Posts tonen met het label zelfwaardering. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zelfwaardering. Alle posts tonen

dinsdag 17 maart 2015

Wat is het verschil tussen narcisme en zelfwaardering?

We hebben gezien dat ouders de neiging tot narcisme van hun kind kunnen aanwakkeren door het op te hemelen, dat wil zeggen door het uitbundig te prijzen. Zie Door ouders opgehemeld worden vergroot kans op narcisme bij kinderen.

Maar hoe zit dat met de positieve zelfwaardering van kinderen? Hoe verschilt dat van narcisme? En hebben ouders ook invloed op die zelfwaardering? We kunnen daar iets over zeggen omdat de onderzoekers van de studie Origins of Narcissism in Children bij de ondervraagde kinderen naast een test voor narcisme ook een test afnamen voor zelfwaardering.

In het vorige bericht (volg link in de eerste alinea) vind je de tien uitspraken waarmee de mate van narcisme werd vastgesteld. Van de test voor zelfwaardering die de onderzoekers afnamen, noemen ze slechts een uitspraak als voorbeeld ("kids like me are happy with themselves as a person”). Zonder dus de hele test op te nemen. Een vollediger indruk van wat zelfwaardering inhoudt krijg je als je naar de veel gebruikte Rosenberg Self Esteem Scale kijkt:
I feel that I am a person of worth, at least on an equal plane with others.

I feel that I have a number of good qualities.

All in all, I am inclined to feel that I am a failure.

I am able to do things as well as most other people.

I feel I do not have much to be proud of.

I take a positive attitude toward myself.

On the whole, I am satisfied with myself.

I wish I could have more respect for myself.

I certainly feel useless at times.

At times I think I am no good at all. 
De indruk die je daarvan krijgt is dat zelfwaardering sterk overlapt met wat je een realistisch zelfbeeld zou kunnen noemen. De kans is vrij groot dat jij noch in het negatieve noch in het positieve extreem afwijkt van anderen. En dat komt sterk tot uitdrukking in de zelfwaarderingstest. Je hoeft niet op jezelf neer te kijken. Maar ook niet bijzonder trots op jezelf te zijn. Zelfwaardering dus.

En dat verschilt flink van narcisme, wat o.a. inhoudt dat je jezelf "speciaal" vindt, een "groot voorbeeld voor anderen" en dat je er vaak in slaagt om van anderen bewondering te krijgen. Bekend is de gedachte dat een hoge zelfwaardering betekent dat je goed over jezelf denkt, terwijl narcisme inhoudt dat je er hartstochtelijk naar streeft om goed over jezelf te denken. 

Bovendien heeft narcisme sterk negatieve gevolgen voor anderen. Denk nog even aan de omschrijving van narcisme in het bericht De donkere drie: psychopathie, narcisme en Machiavellianisme:
Narcisme is de neiging tot een grandioos en overdreven positief zelfbeeld, gepaard met een negatieve kijk op anderen. Narcisten zijn extreem ijdel, zoeken aandacht en bewondering, voelen zich superieur, claimen gezag en privileges en ze zijn exhibitionistisch, opschepperig en manipulatief.
Hebben ouders ook invloed op de kans dat hun kind een positieve zelfwaardering ontwikkelt? En hoe kunnen ze daar aan bijdragen?

Uit dat onderzoek dat ik hierboven noem blijkt dat als ouders hun kind accepteren, warmte geven en hun liefde laten blijken, ze de kans op positieve zelfwaardering vergroten. Acceptatie, liefde en warmte, zoals ervaren en later gerapporteerd door het kind, vergroot wel de kans op zelfwaardering en integendeel niet de kans op narcisme. En andersom vergroot uitbundig prijzen de kans op narcisme en niet de kans op zelfwaardering.

vrijdag 23 augustus 2013

De neiging tot gemeenschapsgedrag is goed voor je (maar dat zou er van af kunnen hangen met wie je omgaat)

De neiging tot gemeenschapsgedrag maakt dat je je beter voelt, dat je tevredener bent met jezelf en met je relaties en daarin meer liefde ervaart. Het is zelfs zo dat je meer liefde op kunt brengen voor de gehele mensheid.

Dat komt naar voren uit de studie The Personal and Interpersonal Rewards of Communal Orientation (pdf). De onderzoekers lieten proefpersonen vier weken lang een dagboek bijhouden, nadat ze een vragenlijst hadden ingevuld waarin o.a. die neiging tot gemeenschapsgedrag (communal orientation) werd gemeten. Die maat bestond uit een aantal stellingen waarmee je het eens of oneens kon zijn, over je neiging om anderen te helpen (zoals "Ik stel vaak alles in het werk om anderen te helpen") en om datzelfde ook van anderen te verwachten (zoals "Als ik ergens behoefte aan heb en anderen negeren dat, dan voel ik mij gekwetst"). In dat dagboek noteerden ze per dag hoe ze zich voelden (met vier positieve en vier negatieve emoties), hoe goed ze over zichzelf dachten (zelfwaardering of self-esteem), hoe tevreden ze waren met hun relaties, hoeveel liefde ze ervoeren in die relaties en of ze liefde voor de mensheid als geheel voelden.

Uit de statistische analyses bleek toen dat degenen met meer neiging tot gemeenschapsgedrag een hogere zelfwaardering hadden, tevredener waren met hun relaties en meer liefde voelden in hun relaties en met betrekking tot de mensheid als geheel. En het bleek dat die verbanden tot stand kwamen via hoe goed ze zich voelden (meer positieve en minder negatieve emoties).

Interessant is dat toen de onderzoekers dat gemeenschapsgedrag uit elkaar haalden en de analyses apart deden voor de neiging om anderen te helpen en de neiging om hulp van anderen te verwachten, bleek dat de verbanden alleen bleven bestaan met die neiging om anderen te helpen. Het is dus allereerst die hulpbereidheid, de bereidheid tot pro-sociaal gedrag, die samengaat met dat zich beter voelen en met die grotere tevredenheid en het ervaren van liefde. Hoewel het voor de hand ligt om ook hulp van anderen te verwachten als je zelf graag anderen helpt, ga je je niet beter voelen etc. hoe meer je die hulp verwacht.

Opvallend is in dat verband dat de onderzoekers niet ingaan op de mogelijkheid of wat mij betreft waarschijnlijkheid dat degenen met een grote neiging tot gemeenschapsgedrag ook vooral relaties hadden met anderen met dezelfde neiging. Het ligt voor de hand te verwachten dat gemeenschapsmensen meer een voorkeur hebben voor het omgaan met andere gemeenschapsmensen.

Dat verwijst naar dat complexe zoek- en selectieproces dat zich in maatschappijen als de onze onophoudelijk afspeelt en waar ik het eerder over had (waar, dat moet ik even weer opzoeken). En het zou kunnen dat juist die sociale homogeniteit, gemeenschapsmensen gaan om met gemeenschapsmensen (waardoor statuscompetitiemensen het maar zelf moeten uitzoeken), maakt dat die neiging tot gemeenschapsgedrag zulke aangename gevolgen heeft. Dat zou dan niet de uitkomst zijn van een individueel, maar van een sociaal proces. Het zou er dus van afhangen met wie je omgaat.

woensdag 10 april 2013

Niet alleen verlegen zijn, maar ook de leeftijdshomogene groep, maakt eenzaam

Zijn het alleen de verlegen en kwetsbare jongeren die zich eenzaam voelen? Of hangt de kans op eenzaamheid ook af van wat er in de groep gebeurt waar kinderen in terecht komen? Zoals de groep van de schoolklas?

De Leuvense onderzoekers Janne Vanhalst, Koen Luyckx en Luc Goossens hebben die vraag proberen te beantwoorden in hun pas verschenen studie Experiencing Loneliness in Adolescence: A Matter of Individual Characteristics, Negative Peer Experiences, or Both? (betaalpoort). Ze laten zien dat kinderen die verlegen zijn of een lage zelfwaardering hebben, een grotere kans hebben om zich eenzaam te voelen. Oké, maar belangrijk is wat daarnaast in de groep gebeurt, want dat heeft een zelfstandige invloed op de kans op eenzaamheid. Nog los van of je verlegen bent of een lage zelfwaardering hebt, vergroten het niet door anderen geaccepteerd worden en het gepest worden de kans dat je je eenzaam voelt. 

Eenzaamheid is dus niet zomaar een rechtstreeks gevolg van hoe jij bent, of je wel of niet verlegen bent of wel of niet tevreden met je zelf bent. Nee, het is daarnaast ook een uitkomst van het groepsproces. En dus is het een kwestie van geluk of pech in welke groep je terecht komt. En zo kun je je dus ook eenzaam voelen als je niet verlegen bent of niet een lage zelfwaardering hebt. Je hebt dan gewoon pech gehad.

De groep doet er dus toe. Maar welke groep? In dit onderzoek ging het om de schoolklas. (Het ging om adolescenten van gemiddeld tegen de 16 jaar oud.) Wat de onderzoekers dus in feite hebben vastgesteld is dat het deel uit maken van een naar leeftijd homogene groep een bijdrage levert aan de kans op eenzaamheid. 

Wat zou het mooi zijn als we wat vaker onderzoek zien waarin een vergelijking mogelijk is met naar leeftijd gemengde groepen. Zoals gebeurde in de Amerikaanse studie Children's Social Behavior in Relation to Participation in Mixed-Age or Same-Age Classrooms, waar ik eerder naar verwees. Want dat wijst er op dat zulke gemengde groepen sociaal veel beter functioneren. Waardoor de kans op eenzaamheid kleiner is, of je nu verlegen bent of negatief over je zelf denkt of niet. Hoe het met je gaat, is dan wat minder afhankelijk  van pech hebben of geluk hebben.