Posts tonen met het label Chris Dillow. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Chris Dillow. Alle posts tonen

maandag 27 mei 2019

Vermindering van ongelijkheid brengt ons dichter bij het gemeenschapsevenwicht - Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? - deel 11

Update. Zie nu ook deel 12 van deze reeks: Heeft de sociologische theorie een blinde vlek voor kwaadaardigheid?
Er zijn goede, empirisch onderbouwde, redenen om beleid te adviseren dat bewegingen in gang zet in de richting van het gemeenschapsevenwicht. Zie hier het vorige bericht in deze reeks over hoe het vak sociologie maatschappelijk belangrijker kan worden: Een maatschappelijk belangrijker vak sociologie had kunnen optreden als verdediger van de verzorgingsstaat.

Zulke beleidsadviezen zullen uiteraard op hun beurt weer gebaseerd moeten zijn op empirisch onderzoek naar de voorwaarden waaronder het gemeenschapsevenwicht dichterbij gebracht kan worden. Om de gedachten te bepalen twee voorbeelden van zulke op empirisch onderzoek gebaseerde adviezen:
Een ander voorbeeld, maar dan op het niveau van een maatschappij, is het advies aan een overheid om de (inkomens- en vermogens-)ongelijkheid binnen de perken te houden. Of niet uit de hand te laten lopen. Want ook zonder precies te weten welke mate van ongelijkheid in het gemeenschapsevenwicht zou kunnen bestaan, weten we al wel dat grotere ongelijkheid al snel zichzelf versterkende bewegingen in gang zet in de richting van het statuscompetitie-evenwicht.

Van de empirische aanwijzingen die daarop wijzen, gaf ik een opsomming in het bericht Loopt het kapitalisme op zijn laatste benen? Economische, maar ook sociaalwetenschappelijke inzichten. Die je hieronder nog eens kunt nalezen;
  • Opgroeien in armoede in een welvarende maatschappij werkt negatief uit op de hersenontwikkeling die nodig is voor planning en impuls- en aandachtsbeheersing. Die vermogens helpen bij het succesvol volgen van een opleiding. Arm opgroeien verkleint dus de kans op maatschappelijk succes, waardoor armoede wordt doorgegeven aan kinderen.
  • Armoede gaat gepaard met de stress van zorgen over de toekomst en heeft daardoor negatieve effecten op het cognitieve functioneren. Omdat onze maatschappij een groot beroep doet op ons cognitieve functioneren, verkleint armoede dus de kans op maatschappelijk succes.
  • De stress van armoede en lage sociaaleconomische status heeft negatieve gezondheidseffecten en een slechte gezondheid verkleint de kans op maatschappelijk succes.
  • Een hogere sociaaleconomische status maakt mensen egoïstischer. Waardoor ze meer geneigd zijn tot inspanningen om de bestaande ongelijkheid, die in hun voordeel werkt, in stand te houden.
  • Mensen die qua persoonlijkheid aardiger zijn, en dus meer met anderen rekening houden, verdienen minder. Ze zijn minder maatschappelijk succesvol. Omgekeerd: onaardige mensen, die dus egoïstischer zijn, verdienen meer en zijn maatschappelijk succesvoller. En zullen dus meer geneigd zijn om te pogen de bestaande ongelijkheid in stand te houden.
  • Rijken hebben de neiging om bij elkaar in de buurt te gaan wonen (inkomenssegregatie) en vooral met elkaar om te gaan. Dat maakt het makkelijker om opinies te cultiveren die rijkdom moreel rechtvaardigen en die armoede toeschrijven aan individuele en moreel verwijtbare kenmerken ("ze zijn lui"). Waardoor rijken vooral geneigd zullen zijn om de bestaande ongelijkheid in stand te houden.
  • Mensen zijn geneigd om de bestaande ongelijkheid te onderschatten, waarschijnlijk doordat ze er niet goed over zijn geïnformeerd. Daardoor zullen dus degenen die minder ongelijkheid zouden willen, zich minder inspannen om die terug te dringen dan wanneer ze wel goed geïnformeerd waren.
  • Mensen die hun inkomen zien groeien doordat ze geld hebben gewonnen in een loterij, stemmen politiek gezien rechtser. Een inkomenstoename maakt rijker en doet mensen dus bijdragen aan politieke partijen die de bestaande ongelijkheid in stand willen houden.
  •  De rijken zijn machtiger dan de armen. En gevoelens van macht maken mensen minder empathisch. Dus leven rijken zich minder goed in in het lot van de armen. En zullen ze zich dus minder inspannen om dat lot te verlichten.
  • De rijkaards zijn succesvol geweest in de maatschappelijke statuscompetitie. En winnaars in een statuscompetitie hebben de neiging om neer te kijken op de verliezers en hen zelfs te vernederen. En dus om de bestaande ongelijkheid te rechtvaardigen. En verliezers hebben de neiging om zich daarbij neer te leggen in plaats van in opstand te komen.
  • Grote ongelijkheid leidt ertoe dat de rijken via de politiek erin slagen om die ongelijkheid, en dus hun rijkdommen, in stand te houden of zelfs te vergroten.
    Daar komt bij dat grote ongelijkheid ook slecht is voor stabiele economische groei, waardoor bewegingen richting het gemeenschapsevenwicht ook om economische redenen zijn aan te raden. Chris Dillow geeft hier een mooi lijstje van mogelijke mechanismen waarlangs ongelijkheid de economische groei zou kunnen remmen: Eight Reasons Why Inequality Ruins the Economy.

    Opmerkelijk is natuurlijk dat het vak sociologie weliswaar ongelijkheid als een van haar centrale thema's beschouwt, maar zich beperkt tot het doen van onderzoek daarnaar. Het vak staat niet bekend als een bron van pleidooien voor meer egalitaire samenlevingen. Als een socioloog toch waarschuwt voor te grote ongelijkheid, dan is dat niet op basis van een uit het vak zelf voortkomende argumentatie.

    Ik zocht even naar een voorbeeld daarvan en stuitte op deze passage uit Op zoek naar het hart van de verzorgingsstaat van C.J.M. Schuyt:
    De intergenerationaliteit van de cumulatie van problemen vormt een belangrijk argument voor vermindering van ongelijkheid. Meervoudig gedepriveerden hebben een veel geringere mogelijkheid tot respect van anderen (ondanks de heilige schijn van verbale uitingen in die richting) en tot het verwerven van zelfrespect (ondanks hun woorden dat ze het wel redden). Ze hebben ook een veel geringere mogelijkheid tot het daadwerkelijk ondervinden en beleven van menselijke waardigheid, ook al zijn er gelukkig prachtige uitzonderingen op deze regel. Op grond van eerbied voor het kosmisch toeval heeft iedereen recht op het verwerven van zelfrespect. Een blijvend argument tegen gecumuleerde maatschappelijke ongelijkheid is juist deze zorg voor het zelfrespect.
    Deze redenering is zeker prijzenswaardig, maar het belang van zelfrespect en menselijke waardigheid komt ad hoc naar binnen. Er is niet een verwijzing naar een vanuit het vak ontwikkelde doeltoestand zoals die van het gemeenschapsevenwicht. 

    dinsdag 23 januari 2018

    Waarom hebben we eigenlijk niet een economie voor de 99 procent? Het Oxfam-rapport

    Het Oxfam-rapport AN ECONOMY FOR THE 99% It‟s time to build a human economy that benefits everyone, not just the privileged few trekt gelukkig veel aandacht, maar je zou meer willen. De boodschap ervan zou van de daken behoren te worden geschreeuwd. Alle dagbladen en nieuwsuitzendingen zouden ermee behoren te openen.

    Want wat is het geval? Er is een wereldwijde ongelijkheidscrisis. En die gaat onverdroten door. Sinds 2015 beschikt de rijkste 1 procent over meer vermogen dan de rest van de wereldbevolking. Acht personen (!) hebben nu evenveel vermogen als de armste helft van de wereldbevolking. Tussen 1988 en 2011 zijn de inkomens van de armste 10 procent toegenomen met minder dan 3 dollar per jaar, terwijl de inkomens van de rijkste 1 procent 182 keer zoveel toenamen. In de Verenigde Staten zijn in in laatste 30 jaar de inkomens van de onderste helft van de bevolking gelijk gebleven, terwijl de inkomens van de bovenste 1 procent met 300 procent zijn gestegen.

    Wereldwijd is weliswaar de armoede gedaald, maar een op de 9 mensen gaat met honger naar bed. Als de economische groei gelijker was verdeeld, dan had de armoede veel sterker kunnen worden teruggedrongen.

    Oxfam somt een lijst op met oorzaken van die grote en toegenomen ongelijkheid. De grote ondernemingen maken grote winsten, maar die komen overwegend terecht bij de rijken. Werknemers en toeleveranciers worden uitgeknepen en uitgebuit. 21 miljoen mensen zijn in feite slaven. De grote ondernemingen doen op grote schaal aan belastingontwijking, gedreven door een focus op korte termijn opbrengsten voor aandeelhouders en als gevolg van een toename van vriendjeskapitalisme (de innige band tussen het Grote Geld en overheid). De grote toename van de groep superrijken, die hun rijkdom doorgeven aan hun kinderen. En dus de toename van de rijkeluiskinderen.

    Hoe heeft dat kunnen gebeuren? Heel eenvoudig: als gevolg van de dominantie van de ideologie van het neoliberalisme en van de foute veronderstellingen die daarmee samenhangen. Het klopt NIET dat de markt het altijd goed doet en dat de rol van de overheid zo klein mogelijk moet zijn. Het klopt NIET dat ondernemingen ten koste van alles hun winsten en hun aandeelhouderswaarde moeten maximaliseren. Het klopt NIET dat extreme individuele rijkdom onschuldig is en ene teken van succes en dat ongelijkheid niet van belang is. Het klopt NIET dat het Bruto Binnenlands Product het primaire doel moet zijn van de economische politiek. Het klopt NIET dat het heersende economische model gender-neutraal is. En het klopt NIET dat de grondstoffen van de planeet eindeloos zijn.

    Wat moet er hoognodig gebeuren? Er is een economie nodig voor de mensen. Dat betekent dat overheden er moeten zijn voor de 99 procent. Dat overheden moeten samenwerken, niet alleen maar met elkaar concurreren in een race to the bottom. Ondernemingen moeten zich richten op het welzijn van iedereen, met eerlijke lonen, eerlijke belastingen en duurzaamheid. Hogere belastingen op vermogen en hoge inkomens. Enzovoort.

    En dat alles is hoognodig omdat de negatieve effecten van grote ongelijkheid zich wel heel duidelijk opdringen. Negatieve effecten op welzijn, gezondheid, milieu, criminaliteit, sociale mobiliteit, vertrouwen en politiek gedrag (populisme en rechts-extremisme).

    Dit fraaie Oxfam-rapport wordt uitgebracht ter gelegenheid van het World Economic Forum 2018 in Davos. Daar zijn de rijken en machtigen der aarde bijeen.

    En wat valt daarvan te verwachten, als je afgaat op wat de geschiedenis daarvan leert? Dat iedereen daar zal verklaren dat het anders moet. En vervolgens huiswaarts keert en overgaat tot de orde van de dag.

    Dat kan bewust cynisme zijn.

    Maar het kan ook zijn dat ze zich met, zeg maar. vrome praatjes een morele vrijbrief verschaffen. Chris Dillow oppert vandaag die mogelijkheid. Want door moreel juiste uitspraken kun je bij jezelf, en bij anderen, de indruk wekken dat je een moreel juiste persoon bent. En als je daarvan een keer overtuigd bent, geeft dat een vrijbrief om je vervolgens te misdragen. Morele praatjes en immoreel gedrag blijken vaak goed samen te gaan.

    maandag 19 juni 2017

    Politiek is niet een debatwedstrijd, maar een zaak van leven en dood - Chris Dillow over de Grenfell-ramp

    Het aantal doden als gevolg van de brand in de Grenfell Tower in Londen is nu naar alle waarschijnlijkheid opgelopen tot 79. De ramp is bezig het symbool te worden van een gebroken Groot-Brittannië, van een land waar nu al jaren lang de ideologie van de kleine overheid, de bezuinigingszeepbel, hoogtij vierde.

    De ellende die dat idiote bezuinigingsbeleid veroorzaakte, juist ook in economische zin idioot, kon lang verborgen blijven, maar komt nu wel heel schrijnend aan het licht. In Grenfell Tower, blijkt nu, werd onverantwoord bezuinigd op de brandveiligheid. Vanity Fair omschreef dat als volgt:
    Indeed, as we now know, the apartment block had just one external stairway, no central alarm or sprinkler systems, and was clad in a combustible material that would have generally been banned in the United States for buildings taller than 40 feet. The tenants were essentially living on the top of a highly inflammable firetrap, one in which mass evacuation was impossible, as was evidenced when a few of victims filmed their last moments with their phones. The authorities appeared to have ignored multiple warnings that drew from the experience of fires in other properties under their control, simply because they were not constrained by the law and knew the tenants were powerless to do anything. The conclusion seemed clear to many—if the complaints and warnings had been made by tenants in any of the wealthier areas of the Royal Borough of Kensington and Chelsea, something would have been done.
    Daarmee staat de brand symbool voor wat een politiek kan aanrichten die in de neo-liberale fantasiewereld gelooft van de overheid als probleem in plaats van als oplossing. Minder regulering, meer privatisering, minder sociale zekerheid. Denk ook even aan dat andere symbool, de prachtige en ontroerende film I, Daniel Blake van Ken Loach. En neem kennis van de protesten waar de ramp aanleiding toe heeft gegeven: ‘We want justice’: Grenfell Tower protests spill on to streets.

    Chris Dillow verbindt er de les aan dat politiek niet zomaar een debatspelletje is, maar een zaak van leven en dood. De media in Engeland, maar evenzeer in Nederland, hebben er een handje van om politiek als een vorm van amusement te presenteren. Dat zal wel iets te maken hebben met de strijd om kijkcijfers. Dillow daarover:
    There’s one aspect of the Grenfell catastrophe that is perhaps under-appreciated – that it should finally kill off what is perhaps the dominant conception of politics in the media.
    I’m thinking here of the idea that politics is an Oxford Union-style game. There’s jockeying for position, gossip and backbiting in which (over)-confidence, fluency and a particular conception of “credibility” are prized above all, but the game is mostly among jolly good chaps. And it’s a low-stakes one. The worst crime is to conduct a “car crash” interview, and the losers retire to spend more time with their trust funds and sinecures.
    De hoop is dat het drama eraan bijdraagt dat politiek weer gezien wordt als wat het is, een serieuze zaak, die serieus en met verantwoordelijkheidsgevoel dient te worden beoefend en in de media behandeld. Daarzonder kan de democratie niet gedijen.
    Herein lies my hope. Grenfell might – just might - be a turning point. It shows that politics can no longer be seen as a debating game from which the poor are excluded. It must instead become a serious matter which has life and death consequences, in which the interests and voices of the worst off are finally given full value, and in which there's no place for childish games.
    De blogs van Chris Dillow (op Stumbling and Mumbling) zijn eigenlijk altijd stof tot nadenken.

    woensdag 7 december 2016

    Ligt er een psychologische stoornis (narcisme) ten grondslag aan populisme?

    Het bericht van Chris Dillow vandaag (THE POPULIST PARADOX) is een mooie aanvulling en verdieping van het bericht Is populisme de uitingsvorm van narcisme in het publieke domein? eerder op dit blog.

    Populisten zijn zo overtuigd van het eigen gelijk dat ze minachting hebben voor de democratische instituties van parlement, regering en rechters (en voor de wetenschap). Zo wordt in Engeland de Supreme Court aangevallen omdat dat hoogste rechtscollege heeft besloten dat de uittreding uit de Europese Gemeenschap aan het Parlement dient te worden voorgelegd, ondanks dat er een referendum is geweest.

    Maar die instituties zijn er niet zomaar. Ze zorgen er voor dat besluitvorming in een pluralistische maatschappij rekening houdt met een diversiteit van meningen en inzichten. Chris haalt in dat verband een mooi citaat van Edmund Burke aan:
    We are afraid to put men to live and trade each on his own private stock of reason; because we suspect that this stock in each man is small, and that the individuals would do better to avail themselves of the general bank and capital of nations and of ages (Par 145).
    Ieder van ons op zijn eentje overziet meestal maar een stukje van het geheel en is bovendien vatbaar voor cognitieve dwalingen. Instituties zijn niet onfeilbaar, maar behelzen wel meer door de geschiedenis heen gecumuleerde diversiteit.

    Waar komt dan die neiging van populisten vandaan om zo sterk op hun eigen gelijk te vertrouwen en democratische instituties en wetenschap te minachten?

    Het antwoord ligt ook bij Chris in, jawel, de toename van narcisme. Als over de hele linie de neiging tot narcisme iets (of veel, voor mijn part) is toegenomen, en daar zijn aanwijzingen voor, dan merken we dat dubbelop in het publieke domein van de politiek. Want het is bij uitstek dat domein waar narcisten zich toe voelen aangetrokken.

    Het is hun ideale werkterrein. In het domein van de persoonlijke relaties zijn narcisten kwetsbaarder, omdat ze moeilijker kunnen voorkomen dat anderen hen na verloop van tijd beter leren kennen. Maar communicatie via de media maakt het mogelijk om het publiek te manipuleren.

    Kortom, populisme als uitingsvorm van narcisme in het publieke domein is niet alleen een politiek probleem, maar ook
    an intellectual and, dare I say it psychological, disorder.
    Misschien moeten we inderdaad de moed hebben om onder ogen zien dat er aan populisme een psychologische stoornis ten grondslag ligt.

    vrijdag 8 juli 2016

    Marx' idee van het valse bewustzijn is weer helemaal terug - en over waarom dat terecht is

    Chris Dillow (volg hem op Stumbling and Mumbling!) heeft nu een mooie analyse van hoe kiezers zo opvallend ideeën kunnen aanhangen die tegen hun eigen belangen ingaan. Dit naar aanleiding van Brexit en van het door het kiezersvolk gelaten ondergaan van of zelfs instemmen met het rampzalige Europese bezuinigingsbeleid. Zie Why Anger at Elites Was Channelled Towards Voting for Brexit.

    Een en ander wijst er op dat we moeten inzien dat Marx gelijk had:
    It’s because capitalism generates an ideology which opposes sensible radical reform. The idea of false consciousness should be taken a lot more seriously.
    We zijn met zijn allen in een maatschappij terecht gekomen waarin we met het er in opgroeien niet zomaar de vermogens ontwikkelen om er onze weg in te vinden.

    Dat geldt voor de individuele weg, de uitdaging waar ieder van ons voor komt te staan om uit te vinden hoe je een zinvol leven leidt dat voldoening geeft. Vandaar al die zelfhulpboeken en die hele bedrijfstak van life coaches, therapeuten en psychiaters. Denk ook even aan Aafke Hendriks.

    Maar omdat we ook allemaal burgers en kiezers zijn, geldt dat ook voor de collectieve weg, de uitdaging om de maatschappij zo te doorgronden dat je tot gefundeerde oordelen kunt komen over het te voeren overheidsbeleid. En wat dat betreft had Marx (1818-1883) al door dat zulk een gefundeerde oordeelsvorming geenszins gegarandeerd is. Dat was zijn idee van het valse bewustzijn, de gedachte dus dat het kapitalisme een arbeidersklasse genereert die zijn eigen belangen en de weg om die te behartigen maar beperkt kent.

    Chris Dillow geeft nu een korte opsomming van gedragseconomisch en sociaalpsychologisch onderzoek dat die gedachte ondersteunt. Dat gaat over cognitive biases, het anchoring effect, sociale vergelijking, wishful thinking, de just world illusion, de status quo bias en adaptive preferences. Als je al die inzichten in een mandje bij elkaar gooit, dan komt daar een theorie uit, de systeemrechtvaardigingstheorie, die verklaart hoe het komt dat ongelijkheid en onrechtvaardigheid blijven voortbestaan.

    Specifiek voor Brexit stelt Dillow dat de overwinning van de Leavers verklaard kan worden door de mechanismen van wishful thinking, van de Prospect theory (op verlies reageren door meer risico te nemen) en van de "good begets good"-heuristiek (meer controle is goed, dus zijn ook alle effecten van meer controle goed).

    Dillows conclusie:
    I contend, therefore, that Marxian theories of ideology are supported by recent research. People aren’t just misinformed about political issues – there’s lots of surveys telling us that. They are irrational too. They have false consciousness.
    De grote uitdaging is natuurlijk om uit te vinden hoe je ondanks dit alles in een democratie toch nog tot een beleid komt dat in het teken staat van het algemene belang. Dillow laat dat verder aan de lezers over, maar laat nog wel weten dat wat hem betreft het zou helpen als je een beleid voert dat burgers meer het gevoel van controle teruggeeft.

    Hoe dan? Door invoering van een onvoorwaardelijk basisinkomen en door meer democratische besluitvorming in bedrijven, zoals in de vorm van coöperaties.

    Wat dat laatste betreft, de eerste tegenwerping is natuurlijk dat zulks sterk ten koste zou gaan van de efficiëntie van de bedrijfsvoering en de productiviteit. Maar dat staat nog te bezien. Er is onderzoek dat wijst op het tegendeel.

    dinsdag 10 februari 2015

    Als aanbieders tegen elkaar aanschurken, werkt de markt niet optimaal - n.a.v. Chris Dillow

    Chris Dillow had gisteren een aardig bericht over het verschijnsel van tegen elkaar aan schurkende aanbieders, die daardoor een niet optimale marktuitkomst genereren. Zie HEADING FOR EXTINCTION?

    Het gaat dan bijvoorbeeld om politieke partijen die allemaal naar het midden kruipen, omdat daar de meeste stemmen zijn te halen. En om winkels die zich in elkaars nabijheid vestigen, omdat ze dan profiteren van elkaars aantrekkingskracht op klanten. En om commerciële televisiekanalen die qua programmering sprekend op elkaar lijken, omdat concurrentie om het populaire midden meer oplevert dan je juist van dat midden te onderscheiden. En om de publieke omroep die aan dat proces mee gaat doen hoe meer die zich moet bekostigen uit reclamegelden.

    Zulke processen leveren niet-optimale marktuitkomsten op, want met een grotere "productdifferentiatie" zouden meer consumenten bediend worden. En zou de markt als geheel beter werken. Dat is voor het eerst opgemerkt door de econoom Harold Hotelling in 1929, die het fenomeen in dit artikel met uitbundig gebruik van wiskunde analyseerde. Chris Dillow verwijst ook naar Hotelling.

    Er moet wel aan bepaalde voorwaarden voldaan zijn. Als het om de politieke "markt" gaat, moeten de kiezersvoorkeuren op één dimensie (bijvoorbeeld links-rechts) te ordenen zijn en moeten ze min of meer normaal verdeeld zijn, dus met de meeste kiezers in het midden.

    Maar je kunt je ook een verdeling van klanten in de fysieke ruimte voorstellen. In feite deed Hotelling dat zelf, toen hij zich afvroeg waar twee winkeliers zich in een straat zouden vestigen. Allebei precies in het midden, dus tegen elkaar aan geschurkt. Want onder de aanname dat klanten altijd voor de dichtstbijzijnde winkel kiezen, zou de winkelier die zich van het midden zou verwijderen, meteen klanten aan de concurrent verliezen.

    Precies dat principe verklaart waarom onze stadscentra zo vercommercialiseerd zijn. En waarom winkelcentra aan zichzelf overgelaten de neiging hebben om zich te concentreren en uit te dijen. Waardoor er saaie woonbuurten ontstaan, waar voorzieningen ontbreken die naast een economische ook een sociale ontmoetingsfunctie hebben. Zie Steeds minder ontmoetingsplekken door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie.

    Conclusie: onder zulke voorwaarden zou interventie in de markt een optimale uitkomst dichterbij brengen. Dat zie je dus ook gebeuren. Stadsbesturen spannen zich in om kleinere winkelcentra te behouden en om horeca meer over de buurten te verspreiden. Zie Meer horeca, en dus ontmoetingsplekken, in de wijken - gemeente Utrecht.

    In dezelfde lijn zou je ook een pleidooi kunnen houden om televisiekanalen door een monopolist te laten uitbaten. Eventueel door een overheidsmonopolie. Ook als die zijn inkomsten uit reclame zou moeten halen, dan zou hij gemotiveerd zijn om het gehele spectrum van kijkersvoorkeuren te bestrijken. Want dat zou het meeste opleveren. En meer kijkers zouden aan hun trekken komen.

    Sterker: ik heb zo een pleidooi ooit gelezen, van de hand van een vurig aanhanger van het vrije marktprincipe. Die dus op basis van die analyse van Hotelling uit 1929 ontdekte dat een monopolie soms de voorkeur verdient. Ik weet alleen niet meer wie dat was en kan hem ook niet terugvinden.

    Overigens, Chris Dillow wijst er op dat dat tegen elkaar aanschurken soms ook slecht kan aflopen. Hij denkt dan aan die politieke partijen die allemaal op het midden gokken en daardoor bij de kiezers de indruk wekken dat "het toch allemaal een pot nat is". En die riskeren te worden weggevaagd als het kiezerslandschap ineens wordt omgegooid.

    En dat lijkt wel actueel te gaan worden. Update. Zie nu deze analyse van de verschuivingen in het Engelse kiezersvolk. Labour zou er goed aan doen om de afstand tot de Tories te vergroten.

    vrijdag 4 oktober 2013

    Waardoor komt hoogmoed vaak eerst aan de top voor hij voor de val komt?

    Hoogmoed als persoonseigenschap is een combinatie van narcisme, antisociale persoonlijkheidsstoornis en excessief zelfvertrouwen en zelfoverschatting. Maar het is een eigenschap die niet in elke sociale omgeving kan gedijen.

    Volgens Owen en Davidson (pdf) is het zelfs een eigenschap die zich kan ontwikkelen als de persoon in een machtspositie terechtkomt waarin hij/zij weinig tot geen weerwerk ondervindt en, mede daardoor, die positie gedurende lange tijd kan uitoefenen. Dat betekent dat hoogmoed het resultaat is van een sociaal proces, namelijk de ontwikkeling van een statushiërarchie. En dat betekent weer dat niet alleen de hoogmoedige verantwoordelijk is voor het bereiken van de top, maar dat die verantwoordelijkheid gedeeld wordt met alle anderen die die hiërarchie hebben laten ontstaan. Hoogmoed aan de top is de uitkomst van een sociaal proces.

    Hoe kan het dat mensen dat sociale proces zich laten voltrekken? Dat heeft er mee te maken dat we niet meer een samenleving hebben zoals die van de Paleo Sociale Omgeving. In die omgeving van egalitaire, persoonlijke relaties was de aanwezigheid van weerwerk altijd gegarandeerd. Hoogmoedig gedrag en daarmee het opeisen van voorrechten en het profiteren van anderen werd collectief onder de duim gehouden. De onderlinge afhankelijkheid maakte dat noodzakelijk. En zo werd de opkomst van een statushiërarchie voorkomen.

    Sinds de ontwikkeling van agrarische maatschappijen werkt dat sociale mechanisme niet meer. Zo konden koninkrijken en ongelijkheid, onderdrukking en slavernij ontstaan. Sinds de Industriële Revolutie en de daarmee toegenomen vraag naar menselijk kapitaal proberen we door algemeen kiesrecht, democratie en grondrechten een maatschappelijk stelsel te bouwen waarin dat weerwerk weer zoveel mogelijk institutioneel gewaarborgd is. Alleenheerschappij moet door de gegarandeerde aanwezigheid van countervailing powers (John Kenneth Galbraith) worden voorkomen. Niet alleen in de nationale staat, maar ook in organisaties en in de internationale wereldorde.

    Maar dat lukt maar beperkt. Organisaties kunnen door hoogmoedig geworden leiders te gronde worden gericht. En democratieën kunnen hoogmoedige leiders voortbrengen die pas ten val komen als veel schade al is aangericht (Thatcher, Blair, Bush Jr.) of als ze de democratie hebben ingewisseld voor een persoonlijke dictatuur, een nationale statushiërarchie (denk aan het Hitler-bewind).

    Wat mij betreft lijkt het er op dat het sociale proces waardoor hoogmoed aan de top komt, veel overeenkomst vertoont met de ontwikkeling van een sociale zeepbel. En sociale zeepbellen ontstaan in het publieke domein, waarover we altijd maar gebrekkig geïnformeerd zijn. We zijn als burgers maar heel beperkt in staat om ons een oordeel te vormen over wat het beste overheidsbeleid is. Er is een ontzagwekkend informatietekort en dat geldt zelfs voor politici. Toch moeten er besluiten worden genomen.

    Dat zijn de voorwaarden waaronder gemakkelijk sociale zeepbellen ontstaan. Een bepaalde opvatting, bijvoorbeeld die dat bezuinigen in een recessie een goed idee is, lijkt op een bepaald moment net iets serieuzer dan andere. En krijgt wat meer aanhang, waardoor anderen worden beïnvloed om zich er ook achter te scharen. De sociale beïnvloeding doet de rest.

    Maar hetzelfde proces kan zich afspelen als het er om gaat de beste leider te selecteren. We hebben geen idee, maar iemand die net iets serieuzer overkomt dan anderen, en vooral: die zeker van zichzelf is, krijgt al gauw wat aanhang. En die breidt zich door sociale beïnvloeding uit. In de trant van: als iemand zoveel aanhang heeft, dan moet daar toch wel iets in zitten? Zo kan een narcist aan de macht komen en een keer aan de top fataal hoogmoedig worden.

    Als je de geschiedenis in ogenschouw neemt, dan ga je wel eens denken: het is maar zó gebeurd. Niet een opwekkende gedachte. Daarom: blijven opletten!

    Update. Zie vandaag ook Chris Dillow's Mistaking Power For Virtue voor een verwant betoog.

    vrijdag 20 september 2013

    Participatiesamenleving in plaats van verzorgingsstaat? Niet of-of, maar en-en

    Is de verzorgingsstaat doorgeschoten? En moeten we toe naar een "participatiesamenleving"? Het lijkt er op dat Ronald Plasterk, minister van Binnenlandse Zaken, vanochtend in de Volkskrant die vragen bevestigend beantwoordt (De overheid kan niet elke grasspriet bijknippen).

    Lijkt, want een heel helder stuk is het niet. Aan de ene kant betoogt hij dat mensen meer moeten, en kunnen, doen en dat de overheid minder moet doen. Dat laatste omdat die daar de komende decennia niet het geld voor zou hebben.

    Maar aan de andere kant zegt hij dat de overheid als achtervang altijd volledig moet klaarstaan om er voor te zorgen dat "iedereen een fatsoenlijk leven kan leiden". Dat laatste, die opvatting dat het een zorg voor de overheid is dat iedereen een fatsoenlijk leven moet kunnen leiden, ja, dat is precies de ratio voor de verzorgingsstaat.

    Dus vraag je je af wat er nu eigenlijk aan de hand is. Wat zijn nu eigenlijk de redenen om te denken dat die verzorgingsstaat die Plasterk wil, en die wij met zijn allen willen en waarvoor we bereid zijn belasting te betalen, zo is doorgeschoten dat het een onsje minder moet? En we weer meer voor elkaar moeten doen?

    Allereerst, dat de verzorgingsstaat kan doorschieten is natuurlijk een gerechtvaardigde zorg. We hebben dat in het verleden meegemaakt. De Algemene Bijstandswet (ABW) die in 1965 het recht op bijstand regelde, maakte het al te gemakkelijk om bijstand te krijgen en te behouden. De wet moest daardoor veelvuldig worden aangepast. Datzelfde gold voor de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering van 1966. Beide maakten duidelijk dat de verzorgingsstaat ook te royaal en te naïef kan zijn ingericht. Zo ontstond het probleem van het misbruik en oneigenlijk gebruik van de sociale voorzieningen. Net als in de Paleo Sociale Omgeving zijn er in de verzorgingsstaat niet alleen rechten, maar ook plichten. En is er controle op profiteergedrag, het niet nakomen van die verplichtingen, nodig.

    Maar waarom zou de verzorgingsstaat nu, in 2013, een stapje terug moeten doen? Als ik het goed zie, nogmaals, zo helder is dat betoog niet, geeft Plasterk daar voor twee redenen: (1) het geld is er niet meer, en (2) door schaalvergroting en professionalisering van het maatschappelijk middenveld is de onderlinge hulpverlening en de zelforganisatie (de participatiesamenleving) verdrongen. Laten we bij beide redenen stilstaan.

    Dat het geld er niet meer is en er in de toekomst niet meer zal zijn, klopt niet. Die bewering kom je vaker tegen en hij lijkt gebaseerd op de gedachte dat het geld alleen in de particuliere sector, de markt, verdiend wordt en dat overheidsuitgaven alleen maar bestaan uit consumptie. Maar dat is natuurlijk niet zo. De aanwijzingen zijn juist dat de verzorgingsstaat een grote bijdrage heeft geleverd en levert aan onze economische welvaart. De verzorgingsstaat is niet een kostenpost, maar een investering. Zie nog eens mijn bericht met de link naar Chris Dillow, die de aanwijzingen in die richting noemt. In de periode dat de verzorgingsstaten werden opgebouwd, was de economische groei hoog. Datzelfde geldt voor de Scandinavische landen met een omvangrijke verzorgingsstaat. En de grotere inkomensgelijkheid van verzorgingsstaten blijkt er ook voor te zorgen dat die economische groei stabieler is. Die eerste reden vervalt. (En het is curieus om hem uit de mond te horen van een sociaaldemocraat.)

    Met die tweede reden gaat Plasterk er van uit dat de verzorgingsstaat de onderlinge hulpverlening zou verdringen. Dat is het bekende crowding out-effect. Het veronderstelt dat de menselijke motivatie om anderen te helpen alleen instrumenteel is. In de zin dat als anderen, de overheid, die hulp al geeft, dat dan de motivatie verdwijnt. De overheid doet het al, dus dan hoef ik niet meer.

    Maar de aanwijzingen zijn dat de menselijke sociale natuur anders in elkaar zit. Mensen willen graag helpen omdat de daad van het helpen hen voldoening geeft. Dat is het zogenaamde warm glow-model. Bovendien werkt daarbij de sociale beïnvloeding: jouw neiging om te helpen wordt bevorderd als je anderen ziet helpen. Dat versterkt gevoelens van onderlinge solidariteit en van "dat doen wij voor elkaar". Pro-sociaal gedrag is besmettelijk. En dus kan ook de overheid het goede voorbeeld geven. Want de overheid, dat zijn wij met zijn allen.

    Dat pleit voor het bestaan van het crowding in effect: de verzorgingsstaat gaat juist samen met meer onderlinge hulpverlening. Zie ook, met dank aan Chris Dillow, Peter Linderts' Private Welfare and the Welfare State (pdf).

    Dit alles laat onverlet dat er andere maatschappelijke ontwikkelingen kunnen zijn die onderlinge hulpverlening en "participatie" hebben tegengewerkt. Zoals schaalvergroting van voorzieningen en openbaar bestuur, uitzwerming, woon-werkafstand, functiescheiding en de televisie, allemaal ontwikkelingen die eenzaamheid en sociaal isolement van gezinnen hebben bevorderd. De belangrijkste factor die pro-sociaal gedrag in de hand werkt, is het hebben van een groot sociaal netwerk van persoonlijke relaties. Maar dat zijn andere ontwikkelingen dan die van de groei van de verzorgingsstaat.
    Update. Zie ook het vervolgbericht voor meer aanwijzingen voor en-en: Participatiesamenleving en verzorgingsstaat: niet of-of, maar en-en? Meer aanwijzingen voor en-en.

    woensdag 24 april 2013

    De vrije markt zorgt niet voor volledige werkgelegenheid - Stumbling and Mumbling: Unemployment & the free market

    Chris Dillow laat zien hoe de werkloosheid in het Verenigd Koninkrijk tussen 1855 en 1914 sterk fluctueerde. Zie de link onderaan. Dat was de periode dat het marktmechanisme behoorlijk vrij zijn werk kon doen. En hij maakt daar uit op dat de vrije markt op zich niet in staat is om voor volledige werkgelegenheid te zorgen. Met andere woorden, dat daar een taak is weggelegd voor de overheid. En het is dus niet zo dat werkloosheid een gevolg is van werkloosheidsuitkeringen, van een te grote overheid en te hoge belastingen of van rigide lonen. Nee, het ontbreken van volledige werkgelegenheid en het bestaan van massawerkloosheid zijn inherent aan de werking van de vrije markt. Het is wel goed om dat te beseffen.

    Stumbling and Mumbling: Unemployment & the free market:

    'via Blog this'

    woensdag 27 februari 2013

    Door meer geld hebben we meer te kiezen. Daardoor maakt geld niet gelukkig - Chris Dillow

    Meer geld maakt niet gelukkig. Dat wil zeggen, een inkomensstijging maakt maar heel weinig gelukkiger. Hoe kan dat? Chris Dillow (van Stumbling and Mumbling) heeft altijd intelligente blogberichten. Vandaag besteedt hij aandacht aan de mogelijkheid dat een stijging van inkomen ook altijd gepaard gaat met een toename van keuzemogelijkheden. Zie de link onderaan.

    Dat houdt in dat we bij elke keuze die we maken, nadat ons inkomen is vergroot, meer opties in ogenschouw nemen die we niet hebben gekozen en die we misschien wel ten onrechte niet hebben gekozen. Economisch gezegd, we hebben meer redenen om stil te staan bij de opportuniteitskosten van onze keuze. En dat zou wel eens ons geluksgevoel in de weg kunnen zitten.

    Chris noemt vijf bevindingen van het geluksonderzoek die met deze mogelijke verklaring overeen komen. Bijzonder interessant vind ik de laatste (mijn vertaling):
    Geluk komt van "flow" - het jezelf verliezen in een activiteit. Een reden hiervoor is dat als we ons in iets onderdompelen, we het besef kwijtraken van de andere dingen die we zouden kunnen doen, terwijl we als we minder intensief iets doen (bijvoorbeeld televisiekijken) we ons juist heel goed van de opportuniteitskosten bewust zijn.
    En: de mogelijkheden om flow te ervaren, zijn misschien maar weinig afhankelijk van hoeveel geld je hebt.

    Stumbling and Mumbling: Happiness vs options:

    'via Blog this'

    zaterdag 10 november 2012

    Politiek moet meer in dienst staan van belangen van kiezers en minder in dienst van hun voorkeuren - Chris Dillow

    Er wordt vaak geklaagd over de kloof tussen politici en burgers. Maar als daarmee wordt bedoeld dat politici (nog) meer gewoon moeten doen wat de kiezers willen, wat hun voorkeuren zijn, dan krijgen we (nog) meer een X-Factor politiek.

    Daarom pleit Chris Dillow (van het blog Stumbling and Mumbling) er voor dat politici zich juist meer richten op de belangen van de kiezers. Daarmee er op wijzend dat wat kiezers willen in strijd kan zijn met hun eigen belangen. Zie de link onderaan dit bericht. En om dat goed te kunnen doen, moeten politici juist veel meer dan ze nu doen te rade gaan bij inhoudelijke deskundigheid en empirische evidentie. Het probleem dat ze dat te weinig doen is misschien een ernstiger probleem dan dat ze te weinig naar de kiezers luisteren. Politici moeten het de kiezers vertellen als ze denken dat die het met wat ze willen, bij het verkeerde eind hebben. Chris geeft dit citaat van Edmund Burke (het dateert van 1774) (mijn vertaling):
    Uw vertegenwoordiger is aan u niet alleen zijn ijver verplicht, maar ook zijn oordeel; en hij verraadt  u in plaats van dat hij u dient, als hij dat oordeel opoffert aan uw mening...
    Mooi citaat! Chris eindigt met (zonder links; weer mijn vertaling):
    .. ik ben bang dat degenen die willen dat politici dichter bij de kiezers staan eigenlijk willen dat politici zich meer ondergeschikt maken aan wat de kiezers willen. Dit brengt het gevaar met zich mee van het vervallen in X Factor politiek - een slecht-geïnformeerde keuze tussen een beperkt veld van incompetente kandidaten, waarvan de winnaar snel vervaagt in teleurstellende middelmatigheid.
    Moet de politiek in een wereld waarin keizers (rationeel?) onwetend zijn over het beleid, werkelijk alleen maar een andere vorm zijn van marketing en consumentenkeuze?
    Een noodzakelijke voorwaarde voor een oriëntatie van politici op de belangen van de kiezers is dat ze het belangrijk vinden om zich heel goed te informeren. Dus belangstelling aan de dag leggen voor wat deskundigen op basis van analyses van de evidentie te vertellen hebben. Gewoon goed geïnformeerd willen zijn.  Zonder uiteraard een garantie dat ze dan altijd de juiste beslissingen nemen. En uiteraard is altijd het laatste woord aan de kiezers. Maar dan ook goed geïnformeerd door die politici die eerst de moeite hebben genomen om zichzelf goed te informeren.

    Dit alles doelt uiteraard ook op de ongeïnformeerdheid van de Europese leiders waardoor de economische crisis vele malen meer schade en lijden aanricht dan nodig was geweest.

    Stumbling and Mumbling: Interests or preferences?:

    'via Blog this'

    woensdag 12 september 2012

    Had ik vandaag niet beter op een vrouw kunnen stemmen?

    Mannen vertonen, gemiddeld genomen, meer machismo of macho-gedrag dan vrouwen. Dat wil zeggen dat ze overmoediger zijn, dus te snel en te gemakkelijk geloven dat ze het bij het rechte eind hebben. Omdat overmoedigheid ook een eigenschap is van narcisten, is er een overlap tussen macho-gedrag en narcisme. Daarbij nemen mannen ook meer risico. Dat zijn geen eigenschappen die we gemakkelijk in verband brengen met verstandige besluitvorming.

    Chris Dillow (zie link onderaan dit bericht) vraagt zich dan ook af hoe het komt dat mannen zo oververtegenwoordigd zijn in leidinggevende functies, in het bedrijfsleven zowel als in de politiek. Terwijl er aanwijzingen zijn dat bedrijven het beter doen met meer vrouwelijke leidinggevenden. En aanwijzingen dat een groter aandeel vrouwen in het parlement bevorderlijk is voor economische groei in een land.

    Nu ben ik niet onvoorwaardelijk voorstander van meer economische groei. Maar de groei moet, zeker in een tijd van economische recessie, wel genoeg worden bevorderd om het kwaad van de werkloosheid terug te dringen. Dus moeten we vandaag maar liever op een vrouwelijke kandidaat stemmen. (Ik heb al gestemd en kan dat dus niet meer terugdraaien.)

    De theorie van Chris Dillow is dat wij als kiezers van politici niet verlangen dat ze tot verstandige besluitvorming in staat zijn. Wat dus zou inhouden dat ze niet overmoedig zijn en een besef hebben van onzekerheden. Nee, wat we van politici willen is een (vals) gevoel van zekerheid. We willen een "sterke leider" met een "heldere visie". Die overtuigd is van zijn eigen gelijk. Zijn eigen gelijk.

    Stumbling and Mumbling: The machismo paradox:

    'via Blog this'

    maandag 20 augustus 2012

    Sociale beïnvloeding, meer evenwichten en de complexiteit van de sociale wetenschappen

    Mooi stukje van Chris Dillow over de grote rol van sociale beïnvloeding in sociale processen. Zie de link onderaan dit bericht. Door het gemak waarmee mensen zich door anderen laten beïnvloeden, kunnen er in het sociale leven verschillende evenwichten ontstaan. Zoals een "gemeenschapsevenwicht" of een "statuscompetitie-evenwicht". En een evenwicht waarin iedereen bescheiden is en een waarin iedereen zichzelf verheft.

    Op zich is dat niet zo'n bijzonder inzicht. Het is, denk ik, in het verloop van de laatste tientallen jaren bijzonder geworden door de grote invloed van de neo-klassieke economie op het sociaal-wetenschappelijk denken. Volgens die neo-klassieke economie tendeert de markt altijd naar één evenwicht en is dat ook nog eens precies het goede (Pareto-optimale) evenwicht.

    Bedenk daarbij wel dat er juist ook in de sociologie een neiging heeft bestaan (en nog bestaat?) om op die manier te denken over maatschappelijke verandering. Ik doel op het functionalisme van Talcott Parsons en anderen. Elke verandering zorgt weer vanzelf voor een terugkoppeling die weer een nieuw evenwicht tot stand zou brengen. Dat werd heel concreet in het werk van Eugene Litwak, een leerling van Parsons, die in de jaren vijftig zoiets betoogde als dat alles altijd weer goed komt. De uitgebreide familie verdwijnt doordat kinderen verder van hun ouders weg gaan wonen, maar dat is niet erg, want, kijk, op het zelfde moment komt er de telefoon en kunnen mensen elkaar bellen. En de onderlinge hulpverlening? Grootouders die even bijspringen? Volwassen kinderen die de ouders een handje helpen (wat we nu mantelzorg noemen)? Nou, dat kan nu gewoon door geld over te maken. Er gaat nooit iets verkeerd of achteruit....

    Maar, zoals Chris Dillow zijn bericht afsluit, de problemen van de sociale wetenschappen zijn zo `vervloekt ingewikkeld`. Je komt er niet met een één-evenwicht-manier-van-denken.

    Stumbling and Mumbling:

    'via Blog this'

    vrijdag 17 augustus 2012

    De verzorgingsstaat is (ook) een investering - Chris Dillow

    Er valt heel veel meer over te zeggen. Maar Chris Dillow (van het blog Stumbling and Mumbling) kan het ook kort zeggen: de verzorgingsstaat is (ook) een investering. Zie de link hieronder.

    Ook als een vervolg op dit bericht.

    Stumbling and Mumbling: Welfare states as investments:

    'via Blog this'