Posts tonen met het label sociale vluchtigheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sociale vluchtigheid. Alle posts tonen

vrijdag 16 december 2022

Over sociale onzekerheid en hoe het "onderaanbod" van gemeenschapsgedrag tot stand komt

Het blijkt dat we "sociale winst" zouden kunnen boeken door ons in de omgang met anderen vaker te laten leiden door onze morele gemeenschapsintuïties. Gemeenschapsgedrag, een praatje maken met iemand, iemand complimenteren of iets aardigs doen voor anderen, vindt minder plaats dan goed voor ons is. In economentaal: er is een onderaanbod van gemeenschapsgedrag. Zie het vorige bericht. 

Dat zou er aan kunnen liggen dat we in onze huidige manier van samenleven, met een grote mate van sociale vluchtigheid, vaak in sociale onzekerheid verkeren. Dat is namelijk het geval in al die interacties, en dat zijn er veel, die we hebben met anderen die ons niet vertrouwd zijn. We weten dan niet goed op welk gedrag van de ander we kunnen rekenen, gemeenschapsgedrag of statuscompetitiegedrag. Daardoor zijn we bang om de ontmoeting te beginnen met gemeenschapsgedrag (aangeven wel een praatje te willen maken, een compliment geven, iets aardigs doen), want de ander zou daar met statuscompetitiegedrag op kunnen reageren en ons gedrag als zwak en kwetsbaar kunnen opvatten. Dus vermijden we contact, houden we sociale afstand en doen we zelfs wat uit de hoogte om maar te voorkomen dat de ander ons niet serieus neemt of op ons neerkijkt.

Dat is jammer, want we laten dus die sociale winst aan ons en aan die anderen voorbijgaan. Mensen zijn in het verleden duidelijk niet geselecteerd op het vermogen om goed met zulke toestanden van sociale onzekerheid om te gaan.

Het onderzoek waar het in dat vorige bericht over ging, geeft enig inzicht in de manieren waarop die sociale onzekerheid ons belemmert ("mechanisms of miscalibration"), die aardig overeenkomen met het vermoeden hierboven. Er blijken namelijk drie problemen te zijn: verschillen in interpretaties ("differentail construal"), onzekerheid over hoe de ander zal reageren ("uncertain responsivenes") en het niet opdoen van bepaalde ervaringen ("asymmetric learning").

Dat eerste probleem bestaat eruit dat wij ons zorgen maken over hoe we dat precies moeten doen, een praatje beginnen, een compliment maken of iets aardigs doen. Waar we met vertrouwde anderen niet over hoeven na te denken, is problematisch als we met anderen te maken hebben die we niet goed kennen. We zijn daarom bezorgd om niet competent over te komen. Bang dat de ander ons een sociale kluns vindt. We zien dus een statuscompetitieve interactie voor ons, waarin we zelf kwetsbaar zijn. Maar wat blijkt? De ander kijkt naar ons gedrag en ziet ons een poging doen om aardig te zijn, herkent dus onze poging als gemeenschapsgedrag. Wat bij die ander datzelfde gedrag triggert.

En dat wijst op het tweede probleem: het probleem namelijk dat wij die positieve reactie van de ander niet verwachten. Dat wil zeggen, we halen ons van alles in het hoofd over met wat voor iemand we te maken hebben. En inderdaad, mensen kunnen sterk van elkaar verschillen. Maar geheel los van die verschillen, reageren mensen over het algemeen op een aardig gebaar van iemand met zelf iets aardigs terug te doen. Gemeenschapsgedrag lokt gemeenschapsgedrag uit. Maar daar zijn wij dus vaak onzeker over.

En dat kan er weer aan liggen, en dat is het derde probleem, dat wij daar te weinig ervaringen mee opdoen. Doordat we zo terughoudend en afstandelijk doen, geven we onszelf ook te weinig kans om te leren dat anderen positief zouden reageren op onze sociale toenadering. We beperken ons domein van sociale ervaringen. Met een "structureel" informatietekort als gevolg.

vrijdag 29 juli 2022

Sociale vluchtigheid maakt dat sociale winst niet tot stand komt - mensen zouden vaker "iets van zich moeten laten horen" dan ze doen

We moeten het weer eens over sociale vluchtigheid hebben.

In de maatschappij die wij kennen leidt vrijwel iedereen zijn/haar leven onder de conditie van sociale vluchtigheid. Dat wil zeggen dat de meeste mensen buiten de eigen, vaak kleine, kring van vertrouwde anderen, familie, vrienden. dagelijks te maken hebben, face to face of via sociale media, met anderen die ze niet of alleen maar vluchtig kennen.

Onze sociale leefwereld is dus voor een groot deel vluchtig. Daar groeien we in op, we zijn eraan "gewend" en staan er zelden bij stil. Maar als je bedenkt dat wij een sociale diersoort zijn, die in de loop van zijn evolutie morele gemeenschapsintuïties heeft ontwikkeld, dan dringt zich aan je op dat die sociale vluchtigheid ons voor grote uitdagingen stelt. Scrol maar eens door al die berichten achter het label sociale vluchtigheid om meer te weten te komen over de aard van die uitdagingen.

Het punt is dat we in die vluchtige sociale leefwereld ons niet altijd zo maar door onze morele gemeenschapsintuïties kunnen laten leiden. We zijn daar altijd enigszins of sterk op onze hoede. Misschien komen we in een statusstrijd terecht en dan moeten we daaraan meedoen. Of voelen we de drang om daaraan mee te doen. En dan gaan we voor de zekerheid maar in de aanval. We bluffen en doen stoerder dan we eigenlijk zijn. Of we kruipen in onze schulp omdat de ander ons al heeft geïntimideerd. 

Het gaat er om dat we in die sociaal vluchtige leefwereld altijd onzeker zijn over wat we kunnen verwachten en over hoe we ons het beste kunnen opstellen. Dat maakt dat we in ons leven niet alleen te maken hebben met de sociaal veilige leefwereld van de kring van vertrouwde contacten, maar ook met de sociale onveiligheid van die sociale vluchtigheid. En het is die sociale onveiligheid die maakt dat zoveel mensen lijden aan de stress van statuscompetitie en eenzaamheid en aan de psychische aandoeningen die daaruit voortkomen.

Die sociale onzekerheid is natuurlijk een informatieprobleem. Want je komt misschien met anderen in een statusstrijd terecht, terwijl geen van de betrokkenen daar op uit was. Er is vaak collectieve stoerdoenerij. Om maar niet de eigen kwetsbaarheid te laten zien. Of mensen zijn terughoudend in pogingen om contacten met anderen te leggen (een praatje maken), uit vrees om te worden afgewezen en als zwak of zielig over te komen. Of terughoudend in het vragen om hulp. Terwijl onderzoek uitwijst dat we ons beter voelen door een praatje met een vreemde en als we door anderen om hulp gevraagd worden.

Zo'n informatieprobleem blijkt er ook te bestaan in die gevallen waarin mensen een ooit vertrouwd contact, een goede vriend of vriendin, uit het oog zijn verloren. Dat kan nu eenmaal gemakkelijk gebeuren in een sociaal vluchtige maatschappij. Door verhuizing of baanverandering. Je wilde allebei contact houden, maar dat kwam er niet van. En je voelt nu schroom om opnieuw contact te zoeken. Omdat je niet weet hoe de ander dat zal opvatten. Misschien is er van de andere kant helemaal geen interesse meer in hernieuwd contact. Stel dat de ander koel reageert. Dat kan pijnlijk zijn en dus laat je het erbij.

Welnu, er is goed nieuws. Uit een serie deelonderzoeken waarover in de nieuwe studie The Surprise of Reaching Out: Appreciated More Than We Think verslag wordt gedaan, blijkt dat mensen die zich afvragen of ze "iets van zich zullen laten horen" sterk onderschatten hoe prettig de ontvangers daarvan dat zouden vinden. En die onderschatting maakt dus dat het herstel van oude vriendschappen te weinig gebeurt. Er blijkt sociale "winst" te zijn die niet tot stand komt.

Dat is dus ook een uitdaging van de sociale vluchtigheid. Schroom overwinnen en toch de stap zetten om na lange tijd weer eens iets van je te laten horen. Dat wordt dus meer op prijs gesteld dan je geneigd bent te denken.

dinsdag 10 augustus 2021

In een sociaal vluchtige maatschappij vergroot echtscheiding de kans op het ontwikkelen van een psychische aandoening

 Als je met wat afstand kijkt naar onze huidige manier van samenleven, dan valt op dat die gekenmerkt wordt door een grote mate van sociale vluchtigheid. Dat houdt in dat de stabiliteit, en dus vertrouwdheid, van ons sociale netwerk niet gegarandeerd is. In onze levensloop krijgen we te maken met verlies van relaties met vertrouwde anderen (familie, vrienden), met sociaal isolement en eenzaamheid en met het zoeken en  aangaan van nieuwe relaties. 

In de mensheidsgeschiedenis is dat een behoorlijk nieuwe toestand, die sterk afwijkt van de sociale stabiliteit en dus vertrouwdheid van de jagers-verzamelaarssamenlevingen (de Paleo Sociale Omgeving) waarin mensen verreweg het grootste deel van die geschiedenis hebben doorgebracht. Omdat wij een fundamenteel sociale diersoort zijn, die erop is ingesteld om in een vertrouwde sociale omgeving op te groeien, stelt die sociale vluchtigheid van onze huidige maatschappij ons voor grote uitdagingen. 

Dat wij fundamenteel sociaal zijn, betekent dat we hebben "geleerd" om veiligheid te associëren met het deel uitmaken van een kring van vertrouwde anderen. En dat betekent weer dat we in de problemen komen als die kring ontbreekt. Dat wil concreet zeggen dat we een psychische aandoening kunnen ontwikkelen. En op het niveau van de maatschappij betekent het concreet dat psychische aandoeningen veel voorkomen.

In de reeks berichten over psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving (hier het eerste bericht) zagen we dat al die verschillende psychische aandoeningen, die zo keurig in de DSM-5 geclassificeerd worden, een gemeenschappelijke factor lijken te hebben, met "verlies, geïntimideerd en/of vernederd en/of verraden worden - fundamentele bedreigingen van iemands fysieke en psychologische veiligheid -" als gemeenschappelijke oorzaak. En daarin herkennen we precies de uitdagingen van de sociale vluchtigheid: sociaal isolement, eenzaamheid en statuscompetitie.

Dit alles wijst erop dat de kans op het ontwikkelen van een psychische aandoening het grootst is in die fasen van de levensloop waarin die gemeenschappelijke oorzaak het vaakst de kop opsteekt. We zagen al dat dit het geval is in de fase van de adolescentie en de jonge volwassenheid, de fase waarin we de sociale veiligheid van het gezin verlaten en op zoek zijn naar nieuwe bronnen van die veiligheid. En we zagen dat het ontbreken van die veiligheid in het gezin een sterke voorspeller is van het ontwikkelen van een psychische aandoening. Beide wijzen er op dat in een sociaal vluchtige maatschappij gezinnen sterk sociaal geïsoleerd zijn. Daardoor maakt het veel uit of een gezin wel of niet sociale veiligheid verschaft. En daardoor is de fase van de adolescentie zo cruciaal in de levensloop.

Maar evenzeer maakt het daardoor veel uit of mensen wel of niet de veiligheid en vertrouwdheid van een partnerrelatie ervaren. Als er weinig andere vertrouwde relaties zijn, komt er veel neer op het wel of niet deel uitmaken van een partnerrelatie.

Precies in dat verband is er het vele onderzoek dat laat zien dat het verlies van een partnerrelatie, door echtscheiding, naast dus die fase van de adolescentie, sterk de kans vergroot op het ontwikkelen van een psychische aandoening. De nieuwe studie Relationship Dissolution and Psychopathology geeft van dat onderzoek een overzicht. 

Heel kort samengevat: hoewel ook het lijden aan een psychische aandoening de kans op echtscheiding vergroot, is er daarnaast een duidelijke bijdragen van het ervaren van een echtscheiding op de kans daarna een psychische aandoening te ontwikkelen. Uiteraard met allerlei factoren ("moderatoren") die die kans beïnvloeden, zoals of die echtscheiding zelf gewild is of niet en of er wel of niet ondersteunende vriendschapsrelaties zijn. 

Dat het verschil maakt of iemand na de echtscheiding wel of niet een nieuwe partner vindt, wijst op het grote belang van een partnerrelatie in een sociaal vluchtige maatschappij. 

woensdag 19 augustus 2020

Waardoor is pro-sociaal gedrag aanstekelijk? - Doordat het de sociale veiligheid verschaft die weer meer pro-sociaal gedrag uitlokt

Hoe komt het dat het pro-sociale gedrag van anderen de kans vergroot dat we ook onszelf meer pro-sociaal gaan gedragen? Wat verklaart dat pro-sociaal gedrag aanstekelijk is? Die aanstekelijkheid was op dit blog al eerder aanleiding om het woord gemeenschapsgedrag te prefereren boven pro-sociaal gedrag, omdat daar al dat sociale beïnvloedingsproces in besloten ligt. Het gaat om gedrag "als in een gemeenschap", dus om gedrag dat je oftewel met zijn allen doet of helemaal niet. Maar omdat het woord gemeenschapsgedrag vooralsnog alleen op dit blog is ingeburgerd, hou ik het nu maar even bij pro-sociaal gedrag.

Dat pro-sociaal gedrag aanstekelijk is, zagen we in eerdere berichten langskomen: Wie goed doet, doet dubbel goed. Pro-sociaal gedrag is aanstekelijk, Ook pro-sociaal gedrag in de media lokt pro-sociaal gedrag uit en Dreumesen schieten meer te hulp als iemand het goede voorbeeld heeft gegeven. En zie ook Nieuwe aanwijzingen voor de flexibele menselijke sociale natuur - gemeenschapsgedrag lokt gemeenschapsgedrag uit en de berichten over het verschijnsel van crowding-in.

En er is nu de nieuwe studie Prosocial modeling: A meta-analytic review and synthesis, waarin uit een meta-analyse van 88 studies met in totaal 25.354 proefpersonen blijkt dat er alles samengenomen een gematigd positief effect is van het waarnemen van pro-sociaal gedrag op het eigen pro-sociale gedrag. Het gaat dan om zaken als het doneren van geld, het geven van fooi, het oprapen van iets voor iemand die dat per ongeluk heeft laten vallen, iemand te hulp schieten en het kiezen voor samenwerken in plaats van profiteren.

Maar nu terug naar de vraag wat daarvoor de verklaring zou kunnen zijn. In die nieuwe studie worden drie gangbare verklaringen genoemd: imitatie van het gedrag, de neiging tot conformeren en de neiging om het doel van het gedrag over te nemen (goal contagion). En het zou kunnen zijn dat het een zogenaamd onderzoekerseffect is, dat wil zeggen de neiging van proefpersonen om te voldoen aan wat ze denken dat de onderzoeker van hen wil. De auteurs concluderen dat die verklaring van goal contagion het beste uit de bus komt. Mensen zouden dus als ze zien dat een persoon iemand anders helpt, daardoor zelf ook besluiten dat het goed is om anderen te helpen.

Dat is interessant. Want het zou aardig passen in het vermoeden dat bij mij steeds meer is komen bovendrijven, namelijk dat pro-sociaal gedrag een reactie is op signalen die erop wijzen dat je je bevindt in een veilige sociale omgeving. Of op signalen die je eraan herinneren dat je sociale omgeving eigenlijk best wel veilig is. Een veiligheid die eruit bestaat dat mensen bereid zijn om anderen te helpen en om bij te springen als dat nodig is.

Dat vermoeden gaat terug op de gedachte dat alle dieren, en dus ook mensen, voor de uitdaging staan om zich zoveel mogelijk te bevinden in een veilige omgeving, een omgeving die gunstig is voor overleving en reproductie. Eerder in de mensheidsgeschiedenis was die veiligheid er in de groep van jagers-verzamelaars waarin samengewerkt en gedeeld werd. In die groep was pro-sociaal gedrag niet alleen veilig om uit te voeren, omdat je er op kon rekenen dat anderen er geen misbruik van maakten, maar ook omdat je eigen overleving en reproductie er baat bij had. Je deelde mee in de opbrengsten van het samenwerken. Sociale onveiligheid bestond uit het niet deel uitmaken van zo’n groep en in je eentje moeten zien te overleven.

In de huidige samenleving is die veilige omgeving er meestal wel in het gezin waarin een kind opgroeit. (Meestal, want we kennen helaas ook het probleem van kindermishandeling.) Daardoor leren kinderen al snel om op de zorgzaamheid die ze ervaren te reageren met hulpvaardigheid. Denk weer even aan die dreumesen die te hulp schieten. En aan al die studies van Michael Tomasello en medewerkers waaruit blijkt dat kinderen al heel jong anderen helpen als ze daartoe in staat zijn. Dat is hun natuurlijke reactie op de zorgzame omgeving die ze in het gezin aantreffen.

De natuurlijkheid van die reactie blijkt eruit dat in een toestand van ervaren veiligheid de nervus vagus (de zwerfzenuw) gematigd geactiveerd is, wat precies de lichamelijke toestand is (rest and digest) waarin je gemakkelijk anderen te hulp schiet. Terwijl in een toestand van onveiligheid oftewel die zwerfzenuw bovenmatig wordt geactiveerd, waardoor je in het statuscompetitiepatroon schiet (fight or flight), of sterk verlaagd geactiveerd (immobilisation), waardoor je te maken kunt krijgen met een depressie of angststoornis. Zie De belichaming van pro-sociaal gedrag - En wat we daarvan kunnen leren. En denk aan de polyvagaaltheorie van Stephen W. Porges.

Maar in de huidige maatschappij is het gezin maar een klein eilandje in een grote zee van sociale vluchtigheid en daarmee kans op statuscompetitie. Bij het ouder worden is er buiten dat eigen gezin dus de onzekerheid over het gedrag van anderen en dus de mogelijkheid van de sociale onveiligheid van de statuscompetitie. En dat is precies de omgeving waarin we niet alleen "nieuwe" sociale veiligheid zoeken (dus vrienden willen maken), maar ook het pro-sociale gedrag dat we tegenkomen beschouwen als signalen voor het bestaan van sociale veiligheid. "O ja, mensen zijn eigenlijk heel goedaardig en behulpzaam." Dat besef vergroot ons veiligheidsgevoel, waardoor we ook zelf gemakkelijker te hulp schieten.

En dat komt dus wel wat overeen met die goal contagion-verklaring van die auteurs van die nieuwe studie. Maar het verschaft ook een onderliggende mechanisme: pro-sociaal gedrag draagt bij aan sociale veiligheid, die op zijn beurt weer meer pro-sociaal gedrag uitlokt.

woensdag 13 mei 2020

Waarom vinden we het moeilijk om te luisteren en praten we zo vaak door elkaar heen?

In de Volkskrant van vandaag heeft Gijs Beukers een interview met Kate Murphy, de schrijfster van het boek Je luistert niet. Volgens Murphy luisteren we steeds minder naar elkaar, terwijl luisteren naar anderen ons wel veel kan opleveren. Je maakt meer vrienden door goed te luisteren dan door veel zelf te praten. En door te luisteren leer je nog eens wat.

Hoe komt het dan dat we zo weinig luisteren? En zijn we dat inderdaad minder gaan doen?

Om met dat laatste te beginnen: in dat boek gaat het over onderzoek dat laat zien dat mensen inderdaad in de laatste decennia minder naar elkaar zijn gaan luisteren. In het interview dat de Guardian met Murphy had lees je daarover dat de tijd die Amerikanen (neem ik aan) besteden aan naar elkaar luisteren als percentage van de tijd dat ze wakker zijn in de afgelopen eeuw is afgenomen van 42 procent naar 24 procent. Ik heb het boek nog niet en weet dus niet welk onderzoek dat is.

Maar aangenomen dat het klopt dat we minder naar elkaar zijn gaan luisteren, waar zou dat dat aan liggen? Een antwoord is dat we meer naar een scherm zitten te kijken. Murphy in de Volkskrant:

"Wanneer je ergens door een buurt loopt", schrijft Murphy, "leunt er bijna niemand meer over een schutting die je wenkt om een praatje te maken. Het enige teken van leven is de blauwe gloed van een tv- of computerscherm ergens boven."
 
Daar zit iets in. En het lijkt te verwijzen naar het verschijnsel van de supernormale stimulus, waar Deirdre Barrett eerder op wees in haar boek Supernormal Stimuli. How Primal Urges Overran Their Evolutionary Purpose. en waar ik het over had in het bericht Gezondheid en sociale omgeving (18): televisie is een supernormale stimulus. Een supernormale stimulus is een overdreven versie van een prikkel waar we instinctmatig in geïnteresseerd zijn, omdat die interesse in ons evolutionaire verleden heeft bijgedragen aan onze overleving en voortplanting. Het kan zijn dat die overdreven versie ons zo gaat intrigeren dat we de normale, natuurlijke versie negeren. 

Het overgrote deel van wat we op televisie zien is sociaal van aard. We kijken naar een aanhoudende opeenvolging van sociale episodes, geacteerd of niet geacteerd, in speelfilms, sitcoms, spelprogramma's, reality shows, talkshows, datingshows en wat niet al. En we volgen televisiepersoonlijkheden alsof we met hen een persoonlijke relatie onderhouden. Dat alles komt tegemoet aan onze oeroude behoefte aan "het sociale" en omdat alles om de kijkcijfers draait, is het ook precies daarop afgestemd.

Met als grote "voordeel" dat we er nauwelijks moeite voor hoeven te doen. We hoeven alleen maar de afstandsbediening te pakken. Voor dat praatje over de schutting moeten we naar buiten en dan is het nog maar de vraag of de buurman beschikbaar is. Over het algemeen levert televisiekijken ons geen goed gevoel op en het maken van een praatje wel. Maar we trappen in de val van de supernormale stimulus. Televisiekijken fungeert als een substituut voor echte sociale contacten, er ook uit blijkend dat mensen die meer aangeven eenzaam te zijn ook meer televisiekijken. 

Naast het televisiekijken zijn natuurlijk ook de sociale media in de plaats gekomen van echt naar anderen luisteren. Niet alleen doordat we ons in een echt gesprek door onze telefoon laten afleiden. Ook doordat we die media gebruiken om onszelf zo gunstig mogelijk te presenteren, te "verkopen". Uit het Volkskrant-interview:
Op social media proberen we likes te krijgen door onszelf op een voetstuk te plaatsen, zegt Murphy. "Die neiging verplaatst zich naar het normale leven. Mensen geven je voortdurend hun elevator pitch (korte presentatie waarin iemand zichzelf of zijn product probeert te verkopen, red.) en denken daardoor aardig gevonden te worden." Mensen maken van zichzelf een merk. Het gevolg, zegt Murphy, is dat we vooral zenden en nog maar zelden ontvangen.
In dat normale leven hebben we een cultuur ontwikkeld waarin onze relaties zo vluchtig zijn geworden dat we ons voortdurend moeten presenteren. Vrij spel dus voor onze neiging tot statuscompetitie. In de New York Times omschreef Kate Murphy dat als volgt:
a culture of “aggressive personal marketing” where “to be silent is to fall behind. To listen is to miss an opportunity to advance your brand and make your mark … Listening is often regarded as talking’s meek counterpart,” she writes. “Value is placed on what you project, not what you absorb ... The very image of success and power today is someone miked up and prowling around a stage or orating from behind a podium. Giving a TED talk ... is living the dream.”
Die sociale vluchtigheid is maximaal als we iemand nog niet kennen. In de Volkskrant:
Als we ons aan iemand voorstellen, maken we ons zo druk over hoe we overkomen dat we de meest basale informatie niet eens horen.
Dat je voortdurend moeten presenteren, jezelf verkopen, leidt er niet alleen toe dat je maar liever zelf aan het woord bent dan dat je de moeite neemt om te luisteren, maar ook dat we in een gezelschap zo vaak door elkaar heen praten. Want luisteren zou de indruk kunnen wekken dat de spreker meer aandacht verdient dan jij. Dat zou het begin kunnen zijn van een statusverschil. Vandaar het verschijnsel dat we elkaar zo vaak niet laten uitpraten. Zie Door elkaar heen praten als verschijningsvorm van de statuscompetitie. 

vrijdag 27 maart 2020

Over vriendschap, sociale vluchtigheid, vampiervleermuizen en vertrouwdheid

Laten we het in deze tijd van gedwongen sociale onthouding over vriendschap hebben. Is vriendschap iets typisch menselijks? Of komt het ook voor bij andere diersoorten en hebben we het eigenlijk over een biologisch fenomeen?

Aanleiding daartoe is ook de net verschenen studie Development of New Food-Sharing Relationships in Vampire Bats, waarvan de Summary begint met deze zin:
Some nonhuman animals form adaptive long-term cooperative relationships with nonkin that seem analogous in form and function to human friendship.
De Volkskrant besteedde op 24 maart aandacht aan de studie. Zie Vampiervleermuizen delen hun bloedmaaltijd alleen met echte vrienden.

Van vampiervleermuizen, die leven van het bloed van zoogdieren,  was al bekend dat de vrouwtjes bij het groepsgewijs overnachten hun maaltijd met een ander delen als die niet voldoende heeft weten te bemachtigen. En dat ze met het oog op dat delen vaste partnerschappen vormen. Vriendschappen dus. Dat is van levensbelang omdat ze zonder een dagelijkse portie vers bloed niet overleven.

In die nieuwe studie gaat het over de vraag hoe zulke vriendschappen ontstaan. De onderzoekers plaatsten vleermuizen uit verschillende kolonies bij elkaar en observeerden wat er ging gebeuren. Het bleek toen dat er inderdaad vriendschappen ontstonden en wel volgens het raising-the-stake-model. Wat inhoudt dat vriendschappen eerst klein beginnen, door het initiëren van de uitwisseling van fysiek contact, knuffelen of vlooien (grooming). Pas als dat werd beantwoord, werd overgegaan op het delen van voedsel. En als die fase eenmaal was aangebroken, verminderde ook het knuffelen, wat er op wijst dat dat bedoeld was als het uittesten van de relatie.

In de Volkskrant wordt gedragsbioloog Jorg Massen om commentaar gevraagd. Jorg Massen, Liesbeth Sterck en ik schreven in 2010 het artikel Close social associations in animals and humans: Functions and mechanisms of friendship. Met als conclusie:
We conclude that both human friendship and animal close social associations are ultimately beneficial. On the proximate level, motivations for friendship in humans and for close social associations in animals are not necessarily based on benefits and are often unconditional. Moreover, humans share with many animals a similar physiological basis of sociality. Therefore, biologists and social scientist describe the same phenomenon, and the use of the term friendship for animals seems justified.
Wat er op neerkomt dat er inderdaad zoiets als vriendschap bestaat dat mensen en andere diersoorten gemeenschappelijk hebben. En dat het goed is om onderscheid te maken tussen de "proximate" en de 'ultimate" verklaring voor vriendschap. Zie ook het bericht Over vertrouwdheid en het verschil tussen een ultimate en een proximate verklaring.

In die ultimate verklaring gaat het erom dat het vermogen tot het sluiten van vriendschappen, of het fenomeen vriendschap, bijdraagt tot overleving en reproductie. En dus door natuurlijke selectie in het verleden is verspreid in de populatie. Terwijl het bij de proximate verklaring gaat om de vraag hoe een vriendschap tot stand komt.

Bij die vampiervleermuizen werd dus door de onderzoekers eerst een onnatuurlijke situatie gecreëerd door vleermuizen uit verschillende kolonies bij elkaar te zetten. Daardoor moesten ze dus als vreemden proberen om vriendschappen te sluiten. En dan blijkt dus dat mechanisme te werken van het elkaar uittesten.

Een mechanisme dat dus niet nodig was binnen die kolonies waar ze waren uitgehaald. Daar was immers al de onderlinge vertrouwdheid die delen mogelijk, en vanzelfsprekend, maakte. Dat uittesten kun je dus zien als het gezamenlijke proces tot het scheppen van een "nieuwe" vertrouwdheid. Vertrouwdheid is de proximate oorzaak van vriendschap. Vertrouwdheid is immers het signaal van veiligheid bij uitstek, dat de evolutie binnenkwam op het moment dat levende wezens in staat waren zich voort te bewegen..

Als we het bij mensen hebben over vriendschap, dan gaat het natuurlijk ook meestal over de "onnatuurlijke" situatie waarin wij in de huidige maatschappij verkeren. Want die maatschappij is immers gekenmerkt door een grote mate van sociale vluchtigheid. Zie Over de uitdagingen van de sociale vluchtigheid.

We worden in een wel heel kleine kring van vertrouwde anderen geboren en moeten al vrij snel onze eigen weg zien te vinden in die toestand van sociale vluchtigheid. Analoog aan die vleermuizen die door de onderzoekers uit hun kolonie werden gehaald.

Heel anders dus dan die toestand van de Paleo Sociale Omgeving, waarin jagers-verzamelaars hun hele leven doorbrachten in de stabiele kring van vertrouwde anderen. Die net als voor die vleermuizen essentieel was voor hun overleving, omdat ze het zonder samenwerking en delen niet redden.

maandag 20 januari 2020

In een vluchtige maatschappij hebben mensen ontmoetingsplekken nodig

Update. Er is nu het bericht in het AD dat de gemeente Arnhem jaarlijks een half miljoen uittrekt om ontmoetingsplekken in buurten te stimuleren. "Dat de gemeente geld steekt in ontmoetingsplekken komt niet uit de lucht vallen. In bijna alle bestaande plannen die er al zijn voor de leefbaarheid in wijken geven Arnhemmers zelf aan dat zij het belangrijk vinden dat er in de buurt een gelegenheid is om elkaar tegen te komen en dat dit beter is dan langs elkaar heen leven of in een isolement te geraken."
Een sociaal vluchtige samenleving als de onze, waarin het moeilijk is om op volwassen leeftijd nog nieuwe vrienden te maken en waarin dus eenzaamheid voor velen op de loer ligt, vraagt om woonomgevingen waarin mensen elkaar gemakkelijk kunnen ontmoeten. Want hoe vaker je iemand ontmoet, hoe groter de kans dat er een vertrouwde relatie groeit en mensen voelen zich in vertrouwde relaties beter dan in vluchtige.
Zo begon mijn laatste bericht over het belang van ontmoetingsplekken voor mensen:
Ontmoetingsplekken dichterbij zorgen voor minder sociaal isolement en meer vertrouwen in andere mensen. Met daarin een verwijzing naar onderzoek waaruit dat belang blijkt.

In een vluchtige samenleving is het niet gegarandeerd dat mensen op dagelijkse basis in contact komen met vertrouwde anderen. Bij de fysieke en ruimtelijke inrichting van onze maatschappij hebben we met die menselijke basisbehoefte aan vertrouwde contacten te weinig rekening gehouden.

Sterker, in het naoorlogse sociaalwetenschappelijke denken heerste de opvatting dat die basisbehoefte als ouderwetse "territoriale integratie" naar de geschiedenis kon worden verwezen en succesvol zou kunnen worden vervangen door de nieuwe en eigentijdse 'functionele integratie". Zie nog eens het bericht Van het afscheid van de wijkgedachte in 1955 naar de buurtrechten in 2015 - hoe het denken over de buurt veranderde.

In lijn met die manier van denken hebben we Nederland sindsdien zo ingericht dat allerlei voorzieningen ruimtelijk geconcentreerd werden, vaak gepaard gaande met schaalvergroting, en dat wonen en werken ruimtelijk werden gescheiden. Dat was een proces waarin vergaand werd tegemoet gekomen aan de eisen en overwegingen van de markt en voor de economische welvaart. En waarin weinig oog was voor die "ouderwetse" sociale behoeften en dus voor sociale welvaart.

Daardoor zijn mensen meer in buurten en dorpen komen te wonen waarin ze elkaar niet zo goed kennen. Omdat ze moeten verhuizen in verband met baan en carrière. Of doordat ze meer tijd kwijt zijn aan woon-werk verkeer. Dat alles heeft eraan bijgedragen dat het moeilijker is geworden om sociale contacten te behouden. Vandaar dat we dat probleem van eenzaamheid kennen en van de psychische problemen die deels daarmee samenhangen (depressie, angststoornissen).

Als we meer vooruitziend waren geweest, en als de sociale wetenschappen daarbij hadden geholpen, dan hadden we er voor gezorgd dat mensen er op kunnen rekenen dat ze in hun woonomgeving een ontmoetingsplek tot hun beschikking hebben. Want we weten dus dat die helpen bij het met elkaar in contact komen. Elk buurtje en elk dorp zou als basisvoorziening een ontmoetingsplek dienen te hebben. Maar de markt zorgt daar niet voor. En de overheid laat het afweten.

Vandaar dat er nu zo nu en dan berichtjes in het nieuws komen over buurt- of dorpsbewoners die er samen in slagen, als een vorm van zelforganisatie, om zo'n ontmoetingsplek te creëren of in stand te houden.

Vorige week was dat het bericht in de Volkskrant van Jurre van den Berg over de inwoners van het Drentse dorp Langelo, die verenigd in een stichting er voor gezorgd hebben dat er in het dorp een café blijft bestaan: In Langelo beheert het dorp het laatste dorpscafé: de ziel is gered. En er was het bericht dat de inwoners van het Groningse dorp Sauwerd, verenigd in een coöperatie, de supermarkt in stand hebben weten te houden: NOS bezoekt Sauwerd vanwege strijd tegen leegloop: saamhorigheid in Sauwerd een voorbeeld voor andere dorpen.

Dat zijn mooie berichten. Maar je denkt meteen aan al die dorpen en buurten waarin zulke initiatieven niet lukken of niet eens op gang komen. En die dus niet het nieuws halen. En dat zijn dus precies die plekken waar de kans op eenzaamheid het grootst is.

Het zou eigenlijk zo moeten zijn dat elke gemeente het standaard tot haar taken rekent om er voor te zorgen dat mensen in hun woonomgeving kunnen rekenen op de aanwezigheid van een ontmoetingsplek. Als dat zou lukken, dan zou het wel eens kunnen dat het huidige eenzaamheidsbeleid grotendeels overbodig wordt.

donderdag 22 augustus 2019

Dat wij er moeite mee hebben om holistisch te denken zou kunnen liggen aan de sociale vluchtigheid waarin we opgroeien

Als leden van een fundamenteel sociale diersoort zijn we in de meeste Westerse landen, zoals Europa en Noord-Amerika, terechtgekomen in samenlevingen met een hoge mate van sociale vluchtigheid. Die brengt een individualistische cultuur met zich mee, waarin mensen zichzelf zien als autonome en onafhankelijke individuen met wisselende relaties.

Daartegenover vind je in Oost-Aziatische landen nog meer een collectivistische cultuur, waarin mensen zichzelf meer zien als onderdeel van een stabiel geheel van onderling afhankelijke relaties.

Van die twee lijken de meer collectivistische culturen meer overeen te komen met de Paleo Sociale Omgeving waarin de mensheid verreweg het grootste deel van zijn bestaan heeft doorgebracht.

Dat roept de vraag op wat het voor mensen betekent om op te groeien en het leven door te brengen in de meer individualistische cultuur van de meeste Westerse landen. Het bericht Over de uitdagingen van de sociale vluchtigheid ging over onderzoek dat daar een antwoord op gaf. Hieronder het lijstje dat in dat bericht voorkomt:
  • Onder condities van sociale stabiliteit moet je leren om om te gaan met anderen die je misschien niet zo goed liggen. In een sociaal vluchtige omgeving hoeft dat niet, omdat je de relatie gemakkelijker kunt beëindigen.
  • Daardoor zullen mensen onder condities van sociale vluchtigheid meer relaties hebben met anderen die op hen lijken. Want er kan gelden: soort zoekt soort. Bij sociale stabiliteit zullen mensen meer de vaardigheid hebben ontwikkeld om met andersoortigen om te gaan.
  • Bij sociale vluchtigheid is een relatie dus altijd minder vanzelfsprekend dan bij sociale stabiliteit. Omdat je van jezelf en van elkaar weet dat er mogelijke alternatieven bestaan.
  • Bij sociale vluchtigheid zijn mensen er meer op gericht om een bestaande aantrekkelijke relatie in stand te houden door de ander meer te ondersteunen en zo te proberen om voor de ander onmisbaar te zijn. Dit verklaart dat vrienden in individualistische culturen meer steun uitwisselen dan vrienden in collectivistische culturen.
  • Bij sociale vluchtigheid zijn mensen in hun zoektocht naar relaties meer bereid om meer van zichzelf te onthullen dan bij sociale stabiliteit. Anders gezegd, onder condities van sociale vluchtigheid is zelfonthulling (self-disclosure) een signaal dat je de relatie op prijs stelt en wilt behouden. Bij sociale stabiliteit heb je dat signaal niet nodig.
  • Onder condities van sociale vluchtigheid speelt romantische liefde een grotere rol, als een soort signaal (commitment device) van gebondenheid. Bij sociale stabiliteit is dat signaal minder nodig.
Nieuw onderzoek maakt het mogelijk om dat lijstje uit te breiden. Het gaat om de studie Relational Mobility and Cultural Differences in Analytic and Holistic Thinking, waarin de onderzoekers laten zien dat sociale vluchtigheid meer aanzet tot de analytische en sociale stabiliteit tot de meer holistische denkstijl. 

Je hebt een meer analytische denkstijl als je aandacht meer uitgaat naar individuele objecten los van hun omgeving (context) en daarmee samenhangend meer naar objecten kijkt als geïsoleerd van elkaar. 

Daartegenover denk je meer holistisch als je objecten ziet als onderling overlappend en ingebed in hun omgeving, waardoor je meer bent gespitst op onderlinge verbanden en op het deel zijn van een groter geheel.

En een deel van dat onderscheid lijkt verklaard te kunnen worden door het bekende verschil in de locus of control, dat wel vertaald wordt met beheersingsoriëntatie. Sociale vluchtigheid blijkt meer samen te gaan met een interne beheersingsoriëntatie, dat wil zeggen met de neiging om oorzaken van gedrag meer in de persoon zelf te zoeken. Terwijl sociale stabiliteit samengaat met de neiging om die oorzaken meer in de omgeving en in de omstandigheden te zoeken.

Dat komt er dus op neer dat het bekende verschil tussen individualistische en collectivistische culturen voor een deel verklaard kan worden door het verschil in de mate van sociale vluchtigheid (versus sociale stabiliteit) en dat dat verschil in de mate van sociale vluchtigheid deels het verschil in de mate van analytisch denken (versus holistisch denken) verklaart. En dat laatste verloopt deels via die meer interne (dan wel externe) beheersingsoriëntatie. 

En dat wijst tenslotte op het grote belang van sociale vluchtigheid versus sociale stabiliteit voor hoe mensen naar zichzelf en naar anderen kijken en voor hun manier van denken en kijken naar de wereld (analytisch versus holistisch).

Ik vraag me wel eens af of dat grote belang van een nogal fundamenteel sociaalwetenschappelijk inzicht wel voldoende onder ogen wordt gezien.

dinsdag 30 juli 2019

Wat maakt het uit om vaker verhuisd te zijn? Over vertrouwdheid en sociale vluchtigheid

In de mensheidsgeschiedenis heeft de periode dat mensen hun leven doorbrachten in de sociale kring van vertrouwde anderen, verreweg het langst geduurd. Op die onderlinge vertrouwdheid zijn we als groepsdier nog altijd ingesteld. Maar we leven tegenwoordig in een nog maar klein kringetje van onderlinge vertrouwdheid, omgeven door een zee van sociale vluchtigheid.

Dat neemt niet weg dat er grote verschillen bestaan tussen mensen in de mate waarin ze vertrouwdheid dan wel sociale vluchtigheid ervaren. Veel sociaalwetenschappelijk onderzoek gaat over die verschillen en over de oorzaken daarvan.

Een onderzoekslijn in dat verband gaat over wat het voor mensen betekent om vaak verhuisd te zijn of om in een buurt te wonen met een hoge mate van "residentiële mobiliteit", een buurt dus met sterk wisselende samenstelling.

Een bekend onderzoeker op dat terrein is Shigehiro Oishi. Sterker, hij is die onderzoekslijn. We kwamen hem al tegen in het bericht Over de sociale nadelen van vaak verhuizen, in het bijzonder ook voor kinderen.

Nu is er van Oishi, samen met Hyewon Choi, een nieuw overzicht van onderzoek: The Psychology of Residential Mobility: A Decade of Progress. Hieronder een lijstje met inzichten die daaruit zijn voortgekomen.

1. Mensen die in hun jeugd vaker verhuisd zijn, zien hun eigen persoonlijkheid (personal self) als centraler dan hun groepslidmaatschappen (collective self).

2. Mensen die vaker verhuisd zijn of in buurten wonen waarin vaker verhuisd wordt (mobiele buurten), hebben een meer voorwaardelijke (minder hechte) band met de groepen waartoe ze zich rekenen. En ze hebben een voorkeur voor zulke groepen, waar je makkelijk kunt toetreden en ook makkelijk weer afscheid van kunt nemen. In lijn daarmee zijn er in meer mobiele Amerikaanse staten meer megakerken en in meer mobiele steden meer meetup-groepen.

In dit NRC.nl bericht uit 2017 over megakerken in Nederland (Een reuzenhal waar je de ‘flow’ voelt) komt een bezoeker aan het woord die verklaart: „Tijdens zo’n dienst voel je je enorm connected met anderen.” Wat suggereert dat die megakerken een instant-verbondenheid bieden als substituut voor meer authentieke verbondenheid die mensen in hun dagelijks leven missen.
Ik vroeg me in dat verband af of het gebruik van dating apps zoals Tinder in de meer mobiele omgeving van de grote stad meer voorkomt (ook als je controleert voor leeftijd) of daar meer een andere functie heeft dan in de meer stabielere sociale omgeving van het platteland. Het zou kunnen dienen als middel tot instant-verbondenheid in de gevallen waarin het gaat om one-night stands. Maar anders dan met die megakerken gaat het hier vaak om de zoektocht naar een stabiele partner. En in die gevallen is in de stedelijke omgeving het aanbod groter, waardoor de stad aantrekkelijker is als je op zoek bent. Lees stadsgeograaf Cody Hochstenbach daarover naar aanleiding van het Amerikaanse onderzoek dat laat zien dat inmiddels bijna 40 procent van de heteroseksuele stellen elkaar online heeft ontmoet: Hoe Tinder de stad woest aantrekkelijk maakt.

3. Mensen die vaker verhuisd zijn hebben gefragmenteerde (minder dichte) netwerken, wat wil zeggen dat hun contacten meer gespreid zijn over activiteiten of contexten. De een ontmoet je alleen bij de sportclub, de ander alleen op je werk of alleen als buur en nog weer een ander alleen als familielid. Het gefragmenteerde zit er in dat de mensen die jij kent elkaar niet kennen.

4. Het op jeugdige leeftijd vaker verhuisd zijn heeft negatieve effecten op het gebied van onderwijsloopbaan, welzijn en gezondheid

5. Alleen voor mensen in een meer mobiele, dus wisselende, sociale omgeving is een groter sociaal netwerk belangrijk voor financieel succes en sociale stijging. Hoe wisselender je sociale omgeving, hoe meer het er dus op aankomt om meer mensen te kennen. Dat zijn dan instrumentele contacten, waarmee je hulp en informatie uitwisselt.

Tenslotte: Choi en Oishi noemen als een mogelijk voordeel van een een meer wisselende sociale omgeving dat mensen minder wantrouwend en vijandig zouden staan tegenover vreemden, zoals immigranten.
Maar is dat wel zo? In een meer stabiele sociale omgeving voelen mensen weliswaar meer verbondenheid met de eigen groep (in-group loyalty), maar dat gaat niet systematisch samen met vijandigheid tegenover andere groepen (intergroup hostility). Die is er alleen in het geval van echte of vermeende bedreigingen. Zie nog eens het bericht De uitspraken van minister Blok sociaalwetenschappelijk bekeken - Politici zouden beter op de hoogte moeten zijn van het sociaalwetenschappelijk onderzoek.

dinsdag 21 mei 2019

Ontmoetingsplekken dichterbij zorgen voor minder sociaal isolement en meer vertrouwen in andere mensen

Een sociaal vluchtige samenleving als de onze, waarin het moeilijk is om op volwassen leeftijd nog nieuwe vrienden te maken en waarin dus eenzaamheid voor velen op de loer ligt, vraagt om woonomgevingen waarin mensen elkaar gemakkelijk kunnen ontmoeten. Want hoe vaker je iemand ontmoet, hoe groter de kans dat er een vertrouwde relatie groeit en mensen voelen zich in vertrouwde relaties beter dan in vluchtige.

Maar we hebben het niet zo geregeld dat er in onze woonomgevingen, onze buurten en dorpen, standaard ontmoetingsplekken aanwezig zijn. In plaats daarvan hebben we in de afgelopen halve eeuw door schaalvergroting, ruimtelijke concentratie en functiescheiding (wonen - werken) woonbuurten laten ontstaan waarin, inderdaad, alleen maar gewoond wordt. Met een blinde vlek voor het belang en het creëren van de voorwaarden voor het opbloeien van een sociaal leven.

Niet verwonderlijk dus dat we steeds minder bij elkaar over de vloer komen en dat eenzaamheid een groot maatschappelijk probleem is geworden.

Die blinde vlek voor de voorwaarden voor de bloei van een sociaal leven bestaat ook in de wereld van het beleid. Want als het daar gaat over preventie van eenzaamheid (of van depressie), dan gaat het maar weinig over die voorwaarden en te vaak over "algemene bewustwording" en  "vroegsignalering" door "professionals". Natuurlijk doen professionals goed en belangrijk werk, maar ze kunnen onvermijdelijk pas in actie komen als het probleem al is ontstaan.

Dat het beleid veel meer zou moeten inzetten op het creëren van die voorwaarden (denk ook aan het omwegbeleid), en dus op ontmoetingsplekken, komt ook naar voren uit het recente Amerikaanse onderzoek The Importance of Place. Neighborhood Amenities aa a Source of Social Connection and Trust. De onderzoekers geven in The Atlantic een samenvatting van hun onderzoek: Having a Library or Café Down the Block Could Change Your Life.

Uit dat onderzoek, op basis van een steekproef uit de Amerikaanse bevolking, blijkt wat het voor mensen uitmaakt hoever ze van een ontmoetingsplek wonen (winkel of winkelcentrum, horeca, park, bibliotheek, buurthuis, bioscoop, kegelbaan, fitness). Want ook bij statistische controle voor achtergrondkenmerken als leeftijd, inkomen, opleiding en etniciteit, zijn Amerikanen met een kleinere afstand tot ontmoetingsplekken niet alleen tevredener met hun woonbuurt, maar ook zijn ze minder sociaal geïsoleerd en hebben ze meer vertrouwen in andere mensen.

Mensen zijn een groepsdier, dat er op is ingesteld om zich te bewegen in een groep van vertrouwde anderen. In onze huidige samenleving groeien we nog maar zelden op in zo'n vertrouwde groep. Dat maakt een sociale infrastructuur, waarin we elkaar kunnen ontmoeten en vertrouwde relaties kunnen opbouwen, van zo groot belang.

Maar dat inzicht blijkt niet als vanzelf aanwezig in het denken over de inrichting van onze woonomgeving. En dus ligt er een taak voor het sociaalwetenschappelijk onderzoek.

dinsdag 23 april 2019

Wie ben ik eigenlijk? Waarom stellen we ons die vraag zo vaak en waardoor is het vinden van een antwoord zo moeilijk?

Morgen naar Nijmegen om voor Quo Vadis, dispuut van C.S.F.R. Nijmegen, een lezing te geven over:
Wie ben ik eigenlijk? Waarom stellen we ons die vraag zo vaak en waardoor is het vinden van een antwoord zo moeilijk?
De powerpoint-presentatie is hier te bekijken. 

vrijdag 19 april 2019

Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? En over wat de Dual Mode-theorie te bieden heeft - deel 4

Update. Zie nu ook deel 5 van deze reeks: Het gemeenschapsevenwicht en het statuscompetitie-evenwicht op het niveau van nationale staten.
Volgens de Dual Mode-theorie zijn er in het sociale leven twee evenwichten mogelijk: het gemeenschapsevenwicht en het statuscompetitie-evenwicht, en verschaft het gemeenschapsevenwicht van die twee het hoogste welzijn. Zie hier het vorige bericht in deze reeks over hoe het maatschappelijk belang van het vak sociologie kan worden vergroot.

Cruciaal in het tot stand komen van het ene dan wel het andere evenwicht is dat mensen zich in hun eigen gedrag sterk laten leiden door welk gedrag ze in hun omgeving het meeste waarnemen. Afhankelijk van de omvang van de groep, is die waarneming meer of minder direct.

In een kleine groep kunnen mensen elkaars gedrag direct waarnemen. In dat geval is de kans groot dat een van de twee evenwichten snel tot stand komt. Ik denk even aan Michael Tomasello, die in een interview naar aanleiding van het verschijnen van zijn nieuwe boek Becoming Human. A Theory of Ontogeny opmerkt:
When people are in a small group of people they know – family, friends, small communities – they're incredibly cooperative compared to other apes. When people tell me how uncooperative humans are, I say, "You have the wrong baseline. You should hang around chimpanzees sometime!"
Anders gezegd: in kleine groepen van familie, van vrienden en in kleine gemeenschappen (het woord is veelbetekenend) gedragen mensen zich niet alleen gemakkelijk gemeenschapsgericht, maar nemen ze dat ook gemakkelijk van elkaar waar. Waardoor het gemeenschapsevenwicht snel tot stand komt en stabiel is, dus inderdaad een evenwicht is.

Maar ik moet er ook aan denken dat het vandaag de Landelijke Dag tegen het Pesten is. En bij dat pesten gaat het vaak over een heel andere groep, die van de schoolklas. Dat is ook een kleine groep, maar hij is kunstmatig samengesteld. Met leerlingen van dezelfde leeftijd, die elkaar bij de aanvang van het schooljaar vaak nog niet goed kennen.

We hebben dan te maken met een toestand van sociale vluchtigheid, die gemakkelijk statuscompetitie uitlokt. Leerlingen weten nog niet wat ze aan elkaar hebben en willen vermijden om als zwak en als loser te worden gezien. Dat leidt tot stoerdoenerij en tot jezelf verheffen ten koste van de ander.

En voor je het doorhebt, ontstaat er een schoolklas met een statushiërarchie, met de meest populaire(n) aan de top en een rangordening naar status van de rest. Iedereen zit dan in de statuscompetitiemodus. Met pestgedrag van boven naar beneden en ondergeschiktheid en berusting van beneden naar boven.

Daarbij "helpt" dat ieders gedrag meestal heel goed waarneembaar is. Meestal direct, maar vaak ook via geroddel. Er kan dus snel een statuscompetitie-evenwicht ontstaan, waaruit maar moeilijk valt te ontsnappen. Denk even aan het onderzoek waar het over ging in het bericht Meer statushiërarchie in de schoolklas leidt tot meer strijd om populariteit en daarmee tot meer agressie en pesterij.

En sta er ook even bij stil dat het ontstaan van dat "pestevenwicht" kan worden tegengegaan door de schoolklas minder kunstmatig samen te stellen. Want het blijkt dat een natuurlijker samenstelling, dus leeftijdsgemengd, gunstiger is voor het uitlokken van gemeenschapsgedrag. Dat vervolgens ook gemakkelijk waarneembaar en dus snel tot een gemeenschapsevenwicht kan leiden.

Dat zou op de Landelijke Dag tegen het pesten wel wat meer aandacht mogen krijgen: dat in leeftijdsgemengde klassen pesten de helft minder voorkomt dan in leeftijdshomogene klassen. Zie het bericht van nu al weer meer dan twee jaar geleden: Pesten moet je niet door leraren laten oplossen. Doe aan leeftijdsmenging.

En het vak sociologie zou dus maatschappelijk belangrijker kunnen worden door meer oog te ontwikkelen voor de voorwaarden waaronder het ene dan wel het andere evenwicht tot stand komt.

dinsdag 9 april 2019

Sociale media en de angst te worden buitengesloten

We weten dat de generatie die opgegroeid is met de sociale media in vergelijking met vorige generaties meer tijd doorbrengt op die sociale media en daar tijdsbesteding aan face-to-face contacten voor heeft ingeleverd. Uit onderzoek van Jean Twenge in de Verenigde Staten kwam naar voren dat:
Tussen 2000 en 2015 nam het aantal adolescenten dat bijna elke dag vrienden ontmoet met meer dan 40 procent af. Rondhangen met vrienden is sterk afgenomen. In plaats daarvan hangen ze meer rond op de sociale media.
Met negatieve gevolgen:
Bovendien zijn de adolescenten die elke dag op de sociale media actief zijn en minder vrienden in het echt ontmoeten, precies degenen die zich vaker eenzaam en buitengesloten voelen. En ze hebben een grotere kans op symptomen van depressie en op zelfmoordgedachten.
Een deel van de verklaring daarvoor kan zijn dat je via die sociale media voortdurend wordt geïnformeerd over hoe leuk anderen het samen hebben, terwijl jij dan alleen thuis zit. En niemand informeert anderen over hoe het is om alleen thuis te zitten.

Het zou dus kunnen dat die nieuwe technologische ontwikkeling van de sociale media met zich mee brengt dat we vaker ten prooi vallen aan de vrees te worden buitengesloten. Dat zou dan staan tegenover het voordeel dat je gemakkelijker contact houdt.

Die vrees te worden buitengesloten is so wie so al groter onder de condities van sociale vluchtigheid, die zo kenmerkend zijn voor onze huidige manier van samenleven. We zijn er als groepsdier op ingesteld om relaties te hebben die zo vanzelfsprekend zijn dat je zelden of nooit bang hoeft te zijn dat anderen jou buitensluiten. Nu we veel meer vluchtige contacten hebben, ontbreekt vaak die vanzelfsprekendheid. En dat stelt ons voor uitdagingen.

Hoe ermee om te gaan dat die vrees voor uitsluiting vaker de kop opsteekt?

De nieuwe studie Why Do People Experience the Fear of Missing Out (FoMO)? Exposing the Link Between the Self and the FoMO Through Self-Construal wijst erop dat je minder last hebt van die vrees voor uitsluiting als je jezelf meer ziet als een onafhankelijk iemand.

Zo'n zelfbeeld van een onafhankelijk iemand betekent dat je jezelf meer ziet als een autonoom en op zichzelf staand individu. Dat aan zichzelf genoeg heeft. Daartegenover kun je jezelf ook zien als iemand die zich door onderlinge afhankelijkheid sterk met anderen verbonden voelt. In het sociaalwetenschappelijk onderzoek kom je die tegenstelling tegen als die tussen een independent en een interdependent self-construal. Een baanbrekend artikel is Culture and the Self. Implications for Cognition, Emotion, and Motivation van Markus en Kitayama uit 1991. Zie ook Wat is geluk? Culturele verschillen.

Volgens die nieuwe studie kun je de uitdaging van hoe om te gaan met het op de loer liggen van buitengesloten te worden dus beter aan als je je maar niet teveel verbonden voelt met anderen. Zie jezelf als onafhankelijk en autonoom, als iemand die anderen niet nodig heeft, en dan vermijd je dat vervelende gevoel van er niet bij te horen.

Daar zit wat in. Maar toch. Misschien lukt het je om dat autonome zelfbeeld in de lucht te houden. Als een aanpassing aan de sociale vluchtigheid waar we nu eenmaal mee te maken hebben.

Maar zou het dan ook lukken om eenzaamheid buiten de deur te houden? En om een zinvol leven te leiden?

donderdag 21 maart 2019

Een gevoel van zelf-continuïteit geeft zin aan het leven, maar dat gaat niet zonder verbondenheid met anderen en nostalgie helpt daarbij

Gedurende de zo ongeveer 98 procent van de tijd dat de mensheid bestaat, brachten mensen hun leven door in een groep van vertrouwde anderen. Ik verwees daar eerder naar met de term Paleo Sociale Omgeving. Zo'n groep van vertrouwde anderen is ook precies de sociale omgeving waar een groepsdier op is ingesteld en waarin hij gedijt.

De tegenwoordige sociale omgeving waarin mensen hun leven doorbrengen, wijkt daar sterk vanaf. De groep van vertrouwde anderen is ingekrompen, tot het kringetje van gezin, familie en wat vrienden.

Dat betekent dat er buiten die vertrouwde groep een heel nieuw sociaal domein is bijgekomen: al onze contacten met anderen die we niet zo goed kennen, helemaal (nog) niet kennen of die we nooit beter zullen leren kennen. Ik noem dat het domein van de sociale vluchtigheid. Volg de link voor een onderzoek naar hoe mensen met uitdagingen van sociale vluchtigheid omgaan.

Als je je een keer realiseert hoe nieuw die sociale vluchtigheid voor de mens als groepsdier is, krijg je er gemakkelijker aandacht voor hoeveel van onze huidige individuele en maatschappelijke problemen eruit lijken voort te komen of ermee samenhangen.

Ik stond daar bij stil in het college dat ik dinsdag gaf aan Groningse sociologiestudenten, waarvan je de dia's hier kunt bekijken: Van nature sociaal. Maar blijft dat zo? Daar tref je ook het onderstaande plaatje aan, waarin het verschil tussen "TOEN" en "NU" wordt afgebeeld.

Stel je voor dat jij dat sterretje bent. Dat dus TOEN werd omgeven door die groep van vertrouwde anderen. Waarvan Nu alleen nog maar dat kleine kringetje is overgebleven, in een zee van sociale vluchtigheid. Die uit anderen bestaat, die natuurlijk ook elk zo'n klein kringetje om zich heen hebben.

Ga naar de presentatie voor een overzicht van allerlei individuele en maatschappelijke problemen die met sociale vluchtigheid samen hangen.

Een probleem dat daar niet aan de orde komt, is dat van de zogenaamde zelf-continuïteit. Dat hangt ermee samen dat sociale vluchtigheid ons er altijd toe aanzet om onszelf zo gunstig mogelijk te presenteren tegenover anderen. We willen immers voorkomen dat anderen op ons zouden neerkijken, ons niet voor vol of zelfs als loser zouden zien. Dat is de statuscompetitie die zonder sociale vertrouwdheid al gauw de kop opsteekt.

Doordat we ons dus voortdurend beter of anders voordoen dan we echt zijn, kan het gebeuren dat we ons in onze meer reflexieve ogenblikken gaan afvragen wie we nu eigenlijk echt zijn. Wat is ons authentieke zelf? Achter al die mini-toneelstukjes die we opvoeren?

Dat is een vraag die we onvermijdelijk in ons eentje moeten beantwoorden. Want al die anderen kennen ons alleen van wat wij hen hebben voorgespiegeld.

En dat betekent dat met die vraag naar het authentieke zelf de vraag naar zelf-continuïteit naar voren komt. Want de zoektocht naar het authentieke zelf is niets anders dan de zoektocht naar zelf-continuïteit: naar datgene wat er in je leven tot dan toe gemeenschappelijk was aan al die rollen die je hebt gespeeld.

In dat verband is er nu de interessante studie How nostalgia infuses life with meaning: From social connectedness to self‐continuity. Waaruit aanwijzingen naar voren komen dat een versterking van het gevoel van zelf-continuïteit de verbindende schakel vormt tussen het nostalgisch terugkijken naar gebeurtenissen in het verleden en het gevoel van zinvolheid van je leven.

En wat blijkt? Die nostalgie blijkt je ertoe aan te zetten je meer verbonden te voelen met anderen. Waarschijnlijk doordat je terugdenkt aan episodes waarin die verbondenheid groot was. En het is precies dat gevoel van verbondenheid dat maakt dat je meer zelf-continuïteit ervaart.

Dat lijkt te bevestigen dat we die zelf-continuïteit inderdaad ontlenen aan die kleine kringetjes van vertrouwde anderen waar we in ons leven toe hebben behoord. Voor zelf-continuïteit is verbondenheid nodig. Met alleen maar sociale vluchtigheid lukt het niet.

En maakt het wat uit? Jazeker, want dat gevoel van zelf-continuïteit die verschaft ons dat o zo fundamentele gevoel dat ons leven zin heeft.

donderdag 7 februari 2019

Zelf-compassie en zelfcontrole zijn belangrijk om nog jezelf te kunnen zijn

De samenleving waarin wij ons bewegen is er een die, in vergelijking met de Paleo Sociale Omgeving van lang geleden, gekenmerkt wordt door een grote mate van sociale vluchtigheid. Ons sociale leven bestaat voor een groot deel uit ontmoetingen en relaties met anderen die we niet zo goed kennen.

Daardoor zijn we er vaak mee bezig hoe we op anderen overkomen en hoe we willen overkomen. En dus met de reacties van anderen op hoe wij ons presenteren. Denk even aan Erving Goffmans The Presentation of Self in Everyday Life, dat in 1956 verscheen en vele malen is herdrukt. Het vormde het begin van wat de dramaturgische analyse van het sociale leven ging heten, waarin het erom gaat dat mensen voortdurend, meer of minder onbewust, bezig zijn met impression management.

Dat bezig zijn met hoe we willen overkomen is begrijpelijk als de sociale relaties vluchtig van aard zijn. Iedereen vraagt zich dan af met wat voor iemand hij te maken heeft. En andersom is iedereen ervan doordrongen dat anderen zich die vraag stellen. Hoe je je presenteert en hoe je je tegenover wie presenteert, is dan een voortdurende opgave.

Dat kan ertoe leiden, en leidt er kennelijk vaak toe, dat mensen zich gaan afvragen wie ze zelf nu eigenlijk zijn. Wat is je authentieke zelf? Hoe vind je nog je ware zelf achter al die vaak verschillende facades waarmee je jezelf aan anderen presenteert? Die vragen hebben enige urgentie, want het blijkt dat mensen zich beter voelen als ze meer het gevoel hebben dat ze zichzelf kunnen zijn.

Bedenk daarbij dat dat authenticiteitsprobleem zich niet of veel minder voordoet als het sociale leven zich meer afspeelt tussen vertrouwde anderen. Als mensen hun leven doorbrengen in een groep van vertrouwde contacten, zoals dat het geval was in die Paleo Sociale Omgeving van de jagers-verzamelaars, dan is er altijd de gezamenlijke geschiedenis die maakt dat niemand zich anders hoeft voor te doen dan hij is. De opdracht van het zich presenteren is geheel afwezig. Je kunt zijn wie je bent, want anderen, en jijzelf, weten wie je bent.

De vraag naar het authentieke zelf en de dringendheid van die vraag zijn dus "moderniteitsproducten". Onvermijdelijke gevolgen van de sociale vluchtigheid van het tegenwoordige sociale leven.

Waarin natuurlijk nog wel eilandjes van sociale vertrouwdheid bestaan, de kringen van familie en vrienden, waarin nog een gezamenlijke geschiedenis bestaat. En het is inderdaad zo dat mensen zich beter voelen in die kring van vertrouwde contacten en we weten dat dat eraan ligt dat mensen in die contacten meer het gevoel hebben dat ze zichzelf kunnen zijn. Zie Hoe komt het dat we ons in vertrouwde contacten beter voelen dan in vluchtige contacten?

Toch slagen sommige mensen er nog behoorlijk goed in om ondanks die sociale vluchtigheid zichzelf te kunnen zijn en hun authentieke zelf te bewaren. Dat zijn degenen die in staat zijn tot zelf-compassie. Zie eerder het bericht Kunnen we nog wel onszelf zijn? In een toestand van sociale vluchtigheid is voor authenticiteit zelf-compassie nodig.

Het hebben van zelf-compassie houdt in dat je in staat bent om (a) aardig te zijn voor jezelf in plaats van streng en veroordelend, (b) in te zien dat het algemeen menselijk is om fouten te maken en om je wel eens slecht te voelen, en (c) je falen en je pijn met gelijkmoedigheid (mindful) te constateren. Mensen met meer zelf-compassie zijn minder bezig met hoe anderen over hen oordelen en dus ook minder met zich altijd maar zo goed mogelijk voor te doen.

En volgens de nieuwe studie Choosing goals that express the true self: A novel mechanism of the effect of self‐control on goal attainment helpt het ook als je beter in staat bent tot zelfcontrole. Dus tot het volgen van een uitgezette gedragslijn en het weerstaan van verleidingen om daarvan af te wijken.

Het blijkt namelijk dat het bekende verband tussen het hebben van zelfcontrole en succesvol zijn in het bereiken van je doelen, mede verklaard wordt doordat mensen met meer zelfcontrole zichzelf meer doelen stellen die overeenkomen met hun authentiek zelf. Die dus in staat zijn om zich meer door hun ware zelf te laten leiden

Want het nastreven van zaken die uit je ware zelf voortkomen, die dus echt zelf gekozen zijn, is natuurlijk motiverender en beter vol te houden, dan het najagen van doelen die van buitenaf zijn opgelegd of waartoe je je hebt laten overhalen of waarvan je denkt dat je er goede sier mee kunt maken.

Dat we in een toestand leven met een grote mate van sociale vluchtigheid, betekent dus dat het om nog onszelf te kunnen zijn, aankomt op individuele eigenschappen als zelf-compassie en zelfcontrole. En het betekent ook dat niet iedereen even goed in staat is om zichzelf te kunnen zijn.

woensdag 23 januari 2019

Kunnen we nog wel onszelf zijn? In een toestand van sociale vluchtigheid is voor authenticiteit zelf-compassie nodig

Doordat onze manier van samenleven gekenmerkt wordt door een grote mate van sociale vluchtigheid, bevinden we ons vaak in relaties waarin we elkaar nog niet zo heel goed kennen.
Daardoor voelen we ons vaak onzeker over hoe we ons het beste kunnen gedragen. De ander kent ons niet of nog niet goed en dus zijn we vaak bezig met hoe we over komen en hoe we willen overkomen. En met hoe we een goede indruk kunnen maken en kunnen voorkomen dat we sociale blunders maken.

Dat betekent dat een toestand van sociale vluchtigheid niet bevorderlijk is voor het gevoel jezelf te kunnen zijn, voor het je gedragen volgens je authentieke zelf. Je zult je immers vaak anders voordoen dan je echt bent. Denk ook aan het bericht Waardoor hebben adolescenten eigenlijk niet allemaal het gevoel dat ze zichzelf kunnen zijn?

We zagen eerder dat dat gebrek aan authenticiteit, aan het jezelf kunnen zijn, als onprettig wordt ervaren. Dat mensen zich beter voelen in contacten met vertrouwde anderen dan in vluchtige contacten bleek er aan te liggen dat mensen in die vertrouwde contacten meer het gevoel hadden zichzelf te kunnen zijn. Zie Hoe komt het dat we ons in vertrouwde contacten beter voelen dan in vluchtige contacten?

Maar wat kun je er in je eentje aan doen om je gevoel van authenticiteit te vergroten? Gegeven dat we nu eenmaal met die toestand van sociale vluchtigheid te maken hebben.

Volgens de nieuwe studie A Compassionate Self Is a True Self? Self-Compassion Promotes Subjective Authenticity helpt het als je meer compassie met jezelf hebt.

Als je zelf-compassie hebt, dan ben je in staat om (a) aardig te zijn voor jezelf in plaats van streng en veroordelend, (b) in te zien dat het algemeen menselijk is om fouten te maken en om je wel eens slecht te voelen, en (c) je falen en je pijn met gelijkmoedigheid (mindful) te constateren.

De onderzoekers verwachtten dat je door zelf-compassie minder bang bent voor negatieve oordelen van anderen, dat je je minder snel schaamt en dat je optimistischer in het leven staat. En dat je daardoor vaker het gevoel hebt jezelf te kunnen zijn.

En dat komt ook in grote lijnen uit de verschillende deelstudies die de onderzoekers hebben uitgevoerd. Zo blijkt dat mensen die van zichzelf meer zelf-compassie hebben, ook meer het gevoel hebben zichzelf te zijn. En is het zo dat mensen op dagen waarop ze meer zelf-compassie hadden, ook meer het gevoel van authenticiteit hadden.

En er komen aanwijzingen uit het onderzoek dat het verband tussen zelf-compassie en authenticiteit tot stand komt (statistisch gemediëerd wordt) door de verminderde vrees voor negatieve beoordeling door anderen en door een meer optimistische instelling.

Een en ander suggereert dat een toestand van sociale vluchtigheid een sociale uitdaging is waartegen je beter bestand bent als je in staat bent tot zelf-compassie. Anders gezegd, een toestand waarin verschillen in het vermogen tot zelf-compassie tussen mensen aan het licht komen. Verschillen die niet aan het licht zouden komen in een toestand van onderlinge vertrouwdheid, waarin mensen zichzelf kunnen zijn.

Een toestand dus waarin er vraag ontstaat naar compassietraningen, als een soort substituut voor de vertrouwde sociale contacten die mensen eigenlijk nodig hebben. Denk ook aan dat mooie boek The Compassionate Mind van Paul Gilbert.

donderdag 9 augustus 2018

Statusvertoon en vriendschap verdragen elkaar slecht - Maar dat hebben we slecht door als we vriendschap zoeken

Mensen brengen al heel lang niet meer hun hele leven door in de groep van vertrouwde anderen, zoals dat het geval was in de Paleo Sociale Omgeving van de jagers-verzamelaars. Naast het gemeenschapsdomein van familie en vrienden, kennen we ook het domein van de statuscompetitie en statushiërarchie. Bovendien is dat gemeenschapsdomein vaak maar klein en precair, vandaar dat eenzaamheid een maatschappelijk probleem is.

Anders gezegd, we leven in een maatschappij met een grote mate van sociale vluchtigheid, waarin we ons nogal eens eenzaam voelen en waarin we best wel meer vrienden zouden willen.

Maar hoe maak je nieuwe vrienden?

Evolutionair gezien zijn we er niet op geselecteerd om gemakkelijk nieuwe vrienden te maken, want die uitdaging kwam in die Paleo Sociale Omgeving eigenlijk niet voor. Vrienden had je en het ging erom die te houden, niet om nieuwe vrienden te maken.

Je moet het nu dus zelf maar zien uit te vinden. En omdat je zowel gemeenschap als statuscompetitie om je heen ziet, kan het zijn dat je die twee door elkaar haalt. En dan op het idee komt om door statusvertoon te proberen om vrienden te maken.

Dat die vergissing veel gemaakt wordt, blijkt uit de nieuwe studie The Status Signals Paradox.

De onderzoekers lieten in vijf deelstudies mensen kiezen tussen het wel of niet met statusvertoon te proberen om nieuwe vrienden te maken. Het ging er dan bijvoorbeeld om of je met een dure of een middenklasse auto zou arriveren of dat je een duur merkhorloge of een gewoon horloge zou dragen of een duur merk T-shirt aan zou trekken of een gewoon Walmart T-shirt.

Steeds bleek dat significant meer mensen kozen voor het statusvertoon. Ze verwachten dus daarmee succesvoller te zijn in het maken van vrienden. Anderen zouden hen aantrekkelijker vinden als mogelijke nieuwe vriend.

Maar of dat laatste zo was, werd ook vastgesteld door mensen te vragen naar wie ze als mogelijke vriend aantrekkelijker zouden vinden. En daaruit bleek dat degenen met statusvertoon juist minder positief werden beoordeeld. Er bestaat dus inderdaad een Status Signalen Paradox.

Kennelijk is het zo dat als we op zoek zijn naar vriendschap, maar die dus nog niet hebben gevonden, we dat statuscompetitiepatroon dat ook in ons zit, niet gemakkelijk buiten werking kunnen stellen.

Misschien dat we bang zijn om toch in een statusstrijd terecht te komen en dan willen we maar liever goed voor de dag komen.

Maar die angst maakt de kans op vriendschap dus juist kleiner.

vrijdag 6 april 2018

Zelfverheffing is goed voor je, maar niet als het de narcistische variant is

We leven onder condities van sociale vluchtigheid. Vriendschappen zijn maar weinig stabiel. En daarnaast hebben we vaak wel veel contacten, maar die zijn vluchtig van aard. Dat is een sociale omgeving waarin mensen elkaar niet zo goed kennen, omdat ze niet een lange gemeenschappelijke geschiedenis hebben.

Hoe reageren mensen op sociale vluchtigheid. Enerzijds met pogingen om contacten met anderen aan te gaan en om die te intensiveren. Het gaat er dan om aantrekkelijk te zijn voor anderen, eventueel aantrekkelijker dan je misschien echt bent.

Maar anderzijds lokt sociale vluchtigheid ook gemakkelijk statuscompetitie uit. Anderen zijn tegenstanders in de strijd om status, bewondering en aandacht. In die strijd is het zaak om je sterk en competent voor te doen, sterker en competenter dan je misschien echt bent.

In beide gevallen kan het zijn dat je zelf ook gaat geloven in hoe je je voordoet. Omdat het lastig is altijd iets voor te wenden, ga je zelf geloven in wat je voorwendt te zijn. In de sociaalwetenschappelijke literatuur staat dat bekend als zelfverheffing (self-enhancement). Een extreme variant daarvan, waarbij je jezelf zo verheft dat je op anderen neerkijkt, is narcisme. Zie Narcisten hebben baat bij sociale vluchtigheid.

Is dat verstandig om te doen? In de zin dat je je er beter door voelt?

In zekere zin wel, want je kunt er in de statuscompetitie succes mee hebben. Zelf geloven dat je competent bent, maakt dat je zelfverzekerder overkomt, waardoor anderen gaan geloven dat je ook echt competent bent. Zie Als je maar denkt dat je geweldig bent, dan ga je je zo gedragen dat anderen ook denken dat je geweldig bent.

Maar anderzijds stort je je daarmee in de statuscompetitie en dat levert stress op.

Wat is er bekend over de welzijnseffecten van zelfverheffing? De nieuwe overzichtsstudie Self-Enhancement and Psychological Adjustment: A Meta-Analytic Review geeft daar een antwoord op.

Daaruit komt naar voren dat zelfverheffing goed voor je is in de zin dat je je er beter bij voelt (positive affect) en gelukkiger en tevredener met je leven. De onderzoekers zien dat als een bevestiging van de gedachte dat mensen een fundamentele behoefte hebben om goed over zichzelf te denken.

Maar hoe goed is het om jezelf te verheffen als je ook streeft naar goede relaties met anderen, naar verbondenheid? Als je die verbondenheid met anderen afmeet aan de mate waarin anderen jou waarderen of zich met jou verbonden voelen, dan blijkt dat jouw zelfverheffing, als die meer de kant op gaat van narcisme, juist slecht voor jou uitpakt. Je maakt er geen vrienden mee. Dan gaat het om  de variant van de agentic self-enhancement.

Dat positieve welzijnseffect lijkt dus vooral tot stand te komen door die andere variant van zelfverheffing: jezelf zien als aardiger, warmer, pro-socialer dan je misschien zelf bent (communal self-enhancement).

En dat zou kunnen wijzen op een sociaal selectieproces onder condities van sociale vluchtigheid. Narcistische zelfverheffing leidt er toe dat anderen zich van je afwenden, omdat ze doorhebben dat jij op hen neerkijkt. Daarentegen straal je met pro-sociale zelfverheffing uit dat je verbondenheid met anderen zoekt, waardoor contacten met gelijkgestemde anderen juist gemakkelijk tot stand komen.

dinsdag 1 augustus 2017

Hoe komt het dat we ons in vertrouwde contacten beter voelen dan in vluchtige contacten?

Dat wij groepsdieren zijn, wil zeggen dat we er als gevolg van onze evolutionaire geschiedenis op zijn ingesteld om op te groeien en ons te bewegen in een groep van vertrouwde anderen.

In zo'n groep werken we samen en delen we de beschikbare middelen. En hebben we een gezamenlijke geschiedenis, die eraan bijdraagt dat we de onderlinge relaties als vanzelfsprekend accepteren. Daardoor is de onderlinge (status-)competitie afwezig of neemt hij onschuldige vormen aan, zoals die van spel en wat we tegenwoordig sport noemen. Wat de ruimte creëert om jezelf te kunnen zijn, want je hoeft je niet beter voor te doen dan je bent. Er zijn redenen om te denken dat het leven in zo'n groep van vertrouwde anderen het zinvolle leven is. Zie Gedachten over de positieve gezondheidseffecten van een zinvol leven.

Maar in onze huidige maatschappij is zo'n groep van vertrouwde anderen (familie, vrienden) er nog maar beperkt. Niet alleen is hij voor de meesten van ons nog maar klein van omvang (vandaar de problemen van het sociale isolement van gezinnen en van eenzaamheid), maar ook hebben we daarnaast contacten met anderen met wie we niet of veel minder vertrouwd zijn. Dat zijn de vluchtige contacten of "zwakke bindingen" of "kennissen".

We weten al dat je veel van die vluchtige contacten kunt hebben, terwijl je toch eenzaam bent. Wat eenzaamheid betreft, kunnen we dus het gemis aan die vertrouwde contacten niet compenseren door vluchtige contacten.

Maar het is ingewikkeld, want toch blijken die vluchtige contacten iets toe te voegen aan ons geluksgevoel. Mij lijkt dat je dat moet opvatten als een aanwijzing dat voor de meesten van ons die kring van vertrouwde anderen te klein is. We zoeken naar meer en vinden dat een beetje door die contacten aan de rand van onze groep.

Maar je zou verwachten dat we de voorkeur geven aan de omgang met die vertrouwde contacten. Omdat we daarin meer ons zelf kunnen zijn.

En precies dat komt uit het nieuwe onderzoek Hedonic Benefits of Close and Distant Interaction Partners: The Mediating Roles of Social Approval and Authenticity.

Het onderzoek werd uitgevoerd met behulp van de Experience Sampling Method, die inhield dat een groep van 178 studenten gedurende twee weken vier maal per dag op toevallige tijdstippen een mail ontvingen met een kort vragenlijstje over de laatste interactie die ze daar voor gehad hadden en over hoe goed of slecht ze zich voelden. Dat laatste gebeurde met behulp van de Positive and Negative Affect Schedule .Zo ontstond een bestand van bijna 7000 korte verslagen van sociale interacties. (Natuurlijk had je liever een bredere groep gehad dan alleen studenten.)

De onderzoekers konden vervolgens laten zien dat de studenten zich beter hadden gevoeld in contacten met vertrouwde anderen dan in vluchtige contacten.

En waardoor voelden ze zich beter? Doordat ze meer het gevoel hadden te worden geaccepteerd (meer gerespecteerd worden, aardiger gevonden worden) en meer het gevoel hadden zichzelf te kunnen zijn (trouw aan zichzelf, niet beïnvloed, trouw aan eigen principes en waarden).

Ook een klein en beperkt onderzoekje kan dus zomaar uitwijzen dat wij nog steeds die sociale diersoort zijn die zich graag omgeven voelt door vertrouwde anderen.

donderdag 27 juli 2017

Mensen kunnen veel contacten hebben en toch eenzaam zijn. En zonder dat anderen daar weet van hebben.

Eenzaamheidsgevoelens komen voort uit een gemis aan vertrouwde sociale contacten, contacten dus met degenen bij wie je je jezelf kunt zijn. Waarin je je niet beter of sterker of slimmer hoeft voor te doen dan je in werkelijkheid bent.

Dat betekent dat eenzaamheid bestaat uit twee componenten. De ene is die van het volstrekte sociale isolement. Je komt niet (meer) onder de mensen en verpietert. Je mist niet alleen die vertrouwde sociale contacten, je ontbeert elk contact. De extreme gevallen daarvan kennen we uit de berichten over mensen die na weken of maanden dood in hun woning worden aangetroffen.

Maar er is ook de component van het eenzaam zijn zonder sociaal isolement. Je komt wel onder de mensen, maar je voelt je desondanks eenzaam. Die toestand houdt in dat er iets ontbreekt aan de (vluchtige) contacten die je wel hebt. En dat is dat element van vertrouwdheid, dat maakt dat je "echt" contact kunt hebben, waarin je openhartig kunt zijn over wat je bezighoudt.

Dat onderscheid tussen die twee componenten komt in het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar voren in het verschil tussen subjectief ervaren eenzaamheid als een gevoel en eenvoudigweg het aantal contacten dat je hebt (of in een vragenlijst aangeeft te hebben). En die twee hangen doorgaans statistisch significant samen, maar het verband is vaak niet sterk. Wat o.a. inhoudt dat mensen met veel contacten nog behoorlijk eenzaam kunnen zijn.

Dat is ook het geval in het nieuwe onderzoek Feeling lonely when not socially isolated. Het gaat om een klein onderzoekje, maar de resultaten zijn interessant. Ruim honderd Koreanen vulden een vragenlijstje in en hielden een week lang een dagboekje bij over hun sociale interacties. In dat vragenlijstje gaven ze aan hoe eenzaam ze zich voelden (met de Revised UCLA Loneliness Scale). Dat werd aangevuld met de inschatting van hun eenzaamheidsgevoel door drie informanten, bekenden die zij zelf hadden opgegeven. Ook gaven ze aan hoeveel contacten ze hadden (met de Social Network Index).

Het bleek toen inderdaad dat eenzaamheid en het aantal contacten zwak, maar wel significant, samenhingen. Bovendien hing eenzaamheid negatief samen met het aantal interacties met vertrouwde contacten (strong ties) zoals dat uit het dagboekje naar voren kwam. Hoe minder van zulke vertrouwde interacties, hoe eenzamer. En hoe minder positieve gevoelens en hoe minder wederzijds openhartigheid.

Daarentegen hing het aantal interacties met vluchtige contacten (weak ties) niet samen met hoe eenzaam je je voelde. Anders gezegd: eenzaamheid als het gebrek aan contacten met vertrouwde relaties is niet te compenseren met het hebben van meer vluchtige contacten. (Maar bedenk daarbij dat volgens ander onderzoek meer contacten met die weak ties wel bijdragen aan onze geluksgevoelens. Zie Is de kring van mensen waarmee we omgaan te klein? Dat zou kunnen liggen aan het verschil tussen niet eenzaam zijn en gelukkig zijn.)

Sociale vluchtigheid als het hebben van veel oppervlakkige contacten kan dus goed samen gaan met sterke gevoelens van eenzaamheid. Die overigens niet hoeven te worden opgemerkt door anderen. Want het onderzoek laat zien dat de eenzaamheid van degenen met een groot aantal contacten minder samenhing met de door de informanten ingeschatte eenzaamheid dan in het geval van degenen met weinig contacten.

Je kunt een groot netwerk hebben en toch eenzaam zijn, zonder dat anderen daar weet van hebben.