicator van de Universiteit Utrecht en de Rabobank. Zie het bericht Miezerig herstel? Zelfs helemaal geen herstel, volgens Breed Welvaartsbegrip.

De discussie over de vraag of je onze echte welvaart wel goed meet met het Bruto Binnenlands Product (BBP), dat wil zeggen de totale geldwaarde van alle in een land geproduceerde finale goederen en diensten gedurende een jaar, is natuurlijk al ouder. Denk even aan het rapport Mismeasuring Our Lives. Why GDP Doesn't Add Up van Joseph Stiglitz, Amartya Sen en Jean-Paul Fitoussi, dat in 2010 in opdracht van Sarkozy werd opgesteld.

Maar de discussie begon al in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw. In 1967 was er The Costs of Economic Growth van E.J. Mishan en in 1977 Social Limits To Growth van Fred Hirsch. Interessante en baanbrekende boeken, die desondanks veel te weinig aandacht hebben gekregen.

De discussie draait er niet alleen om dat de echte menselijke welvaart niet alleen in eenvoudige zin breder is dan de economische welvaart gemeten in het BBP, maar dat de tweede ook ten koste kan gaan van de eerste. Dat is het thema van de tegenstrijdigheid tussen enerzijds "sociale welvaart" (kort gezegd, welvaart die ontstaat door het hebben van persoonlijke relaties waarin mensen “om elkaar geven”) en anderzijds economische welvaart (kort gezegd, welvaart die in geld is uit te drukken).

Over die tegenstrijdigheid schreef Karl Polanyi al in 1944 The Great Transformation, ook zo'n boek dat lang te weinig aandacht kreeg.

En ik deed in 2003, in alle bescheidenheid, mijn best met Geld en 'de rest'. Over uitzwerming, teloorgang van gemeenschap en de noodzaak van gemeenschapsbeleid.

Maar nu over de reacties op dat Brede Welvaartsbegrip. Want die laten zien dat die mogelijke tegenstrijdigheid tussen sociale welvaart en economische welvaart nog altijd niet tot iedereen is doorgedrongen.

Een voorbeeld: Peter van Mulligen van het CBS twitterde dat hij de groei van het BBP zag als een noodzakelijke voorwaarde voor groei van de brede welvaart. Anders gezegd, sociale welvaart is een mooie toevoeging aan de economische welvaart, maar kan daar nooit mee in strijd zijn. En hij verduidelijkte dat in een volgende tweet met "meer welvaart zonder BBP-groei vind ik moeilijk voor te stellen".

Ik antwoordde met "als mensen in hun vrije tijd minder consumeren en meer voor elkaar doen, dan BBP lager en welvaart hoger". Als poging om die tegenstrijdigheid in een tweet onder woorden te brengen. Want consumptie telt wel mee in het BBP, maar gewoon iets voor elkaar doen niet.

Waarop Hans Stegeman, die mede de Brede Welvaartsindex samenstelde, reageerde met "en dat zit exact in de bredere welvaartsindicator naast andere zaken".

Soms is ook of zelfs op twitter iets te verduidelijken. Peter van Mulligen heeft nog niet gereageerd.

woensdag 21 december 2016

Miezerig herstel? Zelfs helemaal geen herstel, volgens Breed Welvaartsbegrip

Door het domme bezuinigingsbeleid van achtereenvolgende kabinetten als reactie op de crisis van 2008 zien we dat er weliswaar herstel is, maar veel trager dan na vorige crises. Door het beleid van Rutte II was er de bekende dubbele dip: het ontluikende herstel werd de kop ingedrukt. Zie hier het laatste bericht in de serie over de bezuinigingszeepbel: Coen Teulings over de schade van het bezuinigingsbeleid - De continuing story van de bezuinigingszeepbel.

Maar in feite is de situatie nog ernstiger. Dat blijkt als je onze welvaart niet alleen meet met de bekende indicatoren als het Bruto Binnenlands Product, de werkloosheid en het aantal banen, maar er breder naar kijkt,

Precies dat gebeurt in de vandaag gepresenteerde Brede Welvaartsindicator van de Rabobank en de Universiteit Utrecht. Zie hier het persbericht van de UU: Eerste integrale welvaartsindicator van Nederland gelanceerd. Economische groei vertaalt zich niet in welvaart Nederlandse huishoudens. En zie hier de toelichting van Jan Luiten van Zanden: Een brede welvaartsindex in het statistisch polderland.

In die Brede Welvaartsindicator gaat het ook om zaken als baanzekerheid, onderwijs, gezondheid, milieu, huisvesting, veiligheid, politieke participatie en geluk. Hier zie je het plaatje de infographic waarin een en ander wordt samengevat. Lees daaronder verder.


Je ziet dat het vooral de indicatoren zijn op de dimensie Banen die de brede welvaart naar beneden drukken. En dan gaat het niet alleen over werkloosheid, maar vooral ook over de flexibilisering en de baanonzekerheid.

Natuurlijk is de uitkomst van zo'n exercitie sterk afhankelijk van welke indicatoren je kiest en hoe je ze weegt. Maar wat blijft staan is dat je nog helemaal geen herstel ziet als je er voor kiest om naar meer indicatoren te kijken. Zelfs als daar ook indicatoren bij zitten die zich wel gunstig hebben ontwikkeld, zoals veiligheid, levensverwachting en milieu.

Dat werkloosheid en baanonzekerheid zo sterk meewegen, kan zeer goed worden gerechtvaardigd. We kennen immers de sterk negatieve effecten van werkloosheid: Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders.

Die er overigens ook zijn voor degenen die (nog) niet werkloos zijn: Werkloosheid maakt werklozen én werkenden ongelukkiger. Want het klopt ook dat het ervaren van baanonzekerheid sterke negatieve effecten heeft: Over rotbanen, baanonzekerheid en psychische aandoeningen.

Wat er mee te maken heeft dat mensen nu eenmaal bestaansonzekerheid slecht verdragen: Meer fysieke pijn bij grotere bestaansonzekerheid - Komt door verlies van controle over het leven.

Vandaar ook dat overheden ooit, toen het neoliberalisme nog niet had toegeslagen, een anticyclisch macro-economisch beleid voerden en de financiële sector aan banden legden.

dinsdag 23 februari 2016

Begint de strijd tegen schaalvergroting, concentratie en belastingontwijking in dit stadje in Wales?

Het stadje Crickhowell in Wales telt slechts 2063 inwoners. Dan verwacht je dat alle commerciële voorzieningen het loodje hebben gelegd en dat de voormalige winkelstraat een treurige aanblik biedt. Zoals in veel dorpen en stadjes, waar winkels zijn verdwenen. En dus ontmoetingsplekken. In de afgelopen halve eeuw hebben schaalvergroting en concentratie er voor gezorgd dat commerciële voorzieningen nauwelijks meer de sociale functie van trefpunt en ontmoeting vervullen.

Maar in Crickhowell is dat niet gebeurd. Het stadje telt 50 kleine bedrijfjes, van boekwinkel tot bakkerij, van zalmrokerij tot pub. En dus is het een levendig stadje. Hoe kan dat?

Dit bericht in de New York Times geeft daar antwoord op: Welsh Town Leads a British Revolt Against the Tax System and Corporations.  Die revolte bestaat er uit dat de kleine ondernemers van Crickhowell de strijd hebben aangebonden met de grote multinationale winkelketens.

Die machtige winkelketens zijn er natuurlijk op uit om een zo hoog mogelijk rendement te onttrekken aan vestigingen. Dus zijn ze voortdurend op zoek naar de optimale vestigingsomvang, en die is meestal zo groot dat er als vanzelf een proces van schaalvergroting optreedt. Omdat bovendien winkelvestigingen van elkaars aanwezigheid profiteren, komt daar een proces van ruimtelijke concentratie bij. Zie Steeds minder ontmoetingsplekken door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie.

En zo is de maatschappelijk nuttige combinatie van economische en sociale functies in de loop van de tijd teloorgegaan. De economie is het sociale leven gaan domineren. Economisch gezien zijn we er beter op geworden, maar sociaal zijn we er op achteruit gegaan. Zie Geld en "de rest".

Maar de strijd die Crickhowell tegen deze ontwikkeling is aangegaan, wijst ons er op dat dit niet zomaar een uitkomst is van hoe de markt nu eenmaal werkt. Want die strijd is vooral ook gericht tegen de Britse overheid, die kwistig is met belastingvrijstellingen voor die machtige multinationale ketens. De overheid geeft dus niet alleen vrij baan aan die schaalvergroting en concentratie, nee, zij bevordert dat proces actief door die fiscale cadeautjes.

Een middel dat Crickhowell nu in de strijd heeft gegooid, is een poging om de werkwijze van de multinationals na te bootsen. Door zich, als stad en de verzamelde ondernemers, juridisch te vestigen in een belastingparadijs, zodat ze qua belastingdruk op een lijn komen te staan met die grote multinationals. Maar de Britse belastingdienst heeft daar een stokje voor gestoken. Steden kunnen zich niet in het buitenland "vestigen", dat is voorbehouden aan ondernemingen.

Wat weer eens laat zien hoe overheden zich onderdanig hebben gemaakt aan economische macht. Met verwaarlozing van de sociale behoeften van hun burgers. Want uiteindelijk gaat het niet om economische, maar om sociale welvaart.

In Crickhowell gaat de strijd voort.

woensdag 7 oktober 2015

Floreren/gedijen als grondslag voor breed welvaartsbegrip?

Vandaag is in de Tweede Kamer de constituerende vergadering van de tijdelijke commissie Breed welvaartsbegrip. Die commissie moet gaan uitzoeken of het bruto binnenlands product (BBP) wel voldoet als maatstaf voor onze welvaart. En of het niet nodig is om aanvullende indicatoren standaard op te nemen en te betrekken bij het politieke debat en de beleidsontwikkeling.

Het eenvoudige idee achter die vraag is dat het in het BBP om alles draait waar geld bij te pas komt en dat daardoor veel zaken die ons welbevinden beïnvloeden buiten de boot vallen. Om de gedachten te bepalen: als ik een vriend help met een klus, als een normale vriendendienst, dan is dat slecht voor het BBP. Als hij een klusbedrijf had ingehuurd, dan was er een economische transactie geweest in plaats van een vriendendienst, en die had wel mee geteld in het BBP.

Anders gezegd, onze welvaart, gemeten in het BBP, neemt toe als wij minder om niet voor elkaar doen en in plaats daarvan meer uitgeven aan commerciële dienstverlening. Vermarkting heet dat. De grote waarde van het iets voor elkaar doen en het welbevinden dat daaruit voortvloeit, dat telt niet mee in het BBP. Denk dan even aan alle berichten op dit blog over het verband tussen sociale contacten (en pro-sociaal gedrag) en ons welbevinden en onze gezondheid.

Het is in feite nog erger, want als wij als gevolg van een gebrek aan sociale contacten eenzaam en ziek worden, dan doen we een beroep op de gezondheidszorg, waardoor het BBP stijgt. Goed voor onze welvaart dus. Ja, dat is bizar. Dat er ook zoiets als sociale welvaart bestaat, nee, daarvan is in het BBP niets bekend.

Maar in de Tweede Kamer is er terughoudendheid, want vooralsnog mag de commissie alleen aan het werk met fase 1 van het beoogde onderzoek. In die fase gaat het om de vraag of het BBP nog wel voldoet. Vervolgfasen zouden er uit bestaan dat onderzocht wordt welke aanvullende maatstaven en indicatoren eventueel gebruikt en/of ontwikkeld zouden moeten worden. Zie de brief van het presidium van de TK met het onderzoeksvoorstel.

Kennelijk bestaat er bij een groot deel van de Tweede Kamer flinke tegenzin en willen die Kamerleden maar het liefst zo gauw mogelijk tot het besluit komen dat het BBP als maatstaf voldoende is en dat nader onderzoek overbodig is.

Er zijn allerlei goede redenen om eens goed na te denken over dat BBP als enige maatstaf voor welvaart. Sterker, er is al veel over nagedacht. Neem het lijvige en doorwrochte Report by the Commission on theMeasurement of EconomicPerformance and Social Progress (pdf) van Stiglitz, Sen en Fitoussi en een keur van deskundigen, dat in 2009 in opdracht van de toenmalige Franse president Sarkozy werd uitgebracht. Het had voor hand gelegen dat de commissie als opdracht had gekregen om dit rapport als uitgangspunt te nemen, om op die wijze meteen aan de vervolgfasen te kunnen beginnen. Eerder vandaag wees Merijn Knibbe in een tweet op het belang van dit rapport.

Trouwens, het idee dat je zou kunnen besluiten dat het BBP voldoet zonder kennis te hebben genomen van aanvullende maatstaven en criteria, is nogal eigenaardig. Zonder te weten wat je mist, neem je dan het besluit dat wat je hebt voldoet.

Een ontwikkeling die sterk bij deze discussie aansluit, is de opkomst van de positieve psychologie. Terwijl de psychologie er tot nu toe vooral op gericht is om psychische afwijkingen als depressie en angststoornissen te behandelen, bestudeert de positieve psychologie de tegengestelde pool, die van het menselijk floreren en gedijen. Het gaat dan om de vraag of je kunt bepalen wat dat precies is en wat je kunt doen om het te bevorderen.

Een interessante studie in die richting is Flourishing Across Europe: Application of a New Conceptual Framework for Defining Well-Being van Felicia Huppert en Timothy So. Zij ontwikkelen een operationalisering van floreren/gedijen door van de bekende en algemeen aanvaarde criteria voor depressie en angststoornissen de tegenpolen te bepalen. Langs die weg komen ze tot een lijst van 10 aspecten van floreren/gedijen:
  • gevoel van competentie
  • emotionele stabiliteit
  • geëngageerd zijn
  • gevoel van zinvolheid
  • optimistisch zijn
  • positieve gevoelens hebben
  • positieve relaties hebben
  • veerkrachtig zijn
  • zelfvertrouwen hebben
  • je vitaal voelen
Vervolgens vinden ze in bestaand onderzoek, de European Social Survey, indicatoren voor elk van deze aspecten. Dat onderzoek is uitgevoerd in 23 Europese landen. En dan komen allerlei interessante inzichten naar voren. Zoals dat het geheel van deze 10 aspecten bepaald niet gevangen wordt door de ene vraag naar de tevredenheid met het leven. Het heeft dus zin om breder te kijken dan naar een algemeen oordeel.

Maar wat vooral opvalt is dat naast de economische welvaart (dat BBP), zaken van belang zijn voor de mate van floreren/gedijen als: minder inkomensongelijkheid, meer sociale zekerheid (verzorgingsstaat!), goede toegang tot de gezondheidszorg en lage werkloosheid.

En dat pleit er wel degelijk voor om een bredere welvaartsmaatstaf te hanteren dan het BBP. Hopelijk komt de commissie Breed welvaartsbegrip er aan toe om zich hierop te bezinnen.
Update. Zie ook het vervolgbericht: Hoe is het om te floreren en goed te gedijen? En hoeveel mensen floreren/gedijen?

maandag 4 november 2013

Statushiërarchie en gemeenschap: de innerlijk tegenstrijdige ("flexibele") sociale menselijke natuur. En de evolutionaire achtergrond daarvan

De menselijke sociale natuur is innerlijk tegenstrijdig. Aan de ene kant hebben we een aanleg tot gemeenschapsgedrag. Tot het aanleren van morele intuïties van elkaar bijstaan als dat nodig is, van gelijkheid en autonomie en van afkeer van (pogingen tot) overheersing en uitbuiting.

Maar aan de andere kant hebben we ook een drang om ons in een statuscompetitie met anderen te meten. En om ons in een bestaande statushiërarchie onderdanig te gedragen naar boven en overheersend en neerbuigend naar beneden. En om coalities te sluiten, altijd tijdelijke, als middel om hoger op te klimmen.

Die innerlijke tegenstrijdigheid is eigenlijk een vorm van sociale flexibiliteit. Het is verstandig om je gedrag aan te passen aan het gedrag van anderen. In een sociale gemeenschap kun je beter gemeenschapsgedrag vertonen, en aanleren als je er in opgroeit. Doe je dat niet, dan stuit je op de afkeer die anderen van jouw gedrag hebben. Die laten ze je merken. Het is dan beter om dat gemeenschapsgedrag in de vorm van morele intuïties aan te leren (te internaliseren).

Maar bestaat je sociale omgeving uit een toestand van statuscompetitie of uit een statushiërarchie dan kom je niet ver met gemeenschapsgedrag. Als je geen alternatieven hebt, dan rest je niets anders dan mee te doen. Afhankelijk van je fysieke en sociale (manipulatieve en strategische) vaardigheden zul je lager of hoger in de hiërarchie terecht komen.

Kortom, mensen hebben twee sociale gedragspatronen gemakkelijk tot hun beschikking. En ze zijn in staat om zich aan te passen aan de aard van hun sociale omgeving. Eerder noemde ik dit de Dual Mode-theorie. Zie bijvoorbeeld hier en hier. En ging ik in op de vraag hoe deze menselijke sociale natuur in de evolutie heeft kunnen ontstaan. Van belang daarin is de Paleo Sociale Omgeving geweest, waarin onze verre voorouders, die het statuscompetitiegedrag van de gemeenschappelijke voorouder van Homo sapiens en chimpansee geërfd hadden, zich collectief zo aanpasten dat ze door middel van gemeenschapsgedrag met veel succes wisten te overleven. En dat hield dus in dat dat "oude" statuscompetitiegedrag collectief werd onderdrukt.

Herbert Gintis en Carel van Schaik gaan nu op de evolutionaire wortels van deze twee gedragspatronen in en de daarmee samenhangende sociaalpolitieke systemen. Ze doen dat in de studie Zoon Politicon: The Evolutionary Roots of Human Sociopolitical Systems (pdf), dat deze maand verschijnt in het boek Cultural Evolution van Peter J. Richerson en Morton H. Christianson. Wat mij er vooral in trof was het mooie overzicht van de voorwaarden waaronder de gemeenschap en het gemeenschapsgedrag van die Paleo Sociale Omgeving in de mensheidsgeschiedenis kon ontstaan. Ik probeer dat heel kort samen te vatten. Met enkele toevoegingen van eigen hand.

Er is natuurlijk niet precies één oorzaak die alles in werking stelde, maar in ieder geval was het rechtop gaan lopen (bipedalism) als een eerste voorwaarde belangrijk. Dat opende een groot aantal nieuwe mogelijkheden.

Een mogelijkheid was het gebruik van dodelijke wapens, zoals stenen en stokken. Dat had als belangrijk gevolg dat alfa-mannetjes, wier heerschappij vooral op fysieke kracht berustte, kwetsbaarder werden. Ze konden door ieder ander van de groep met een goed gerichte klap worden uitgeschakeld. Waardoor het moeilijker werd om de bestaande hiërarchie in stand te houden. Dat droeg bij aan de ontwikkeling naar meer gelijkheid.

Maar die dodelijke wapens, die bovendien verbeterd konden worden omdat je immers vanwege dat rechtop lopen de handen vrij had, konden natuurlijk ook gebruikt worden voor de jacht en dan vooral de jacht op grotere prooidieren. En dat had ook grote sociale gevolgen. Want het risico van die jacht en de kans op succes konden door te gaan samenwerken beïnvloed worden. En die samenwerking had ook zin, want een gedood prooidier leverde genoeg voedsel op voor een grotere groep.

Dat voedsel moest dan wel eerlijk verdeeld worden. Net als al het voedsel dat gezocht en verzameld werd en op een centrale plaats werd bijeengebracht. Maar waarom zou je dat niet meteen opeten als je het had gevonden? Omdat mensen ondertussen door hadden gekregen hoe je een vuurtje maakte en hoe je dus voedsel kon koken. Gekookt voedsel had het voordeel van snellere vertering, waardoor een kleiner darmkanaal nodig was. Maar als je voedsel kookte kon je dat ook gemakkelijker in grotere hoeveelheden dan voor een of enkele personen doen. Ook daarvoor was natuurlijk eerlijk delen nodig.

Dat eerlijk delen werd vergemakkelijkt door de toegenomen gelijkheid. Die maakte het ook mogelijk dat kinderen coöperatief werden grootgebracht, dus minder exclusief door alleen de eigen moeder, zoals bij de chimpansees, waar de moeder het jong jarenlang bij zich heeft. De zorg werd met vader, grootouders, oudere kinderen en andere groepsleden gedeeld. Dat had het voordeel dat kinderen langer afhankelijk konden blijven. Waardoor ze ook vroeger konden worden geboren, wat een goede aanpassing was aan de sneller groeiende hersenomvang. Die weer een aanpassing was aan het complexer geworden sociale leven in een egalitaire groep. Door hersenen ook na de geboorte nog lang te laten doorgroeien, faciliteer je het sociale leerproces.

En precies dat laatste behelsde de ontwikkeling van de morele gemeenschapsintuïties. Op basis van het vermogen van de gedeelde intentionaliteit: het besef dat jij en de ander een bedoeling hebben en het besef dat beide dat van elkaar weten (Tomasello). Op grond daarvan is de typisch menselijke coördinatie en coöperatie mogelijk.

Dat alles laat onverlet dat het vermogen en de neiging tot statuscompetitie nog aanwezig zijn. Maar zolang dat gemeenschapsgedrag in de groep domineert, en daarmee de afkeer van onderdrukt worden en van bazig gedrag van anderen, zullen incidentele neigingen tot statuscompetitie collectief onderdrukt worden. Door sociale sancties, zoals ridiculisering en ostracisme (negéren), dus door sociale controle. Leiderschap, zo het er al is, is altijd gebaseerd op vaardigheden en gedrag die in dienst staan van de groep. Niet op de zucht naar status en eigen gewin.

Kortom, mensen zijn onder de passende omstandigheden heel goed in staat om een een op gelijkheid en onderlinge solidariteit gebaseerde groep tot stand te brengen en in stand te houden. Als die omstandigheden er niet zijn, ja, dan zien we snel een statushiërarchie ontstaan.

Overigens, als je hier welvaartstheoretisch naar kijkt, dan zie je een sociaal systeem met twee sociale evenwichten: het evenwicht van de gemeenschap en het evenwicht van de statushiërarchie. Met de veronderstelling dat het gemeenschapsevenwicht te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht.

Volgens dit scenario begon het dus met het rechtop lopen. Zo eenvoudig zal het wel niet zijn gegaan, maar stel dat, waardoor gingen onze voorouders rechtop lopen?

Een plausibele verklaring daarvoor is dat er in Oostelijk Afrika in dat verre verleden een periode, of meer periodes, waren van toenemende droogte. Waardoor het regenwoud zich terugtrok en het landschap van de savanne zich uitbreidde. Meer grasland dus, met meer verspreid voedsel én meer roofdieren en grotere prooidieren. Maar om de voordelen daarvan te kunnen benutten, en beter tegen de nadelen er van gewapend te zijn, was het gunstiger om rechtop te gaan lopen. Die niche werd benut door een van de primaten die hun leefgebied, dat van het regenwoud, zagen inkrimpen. En dat waren onze voorouders. Dat had overigens natuurlijk net zo goed niet kunnen gebeuren.

dinsdag 4 december 2012

De economie die we wel willen - Hans de Geus

We willen een andere economie. Maar hoe zou die er uit zien? En hoe kunnen we hem maken?

Hans de Geus twitterde me vorige week dat er van hem in Trouw een stuk zou verschijnen over deze vragen. En dat hij benieuwd was wat ik er van zou vinden.

Zijn stuk is het waard om aandachtig te lezen (zie hier) en het inspireerde mij tot dit bericht.

Hans de Geus begint met het huidige personeelsbeleid van Douwe Egberts te schilderen, wat er toe leidt dat niemand van de werknemers zeker van zijn baan is. We hebben een economie laten ontstaan waarin bedrijven zich voortdurend moeten aanpassen. Dat is tot daaraan toe. Maar de manier waarop ze dat doen houdt in dat gewone mensen, die voor hun levensonderhoud en hun gevoel van eigenwaarde afhankelijk zijn van een baan en een arbeidsinkomen, zo weinig mogelijk zekerheid gegund wordt. Anders gezegd, als die zekerheid er even is, dan is dat toeval en niet iets wat het economische systeem als een wenselijke toestand probeert te bereiken. De "Methode Bennink" bij Douwe Egberts, die eruit bestaat dat "niemand ontziend, het uiterste uit de organisatie wordt geperst", die is alom aanwezig.

Wat is dan de wenselijkheid waarop ons huidige economische systeem wel is ingericht? Eenvoudig gezegd komt dat er op neer dat het systeem volledig ten dienste staat van slechts een aspect van de menselijke behoeftenbundel: onze behoeften aan zo goedkoop mogelijke goederen en onpersoonlijke diensten. Dus ten dienste van ons als consument. Ten dienste daarvan moeten kosten aanhoudend geminimaliseerd worden of als dat mogelijk is op anderen worden afgewenteld. Concurrentie maakt aanhoudende aanpassing nodig, waardoor niet alleen het  kapitaal vrij moet kunnen stromen, maar waardoor ook de inzet van arbeid maximaal flexibel moet zijn. Als consument komen we zo behoorlijk aan onze trekken, maar hoe we als volledig mens, met onze sociale behoeften, onze sociale vaardigheden en onze morele gevoelens, aan onze trekken komen, ja, dat moeten we vooral zelf uitzoeken. Dat economische systeem is zo alom aanwezig, dat een tegenkracht ontbreekt waarmee we ons gezamenlijk sterk maken voor andere behoeften dan die van ons als consument. De democratische overheid zou die tegenkracht moeten zijn, maar die heeft zich aan dat economische systeem uitgeleverd. Zie verder allerlei berichten op dit blog, te beginnen met Pro-Sociaal Gedrag en Sociale Welvaart.

Hans de Geus verwoordt deze gedachten als volgt:
De vraag is wat deze manier van ondernemen, werken en met mensen omgaan op lange termijn met de maatschappij doet, met hoe we ons tot elkaar verhouden, met vertrouwen in elkaar en uiteindelijk ook met vertrouwen in onszelf. (...) Want wanneer ben jij aan de beurt om de loser te zijn?
En hij benadrukt dat die tegenkracht er ook uit kan bestaan dat er tegenover het vigerende economische systeemverhaal een ander verhaal komt:
Een verhaal over de economie die we wel willen, zou draaien om begrippen als: eerlijker, kleinschaliger waar het kan, lokaal, schoner, overzichtelijker. Door en voor elkaar, participerend, insluitend in plaats van uitsluitend, in en met de buurt en de gemeenschap, coöperatief.
Ja,  daar heeft hij gelijk in. Een goed onderbouwd en daardoor geloofwaardig verhaal, dat op den duur genoeg mensen inspireert om samen die tegenkracht te vormen. En dat verhaal is natuurlijk al bezig te ontstaan. Het wemelt van de initiatieven om lokaler, kleinschaliger, socialer en schoner te werken. Hans de Geus noemt het voorbeeld van 'Station Roos', een koffie- en ijszaakje aan de Amsterdamse Wibautstraat, waar Roos zelf haar ijs maakt en waar je voor een euro een espresso koopt uit een tweedehands espressoapparaat. Niet uit op winstmaximalisering, maar om er persoonlijke voldoening uit te halen.

Trouwens, als je bij Station Roos koffie gaat drinken, loop dan in diezelfde Wibautstraat ook even langs bij MHOOM (Met Het Oog Op Morgen) van Colette de Groot en Sanne Spaargaren, waar alles dat verkocht wordt, gemaakt is met respect voor mens en natuur. Ik laat er mijn haar knippen, want dat kan er ook.

En laat ik nog zo'n mooi initiatief noemen: ik ben geabonneerd op het streekkrat, een krat vol met streekproducten dat een maal in de twee weken aan huis wordt bezorgd. Van de Streekmolen. Lokaal en kleinschalig. Goed voor ons.

En, voor ik het vergeet, zie ook dat mooie stuk van Wilco Dekker in de Volkskrant van gisteren over Peerby, wat staat voor a peer nearby, iemand in de buurt. Het is een tool voor buurtcommunicatie, door middel waarvan je dingen aan elkaar kunt lenen. Die je anders misschien elk individueel zou aanschaffen, waardoor iedereen een boormachine in huis heeft, terwijl dat apparaat gemiddeld in zijn leven maar 12 tot 13 minuten gebruikt wordt.

Al die kleine verhalen, dat wordt vast ooit een keer een groot verhaal.

donderdag 31 mei 2012

Door meer welvaart voelen we minder de plicht tot arbeid - NSV Artikelprijs voor Rudi Wielers en Ferry Koster

Mijn co-auteur Rudi Wielers heeft samen met Ferry Koster van de Nederlandse Sociologische Vereniging de Artikelprijs 2012 uitgereikt gekregen. Zie hier voor het artikel ("Welvaart en arbeidsmotivatie: een internationale vergelijking") en het juryrapport.

Het artikel laat zien dat in welvarende landen mensen minder een plicht tot arbeid (arbeidsethos) voelen dan in minder welvarende landen. Mensen hebben een lager arbeidsethos hoe minder ze het eens zijn met de volgende uitspraken:
  • om je talenten volledig tot ontplooiing te laten   komen heb je een baan nodig
  • het is vernederend om geld te krijgen zonder ervoor te hoeven werken
  • mensen die niet werken worden lui
  • werk is een maatschappelijke plicht
  • werk zou altijd op de eerste plaats moeten komen, zelfs als dat minder vrije tijd betekent
Het blijkt tegelijk niet zo te zijn dat mensen bij welvaartsgroei meer intrinsiek gemotiveerd raken voor het werk. Een intrinsieke motivatie heb je als je het belangrijk vindt om een respectabele en verantwoordelijke en interessante baan te hebben, die overeenkomt met je capaciteiten. Daartegenover ben je vooral extrinsiek gemotiveerd als je vooral bent geïnteresseerd in een goed salaris, een niet te hoge werkdruk, goede baanzekerheid, goede arbeidsuren en veel vakantiedagen.

Daaruit kun je opmaken dat we door welvaartsstijging niet meer geïnteresseerd raken in de intrinsieke kwaliteit van het werk, dus in het hebben van werk om aan je persoonlijke, niet-materiële behoeften te kunnen voldoen. Nee, we raken minder in werk geïnteresseerd en meer in de mogelijkheden buiten het werk om die behoeften te kunnen bevredigen. Gezin, familie, vrienden, persoonlijke ontwikkeling.

Anders gezegd: we zoeken niet een zo hoog mogelijke economische welvaart, maar we streven naar een optimale mix van economische en sociale welvaart. En werk zoals wij dat in onze maatschappij hebben georganiseerd, speelt daarin maar een beperkte rol. Voorzover politici mochten vinden dat die rol groter moet zijn, dan moeten ze lijkt me maar eens goed nadenken over de mogelijkheden om de organisatie van het werk te verbeteren.

zondag 13 mei 2012

Meer horeca, en dus ontmoetingsplekken, in de wijken - gemeente Utrecht

De gemeente Utrecht wil het "horecakader" aanpassen. Dat houdt onder meer in dat er in de wijken meer daghoreca en restaurants moeten komen.

Dit voornemen is toe te juichen. We hebben een periode van zo'n halve eeuw achter ons van schaalvergroting en concentratie van bedrijvigheid en voorzieningen. Dat heeft geleid tot een sterke functiescheiding, dat wil zeggen tot de ruimtelijke scheiding van wonen, werken en uitgaan. We wonen in een wijk waar nog alleen maar gewoond wordt, werken in een gebied waar alleen gewerkt wordt en winkelen en gaan uit in gebieden waar alleen gewinkeld en uitgegaan wordt.

De negatieve sociale gevolgen daarvan heb ik eerder met de term uitzwerming aangeduid. Zie daarover ook hoofdstuk 12 van het beroemde Bowling Alone. The Collapse and Revival of American Community van Robert D. Putnam. Die gevolgen houden in dat we meer tijd kwijt zijn aan het ons verplaatsen en dat is niet goed voor het milieu en voor onze gezondheid. Maar ze houden ook in dat onze sociale netwerken meer gefragmenteerd zijn geraakt. We hebben minder ongeplande ontmoetingen met andere buurtbewoners. De belangrijke sociale functie van economische voorzieningen (winkels, horeca) valt weg als die voorzieningen grootschaliger en meer ruimtelijk geconcentreerd zijn. In plaats van bekenden tegen te komen, gaan we meer op in een anonieme massa. En daardoor is het sociale leven verarmd.

Die ontwikkeling is vanuit een strikt economisch perspectief goed te begrijpen. Ondernemers die er van afhankelijk zijn dat klanten naar hen toe komen, hebben er belang bij om zich te vestigen waar al andere ondernemers zijn gevestigd die al klanten aantrekken. Ieder die zich ergens vestigt, oefent een positieve externaliteit uit op nieuwkomers. En iedere ondernemer probeert dus om te voorkomen dat hij zich ergens als enige vestigt. Vandaar dat je als je de markt zijn werk laat doen, alles naar de binnenstad en de grote winkelcentra gaat. En alles uit de woonwijken verdwijnt. En precies dat is ook gebeurd.

Je verwacht dus dat er in de wijken behoefte is aan meer horeca en aan de sociale functie van zulke voorzieningen. En volgens de gemeente Utrecht is die behoefte er ook. Uiteraard moet er iets gedaan worden om overlast voor omwonenden te beperken. Ik begrijp dat de raad er in juni definitief over beslist. Nogmaals: vanuit een sociale welvaartsperspectief toe te juichen.

Overigens: ik ben wel benieuwd hoe de gemeente dit nu precies gaat aanpakken. En welke juridische mogelijkheden ter beschikking staan.
Nieuwsberichten:

'via Blog this'

vrijdag 30 maart 2012

Hans van den Doel overleden

Vanochtend in de Volkskrant de overlijdensadvertentie voor Hans van den Doel. Hij was van 1967 tot 1973 kamerlid voor de PvdA. Werd daarna hoogleraar politiciologie in Nijmegen en later hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam. Zie hier het wel heel korte In Memoriam van Ed van Thijn op de website van de PvdA.

Ik heb zijn boek Democratie en Welvaartstheorie jarenlang als tentamenliteratuur gebruikt in mijn colleges. Het was een intellectueel feest om dat boek aan studenten uit te leggen. Ik heb de derde druk uit 1990 nu voor mij liggen en zie op bol.com dat er in 1998 ook nog een vierde druk van is verschenen. Ik ben nog steeds een groot bewonderaar van dat boek. Het geeft een heldere en systematische uiteenzetting van de werking van de democratie op basis van de economische welvaartstheorie. Van den Doel was een leerling van Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen, bij wie hij promoveerde. Maar dit boek is vooral ook beïnvloed door Pieter Hennipman, de grote Nederlandse econoom en welvaartstheoreticus, die in 1994 overleed.

Als ik het me goed herinner, kwam ik door Hans van den Doel in aanraking met die welvaartstheorie. En die bracht me er op dat er naast een economische welvaartstheorie hoognodig een sociologische welvaartstheorie nodig is. Die op sociaalwetenschappelijke gedragstheoretische inzichten gebaseerd zou moeten zijn. En dat leidde tot het vak Sociale Welvaart, dat ik jaren heb gegeven en dat ook nu nog onderdeel is van de opleiding sociologie aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Hans van den Doel kreeg in 1981 een beroerte. Volgens een interview met hem in NRC/Handelsblad van 11 februari 1993, waarvan ik het knipsel heb bewaard, gebeurde dat tijdens het bespelen van het orgel van de gereformeerde kerk in Bloemendaal. Hij lag twee maanden in coma en is er nooit meer volledig van hersteld.

Hans van den Doel was ook een van de "oprichters" van Nieuw Links. Omdat ik als (verlegen) HBS-scholier de bijeenkomsten van Nieuw Links eind jaren zestig in Trianon (Utrecht) bezocht, moet ik hem toen  ook wel persoonlijk hebben gesproken. Maar persoonlijk contact hebben we verder nooit gehad.
Correctie. Eind jaren zestig was ik nog wel behoorlijk verlegen, maar niet meer scholier. Ik studeerde toen al sociologie en Nieuw Links begon al eerder. Dat laatste klopt, want het boekje Tien over rood. Uitdaging van Nieuw Links aan de PvdA verscheen in 1966 en was het resultaat van bijeenkomsten in de jaren daarvoor.

woensdag 25 januari 2012

Van welke persoonlijke en maatschappelijke problemen is bekend dat ze mede veroorzaakt worden door de sociale omgeving?

Analoog aan de (vereenvoudigde) redenering achter het Paleo Dieet kun je een redenering opzetten over de (mogelijke) wenselijkheid van een sociale omgeving die de Paleo Sociale Omgeving dichter benadert. Dat wil zeggen, dichter dan het soort sociale omgeving waarin de meeste mensen in onze huidige maatschappij opgroeien en hun leven leiden. Zie dit bericht. Die redenering zou, denk ik, uit de volgende vier stappen bestaan:
  1. Een inventarisatie van de in onze maatschappij bestaande persoonlijke en maatschappelijke problemen waarvan we weten dat ze mede worden veroorzaakt door kenmerken van de sociale omgeving van mensen.
  2. Aanwijzingen dat die kenmerken van de huidige sociale omgeving niet of veel minder aanwezig waren in de Paleo Sociale Omgeving van de jagers-verzamelaars.
  3. Aanwijzingen dat die persoonlijke en maatschappelijke problemen (zie stap 1) niet of veel minder aanwezig waren in de jagers-verzamelaars maatschappijen. En aanwijzingen dat die jagers-verzamelaars niet te kampen hadden met andere persoonlijke en maatschappelijke problemen die wij niet meer kennen.
  4. Vinden van (praktisch toepasbare) mogelijkheden om onze huidige sociale omgeving dichter in de buurt te brengen van de Paleo Sociale Omgeving.
Ik maak nu een begin met stap 1.

Voor zover ik de sociaalwetenschappelijke onderzoeksliteratuur ken, zijn er voor de volgende vijf persoonlijke/maatschappelijke problemen aanwijzingen dat  ze mede worden veroorzaakt door kenmerken van de sociale omgeving:
  1. gezondheidsproblemen
  2. problemen met het cognitief/intellectuele functioneren
  3. criminaliteit en algemener: asociaal gedrag
  4. economische stagnatie en economische instabiliteit
  5. problemen met het functioneren van de democratie.
Voor deze vijf problemen zal ik in komende berichten een overzicht proberen te geven van het onderzoek dat licht werpt op de mate waarin en de manieren waarop deze problemen voortkomen uit kenmerken van de sociale omgeving waarin mensen verkeren. Dat gaat vaak over onderzoek waarin personen worden vergeleken die qua sociale omgeving van elkaar verschillen. Bijvoorbeeld onderzoek waarin mensen die weinig persoonlijke relaties hebben (die eenzaam zijn) worden vergeleken met mensen die meer of veel persoonlijke relaties hebben. Maar het gaat ook over onderzoek waarin landen worden vergeleken, bijvoorbeeld landen waarvan de bewoners elkaar onderling veel vertrouwen en landen waarvan de bewoners elkaar juist weinig vertrouwen.

Daarmee bouw ik voort op werk dat ik al eerder heb gedaan en dat een deel van de stof uitmaakte van het vak Sociale Welvaart dat ik tot 2008/2009 aan de sociologie-opleiding van de Groningse universiteit doceerde. Zie dit bericht voor een beschrijving van dat vak. Sinds die tijd is er natuurlijk voortschrijdend inzicht bij mijzelf, maar is er ook veel interessant sociaalwetenschappelijk onderzoek bijgekomen.

maandag 7 november 2011

Wolfgang Streeck over de publieke rol van de sociologie

Ik ben socioloog, maar voor dit blog heb ik een bredere titel gekozen. De reden daarvoor is dat veel inzichten die toepasbaar zijn op sociale en maatschappelijke vraagstukken, uit andere sociale disciplines afkomstig zijn. Ik noem in het openingsbericht bijvoorbeeld de sociale en ontwikkelingspsychologie, de gedragseconomie en de sociale neurowetenschap. Het is niet zo dat het sociologisch onderzoek niets te bieden heeft, maar je zou er veel meer van verwachten. Hoe komt het dat de publieke rol van sociologie zo tekort schiet?

Wolfgang Streeck buigt zich nu over die vraag in dit essay forum van de Social Science Research Council. Misschien kom ik later nog eens terug op wat hij te zeggen heeft. Na snelle lezing lijkt mij nu dat dit de kernpassage is:
Drawing on the sociological tradition, we are able to see that what is at the bottom of our current predicament is the well‐known tendency inherent in the capitalist social formation for markets to expand dynamically into other spheres of social life, typically disrupting them and often leaving them in disarray. That tendency today meets with a secular weakness of social countermovements against marketization, of the protective‐conservationist as well as the progressive‐reconstructionist kind, in a historical period when global capital is about to superimpose itself on local, regional, national social structures and ways of life. Unlike contemporary economists, sociologists, informed not least by some of the great economists of the past, like Sombart and Schumpeter, possess in principle the conceptual tools to understand that the capitalist system is one that grows from within, in a way that continuously tends to turn social relations upside down. Rather than proceeding in harmony with the rest of society, capitalist development continuously causes frictions and contractions that demand and call forth ever new collective efforts at social stabilization, aimed at establishing some kind of – ever precarious – balance between economy and society.
Meer in termen van dit blog geformuleerd (en misschien ietsje overgeïnterpreteerd): de sociologie zou zich (meer) moeten concentreren op de vraag naar de effecten van de ontwikkeling van het domein van de markt op het domein van de sociale, persoonlijke en onpersoonlijke, relaties en de gevolgen daar weer van op welbevinden en gezondheid (sociale welvaart) en pro-sociaal gedrag. De publieke boodschap van de sociologie zou in een slagzin kunnen luiden: de huidige marktmaatschappij is wel door mensen, maar niet altijd voor mensen gemaakt. De publieke taak zou dan moeten zijn: (1) om onderzoek te doen dat uitsluitsel geeft over de juistheid van deze bewering, en 2. om empirisch onderbouwde aanbevelingen te doen om een maatschappij voor mensen dichterbij te brengen (verbeterfunctie).