Posts tonen met het label spiegelneuronen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label spiegelneuronen. Alle posts tonen

donderdag 23 februari 2023

Over de rol van spiegelneuronen in het vermogen om adequaat te reageren op veiligheid of onveiligheid van de omgeving

Mensen zijn biologische organismen en zijn dus in het verleden geselecteerd op eigenschappen die gemiddeld genomen bijdragen aan overleving en reproductie. Tot die eigenschappen behoren in ieder geval de vermogens om de omgeving te scannen op veiligheid dan wel onveiligheid en de vermogens om op de uitkomsten van die scan adequaat te reageren. Als er genoeg voedsel binnen bereik is, dan is er veiligheid. Blijf waar je bent. Ga niet in het wilde weg op stap, want dan gebruik je energie en je kunt ergens terecht komen waar minder voedsel is. Meer in het algemeen is vertrouwdheid met je omgeving een signaal van veiligheid, want je hebt immers tot nu toe kunnen overleven waar je nu bent.

Een aspect van de omgeving is de aanwezigheid van soortgenoten en hun gedrag. Want soortgenoten kunnen concurrenten zijn in de strijd om het bestaan, maar ze kunnen ook partners zijn om mee samen te werken in ieders belang. Of mogelijke of actuele seksuele partners. Of je eigen kinderen. Dat alles goed te kunnen onderscheiden, is natuurlijk cruciaal voor je overleving en reproductie. 

Precies dat gegeven is verwerkt in de eerste twee stellingen van de Dual Mode-theorie. Die houden samen in dat er in de menselijke sociale natuur twee gedragspatronen klaarliggen om bij het opgroeien gemakkelijk aan te leren, het gemeenschapspatroon en het statuscompetitiepatroon. En dat mensen het gemeenschapspatroon volgen als er aanwijzingen zijn dat anderen hetzelfde doen, dus als de omgeving veilig is, en het statuscompetitiepatroon als er aanwijzingen zijn dat anderen hetzelfde doen, dus als de omgeving onveilig is. In het eerste geval zal er samenwerking volgen, in het tweede geval competitie om status en een statushiërarchie. (Volgens de derde stelling van de theorie zijn mensen in het eerste geval beter af.)

We zagen ook dat het volgen van het gemeenschapspatroon samen gaat met de activering van het sociale betrokkenheidssysteem van ons autonome zenuwstelsel. We vertrouwen anderen, zijn hen goedgezind en staan open voor samenwerking. En dat het volgen van het statuscompetitiepatroon samen gaat met, afhankelijk van de omstandigheden en de individuele geschiedenis, de vechtreactie, de vluchtreactie of de immobilisatie met angst (het bevriezen of verstijven).

Het is dus heel belangrijk om goed te kunnen bepalen hoe de anderen in je omgeving zich gedragen en wat ze van plan zijn. Als je fout zit, laat je misschien mogelijkheden voor gunstige samenwerking onbenut voorbij gaan. Of stel je je kwetsbaar op en begin je de competitie om status met een achterstand.

Wat zijn eigenlijk de vermogens die hier een rol spelen? Wat bepaalt hoe goed jij bent in het inschatten van anderen? En in het adequaat op die inschatting reageren? Is dat afhankelijk van je ervaringen in het verleden en moet je helemaal door schade en schande wijs worden? Of heeft de evolutie ervoor gezorgd dat je op deze uitdaging al bent voorbereid?

Voor dat laatste komt er nu een aanwijzing uit een nieuw onderzoek naar spiegelneuronen: Hypothalamic neurons that mirror aggression. 

Spiegelneuronen kwamen we op dit blog al eerder tegen. We zagen dat ze een rol spelen in ons vermogen tot empathie. Doordat ze er voor zorgen dat als wij iemand iets zien doen, in onze hersenen de pre-motorische gebieden actief zijn die dat ook zouden zijn (maar dan nog meer) als wij zelf die handeling zouden verrichten. Deze spiegelactiviteit speelt zich af zonder dat wij daar een bewust besef van hoeven te hebben. Het gebeurt automatisch. Of je moet grote moeite doen om het te voorkomen. 

Dat je begrijpt wat iemand doet of dat je je inleeft in iemand, wordt er dus erg door bevorderd door dat je in je hersenen, in je spiegelneuronen, een beetje hetzelfde doet wat die ander aan het doen is. Zie Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (5): (pro-) socialer zijn dan je denkt dat je bent. En zie ook Spiegelneuronen, nadenken en intuïtie. Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (9), waarin ik uitleg wat de ontdekking van spiegelneuronen voor mijn eigen denken betekende.

Er is al wel onderzoek geweest bij mensen naar de rol van spiegelneuronen in het begrijpen van gedrag, in nabootsing, sociale cognitie, aanleren van vaardigheden en zelfs het kijken naar kunst. Maar niet naar  de mogelijke rol ervan in het scannen van de omgeving op veiligheid dan wel onveiligheid, wat in de polyvagaaltheorie neuroceptie wordt genoemd. Precies dat gebeurt in dat nieuwe onderzoek, niet bij mensen, maar bij muizen. (Met inachtneming van de richtlijnen en protocollen van het universitaire Institutional Animal Care and Use Committee.)

De onderzoekers vonden dat bepaalde neuronen (VMHvl PR neuronen) die deel uitmaken van een sector van de ventromediale hypothalamus die bekend staat als het attack center, niet alleen actief zijn als de muis zelf agressief is, maar ook als hij agressie waarneemt tussen andere muizen. Bovendien was de activiteit van deze neuronen cruciaal voor het met agressie reageren op waargenomen agressie. 

Anders gezegd, in een evolutionair oud hersengebied blijkt zich een spiegelneuronensysteem te bevinden dat betrokken is bij het scannen van de omgeving op onveiligheid (agressie van anderen) dan wel veiligheid. Er is een overlap van agressieneuronen en waarnemingsneuronen. Het is voor het eerst dat dit is aangetoond.

Dat doet zacht gezegd vermoeden dat er ook bij mensen dat evolutionair oude spiegelneuronensysteem ten grondslag ligt aan het vermogen om snel (neuroceptie) en adequaat te reageren op de veiligheid of onveiligheid van de sociale omgeving. Met gemeenschapsgedrag (sociale betrokkenheid) op het waargenomen gemeenschapsgedrag van anderen. En met statuscompetitiegedrag (vechten, vluchten of immobilisatie) op het statuscompetitiegedrag van anderen. Stelling 2 van de Dual Mode-theorie vindt ondersteuning in de aanwijzingen voor de aanwezigheid van dat spiegelneuronensysteem.

dinsdag 14 juni 2022

Hoe komt het dat we elkaar meestal zo gemakkelijk begrijpen? Over het onderzoek naar spiegelneuronen.

Hoe kan het dat wij elkaar, meestal, zo gemakkelijk begrijpen? Dat we "aanvoelen" hoe iemand zich voelt en wat hij/zij probeert te doen?

Voor de ontdekking van spiegelneuronen dacht ik, en anderen die daarover nadachten, dat het iemand begrijpen een denkproces was, een mentallisatie, een proces van je voorstellen dat je in de positie verkeert van de andere persoon en dan "bedenken" welke gedachten je zou hebben en wat je zou voelen. 

Maar nu weten we dat we zijn toegerust met spiegelneuronen die niet alleen actief zijn, in de premotorcortex, als we zelf gaan handelen, maar ook als we iemand anders een handeling zien uitvoeren. Zonder daar bewust bij stil te staan, spiegelen we de handeling van de ander in onze hersenen, in het spiegelcircuit, waardoor we die handeling zelf ook direct ervaren. We "weten" meteen wat de ander aan het doen is, omdat we dat in ons eigen lichaam ervaren. 

Natuurlijk zijn we ook in staat tot begrip op grond van bewust nadenken, maar dat nadenken is er meestal niet voor nodig. Bedenk ook hoe omslachtig het zou zijn als we altijd maar zouden moeten nadenken over wat een ander aan het doen is en wat zij daarbij voelt. Een sociaal leven zoals wij dat kennen, zou onmogelijk zijn. Zie het bericht Spiegelneuronen, nadenken en intuïtie over de grote betekenis van de ontdekking van spiegelneuronen. 

Spiegelneuronen werden in 1992 ontdekt. Een van de onderzoekers vertelt er hier over. Dat gebeurde in een laboratorium van de Universiteit van Parma in Italië. Zie Understanding motor events: a neurophysiological study. 

Die ontdekking was zo baanbrekend dar er een lawine van onderzoek door in gang werd gezet. Antonella Tramacere, Telmo Pievani en Pier F. Ferrari gaven daarvan in 2017 een overzicht, met als invalshoek de vraag hoe en wanneer spiegelneuronen in de loop van de evolutie zijn ontstaan: Mirror neurons in the tree of life: mosaic evolution, plasticity and exaptation of sensorimotor matching responses. De tweede van die drie auteurs kwamen we in het vorige bericht tegen, waarin ik vertelde over een bezoek aan Pistoia. De vraag of het meer dan toeval is dat het onderzoek naar spiegelneuronen zo verbonden is met Italië probeer ik maar niet te beantwoorden.

Al dat onderzoek heeft o.a. opgeleverd dat we spiegelneuronen in hersengebieden kunnen lokaliseren (bij makaken, chimpansees, zijdeaapjes, mensen en zangvogels) en dat de werking ervan is aangetoond als het gaat om de waarneming van bewegingen van handen en mond en het horen van stemmen en bij zangvogels van zingen door soortgenoten. Dat laatste wijst erop dat spiegelneuronen in de evolutie waarschijnlijk twee keer onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan (convergente evolutie). 

Dat spiegelneuronen zijn ontstaan, moet er wel op wijzen dat de werking ervan evolutionaire voordelen heeft gehad, die wel te maken moeten hebben met communicatie ten behoeve van onderlinge coördinatie en samenwerking. En het doet vermoeden dat ze het verst zijn ontwikkeld bij het groepsdier bij uitstek: mensen. En daarmee een cruciale rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van het taalvermogen en van het opvallend grote vermogen tot samenwerking en het coöperatief grootbrengen van kinderen (gemeenschapsgedrag).

vrijdag 17 januari 2020

Is zelfbewustzijn iets wat onze hersenen leren om te doen? - deel 3

Dat zelfbewustzijn iets is wat onze hersenen leren om te doen, is niet een gekke gedachte als je bedenkt dat leren en ergens wel of niet een besef van te hebben met elkaar in verband blijven staan ook nadat het zelfbewustzijn is ontwikkeld. Zie hier het vorige bericht.

De auteurs van Learning to be conscious illustreren dat met het voorbeeld van het effect van verworven expertise. Als je geen wijnkenner bent, kun je natuurlijk wijn proeven. Maar als je door vaak te proeven wijnkenner bent geworden, proef je, en heb je een besef van, allerlei smaakeffecten die je eerst niet had. Je hebt geleerd je ergens van bewust te zijn. In de trant van "O ja, nu proef ik kersen, dat had ik eerst niet door."

Andersom kun je iets ook zo goed geleerd hebben dat er een "automatische piloot" gaat werken, die maakt dat je je niet meer echt bewust bent van wat je doet.  Dat merk je bijvoorbeeld bij een fietstochtje over een bekend parcours als je je ineens realiseert dat je net een flink stuk van dat parcours hebt afgelegd waarvan je je niets kunt herinneren. Je hebt er geen bewustzijn bij gehad. Of je merkt het doordat die automatische piloot een foutje heeft gemaakt. Ik ging lang geleden eens met de auto naar mijn werk terwijl ik dat altijd op de fiets deed. Bij stoplichten links afslaand stuurde mijn automatische piloot mij het fietspad op. Na zo'n honderd meter drong dat tot mijn bewustzijn door, schrok ik en kon ik gelukkig snel de weg weer op.

Dat verband met leren wijst er op dat je naar zelfbewustzijn moet kijken in het kader van de aanpassing aan de omgeving. Voor die aanpassing hebben je hersenen informatie over die omgeving nodig, voor de verwerking waarvan niet per se bewustzijn nodig is. Ook voor je bewustzijn was "doorgebroken" toen je bijna twee jaar was, had je al leren lopen. En een stukje fietsen op de automatische piloot blijkt heel goed te kunnen.

In termen van de auteurs gaat het om de tussenliggende afbeeldingen van de werkelijkheid, dus tussen die van het onbewuste leren en die van de automatische piloot, waar we ons expliciet van bewust zijn en die in het kader staan van de bewuste controle over ons gedrag.

Bewustzijn houdt dus in dat we een afbeelding tot onze beschikking hebben (een meta-afbeelding) van een afbeelding van de werkelijkheid die we door waarneming en ons eigen gedrag onbewust geleerd hebben. De auteurs illustreren dat met de volgende twee plaatjes.


Links zien we hoe het ontstaan van zo'n meta-afbeelding er uit zou kunnen zien. In het blauwe vak leren de hersenen een onbewust afbeelding van de werkelijkheid te maken. Je ziet wat, je loopt er om heen of je manipuleert het en die informatie verwerk je tot een afbeelding. Alles nog onbewust. En alles in het kader van de succesvolle aanpassing aan de omgeving, waarbij het noodzakelijk is om de wereld te kennen. Om te weten waar je je op welk moment het beste kunt bevinden. Om te weten of de situatie veilig dan wel gevaarlijk is. En dus om te weten wat je moet doen.

Van die afbeelding ontstaat een meta-afbeelding, het bruine vak. Rechts zie je hoe de opstapeling van zulke afbeeldingen en meta-afbeeldingen door de tijd heen met elkaar gaan samenhangen, geïntegreerd worden, tot een globale werkruimte, een beeld van jezelf in de wereld.

Merk op dat er in het linker plaatje boven langs een lus loopt die self-other loop genoemd wordt. En die is essentieel in het gehele proces. Want die interactie met anderen leidt er toe dat je een afbeelding kunt maken van iemand zoals jij zelf, van een "ik" die model kan staan voor jouw "ik". En van waaruit je naar jezelf kunt kijken. Met als uitkomst jouw zelfbewustzijn. Hier een wat langer citaat:
This third, ‘self–other loop’, we argue, is the scaffolding that makes it possible for an agent to redescribe its own activity to itself [92]; for now it is endowed with an (implicit, unconscious, enactive, embodied) internal model of what it takes to be an agent [93], precisely what social theories of consciousness have proposed [19., 20., 21.]. This proposal is supported by the hypothesis that theory of mind [94,95] can be understood as rooted in the very same mechanisms of predictive redescriptions as involved when interacting with the world or with oneself [18]. Rather than seeing such redescriptions as internally generated, qualitatively different representations of discrete knowledge about the world, the ‘social’ redescription is an ongoing learning process driven by increasingly complex interactive contexts [96], such as when moving from dyadic to triadic interaction, for instance [97]. Social context as a driving force for learning has, indeed, been recognized in language learning [98], child development [99], and social cognition [100].
Thus, something unique happens when a developing agent has models of itself available to it [18] in the form of other agents, of which it can infer the unobservable internal states merely by interacting with them [101,102]. Selves are thus embodied, virtual, and transparent renditions of the underlying biological machinery [103] that produces them and emerge progressively over development as a mandatory consequence of dynamic interactions with other agents [19,92]. (…)
In this light, the social world is thus instrumental in generating conscious experience, for something special happens when we try to build a model of the internal, unobservable states of agents that are just like ourselves [16,17].
De auteurs hebben het niet over spiegelneuronen, maar het bestaan ervan lijkt me in deze weergave onmisbaar. Zie het bericht Spiegelneuronen, nadenken en intuïtie.

Dat zelfbewustzijn ontstaat in en door sociale interactie is te begrijpen als een extra stap in de aanpassing aan de omgeving. Ten behoeve van die aanpassing moeten we de wereld leren kennen en begrijpen. Dus voortdurend onze eerste orde afbeeldingen bijstellen en verbeteren. Dat lukt extra goed als we via onze tweede orde afbeeldingen, ons besef van dat we iets denken te weten, met anderen kunnen communiceren. Om zo wat we denken te weten te kunnen checken aan wat anderen denken te weten.

Dat was in het verleden nodig om goed te kunnen samenwerken. En dat was nodig om te kunnen overleven.

En het was ook de grondslag waarop cultuur kon ontstaan. En wetenschap.

maandag 23 september 2013

Geïmiteerd worden wekt vertrouwdheid en maakt pro-socialer. Ook al bij kinderen van anderhalf jaar

Onze neiging om anderen te helpen, de neiging dus tot pro-sociaal gedrag, wordt vooral opgewekt als we met die anderen vertrouwd zijn. In langdurige, persoonlijke relaties zijn we als vanzelfsprekend pro-sociaal.

Maar ook buiten die kring van vertrouwde anderen zijn we in staat tot pro-sociaal gedrag. Vooral als we signalen van vertrouwdheid ontvangen, die er bijvoorbeeld zijn als de ander op ons lijkt, ook als die gelijkenis maar oppervlakkig is. En het blijkt dat dat gevoel van gelijkenis ook opgewekt wordt als de ander ons gedrag imiteert. Mimicry blijkt langs die weg pro-sociaal gedrag te bevorderen. Zie het bericht Geïmiteerd worden schept vertrouwdheid (en bevordert pro-sociaal gedrag, waarin het onder meer gaat over het Nijmeegse onderzoek dat liet zien dat proefpersonen die geïmiteerd werden daarna hulpvaardiger waren.

Nu is er nieuw onderzoek (pdf) waaruit blijkt dat dit effect ook al optreedt bij kinderen van anderhalf jaar. Het interessante is dat dat nabootsen bij die kinderen heel expliciet gebeurde. Kinderen waren er zich duidelijk bewust van dat het gebeurde en leken er meestal plezier aan te beleven. In dat Nijmeegse onderzoek bij volwassenen gebeurde de imitatie onopvallend en zo dat de proefpersonen zich er niet van bewust waren. Geïmiteerd worden, of je dat nu merkt (kinderen) of niet (volwassenen), schept kennelijk de vertrouwdheid die opwekt tot pro-sociaal gedrag.

Zoals gezegd, zie dat vorige bericht, zijn mensen er dus gemakkelijk en van jongs af aan toe in staat om ook in ontmoetingen met vreemden vertrouwdheid te ervaren. Dat zou wel eens een belangrijke voorwaarde kunnen zijn voor het vreedzaam samenleven in hedendaagse maatschappijen. We zijn tot een soort surrogaat vertrouwdheid in staat.

Ik weet het niet, maar misschien werkt dat geïmiteerd worden wel via de activering van onze spiegelneuronen. Waardoor we de grenzen van ons zelf uitbreiden en een wij-gevoel tot stand brengen. Misschien verklaart dat ook waarom samen bewegen, dansen, een gevoel van saamhorigheid opwekt. En waarom we zo graag samen dansen.

maandag 2 september 2013

Empathie en de grenzen van het zelf: het belang van vertrouwdheid. En wat dat betekent voor de overleving van de menselijke soort

Als je ziet dat een ander pijn lijdt, dan zijn hersengebieden actief die dat ook zouden zijn als je zelf pijn leed. Dat weten we sinds de ontdekking van spiegelneuronen. In zulke gevallen is empathie, het je inleven in wat een ander voelt, niet een bewust proces waartoe je hebt besloten. Het is al gebeurd voor je er erg in hebt.

Op wat er dan precies gebeurt, werpt de nieuwe studie Familiarity promotes the blurring of self and other in the neural representation of threat (betaalpoort) meer licht. De onderzoekers vergeleken de hersenactiviteit van proefpersonen bij de aankondiging van pijn (een lichte schok) als ze die pijn zelf zouden gaan voelen en als een ander hem zou gaan voelen. In alle gevallen hield de proefpersoon de arm van die andere persoon vast. In de ene conditie was die andere persoon een vertrouwd iemand (een goede vriend of vriendin) en in de andere conditie een anonieme vreemde. Het bleek toen dat er in beide condities aanwijzingen zijn voor de werking van spiegelneuronen. De hersenactiviteit als je zelf pijn zult gaan lijden komt sterk overeen met die van het besef dat een ander pijn zal gaan lijden, of die ander nu een vertrouwd iemand is of een vreemde.

Maar toen de onderzoekers beter gingen kijken, dat wil zeggen, een andere statistische analyse gebruikten, vonden ze wel degelijk verschillen tussen die twee condities. Ze vonden toen talrijke hersengebieden die wel overlapten als de andere persoon een vertrouwd iemand was en niet als hij/zij een vreemde was.

Dit wijst er op dat ons empathisch vermogen anders uitwerkt bij vertrouwden dan bij vreemden. De onderzoekers vermoeden dat we over twee verschillende vormen van empathie beschikken. Bij een vertrouwde andere persoon ervaren we het gevoel van de andere meer alsof het ons eigen gevoel is. En dat zou kunnen zijn doordat we de ander als het ware als een deel van onszelf beschouwen. Anders gezegd, we breiden de grenzen van ons zelf uit tot de andere personen waarmee we vertrouwd zijn.

Dat vermoeden werd bevestigd door de resultaten van de IOS (Inclusion of Other in the Self)-schaal, waarop je kunt aangeven in hoeverre je je een voelt met de andere persoon, door een mate van overlapping te kiezen die het beste bij de relatie past. Want het bleek dat de hersenactiviteit in de vriend/vriendin conditie sterk samenhing met het gekozen plaatje van de IOS-schaal. Hoe groter de aangegeven overlap, dus hoe meer de grenzen van het zelf de ander omvatten, hoe groter de hersenactiviteit als de ander pijn tegemoet ziet. (Dit komt overeen met de self-expansion theory van Aron en Aron.)

Daarentegen bleek dat verband niet te bestaan als de andere persoon een vreemde was. Meer of minder overlap op de IOS-schaal was niet terug te vinden in de hersenactiviteit. De onderzoekers denken dat we, hoewel we zeker een besef hebben van de pijn die een vreemde tegemoet ziet, dat minder als een eigen, onmiddellijk gevoel ervaren. We hebben, in mijn woorden, als het ware meer vrijheid om die pijn meer of minder ook zelf te voelen.

Het lijkt een eenvoudig en niet heel verrassend resultaat. Maar de implicaties er van zijn aanzienlijk. De evolutionaire oorsprong van ons empathisch vermogen ligt voor een groot deel in de Paleo Sociale Omgeving, waarin onze verre voorouders in groepen van vertrouwde anderen samenleefden en sterk van elkaar afhankelijk waren. Het was in die omgeving van levensbelang om samen te werken en te delen. Daarvoor lijkt die uitbreiding van het zelf tot de vertrouwde anderen een een heel belangrijke voorwaarde. Niet een omgeving waarin mensen eerst nog eens rustig konden nadenken over de vraag of ze wel met anderen zouden meevoelen, om dan te beslissen of ze zouden helpen of niet. Nee, dat meevoelen en helpen ging onmiddellijk en als vanzelfsprekend. En dat is gebleken een heel succesvolle manier van samenleven te zijn.

Maar ondertussen leven we in een andere maatschappij en in een sociale omgeving met veel omgang met vreemden. Ja, daar hebben we ons aan aangepast. Wat niet wil zeggen dat we altijd onverschillig of vijandig staan tegenover vreemden. We kunnen zeer begaan zijn met hun noden, als we daarover via televisiebeelden geïnformeerd worden. Maar over het algemeen liggen we er niet wakker van. En soms geven we wat aan een hulpactie en soms geven we niets. We zijn wel wereldburgers, maar niet met volle overtuiging. Als je daar bij bedenkt dat wereldwijde solidariteit wel eens hoognodig zou kunnen zijn voor het overleven van de menselijke soort, dan kun je er niet zo maar op vertrouwen dat dat laatste ook zal lukken.

vrijdag 24 mei 2013

Meer pro-sociaal gedrag door compassietraining

Nieuw onderzoek voegt een aanwijzing toe aan wat we al weten over een van de positieve effecten van compassietraining, namelijk dat hij pro-sociaal gedrag bevordert.

Compassietraining is een vorm van mindfulness-training, die gebaseerd is op het werk van o.a. Paul Gilbert en die in Nederland onder meer wordt aangeboden door Frits Koster en Erik van den Brink. Zie hun website voor meer informatie. Compassie is de emotionele reactie van het willen zorgen voor en helpen van mensen die lijden.

In dit nieuwe onderzoek, de studie Compassion Training Alters Altruism and Neural Responses to Suffering (pdf) ging het om een compassie-meditatie training bedoeld om gevoelens van compassie te vergroten voor jezelf en voor je naasten, maar ook voor anderen, vreemden en zelfs lastige personen. De training bestond uit het twee weken lang een half uur per dag volgen van mondelinge instructies via internet of CD. Die instructies bestonden er uit dat je werd uitgenodigd om je het lijden van die anderen (en van jezelf) voor te stellen en er over na te denken. En om te wensen dat het lijden werd verlicht. Daarbij werd je gevraagd om aandacht te besteden aan je lichamelijke sensaties, in het bijzonder rondom het hart.

Het blijkt dan dat naderhand degenen die deze training hadden gevolgd, meer iemand te hulp schoten die onrechtvaardig was behandeld dan anderen die een andere training hadden gevolgd (in het herbeoordelen van emoties) en dan anderen die geen training hadden gevolgd.

Eerder onderzoek laat zien dat compassietraining het welzijn verhoogt en de werking van het immuunsysteem verbetert. Ook is eerder al gevonden dat het pro-sociaal gedrag bevordert en mensen empathischer maakt.

Maar in dit nieuwe onderzoek bleek bovendien uit hersenscans dat door de training precies die hersengebieden meer worden geactiveerd die samenhangen met het begrijpen van de toestand waarin anderen verkeren, met bewuste controle en met positieve emoties. Gebieden waarin ook het menselijke spiegelneuronen systeem werkzaam is. En gebieden die helpen om aandachtig te blijven en om informatie van buiten (over het lijden van anderen) en van binnen (de wil om te helpen) te integreren.

Dat we compassie weten te hebben voor onszelf en voor anderen lijkt een heel belangrijke bijdrage te leveren aan ons eigen welzijn, maar natuurlijk ook aan een aangename wijze van samenleven. Zonder genoeg compassie kan een menselijke maatschappij niet bestaan.

Een prachtig boek daarover is The Compassionate Mind van Paul Gilbert. Het is een van die boeken die je eigenlijk dagelijks bij de hand zou moeten hebben. Ik kocht het vorig jaar in dat prachtige boekwinkeltje The Watermill in Aberfeldy in Schotland. Ik pak het nu weer even uit de kast en mijn oog valt op p. 52 (in het hoofdstuk getiteld The Challenges of Life). Gilbert heeft het daar over het gevoel dat we in onze huidige maatschappij gemakkelijk kunnen hebben dat de wereld onverschillig is. Het gevoel dat "het niemand wat kan schelen". Ik vertaal de twee alinea's die daarop volgen:
Een andere reden waarom de onderlinge verbondenheid om ons heen gefragmenteerd is, heeft er mee te maken dat er zoveel verschillende toeschouwersgroepen zijn. Tienduizend jaar geleden groeide je op in je eigen groep en je kende iedereen behoorlijk goed vanaf de dag dat je werd geboren tot de dag dat je stierf. Relaties waren gebaseerd op reputaties van eerlijkheid en bijdragen aan de groep. Tegenwoordig gaan relaties meer over indruk maken op anderen. Mensen voelen zich vaak als acteurs op een toneel met hun levens steeds meer lijkend op een voorstelling, klaar om beoordeeld te worden, en beoordelaars - openlijk en verborgen - zijn overal.
Hoe kun je indruk maken op anderen, met je talenten en nuttigheid? Sociale vergelijking sluipt hier binnen. Jane werd vaak lastig gevallen door vragen als "Denken mijn vrienden wel dat ik een goede moeder ben? " en "Zou ik niet meer met mijn kinderen moeten doen?" Onze hersenen zijn door de evolutie zo ontworpen dat ze heel gevoelig zijn voor wat we geloven dat anderen over ons denken en voelen, omdat het voor onze mentale en fysieke gezondheid goed is om goede relaties met anderen in stand te houden. Maar als we overgevoelig zijn, in een omgeving van relatieve vreemden, dan riskeren we dat we verdwaald raken in onze eigen toneelstukjes en de beoordelingen door anderen van onze voorstellingen.
Ik zal nog eens vaker terugkomen op The Compassionate Mind.

donderdag 21 juni 2012

Spiegelneuronen, nadenken en intuïtie. Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (9)

De gevolgen van de ontdekking van spiegelneuronen voor onze kijk op menselijk gedrag en sociale processen zijn nog lang niet te overzien. Zie eerder dit bericht en dit bericht.

Voor die ontdekking namen hersenonderzoekers aan dat de visuele cortex, die actief is als we waarnemen, en de premotorcortex, die actief wordt voordat we een handeling uitvoeren, strikt gescheiden gebieden zijn. Iets waarnemen is heel verschillend van iets doen en dus leek het vanzelfsprekend dat het ene hersengebied in het ene gespecialiseerd is en het andere gebied in het andere.

Maar nu weten we dat neuronen in de premotorcortex ook actief worden als we iemand anders zien handelen. De eerste ontdekking daarvan gebeurde bij een aap en Christian Keysers roept bij het verslag van die ontdekking dan ook uit (p. 15 van Het empathische brein):
Het leek wel of de hersenen van de aap 'speelden' dat ze de handeling uitvoerden die ze voor zich zagen.
Wat houdt dat 'spelen' precies in? Het onderzoek dat tot nu toe gedaan is, wijst er op dat we een spiegelcircuit in onze hersenen hebben. Het visuele signaal als we naar andermans handelingen kijken maakt een reis (p. 56):
door een reeks visuele verwerkingsstappen die leiden tot de activatie van visuele neuronen in de temporaalkwab, waar neuronen reageren op de aanblik van lichaamsbewegingen en gelaatsuitdrukkingen. Daarvandaan gaat het signaal naar de pariëtaalkwab en vandaar naar de premotorcortex. Onderweg wordt de visuele informatie vertaald in informatie met een steeds hoger gehalte aan motoraspecten, want in zowel de pariëtaalkwab als de premotorgebieden zijn spiegelneuronen te vinden die ook actief zijn bij het uitvoeren van eigen bewegingen.
Dat betekent dat wij in staat zijn iemands handelingen te begrijpen doordat wij die handelingen in onze eigen hersenen spiegelen. We doen ze een klein beetje na. En dat kleine beetje nadoen ervaren we "in ons eigen lichaam". Keysers (p. 37) zegt daarover
Daarbij wordt de klassieke scheidslijn tussen het zelf en de ander, en tussen lichaam en geest, vaag en vallen er gaten in. De geestelijke functie van het voorspellen van andermans gedrag is nu gebaseerd op de neurale representatie van het eigen lichaam en de handelingen van de waarnemer; de functie wordt 'embodied', ofwel belichaamd, dat wil zeggen: geworteld en geaard in het lichaam.
Toen de spiegelneuronen nog niet ontdekt waren, dachten we dat we handelingen van anderen begrijpen door ons in hen in te leven of in hen te verplaatsen. Hoe dat precies ging, wisten we natuurlijk ook niet, maar de gedachte was dat het een denkproces was, een mentalisatie. Keysers daarover (p. 19):
In de jaren negentig heerste de mening dat een deel van de hersenen was gespecialiseerd in het 'mentaliseren' of nadenken over het innerlijk leven van anderen op basis van gegevens die vanuit het visuele systeem binnenkwamen. (...) Vele wetenschappers waren op zoek naar die 'mentalisatiemodule'.
Maar nu weten we dus dat dat denkproces, dat zich inleven of zich verplaatsen, niet nodig is om andere mensen te begrijpen. We hebben ze al begrepen nog voor we er een gedachte aan hebben gewijd. We hebben, zonder de omweg van het bewuste denken, een intuïtief en belichaamd begrip van handelingen van anderen. Uiteraard is die intuïtie feilbaar en kan hij soms door bewust nadenken worden gecorrigeerd. Maar zonder die intuïtieve weg zou ons sociale leven onmogelijk zijn. Je kunt niet met elkaar omgaan zoals wij dat gewend zijn te doen als je aanhoudend zou moeten nadenken over wat de ander aan het doen is.

Maar het besef dat we dat tot voor kort, althans in de wetenschap, niet doorhadden, is wat mij betreft om stil van te worden. Het lijkt een voorbeeld van onze sterke geneigdheid om de waarde van het bewuste nadenken te overschatten. En omdat onderzoekers zich specialiseren in het nadenken, lijkt het wel alsof zij extra aan die geneigdheid lijden. Dat desondanks de spiegelneuronen zijn ontdekt, geeft vertrouwen.

Ik heb me natuurlijk ook zelf afgevraagd hoe ik hier over nadacht in de jaren negentig en daarvoor. En toen herinnerde ik me dat ik me in mijn proefschrift met de vraag heb beziggehouden hoe mensen elkaar kunnen begrijpen. (Dat proefschrift, Verklaring in interpretatie in de sociologie, Van Loghum Slaterus, 1981, is geloof ik zelfs niet meer antiquarisch verkrijgbaar.) Het ging mij toen om de vraag of en hoe de sociale wetenschappen verschillen van de natuurwetenschappen. En ik wilde toen uitzoeken wat er uit psychologisch onderzoek bekend was over hoe mensen gedrag van anderen waarnemen en hoe dat verschilt van het waarnemen van fysieke objecten. Ik kwam toen terecht bij het werk van Karl Bühler (leermeester van Karl Popper) en viste daaruit het volgende plaatje op (het staat op p. 149).

Er wordt in afgebeeld hoe twee personen, A en B, met elkaar communiceren en elkaar begrijpen. Elke persoon is toegerust met een Zender (Z) en een Ontvanger (O). Als A B wil begrijpen, dan stuurt hij een signaal naar B. Die ontvangt dat signaal, verwerkt dat en reageert er op. A ontvangt weer dat signaal en verwerkt dat en reageert daar weer op, etc. Elke keer als A een signaal uitzendt, heeft hij bepaalde verwachtingen over de effecten er van op B. En bij elk signaal terug, stelt hij die verwachtingen bij. En zo leert A gaandeweg B begrijpen.

Dit is wel heel duidelijk een wetenschappelijke kijk op menselijke communicatie van voor de ontdekking van spiegelneuronen. Wetenschappelijk in heel letterlijke zin: mensen zijn in hun sociale omgang kleine wetenschappers. Ze hebben verwachtingen (hypothesen), handelen daarnaar en stellen ze bij. Nu ben ik het er mee eens dat iedereen op een eenvoudige manier een kleine wetenschapper kan zijn. Maar dat ons hele sociale leven op die manier functioneert, dat blijkt dus niet te kloppen. En achteraf gezien verbaast dat niet.

Update. Je kunt de ontdekking van spiegelneuronen in het plaatje verwerken door een rechtstreekse pijl van de Zender van B naar de Zender van A toe te voegen. Bedenk dat met Z het handelen wordt bedoeld, dat voor anderen als een signaal functioneert. Dus als B handelt (een signaal uitZendt), dan "speelt A die handeling een beetje na". Dus een pijl van Z naar Z. Vervolgens Ontvangt A datgene wat er in zijn premotorcortex gebeurt. Anders gezegd, hij belichaamt de handeling van B. Een tweede pijl zou dus, in A, van Z naar O gaan.
Update. Update. Karl Bühler zou dat, in 1929, bizar hebben gevonden. En ik, in 1981, ook.

maandag 11 juni 2012

Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (7): spiegelneuronen, een voetbalsupporter en echopraxie

In het vorige bericht in deze reeks ging het er over dat de anderen er altijd zijn. In de zin dat ze ons denken, onze gevoelens en ons gedrag beïnvloeden ook als ze fysiek niet aanwezig zijn. En in dit bericht ging het over spiegelneuronen, mede naar aanleiding van het boek Het empathische brein. Waarom we socialer zijn dan we denken van Christian Keysers.

Deze reeks berichten gaat over de samenhang tussen pro-sociaal gedrag en de sociale omgeving van een persoon. Ik heb over de aard van die samenhang al eerder gezegd dat pro-sociaal gedrag in strikte zin wel het gedrag is van een individu, maar eigenlijk een collectieve prestatie is. De kans op het aangeleerd hebben van pro-sociaal gedrag en de kans op het uitvoeren van pro-sociaal gedrag in de huidige situatie is sterk afhankelijk  van het pro-sociale gedrag van anderen, toen en nu. Kinderen die tijdens het opgroeien meer met mensen in aanraking komen die zich pro-sociaal gedragen, zullen zelf als kind en als volwassenen ook gemakkelijker pro-sociaal gedrag vertonen. Het pro-sociale gedrag is als het ware tot hun repertoire gaan behoren. Maar ze zijn flexibel. Als ze op latere leeftijd in een situatie belanden waar alles er op wijst dat anderen alleen maar op hun eigen belang uit zijn, dan zullen ze hun gedrag daar op aanpassen. Dus door elkaar te beïnvloeden, brengen we ons pro-sociale gedrag gezamenlijk tot stand. Een collectieve prestatie dus. Maar een collectief falen is ook mogelijk.

De ontdekking van spiegelneuronen maakt duidelijk dat dat collectieve karakter van de totstandkoming (of het falen daarvan) van pro-sociaal gedrag zo fundamenteel is dat het de grens tussen individuen doet vervagen. Ik citeer nogmaals Keysers:
Als we iemand een handeling zien uitvoeren, lijkt de spiegelactiviteit  in onze pre-motor- en pariëtaalcortex niet alleen op de activiteit wanneer we zelf soortgelijke handelingen uitvoeren, maar ook op de activiteit in de pre-motorcortex van degene naar wie we kijken. In dat geval worden de pre-motor- en pariëtaalactiviteit van degene die wordt waargenomen daadwerkelijk gespiegeld door de waarnemer.
Als we iemand iets zien doen, dan zijn er in onze hersenen neuronen actief die dat ook zijn, maar minder, als we die handeling zelf uitvoeren.

Meestal minder, maar soms gaat die activiteit heel ver. Bij de thuiswedstrijden van de club waar ik lang geleden voetbalde stond er altijd een supporter langs de lijn die zo met het spel meeleefde dat hij de bewegingen van de spelers die aan de bal waren of aan de bal probeerden te komen, tot op grote hoogte ook zelf uitvoerde. Als de spits omhoog sprong voor een kopbal, dan kon hij niet blijven staan. Maar dit gold wel alleen voor de bewegingen van de spelers van de eigen club. Dat laatste komt geheel overeen met het huidige onderzoek. Onze spiegelactiviteit is groter wanneer we handelingen van een vertrouwde persoon waarnemen. En wordt gedempt als de andere persoon iemand is waarmee we concurreren.

Dat gedrag van die supporter was zo opvallend en hij was zo slecht in staat om dat gedrag te onderdrukken, dat hij waarschijnlijk, zo leer ik nu uit dat boek van Keysers, aan echopraxie leed, een beschadiging van de frontaalkwab. Het doet denken aan de patiënt die als de neuroloog twee brillen op tafel legt en er zelf een opzet, het niet kan laten die tweede bril op te zetten, over zijn eigen bril heen.

In volgende berichten meer over wat we leren van het onderzoek naar spiegelneuronen over pro-sociaal gedrag.

vrijdag 25 mei 2012

Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (5): (pro-) socialer zijn dan je denkt dat je bent

In het vorige bericht in deze reeks ging het over onderzoek dat laat zien dat mensen op de automatische piloot, dus als ze niet weloverwogen handelen, pro-socialer zijn dan wanneer ze nadenken over wat ze zullen gaan doen. Dat wijst op de mogelijkheid waarschijnlijkheid dat wij maar beperkt zicht hebben op ons eigen gedrag. Anders gezegd, dat onze bewuste gedachten over ons eigen gedrag een verkeerd beeld kunnen geven van dat gedrag.

De stap naar het boek Het Empathische Brein. Waarom we socialer zijn dan we denken van Christian Keysers, dat ik net gisteren uitlas, is maar klein. Christian Keysers bespreekt in dit boek het onderzoek naar spiegelneuronen en de inzichten die daaruit naar voren komen over empathie en ons sociale gedrag. Eenvoudig gezegd: wij blijken spiegelneuronen te hebben, die er (o.a.) voor zorgen dat als wij iemand iets zien doen, in onze hersenen de pre-motorische gebieden actief zijn die dat ook zouden zijn (maar dan nog meer) als wij zelf die handeling zouden verrichten. Uitvoeriger en in de woorden van Keysers (p. 148):
Als we iemand een handeling zien uitvoeren, lijkt de spiegelactiviteit  in onze pre-motor- en pariëtaalcortex niet alleen op de activiteit wanneer we zelf soortgelijke handelingen uitvoeren, maar ook op de activiteit in de pre-motorcortex van degene naar wie we kijken. In dat geval worden de pre-motor- en pariëtaalactiviteit van degene die wordt waargenomen daadwerkelijk gespiegeld door de waarnemer. Hetzelfde geldt wanneer we andermans tactiele gevoelens waarnemen: de somatosensorische activiteit van de waarnemer spiegelt daadwerkelijk die van degene naar wie de waarnemer kijkt.
Dat laatste slaat er op dat je zelf een beetje de pijn voelt als je ziet dat iemand anders zich bezeert.

Deze spiegelactiviteit speelt zich af zonder dat wij daar een bewust besef van hoeven te hebben. Het gebeurt automatisch. Of je moet grote moeite doen om het te voorkomen. Vandaar de ondertitel van het boek: Waarom we socialer zijn dan we denken. Zie ook nog eens dit bericht.

Ik denk dat de ontdekking van spiegelneuronen en het onderzoek er naar van groot belang is voor de sociale wetenschappen. Zie ook Het Spiegelende Brein van Marco Iacoboni. Ik kom er nog uitgebreid op terug.

Een mooie illustratie van het inzicht dat we met ons bewuste verstand maar beperkt inzicht hebben in de sociale aard van ons gedrag is dit onderzoek. Het laat zien hoe zeer wij door het gedrag van anderen worden beïnvloed, ook als we het niet rechtstreeks waarnemen, terwijl we tegelijkertijd sterk geneigd zijn om die beïnvloeding bewust te ontkennen.

dinsdag 17 januari 2012

Babies leren taal ook door liplezen

Bij babies gaat vanaf ongeveer zes maanden het gebrabbel over in de eerste lettergrepen en nog wat later in het eerste "mamma" of "pappa". We nemen aan dat dat vooral gebeurt doordat volwassenen veel tegen hen praten. Het bekende "waar is tie dan?" en dat soort pogingen tot communicatie waar we ons gemakkelijk aan overgeven als we een baby voor ons hebben.

Nu hebben onderzoekers uitgevonden dat babies bij het aanleren van hun eerste lettergrepen en woordjes ook gebruik maken van liplezen. Terwijl ze daar voor vooral naar de ogen kijken, gaan ze na omstreeks zes maanden naar de lippen kijken. Zo zullen spiegelneuronen actief worden die imitatie van de mondbewegingen oproepen. Na ongeveer een jaar richten ze zich weer meer op de ogen.

Zie de link onderaan dit bericht. En zie daar een foto van een van de "proefpersonen".

Dit kan een klein verschil zijn, met grote gevolgen, tussen mensenbabies en jongen van klauwaapjes. Het is bekend dat klauwaapjes ook onderling brabbelen en dat hun jongen daar al heel snel mee beginnen. Maar bij hen gaat dat brabbelen niet over in taal. Zie ook dit bericht.

Natuurlijk kun je niet zeggen dat als die klauwaapjes babies nu ook maar zouden liplezen, dat ze dan ook taal zouden leren. Want er moet al taal zijn om dat liplezen zin te verlenen. Het is zo'n voorbeeld van het niet weten wat er het eerst was. En waarschijnlijk is het ontstaan van taal bij mensen in heel kleine stapjes over en weer gegaan. Steeds een iets rijker repertoire van klanken en mondbewegingen (en gelaatsuitdrukkingen) en steeds iets meer aandacht van babies voor mondbewegingen. En ontwikkeling van spiegelneuronen.

Het interessante is dat klauwaapjes, net als mensen, hun kinderen coöperatief grootbrengen, waardoor ze ook net als mensen behoorlijk altruïstisch zijn.
Study: Babies try lip-reading in learning to talk:

'via Blog this'