Posts tonen met het label Robert Putnam. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Robert Putnam. Alle posts tonen

dinsdag 21 november 2023

Het is tijd voor wij-met-zijn-allen, dus voor een stem op GroenLinks-PvdA. Een historische en sociaalwetenschappelijke blik op de verkiezingen

Op 16 maart 2021 riep ik op om bij de Tweede Kamerverkiezingen de daaropvolgende dag op een linkse partij te stemmen. Ik deed dat met het bericht dat ik hier vrijwel ongewijzigd kan overnemen. Om toen een linkse stem uit te brengen, moest je nog kiezen tussen de PvdA en GroenLinks (of een kleinere linkse partij). Morgen kun je gelukkig op een verenigd GroenLinks-PvdA stemmen, een belangrijke en hoognodige stap op weg naar een grote linkse partij.

Laten we eens naar deze verkiezingen kijken met een historische blik. Dus met een blik die je op dit blog vaker bent tegengekomen. Zoals in de reeks berichten over de mensheidsgeschiedenis-in-drie-stappen. En met een sociaalwetenschappelijke blik van een vak sociologie dat ertoe doet, dus een vak toegerust met een realistisch normatief kader. 

Wat die historische blik betreft, bevinden we ons nu in een tijdvak van de mensheidsgeschiedenis waarin zich de strijd afspeelt om onze oeroude morele gemeenschapsintuïties vorm te geven in de instituties van de democratie en de mensenrechten. De morele intuïties dus van iedereen telt mee, zorg voor elkaar, samenwerking en rechtvaardigheid. Het vorm geven aan die intuïties slaagt beter als mensen zich veilig voelen en tegelijk voelen mensen zich veiliger hoe meer die vormgeving succesvol is.

De tegenstand in die strijd komt van de evenzeer oeroude menselijke neiging tot statuscompetitie. Die neiging wordt aangejaagd als mensen zich onveilig voelen. In een onveilige wereld heb je van anderen niets goeds te verwachten en moet je dus voor jezelf opkomen en jezelf verdedigen. Met een hoge status, dus als je rijk en machtig bent, ben je bevreesd dat minder gelukkigen hun blik laten vallen op jouw rijkdommen en stel je dus alles in het werk om hen daarvan te weerhouden door onderdrukking en overheersing. Behoor je tot die minder gelukkigen, dan stel je je daartegen te weer en als dat uitzichtloos lijkt, berust je in je lot, gedraag je je onderdanig en probeer je er nog het beste van te maken. Er heerst de ongelijkheid van de statushiërarchie en iedereen voelt zich onveilig.

In de mensheidsgeschiedenis was die strijd tussen deze twee, dus tussen gemeenschap en statuscompetitie, voor verreweg het grootste deel van de tijd beslist in het voordeel van gemeenschap. Dat was in het jagers-verzamelaarstijdperk, toen we voor onze overleving en reproductie afhankelijk waren van samenwerken en delen. Gemeenschap was noodzakelijk en moest dus gepaard gaan met onderdrukking van de neiging tot statuscompetitie. 

Na de overgang naar landbouw, zo'n acht- tot tienduizend jaar geleden, werd dat laatste bemoeilijkt door de introductie van eigendom. Opties dienden zich aan om ook zonder mee te doen met het samenwerken en delen toch te overleven, ja, zelfs rijkdommen te verwerven. Dus brak de statuscompetitie door. Met ongelijkheid tussen arm en rijk, machthebbers en machtelozen, mannen en vrouwen. 

De morele gemeenschapsintuïties konden zich nog maar beperkt doen gelden. Ze werden teruggedrongen tot pockets van onderlinge afhankelijkheid en persoonlijke, langdurige relaties, zoals in die gevallen van zelforganisatie die door Elinor Ostrom bestudeerd werden. En in de zogenaamde standenmaatschappijen kon de ongelijkheid getemperd worden als de relaties langdurig waren. Hogere standen konden dan een morele verplichting voelen om hun ondergeschikten bij te staan. Ik moet daarbij steeds denken aan die boer waar Chris van Esterik over vertelt.

Pas recent in de geschiedenis, zeg de laatste twee eeuwen, krijgen de morele gemeenschapsintuïties weer meer kansen. Met de Industriële Revolutie nam de macht van de arbeid toe en werd de onderlinge afhankelijkheid grootschaliger. Waardoor nationale staten belangrijker werden, ja, zelfs internationale samenwerking. Met als gevolg de emancipatie van eerst de burgerij, toen de arbeid en tenslotte de vrouwen. Slavernij en apartheid werden afgeschaft. Er kwam stapsgewijs algemeen kiesrecht en dus democratie. Dat betekende dat vrijwel alle nationale staten grondwetten invoerden, een in de mensheidsgeschiedenis cruciaal proces dat Wim Voermans beschrijft in zijn nieuwe boek The Story of Constitutions: Discovering the We in Us. En er werden na de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust de internationale mensenrechtenverdragen gesloten. 

Sociaalwetenschappelijk gezien is daarmee de historische strijd geschilderd tussen de twee "evenwichtstoestanden" waar een groep of maatschappij in terecht kan komen. Evenwichten in de zin dat als een van die twee toestanden eenmaal bestaat, er maar moeilijk weer van binnen uit aan ontsnapt kan worden. En er zijn dus de vele sociaalwetenschappelijk aanwijzingen dat het gemeenschapsevenwicht naar menselijk welzijn en in moreel opzicht te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht. Wat in de politieke praktijk betekent dat elke beweging in de richting van meer gemeenschap toegejuicht behoort te worden. Dus meer gelijkheid en meer bestaanszekerheid voor iedereen. Meer nadruk op sociale hervormingen en minder op economische hervormingen. Een grotere rol voor wij-met-zijn-allen, dus voor de overheid, en een kleinere rol voor ieder-voor-zich, dus voor de ongereguleerde markt. Denk aan Een sociologie die ertoe doet. Een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Oké, nu terug naar november 2023 en de verkiezingen. Minder ver terug in de geschiedenis hebben we tientallen jaren neoliberaal beleid achter de rug. Dus van beleid van minder wij-met-zijn-allen en meer van ieder-voor-zich. In politieke termen: minder overheid en meer gedereguleerde markt. Afbraak van de verzorgingsstaat, toename van bestaansonzekerheid voor velen, met een toename van inkomens-, maar vooral van vermogensongelijkheid. Voedselbanken werden normaal. Een dak boven je hoofd werd aan de markt overgelaten, dus meer daklozen. Arbeidsmarkt gedereguleerd, dus meer onzekerheid. Doelstelling van volledige werkgelegenheid ingeruild voor versobering van uitkeringen. Tegenprestatie in de bijstand. Werkloos? Dan heb je je looneisen nog niet genoeg naar beneden bijgesteld. Stagnatie van de lonen. Armoede, niet allen bij uitkeringstrekkers, maar ook bij werkenden. Publieke voorzieningen gedecentraliseerd en uitgekleed. Gemeentebudgetten afgeknepen. Getreuzeld met de hoognodige maatregelen om de klimaatverandering af te wenden.

Allemaal "economische hervormingen", die het ieder-voor-zich van het statuscompetitie-evenwicht aanzienlijk dichterbij brachten. Minder mededogen met de zwakkeren en kwetsbaren. Anti-immigranten- en vluchtelingensentiment. Toenemend rechts-extremisme. Ontkenning van wetenschappelijke inzichten.

Nu lijken we tot inkeer te komen. Er was al de Grote Financiële Crisis van 2008-2010. Er was de coronapandemie. De rampzalige gevolgen van de klimaatverandering dienen zich aan. We krijgen door dat er iets heel erg is misgegaan. De overheid moet terug.

We moeten weer de weg inslaan in de richting van het gemeenschapsevenwicht. Met het oog op ons aller welzijn. En omdat het in moreel opzicht de juiste weg is.

Het is de weg die we na de Tweede Wereldoorlog met overtuiging hadden ingeslagen. Toen we de lessen hadden geleerd van de economische crisis van de jaren dertig, van de New Deal in de Verenigde Staten, van de bezuinigingspolitiek in Duitsland die Hitler aan de macht bracht, van de daaropvolgende Holocaust.

Toen we, met John Maynard Keynes, inzagen dat een economie zonder een grote sturende rol van de overheid niet goed voor iedereen kan werken. De tijd dus van "de gemeenschap, georganiseerd in de staat". 

Maar ook de tijd waarin de  tegenstand zich al begon te organiseren. Er zijn altijd de rijken en de machtigen die denken dat ze in de statushiërarchie van het ieder-voor-zich beter af zijn dan in het wij-met-zijn-allen. Die backlash wordt voor de Verenigde Staten fraai beschreven in hoofdstuk 13 (The Aristocracy Strikes Back) van The Price of Peace. Money, Democracy, and the Life of John Maynard Keynes van Zachary D. Carter. 

Dat is de tragiek van de strijd tussen gemeenschap en statuscompetitie: hoewel gemeenschap naar welzijn en morele maatstaven beter is, zijn er altijd degenen die niet bestand zijn tegen de verlokkingen van status, macht en rijkdom in een ongelijke statushiërarchie. Als je het eenmaal (veel) beter hebt dan anderen, dan is het moeilijk om je voor te stellen dat er een toestand zou kunnen bestaan, het wij-met-zijn-allen, die voor iedereen beter is. Dat is precies de moeilijkheid die mensen aan de top immoreel doet handelen en waardoor ze het zo moeilijk hebben met de democratie, de institutionalisering van het wij-met-zijn-allen. Denk aan de Republikeinen in de Verenigde Staten, die verkiezingen alleen dan eerlijk vinden als die in hun voordeel worden beslist.

Die backlash was uiteindelijk succesvol met het rond 1980 aan de macht komen van Ronald Reagan (de overheid is niet de oplossing, maar het probleem) en Margaret Thatcher (er bestaat niet zoiets als de maatschappij). En met het begin van dat neoliberale tijdperk, waar we nu misschien het einde van meemaken. In het Nederlandse politieke speelveld is er een ruk naar links vergeleken met vier jaar geleden, maar dat geldt vooral voor linkse en middenpartijen. Maar uitgerekend de neoliberale VVD werd na de Grote Financiële Crisis, tegen alle logica in, de grootste partij en doet het nog steeds goed in de peilingen. En extreemrechts profiteert van de door de neoliberale politiek gecreëerde bestaansonzekerheid onder de kiezers. Geert Wilders ruikt zijn laatste kans.

En in de Verenigde Staten wijzen de beleidsdaden van de Democratische regering-Biden wel heel duidelijk op een afrekening met het neoliberale tijdperk, dat culmineerde in het Trumpisme, en een terugkeer naar de ideeën van de Keynesiaanse New Deal. Jennifer Rubin schreef daarover in de Washington Post, met een verwijzing naar het nieuwe boek van Robert Putnam, met deze eerste twee alinea's:

America has the capacity to reorient itself in a way that emphasizes community, shared national purpose and inclusion. That’s according to political scientist Robert Putnam, who in his latest book, “The Upswing: How America Came Together a Century Ago and How We Can Do It Again," draws lessons from the a 125-year period of U.S. history spanning from the Gilded Age (characterized by polarization and self-centeredness) to the extended Progressive Era (characterized by diminished polarization and greater concern for the common good) to the post-1960s, which saw the rise again of polarization and self-centeredness.

Putnam dubs this “I-We-I” phenomenon. As he argued in a recent interview with Salon, “America may once again pivot toward a ‘we’ society — more equal, less polarized, more altruistic, less socially fragmented and more attentive to historic, structural inequalities.” In that case, President Biden is the right leader for a potential hinge moment. “Biden is proving to be just what the doctor ordered for a shaken country, focused explicitly on ‘we,’ not ‘I,’” Putnam said. "It’s not just his well-known empathy for people in pain, nor his equally well-known propensity to work across the aisle, but also his ability to adapt to changed political circumstances.”

Ook in ons land is het de hoogste tijd voor de wij-maatschappij. 

Dus voor een stem op GroenLinks-PvdA.

dinsdag 16 maart 2021

Het is tijd voor wij-met-zijn-allen, dus voor een stem op een linkse partij. Een historische en sociaalwetenschappelijke blik op de verkiezingen

De Tweede Kamerverkiezingen zijn begonnen. Vandaag en woensdag kan er nog gestemd worden. Zeventigjarigen en ouder konden al per post stemmen. Dat gold ook voor mij, maar ik ben niet kwetsbaar en zal woensdag in persoon mijn stem uitbrengen. Dat zal op een linkse partij zijn en hieronder leg ik uit waarom.

Laten we eens naar deze verkiezingen kijken met een historische blik. Dus met een blik die je op dit blog vaker bent tegengekomen. Zoals in de reeks berichten over de mensheidsgeschiedenis-in-drie-stappen. En met een sociaalwetenschappelijke blik van een vak sociologie dat ertoe doet, dus een vak toegerust met een realistisch normatief kader. 

Wat die historische blik betreft, bevinden we ons nu in een tijdvak van de mensheidsgeschiedenis waarin zich de strijd afspeelt om onze oeroude morele gemeenschapsintuïties vorm te geven in de instituties van de democratie en de mensenrechten. De morele intuïties dus van iedereen telt mee, zorg voor elkaar, samenwerking en rechtvaardigheid. Het vorm geven aan die intuïties slaagt beter als mensen zich veilig voelen en tegelijk voelen mensen zich veiliger hoe meer die vormgeving succesvol is.

De tegenstand in die strijd komt van de evenzeer oeroude menselijke neiging tot statuscompetitie. Die neiging wordt aangejaagd als mensen zich onveilig voelen. In een onveilige wereld heb je van anderen niets goeds te verwachten en moet je dus voor jezelf opkomen en jezelf verdedigen. Met een hoge status, dus als je rijk en machtig bent, ben je bevreesd dat minder gelukkigen hun blik laten vallen op jouw rijkdommen en stel je dus alles in het werk om hen daarvan te weerhouden door onderdrukking en overheersing. Behoor je tot die minder gelukkigen, dan stel je je daartegen teweer en als dat uitzichtloos lijkt, berust je in je lot, gedraag je je onderdanig en probeer je er nog het beste van te maken. Er heerst de ongelijkheid van de statushiërarchie en iedereen voelt zich onveilig.

In de mensheidsgeschiedenis was die strijd tussen deze twee, dus tussen gemeenschap en statuscompetitie, voor verreweg het grootste deel van de tijd beslist in het voordeel van gemeenschap. Dat was in het jagers-verzamelaarstijdperk, toen we voor onze overleving en reproductie afhankelijk waren van samenwerken en delen. Gemeenschap was noodzakelijk en moest dus gepaard gaan met onderdrukking van de neiging tot statuscompetitie. 

Na de overgang naar landbouw, zo'n acht- tot tienduizend jaar geleden, werd dat laatste bemoeilijkt door de introductie van eigendom. Opties dienden zich aan om ook zonder mee te doen met het samenwerken en delen toch te overleven, ja, zelfs rijkdommen te verwerven. Dus brak de statuscompetitie door. Met ongelijkheid tussen arm en rijk, machthebbers en machtelozen, mannen en vrouwen. De morele gemeenschapsintuïties konden zich nog maar beperkt doen gelden. Ze werden teruggedrongen tot pockets van onderlinge afhankelijkheid en persoonlijke, langdurige relaties, zoals in die gevallen van zelforganisatie die door Elinor Ostrom bestudeerd werden. En in de zogenaamde standenmaatschappijen kon de ongelijkheid getemperd worden als de relaties langdurig waren. Hogere standen konden dan een morele verplichting voelen om hun ondergeschikten bij te staan. Ik moet daarbij steeds denken aan die boer waar Chris van Esterik over vertelt.

Pas recent in de geschiedenis, zeg de laatste twee eeuwen, krijgen de morele gemeenschapsintuïties weer meer kansen. Met de Industriële Revolutie nam de macht van de arbeid toe en werd de onderlinge afhankelijkheid grootschaliger. Waardoor nationale staten belangrijker werden, ja, zelfs internationale samenwerking. Met als gevolg de emancipatie van eerst de burgerij, toen de arbeid en tenslotte de vrouwen. Slavernij en apartheid werden afgeschaft. Er kwam stapsgewijs algemeen kiesrecht en dus democratie. En er kwamen de internationale mensenrechtenverdragen. 

Sociaalwetenschappelijk gezien is daarmee de historische strijd geschilderd tussen de twee "evenwichtstoestanden" waar een groep of maatschappij in terecht kan komen. Evenwichten in de zin dat als een van die twee toestanden eenmaal bestaat, er maar moeilijk weer van binnen uit aan ontsnapt kan worden. En er zijn dus de vele sociaalwetenschappelijk aanwijzingen dat het gemeenschapsevenwicht naar menselijk welzijn en in moreel opzicht te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht. Wat in de politieke praktijk betekent dat elke beweging in de richting van meer gemeenschap toegejuicht behoort te worden. Dus meer gelijkheid en meer bestaanszekerheid voor iedereen. Meer nadruk op sociale hervormingen en minder op economische hervormingen. Een grotere rol voor wij-met-zijn-allen, dus voor de overheid, en een kleinere rol voor ieder-voor-zich, dus voor de ongereguleerde markt. Denk aan Een sociologie die ertoe doet. Een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Oké, nu terug naar 2021 en de verkiezingen. Minder ver terug in de geschiedenis hebben we tientallen jaren neoliberaal beleid achter de rug. Dus van beleid van minder wij-met-zijn-allen en meer van ieder-voor-zich. In politieke termen: minder overheid en meer gedereguleerde markt. Afbraak van de verzorgingsstaat, toename van bestaansonzekerheid voor velen. met een toename van inkomens-, maar vooral van vermogensongelijkheid. Voedselbanken werden normaal. Een dak boven je hoofd werd aan de markt overgelaten, dus meer daklozen. Arbeidsmarkt gedereguleerd, dus meer onzekerheid. Doelstelling van volledige werkgelegenheid ingeruild voor versobering van uitkeringen. Tegenprestatie in de bijstand. Werkloos? Dan heb je je looneisen nog niet genoeg naar beneden bijgesteld. Stagnatie van de lonen. Armoede, niet allen bij uitkeringstrekkers, maar ook bij werkenden. Publieke voorzieningen gedecentraliseerd en uitgekleed. Gemeentebudgetten afgeknepen. Getreuzeld met de hoognodige maatregelen om de klimaatverandering af te wenden.

Allemaal economische hervormingen, die het statuscompetitie-evenwicht aanzienlijk dichterbij brachten. Minder mededogen met de zwakkeren en kwetsbaren. Anti-immigranten- en vluchtelingensentiment. Toenemend rechtsextremisme. Ontkenning van wetenschappelijke inzichten.

Nu lijken we tot inkeer te komen. Er was al de Grote Financiële Crisis van 2008-2010. Nu hebben we de coronapandemie, met het vooruitzicht dat terug naar normaal er niet inzit. De rampzalige gevolgen van de klimaatverandering dienen zich aan. We krijgen door dat er iets heel erg is misgegaan. De overheid moet terug.

We moeten weer de weg inslaan in de richting van het gemeenschapsevenwicht. Met het oog op ons aller welzijn. En omdat het in moreel opzicht de juiste weg is.

Het is de weg die we na de Tweede Wereldoorlog met overtuiging hadden ingeslagen. Toen we de lessen hadden geleerd van de economische crisis van de jaren dertig, van de New Deal in de Verenigde Staten, van de bezuinigingspolitiek in Duitsland die Hitler aan de macht bracht, van de daaropvolgende Holocaust.

Toen we, met John Maynard Keynes, inzagen dat een economie zonder een grote sturende rol van de overheid niet goed voor iedereen kan werken. De tijd dus van "de gemeenschap, georganiseerd in de staat". 

Maar ook de tijd waarin de  tegenstand zich al begon te organiseren. Er zijn altijd de rijken en de machtigen die denken dat ze in de statushiërarchie van het ieder-voor-zich beter af zijn dan in het wij-met-zijn-allen. Die backlash wordt voor de Verenigde Staten fraai beschreven in hoofdstuk 13 (The Aristocracy Strikes Back) van The Price of Peace. Money, Democracy, and the Life of John Maynard Keynes van Zachary D. Carter. 

Dat is de tragiek van de strijd tussen gemeenschap en statuscompetitie: hoewel gemeenschap naar welzijn en morele maatstaven beter is, zijn er altijd degenen die niet bestand zijn tegen de verlokkingen van status, macht en rijkdom in een ongelijke statushiërarchie. Als je het eenmaal (veel) beter hebt dan anderen, dan is het moeilijk om je voor te stellen dat er een toestand zou kunnen bestaan, het wij-met-zijn-allen, die voor iedereen beter is. Dat is precies de moeilijkheid die mensen aan de top immoreel doet handelen en waardoor ze het zo moeilijk hebben met de democratie, de institutionalisering van het wij-met-zijn-allen. Denk aan de Republikeinen in de Verenigde Staten, die verkiezingen alleen dan eerlijk vinden als die in hun voordeel worden beslist.

Die backlash was uiteindelijk succesvol met het rond 1980 aan de macht komen van Ronald Reagan (de overheid is niet de oplossing, maar het probleem) en Margaret Thatcher (er bestaat niet zoiets als de maatschappij). En met het begin van dat neoliberale tijdperk, waar we nu misschien het einde van meemaken. In het Nederlandse politieke speelveld is er een ruk naar links vergeleken met vier jaar geleden, maar dat geldt vooral voor linkse en middenpartijen. Maar uitgerekend de neoliberale VVD werd na de Grote Financiële Crisis, tegen alle logica in, de grootste partij en heerst nu in de peilingen. En extreemrechts (PVV en FvD) profiteert van de door de neoliberale politiek gecreëerde bestaansonzekerheid onder de kiezers.

En in de Verenigde Staten wijzen de eerste beleidsdaden van de Democratische regering-Biden wel heel duidelijk op een afrekening met het neoliberale tijdperk, dat culmineerde in het Trumpisme, en een terugkeer naar de ideeën van de Keynesiaanse New Deal. Jennifer Rubin schreef daarover gisteren in de Washington Post, met een verwijzing naar het nieuwe boek van Robert Putnam, met deze eerste twee alinea's:

America has the capacity to reorient itself in a way that emphasizes community, shared national purpose and inclusion. That’s according to political scientist Robert Putnam, who in his latest book, “The Upswing: How America Came Together a Century Ago and How We Can Do It Again," draws lessons from the a 125-year period of U.S. history spanning from the Gilded Age (characterized by polarization and self-centeredness) to the extended Progressive Era (characterized by diminished polarization and greater concern for the common good) to the post-1960s, which saw the rise again of polarization and self-centeredness.

Putnam dubs this “I-We-I” phenomenon. As he argued in a recent interview with Salon, “America may once again pivot toward a ‘we’ society — more equal, less polarized, more altruistic, less socially fragmented and more attentive to historic, structural inequalities.” In that case, President Biden is the right leader for a potential hinge moment. “Biden is proving to be just what the doctor ordered for a shaken country, focused explicitly on ‘we,’ not ‘I,’” Putnam said. "It’s not just his well-known empathy for people in pain, nor his equally well-known propensity to work across the aisle, but also his ability to adapt to changed political circumstances.”

Amerika is toch weer een voorbeeld. Het is tijd voor wij-met-zijn-allen. Dus voor een stem op een linkse partij. Update. Welke? Kijk maar. Het zou veel beter zijn als je niet hoefde te kiezen en er een grote linkse partij was.

vrijdag 10 maart 2017

Hoeveel mensen zijn hier nu? Dagelijkse uitzwerming van uur tot uur te volgen

Het CBS heeft een animatie gemaakt op basis van anonieme, geaggregeerde gegevens over de locaties per uur van mobiele telefoons. Als je die gegevens afzet tegen de gegevens over hoeveel mensen waar wonen, kun je verdeeld over de dag zien waar meer mensen aanwezig zijn dan er wonen en waar minder. Zie Hoeveel mensen zijn hier nu? en klik daar de animatie aan.

Wat zich dan voor je ogen afspeelt, is het proces van uitzwerming waar ik het in 2003 over had in Geld en 'de rest'. Over de noodzaak van gemeenschapsbeleid. Zie Deel I. De perfectionering van het kapitalisme en de teloorgang van gemeenschap en Deel II. Gemeenschapsachteruitgang en richtlijnen voor gemeenschapsbeleid.

Uitzwerming is het proces van toename van dagelijkse verplaatsingen en verplaatsingsafstanden tussen wonen, werk en andere activiteiten, zoals winkelen, onderhouden van face-to-face sociale contacten en vrijetijdsbestedingen. Die toename is een gevolg van de toename van functiescheiding tussen wonen en werken die na de Tweede Wereldoorlog optrad. Die had allerlei oorzaken, maar hing in ieder geval ook samen met processen van schaalvergroting en ruimtelijke concentratie van bedrijven, openbaar bestuur en voorzieningen.


Daardoor is de economie minder ruimtelijk over het land uitgesmeerd. In het dorp waar ik in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw opgroeide waren nog een zuivelfabriek, een slachterij en een veevoederfabriek. En er was een gemeentehuis en er waren gemeentelijke diensten. Veel dorpsbewoners konden daardoor lopend of op de fiets naar hun werk. Die menging van wonen en werken was bevorderlijk voor het elkaar kennen. Door schaalvergroting van bedrijven en door gemeentelijke herindelingen is daar niets meer van over. (Ik vertel er over op Finster op Fryslân.)


Dat hele proces was in puur economisch opzicht goed te rechtvaardigen. Daarom betitelde ik het ook als "perfectionering van het kapitalisme".

Maar het had sociale nadelen. De eerste die daar op wees was Robert Putnam in zijn geruchtmakende Bowling Alone. The Collapse and Revival of American Community (2000). Hoofdstuk 12 van dat boek is er aan gewijd en heeft als titel Mobility and Sprawl. Uitzwerming is mijn vertaling van dat sprawl.


Het resultaat van zijn analyse van onderzoeksgegevens valt te omschrijven als (ik citeer mezelf uit 2003):

Hoe meer tijd mensen besteden aan woon-werkverplaatsingen, hoe minder contact ze hebben met familie, vrienden en buurtgenoten, én hoe minder ze participeren in politiek, verenigingen en vrijwilligerswerk. Het opvallende daarbij is dat dit laatste niet alleen geldt voor de forenzen zelf, maar ook voor hun buurtgenoten die niet forenzen, bijvoorbeeld omdat ze gepensioneerd zijn. Hoe meer, en hoe langer, jouw buurtgenoten forenzen, hoe minder sociaal en maatschappelijk actief jij bent.
Dit zal er deels aan liggen dat forenzen minder tijd overhouden voor sociale en maatschappelijke activiteiten, en daardoor minder beschikbaar zijn om dat samen met buurtgenoten te doen. Maar voor een ander deel zal het komen doordat de sociale contacten van forenzen meer uit elkaar getrokken zijn. Je kent mensen van je werk en je kent mensen uit je buurt. Maar de kans dat mensen van je werk in jouw buurt wonen, is kleiner hoe verder je van je werk woont. En het is makkelijker om contacten met anderen te maken en te houden, hoe vaker, en in hoe meer hoedanigheden, je die personen tegenkomt. Anders gezegd: uitzwerming betekent fragmentatie van relaties en dat is schadelijk voor gemeenschap.
Afijn, dat proces van uitzwerming kun je dus nu in die animatie van het CBS van uur tot uur volgen. Ik stond daar al bij stil in de berichten Hoe verder mensen van hun werk wonen, hoe minder ze een sociaal leven hebben - en over hoe dat komt en Steeds minder ontmoetingsplekken door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie.

Dat er ook nadelen zijn voor het fysieke milieu blijft dan nog buiten beschouwing.

vrijdag 13 november 2015

Etnische diversiteit niet slecht voor vertrouwen - Waar het wel om gaat? Om vertrouwdheid!

De Volkskrant maakt er vanochtend melding van dat een her-analyse van data van Robert Putnam uitwijst dar het niet klopt dat mensen in meer etnisch gemengde wijken elkaar minder vertrouwen.

Als je de analyse overdoet en beter rekening houdt met andere, bekende oorzaken van vertrouwen, dan blijkt dat het niet om die diversiteit op zich gaat, maar om onderliggende factoren, zoals armoede en residentiële stabiliteit. Het artikel, Putting Diversity in its Place. The Continuing Significance of Race for Self-Reported Trust, verschijnt in de november aflevering van de American Journal of Sociology, maar nu is alleen nog de Abstract beschikbaar. Putnam moet er niet goed rekening mee hebben gehouden dat etnisch gemengde wijken vaak ook armer zijn en een groter verloop kennen.

Goed dat die her-analyse is uitgevoerd. Het resultaat lijkt te bevestigen dat het bij de vraag of mensen elkaar vertrouwen vooral gaat om hoe vertrouwd ze met elkaar zijn. Dus om hoe lang ze elkaar al kennen en hoe lang ze al contact hebben. Denk aan het bericht Draait alles om vertrouwdheid? en aan dit bericht over de bekende contacthypothese.

Want als een buurt meer een duiventil is, dan hebben de bewoners niet de tijd om elkaar te leren kennen. En dat is slecht voor het sociale leven in de buurt. Evenzo weten we dat als je individuen vergelijkt, het vaak verhuisd zijn negatieve gevolgen heeft.

Maar hoe zit het dan met armoede? Past dat ook in deze redenering? Ja, dat zou best eens kunnen. Want armoede gaat sterk gepaard met een laag opleidingsniveau en het blijkt steeds dat mensen met een lagere opleiding minder sociaal vertrouwen hebben. Zie Sociaal en institutioneel vertrouwen in Nederland (pdf).

Dat laatste ligt misschien aan persoonseigenschappen die bevorderlijk zijn voor het bereiken van een hoge opleiding én voor het gemakkelijk vertrouwen van andere mensen. (Update. Denk aan openness to experience, een van de vijf persoonlijkheidseigenschappen.) Maar het kan ook zijn dat je door een langere onderwijsloopbaan meer ervaring hebt opgedaan in het omgaan met onbekenden en in het contact maken met anderen. Waardoor je gemakkelijker anderen vertrouwt. Update. Ter verduidelijking: verschillen in opleiding zouden dan dus samenhangen met verschillen in de mate waarin je vertrouwdheid met anderen tot stand kunt brengen.

Maar de boodschap lijkt me vandaag dus vooral dat alles draait om vertrouwdheid.

woensdag 1 juli 2015

Hoe verder mensen van hun werk wonen, hoe minder ze een sociaal leven hebben - en over hoe dat komt

Er is nieuw onderzoek, uitgevoerd in Zuid-Zweden, dat bevestigt dat hoe langer mensen onderweg zijn naar en van hun werk, hoe minder ze sociaal participeren. Zie Relationships BetweenCommuting and SocialCapital Among Men andWomen in SouthernSweden.

Het ging om een breed scala aan sociale activiteiten, zoals participatie in vakbond, kerk en sportvereniging en bioscoop- en cafébezoek, maar ook om familiebijeenkomsten en feestjes bij mensen thuis. Dat alles deden degenen minder die langer onderweg waren naar en van hun werk, vooral als ze hun eigen auto gebruikten.

Een grotere woon-werkafstand is dus niet bevorderlijk voor een sociaal leven. Dat wisten we al, omdat Robert Putnam dat in 2000 al liet zien in zijn monumentale Bowling Alone. Ik stond daar bij stil in mijn Geld en ‘de rest’ : Over uitzwerming, teloorgang van gemeenschap en de noodzaak van gemeenschapsbeleid uit 2003. Een citaat daaruit:
Hoe meer tijd mensen besteden aan woon-werkverplaatsingen, hoe minder contact ze hebben met familie, vrienden en buurtgenoten, én hoe minder ze participeren in politiek, verenigingen en vrijwilligerswerk. Het opvallende daarbij is dat dit laatste niet alleen geldt voor de forenzen zelf, maar ook voor hun buurtgenoten die niet forenzen. Hoe meer, en hoe langer, jouw buurtgenoten forenzen, hoe minder sociaal en maatschappelijk actief jij bent (Putnam 2000).
Dit zal er deels aan liggen dat forenzen minder tijd overhouden voor sociale en maatschappelijke activiteiten, en daardoor minder beschikbaar zijn om dat samen met buurtgenoten te doen. Maar voor een ander deel zal het komen doordat de sociale contacten van forenzen meer uit elkaar getrokken zijn. Je kent mensen van je werk en je kent mensen uit je buurt. Maar de kans dat mensen van je werk in jouw buurt wonen, is kleiner hoe verder je van je werk woont. En het is makkelijker om contacten met anderen te maken en te houden, hoe vaker, en in hoe meer hoedanigheden, je die personen tegenkomt. Anders gezegd: uitzwerming betekent fragmentatie van relaties en dat is schadelijk voor gemeenschap.
Want ja, voor een sociaal leven heb je een sociaal netwerk nodig van mensen die niet alleen jou kennen, maar ook elkaar kennen. En hoe meer jouw netwerk gefragmenteerd is over verschillende locaties en trefpunten, hoe meer van elkaar gescheiden en dus losse sociale contacten je hebt.

Opvallend aan dat Zweedse onderzoek is dat dat langere woon-werkverkeer ook samengaat met minder vertrouwen in andere mensen. Dit was sterker het geval voor autobestuurders dan voor reizigers met het openbaar vervoer, maar ook de laatsten hadden minder vertrouwen als ze lang onderweg waren. Meer onder de mensen komen, ook al zijn dat slechts medepassagiers, helpt dus wel, maar is niet afdoende.

Bedenk bij dit alles dat de gemiddelde woon-werkafstand en de tijd die we met woon-werkverkeer kwijt zijn, nogal zijn toegenomen. Nog een citaat uit 2003:
Over de verandering in woon-werkafstand hebben we cijfers over de periode tussen 1978 en 1990 (Batenburg en Knulst 1993). In die periode nam de gemiddelde afgelegde afstand tussen woning en werk toe van 6, 2 naar 8,1 kilometer, een toename van ruim 30%. Achter die cijfers kunnen we iets vermoeden van het verdwijnen van het verschijnsel dat werkenden tussen de middag thuis aten, omdat in ongeveer dezelfde periode het aantal keren dat men zich verplaatst ten behoeve van werk iets is afgenomen. Ook is tussen 1975 en 1990 de tijdsbesteding aan woon-werkverkeer toegenomen: elke 8 uur buitenshuis werken vergde in 1975 gemiddeld 50 minuten reistijd en in 1990 een vol uur. Een toename van 20%.
Ik vroeg me af of die toename ook na 1990 nog is doorgegaan. En ja, dat is inderdaad het geval. Volgens Nederlandheeft werk.nl is de woon-werkafstand (enkele reis) van autogebruikers toegenomen van 15 kilometer in 1985 naar 20 kilometer in 2000 en bijna 22 kilometer in 2008.

En de gemiddelde woon-werkafstand met de auto van pendelaars moet zijn gegroeid van 23 kilometer in 1987 naar bijna 29 kilometer in 2007. Pendelaars zijn daardoor tegenwoordig ook veel langer onderweg voor woon-werkreizen. In 1987 had een kwart van de pendelaars een reistijd van meer dan 30 minuten, in 2007 is dit bijna de helft.

De oorzaken van die toename liggen natuurlijk op het vlak van het soort economische ontwikkeling die we hebben doorgemaakt. Die is voor een (groot?) deel gebaseerd op processen van schaalvergroting en ruimtelijke concentratie van voorzieningen. (Update. En natuurlijk de toegenomen ruimtelijke scheiding van woon- en werkgebieden, bekend als functiescheiding.) Waardoor wij steeds meer moeten uitzwermen. Volg nog eens de link naar Geld en 'de rest' voor een nadere beschouwing.

En zie Steeds minder ontmoetingsplekken door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie.

zondag 13 mei 2012

Meer horeca, en dus ontmoetingsplekken, in de wijken - gemeente Utrecht

De gemeente Utrecht wil het "horecakader" aanpassen. Dat houdt onder meer in dat er in de wijken meer daghoreca en restaurants moeten komen.

Dit voornemen is toe te juichen. We hebben een periode van zo'n halve eeuw achter ons van schaalvergroting en concentratie van bedrijvigheid en voorzieningen. Dat heeft geleid tot een sterke functiescheiding, dat wil zeggen tot de ruimtelijke scheiding van wonen, werken en uitgaan. We wonen in een wijk waar nog alleen maar gewoond wordt, werken in een gebied waar alleen gewerkt wordt en winkelen en gaan uit in gebieden waar alleen gewinkeld en uitgegaan wordt.

De negatieve sociale gevolgen daarvan heb ik eerder met de term uitzwerming aangeduid. Zie daarover ook hoofdstuk 12 van het beroemde Bowling Alone. The Collapse and Revival of American Community van Robert D. Putnam. Die gevolgen houden in dat we meer tijd kwijt zijn aan het ons verplaatsen en dat is niet goed voor het milieu en voor onze gezondheid. Maar ze houden ook in dat onze sociale netwerken meer gefragmenteerd zijn geraakt. We hebben minder ongeplande ontmoetingen met andere buurtbewoners. De belangrijke sociale functie van economische voorzieningen (winkels, horeca) valt weg als die voorzieningen grootschaliger en meer ruimtelijk geconcentreerd zijn. In plaats van bekenden tegen te komen, gaan we meer op in een anonieme massa. En daardoor is het sociale leven verarmd.

Die ontwikkeling is vanuit een strikt economisch perspectief goed te begrijpen. Ondernemers die er van afhankelijk zijn dat klanten naar hen toe komen, hebben er belang bij om zich te vestigen waar al andere ondernemers zijn gevestigd die al klanten aantrekken. Ieder die zich ergens vestigt, oefent een positieve externaliteit uit op nieuwkomers. En iedere ondernemer probeert dus om te voorkomen dat hij zich ergens als enige vestigt. Vandaar dat je als je de markt zijn werk laat doen, alles naar de binnenstad en de grote winkelcentra gaat. En alles uit de woonwijken verdwijnt. En precies dat is ook gebeurd.

Je verwacht dus dat er in de wijken behoefte is aan meer horeca en aan de sociale functie van zulke voorzieningen. En volgens de gemeente Utrecht is die behoefte er ook. Uiteraard moet er iets gedaan worden om overlast voor omwonenden te beperken. Ik begrijp dat de raad er in juni definitief over beslist. Nogmaals: vanuit een sociale welvaartsperspectief toe te juichen.

Overigens: ik ben wel benieuwd hoe de gemeente dit nu precies gaat aanpakken. En welke juridische mogelijkheden ter beschikking staan.
Nieuwsberichten:

'via Blog this'

donderdag 29 maart 2012

Gezondheid en sociale omgeving (15): de rol van religie

Geloof in een schepper kun je zien als een imaginaire uitbreiding van de sociale omgeving. En het ligt dan in dezelfde lijn als het verschijnsel van de imaginaire vrienden. Gelovigen zullen zich tegen die gedachte verzetten, omdat ze zich bekeerd voelen. En dat voelt anders dan dat ze zelf de bron zijn van hun geloof. Maar als we dat verzet even negeren, dan kun je je net zoals bij die imaginaire vrienden afvragen of het in een schepper geloven een toevoeging tot of vervanging is van iemands sociale omgeving. En als dat zo zou zijn, dan zou het ook kunnen zijn dat geloven een positief gezondheidseffect heeft.

Dat is moeilijk te onderzoeken. Want mensen die geloven, zijn vaak lid van een kerk of een geloofsgemeenschap en delen daardoor ook in de realiteit een sociale omgeving met hun geloofsgenoten. Nu heb ik wel eens onderzoek onder ogen gehad, waaruit je kon opmaken dat, ook als je rekening houdt met die echte sociale omgeving van geloofsgenoten, gelovigen toch nog een betere gezondheid (of een hoger welbevinden) hebben dan niet-gelovigen. Ik heb dat onderzoek nog niet teruggevonden, maar blijf zoeken.

Daartegenover staat dit onderzoek van Lim en Putnam uit 2010. Zij vinden dat gelovigen (in de Verenigde Staten) een hogere levenstevredenheid hebben dan niet-gelovigen. Maar zij laten zien dat dit verschil volledig verklaard kan worden uit het feit dat die gelovigen meer sociale contacten hebben (omdat ze elke week naar de kerk gaan). Het gaat dus niet om dat meer persoonlijke en subjectieve aspect van geloven, dus het particuliere beeld van een schepper als iemand waarmee je een persoonlijke relatie hebt.