Posts tonen met het label buurten voor kinderen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label buurten voor kinderen. Alle posts tonen

maandag 14 november 2016

Floyd Henry Allport (1890 - 1979) over hoe kinderen zouden moeten opgroeien

(Voor email-abonnees: Dit is het volledige bericht dat 
eerder per abuis in onvoltooide vorm verstuurd werd.)

Onze kinderen groeien op in een maatschappij met een historisch gezien grote mate van sociaal isolement van gezinnen. Daardoor ondervinden ze maar weinig van de coöperatieve zorg die voor de evolutie van de mensheid zo kenmerkend is geweest. In plaats daarvan brengen ze uitzonderlijk veel tijd door samen met alleen de eigen ouders en in de "gespecialiseerde" en "kunstmatige" arrangementen van kinderopvang en school. Waardoor ze ook historisch gezien uitzonderlijk veel tijd doorbrengen onder leeftijdsgenoten.

Er is op dit blog allerlei onderzoek voorbijgekomen dat er op wijst dat deze omstandigheden niet zo gunstig zijn voor een gelukkige jeugd en voor een goede sociaal-emotionele en morele ontwikkeling. Het is niet voor niets dat we de omvangrijke sector kennen van de jeugdzorg, de opvoedinterventies , de kinder- en jeugdpsychiatrie en de kinderbescherming,

Dat onderzoek is vaak nog maar van recente datum. Scrol eens door de berichten op dit blog achter de labels cooperative breeding, sociaal isolement van gezinnen, buurten voor kinderen en mythe van de opvoedbaarheid.

Dat sociaal isolement van gezinnen is natuurlijk niet van vandaag of gisteren. Hoewel het vermoedelijk in de tweede helft van de vorige eeuw in een versnelling is gekomen (denk aan
Tijd die ouders met hun kinderen doorbrengen sinds 1960 gestegen - Nee, dat is geen gunstige ontwikkeling), is het een proces dat al langer aan de gang is.

Dat doet vermoeden dat het ook al wel eerder is opgemerkt. En dat vermoeden werd bevestigd toen ik weer eens het boek Institutional Behavior. Essays Toward a Re-Interpretating of Contemporary Social Organization van Floyd Henry Allport (1890 - 1979) uit mijn boekenkast trok. Het verscheen in 1933, maar ik kocht in 1975 de editie van 1969. Dat was toen ik nog mijn naam en het jaartal van aanschaf in mijn boeken noteerde.

Floyd Henry Allport was een broer van Gordon Allport (zie het bericht Minder anti-immigrantensentiment door meer sociaal contact) en die twee samen mag je wel tot de grondleggers van de sociale wetenschappen rekenen.

In hoofdstuk XVI (Manifoldness and unity in the life of a child) van dat boek gaat Allport in op de voorwaarden voor een gunstige persoonlijkheidsontwikkeling van kinderen. Ruim tachtig jaar geleden; lees even mee met een aantal citaten. (Voor de leesbaarheid kort ik de alinea's wat in.)
Of all the phases of the problem of child development perhaps the least understood and the most neglected is that of children's personalities. Our attention has been given to the more specific needs of children rather than to the more general. In schools, in scouting groups for recreation, in church schools for moral training, in medical clinics for health, in psychological clinics for mental hygiene, our assumption has been that, in caring for the child in these particular ways, we are helping him te develop as a complete and wholesome personality. Just what this personality is, however, and how it is fostered by such departmentalized procedures, no one has as yet clearly revealed.(...)
The trend within all the agencies just mentioned is to make individuals better adjusted, as we say, to society, and hence, by the same token, more like one another. Those unique patterns of qualities which make one person different from every other are often neglected. If children's personal characteristics develop, the result may, in some cases, be reached in spite of our welfare and educational agencies rather than through their aid.
Parafraserend: we hebben het leven van onze kinderen in partjes opgedeeld. Voor elk van hun behoeftes is er een aparte voorziening. Die tegelijk voor ieder kind gelijk is.
The problem is becoming more acute at present because of the increasing compartmentalization in the lives of both children and of adults. Our grandparents, with all their intellectual and material limitations, and their superstitions, were probably at least unique individuals. Their individuality could be felt and cultivated through characteristic modes of self-expression which they maintained throughout the community where they lived.
Nowadays most of us do not live in communities in the older sense, but in many diverse patterns and sets of relationships; and the members of one of these groupings seldom meet the members of another or know them as individuals.
In each group there are stressed certain values, traits of character, abilites, and approved forms of conduct which in other groups are ignored and sometimes flatly contradicted. The ethical code which a child learns in Sunday school is not the same as that which he is likely to practice in selling magazines. The standards pertaining to the boy or girl scout organizations are difficult to apply to the situations of a classroom. The virtues demanded at home are frequently different from those which bring an individual success upon the playground or a member of a club of gang. (...)
The reason for all this is the fact that, under conditions of modern social organization, persons who have to do with but a portion of life are banded together to direct children with regard to that particular segment, and at times and places separate from the ministrations of those concerned with other segments.
This process tends to separate the segmental interests of a child from his life as a whole, and to set these isolated interests upon a plane of importance superior to that of the entire individual. Both children and adults are members of a society which is becoming a pattern of social institutions rather than a community of freely mingling and interacting individuals. (...)
if all our habits were so compartmentalized, we should indeed have no general and characteristic traits of personality. We should then be creatures of specific situations. Such inconstancy, however, probably results from our growing modern tendency to segregate ourselves into different groups for different purposes. These groupings become institutionalized; their members do noy move about freely and intermingle as in the older days of community living.
Since people stay, as it were, in their fixed ruts, there is little opportunity for them to see one another as complete individuals in a variety of differing situations (...)
Conclusie:
in order to foster the development of consistent traits we must prevent the experience of a child from being broken up into group situations of institutional alignments which have nothing in common. We must permit him to react in a community situation where certain other individuals are present in many relationships of life, and not merely upon isolated occasions and in specialized roles such as those of teachers, playgroup leader, minister, and employer.
The principle of unity among manifoldness can best be provided by responses to the behavior of other human beings who do not shift kaleidoscopically with every situation, but who, in the role of of common stimulus maintain a constancy of their presence and their personalities throughout.
If this view is correct, our tendency to employ experts and specialists for each phase of a child's activity and each of his needs may, if carried too far, entail more harm than benefit.(...)
it will be better for the parent not to leave the affairs of teaching solely to the teacher, but to allow his own influence to carry over into the educational field. It will be better if the teacher is not alone a dispenser of knowledge, but a companion on the playground, an adviser in economic relationships, and a friend whose personality may at times be felt even within the sacred precincts of one's home.
In order to help the child to develop individuality, to be himself in all situations, and to provide his own standard of conduct rather than shift with the code of each grouping with which he happens to be in contact, we must fight against the segmentalizing of human living. We must restore a more fluid, face to face relationship, - a community of whole individuals in which unique and self-consistent behavior shall be possible of attainment.
En Allport besluit het hoofdstuk met:
Freedom to choose one's companions and one's activites, freedom to try different modes of response without fear of ridicule or intimidation in the name of the group, freedom to meet individuals not in compartments, but in the fulness of their communal living, - these are the conditions upon which the achievement of personality depends.
Wijze woorden, ruim tachtig jaar geleden opgeschreven. Uit een andere tijd, een tijd waarin de sociale wetenschap zich nog moest gaan ontwikkelen. Maar blijvend actueel.

dinsdag 29 maart 2016

Nieuwe aanwijzing voor belang van de buurt voor opgroeien van kinderen

Doordat wij in onze manier van samenleven een hoge mate van sociaal isolement van gezinnen normaal zijn gaan vinden, zijn we gaan denken dat het voor kinderen bovenal belangrijk is om door de ouders goed te worden opgevoed. Als ouders maar goed opvoeden, dan komt alles wel goed. Ik noemde dat eerder de mythe van de opvoedbaarheid.

Dat dat inderdaad een mythe is, blijkt uit onderzoek naar de effecten van wat er om het gezin heen wel of niet gebeurt op het opgroeien van kinderen. Zo weten we dat kinderen beter opgroeien als het gezin meer contact heeft met grootouders, andere familie en vrienden. Zie hier voor het belang van grootouders.

Maar daarnaast zijn er ook aanwijzingen dat het voor een kind uitmaakt in wat voor buurt het opgroeit. Er lijkt inderdaad "een dorp" nodig te zijn om een kind goed te laten opgroeien. Zie hier en hier.

Een probleem met dat onderzoek is echter dat je niet weet hoe een gezin in een buurt terecht is gekomen. Het kan zijn dat gezinnen met een grotere kans op het goed opgroeien van kinderen, zoals door kenmerken van de ouders (opleiding, inkomen, persoonlijkheid), meer bij elkaar in buurten gaan wonen. En hoe meer dat zo is, hoe meer dat suggereert dat buurten er minder toe doen.

Maar er is ook onderzoek naar de effecten van veranderingen van buurt door verhuizingen. Zo is er Amerikaans onderzoek dat naging wat de effecten waren van het Moving to Opportunity experiment dat in de jaren 90 werd uitgevoerd en dat inhield dat gezinnen in slechte, verloederde buurten zich konden aanmelden voor een loterij. Winnaars ontvingen een voucher, dat hen hielp om naar een betere buurt te verhuizen.

Toen vervolgens de kinderen van winnaars en verliezers van de loterij werden gevolgd, bleek dat kinderen van de winnaars op jong-volwassen leeftijd flink meer verdienden dan de kinderen van de verliezers (die in die slechte buurten waren achtergebleven).

Maar het zou natuurlijk nog beter zijn om de vertrekkende kinderen te vergelijken met alle achtergebleven kinderen, dus ook met kinderen van gezinnen die zich niet voor het experiment hadden aangemeld. Want je mag aannemen dat de ouders die zich voor het experiment aanmeldden al meer gemotiveerd waren om hun kinderen te beschermen tegen negatieve invloeden van de buurt.

Precies dat onderzoek is nu ook uitgevoerd. Justin Wolffers bericht er over in The New York Times: Growing Up in a Bad Neighborhood Does More Harm Than We Thought.

Eind jaren 90 werden namelijk in Chicago sommige flats in verloederde buurten gesloopt, waarbij alle bewoners zo'n voucher kregen om naar een betere buurt te verhuizen. Je kon toen dus de kinderen van die gezinnen vergelijken met de kinderen van de gezinnen die in de slechte buurten achterbleven.

En daar komen nog gunstiger effecten uit naar voren dan uit dat eerdere onderzoek. Kinderen die naar betere buurten verhuisd waren, hadden op jong-volwassen leeftijd een 16 procent hoger jaarinkomen en een 9 procent hogere kans op het hebben van werk. Dat geldt voor de groep van kinderen die ten tijde van de sloop tussen 7 en 18 jaar oud waren. Je mag veronderstellen dat de effecten voor de jongere kinderen binnen die groep nog groter waren.

Hoe die effecten nu precies tot stand komen, dat kun je uit dit onderzoek maar beperkt opmaken. Mijn oog viel op een passage in het onderzoek waaruit blijkt dat het er niet aan lag dat kinderen in hun nieuwe buurt minder met criminaliteit in aanraking kwamen.

Maar hoe dan ook, zo langzamerhand worden de aanwijzingen wel heel sterk dat buurten belangrijk zijn voor kinderen. 

En dat is opvallend, omdat de overheid zich in haar jeugdbeleid vrijwel uitsluitend op ouders en op opvoeding concentreert. De mythe van de opvoedbaarheid is nog altijd springlevend. Zie ook (nog eens) Niet (nog) beter opvoeden, maar: BUURTEN VOOR KINDEREN en Niet "pedagogische civil society", maar "buurten voor kinderen". En natuurlijk Overheidsonmacht in de jeugdzorg. Een pleidooi voor omwegbeleid.

Misschien was het nog niet zo'n gek idee om die Centra voor Jeugd en Gezin als een buurtvoorziening te gaan zien en een buurtfunctie te gaan geven.

woensdag 10 juni 2015

Het is vandaag Buitenspeeldag!

Het is vandaag Buitenspeeldag. En het is nog mooi weer ook. Dus naar buiten!

Op meer dan 1000 plekken in het land zijn straten verkeersvrij en kunnen kinderen meedoen aan allerlei activiteiten (skatelessen, straatvoetbaltoernooien en wat dies meer zij). Hier zie je een overzicht van alle activiteiten naar plaatsnaam gerangschikt. En Nickolodeon gaat vanmiddag op zwart.

Het bevorderen van buitenspelen, en van de mogelijkheden tot buitenspelen, lijkt vooral belangrijk voor grote steden. Dus is het mooi dat er in Amsterdam 18 activiteiten zijn, in Rotterdam 13 en in Den Haag 19. Daar steekt mijn woonplaats Utrecht met maar 2 activiteiten wel heel schril bij af.

We weten natuurlijk dat onze kinderen veel meer buiten zouden moeten spelen. Dat hebben ze nodig voor hun lichamelijke en sociale ontwikkeling. Alleen al doordat ze op straat waarschijnlijk meer leeftijdsgemengde contacten hebben dan op school. En we weten dat leeftijdsmenging goed voor ze is. Zie Het puberbrein en de peergroup en Leeftijdssegregatie is slecht voor kinderen.

Het is natuurlijk prima om een dag per jaar aandacht te vragen voor het belang van buitenspelen. Maar het moet niet als excuus werken om het er verder bij te laten. Er valt door gemeenten nog heel veel te doen om te zorgen voor goede speel- en ontmoetingsplekken. Zie Kunnen onze kinderen genoeg buitenspelen? voor wat kinderen het liefste doen als ze buiten spelen. En voor wat dat voor de inrichting van straten en buurten betekent. 

Dat kost geld. Maar het "rendement" daarvan is hoog, hoewel niet gemakkelijk meetbaar.

donderdag 23 oktober 2014

Nieuwe stap in richting buurtzelfbeheer - pleidooi voor buurtrechten van PvdA-Kamerlid Grace Tanamal

Het zou goed zijn als mensen weer meer zelf en gezamenlijk hun lokale omgeving, dus hun dorp of buurt, inrichten en beheren. Lokale zelforganisatie dus. Zie eerder mijn bericht Wanneer is buurtzelfbeheer succesvol? Over mandeligheid, zelforganisatie en de participatiesamenleving, waarin het o.a. ging over mandeligheid als juridische vorm van gezamenlijk eigendom van openbare ruimte.

Nu is er vandaag het pleidooi van PvdA-Kamerlid Grace Tanamal voor het geven van buurtrechten aan buurtbewoners als die daar om vragen. Het AD besteedt er aandacht aan.

Wat zijn buurtrechten? Daarover kom je meer te weten op de website van het Landelijk Samenwerkingsverband Actieve bewoners. Het gaat om sterk door ontwikkelingen in Engeland geïnspireerde ideeën over het geven van specifieke rechten aan buurtbewoners.

Zoals het recht om mee te mogen doen bij openbare aanbestedingen van publieke diensten, zoals " op het terrein van wijkcentra, peuterspeelzalen, groenbeheer, ouderenvervoer of het beheer en behoud van een zwembad." De bewoners hebben er dan recht op dat de sociale waarde van de zelforganisatie wordt meegewogen bij de beslissing, zoals de bevordering van een actieve, sociale en betrokken buurt.

Of het recht om te mogen beschikken over maatschappelijk vastgoed, zoals een buurthuis. Of het recht op buurtplanning, het recht dus om inbreng te hebben in de fysieke inrichting van de buurt. Denk aan Ontmoetingsplekken in de buurt: markt, overheid, zelforganisatie? In dezelfde richting gaan natuurlijk ook de pleidooien voor participatory budgeting.

Natuurlijk zullen niet alle buurten meteen aanvragers worden van zulke buurtrechten. Er zijn nogal wat hindernissen te overwinnen voordat een buurt zichzelf goed organiseert. Kijk nog even naar de voorwaarden voor zelforganisatie in dat bericht hierboven. Maar als het gebeurt waar dat het geval is, dan is dat uiterst waardevol en belangrijk.

De mogelijke voordelen liggen niet alleen op het terrein van de kwaliteit van de geleverde diensten, die wel eens beter zou kunnen zijn als de bewoners het zelf doen. Nee, de voordelen zijn vooral ook indirect.

Want zelfbeheer zal bewoners meer met elkaar in contact brengen en hun betrokkenheid bij elkaar vergroten. En onderzoek wijst uit dat dat positieve gezondheidseffecten heeft. Zie het bericht  Gezondheid en sociale omgeving (4): maakt de buurt verschil? En wat zou je denken van de kans dat je hiermee ook een bijdrage levert aan de vermindering van eenzaamheid? Denk nog even aan Peter Lovenheim.

Ook weten we dat meer contacten tussen buurtbewoners er aan bijdragen dat het algemene vertrouwen van mensen in elkaar toeneemt. En dat vertrouwen is belangrijk voor de kwaliteit van samenleven en voor de werking van de democratie.

En we weten dat kinderen beter opgroeien in buurten waarin mensen elkaar kennen en wel eens iets voor elkaar doen. Zie het bericht Sociale ontwikkeling en pro-sociaal gedrag.

Dat alles komt er op neer dat het geven van buurtrechten aan bewoners eigenlijk voor een groot deel een vorm van omwegbeleid is, beleid dus dat er op gericht is om indirect allerlei positieve effecten te bereiken, die er uit voortkomen dat mensen zich lokaal meer als een gemeenschap gedragen. Zie  Overheidsonmacht in de jeugdzorg. Een pleidooi voor omwegbeleid.

Belangrijke en ingrijpende ontwikkelingen gaan zelden snel en soepel. Maar ze moeten wel op gang komen. En dit pleidooi voor buurtrechten is een belangrijke stap.

zaterdag 11 oktober 2014

Meer aanwijzingen voor wat een sociale buurt bijdraagt aan morele ontwikkeling van kinderen

Nieuw onderzoek versterkt het vermoeden dat buurten kunnen bijdragen aan de morele ontwikkeling van kinderen. Zie voor eerdere aanwijzingen het bericht Sociale ontwikkeling en pro-sociaal gedrag.

Nu is er de studie Social Antecedents of Children’s Trustworthiness (betaalpoort), die verslag doet van een onderzoek dat werd uitgevoerd in de Zwitserse stad Zürich. Het blijkt dat kinderen die meer in sociale buurten wonen, waarin mensen elkaar wel eens bijstaan, eerlijker en betrouwbaarder zijn dan kinderen in minder sociale buurten.

Hoe sociaal die buurten waren, werd vastgesteld met vier uitspraken die aan de ouders werden voorgelegd en waarvan ze konden aangeven in hoeverre ze het er mee eens of oneens waren. Het ging om:
  • De mensen in deze buurt kun je vertrouwen
  • Het huis van de buren in de gaten gehouden als ze op reis waren
  • Met buren over persoonlijke zaken gepraat
  • Voor kinderen van buren gezorgd als de ouders er niet waren
De eerlijkheid en betrouwbaarheid van de ruim 1300 kinderen (7-8 jaar oud, verspreid over buurten van de stad) werd vastgesteld met beoordelingen door de leraar en door medescholieren. Het ging om wel of niet liegen en bedriegen en om afspraken nakomen.

Bovendien werd aan de ouders gevraagd of ze hun kind wel eens fysiek straften, dus een klap gaven of, ja, zeg maar, aftuigden.

Het bleek toen dat kinderen waarvan de ouders hun buurt als socialer en hulpvaardiger beoordeelden, hoger scoorden op eerlijkheid en betrouwbaarheid. Omdat het onderzoek na een jaar werd herhaald, konden de onderzoekers er een aanwijzing voor vinden dat het verband ook inderdaad oorzakelijk is. Hoe sociaal de buurt was aan het begin van het jaar bleek namelijk te voorspellen hoe eerlijk en betrouwbaar de kinderen aan het eind van het jaar waren.

Het lijkt er dus op dat het opgroeien in een sociale en hulpvaardige buurt, een buurt waar mensen elkaar kennen en elkaar wel eens bijstaan, kinderen helpt bij hun morele ontwikkeling. Ze leren er door dat kennelijk mensen elkaar vertrouwen en voegen zich naar wat ze om zich heen zien. En in minder sociale buurten voegen ze zich naar heel ander gedrag.

Daarnaast werd ook gevonden dat kinderen die meer fysiek gestraft werden, zich minder goed moreel ontwikkelden, dus meer logen en bedrogen en minder betrouwbaar waren. Dat is er een aanwijzing voor dat fysiek straffen niet zo goed werkt om kinderen op het goede pad te krijgen. Maar het kan natuurlijk zijn dat er een gemeenschappelijke onderliggende eigenschap is van die ouders en hun kinderen die verantwoordelijk is voor zowel het slaan als het oneerlijke en onbetrouwbare gedrag. Dat weten we niet.

Wel is interessant dat het fysieke straffen meer voorkwam in de minder sociale en hulpvaardige buurten. Dat wijst er weer op dat ouders die minder contact met buren hebben en minder op steun uit de buurt kunnen rekenen, eerder zover komen dat ze hun kinderen slaan. Een van de vele negatieve gevolgen van het sociale isolement van gezinnen.

Kortom, nieuwe aanwijzingen voor het belang van buurten voor kinderen.

dinsdag 28 januari 2014

Weer een ontmoetingsplek er bij

Na het bericht over een succesvolle ontmoetingsplek in het Brabantse Oss, is er nu een hartverwarmend verhaal over Doetinchem. Daar is in een voormalige school met weinig subsidie van de gemeente en met veel inzet van vrijwilligers een seniorenontmoetingsplek tot stand gekomen. Doordeweeks overdag geopend en in het weekend op zondagmiddag. En enkele avonden per week voor activiteiten. Zie het bericht Doorzettingsvermogen ouderen levert eigen ontmoetingsplek op van de nationale Coalitie Tegen Eenzaamheid. Het is er een drukte van belang.

Er is gewoon in het hele land heel veel vraag naar zulke ontmoetingsplekken. Niet alleen voor ouderen. Als iemand maar begint, dan melden zich wel vrijwilligers. Met weinig subsidie, zonder beroepskrachten en met veel zelforganisatie is er veel te bereiken. Want buurten horen ontmoetingsplekken te hebben, voor kinderen, voor volwassenen, voor ouderen. Een betere "eenzaamheidsinterventie" is er niet.

dinsdag 10 december 2013

Meer omgang met vrienden, familie en buren vergroot het algemene vertrouwen in anderen

In de sociale wetenschappen is, vooral sinds Putnam's Bowling Alone (2000), veel aandacht voor verschillen in het vertrouwen dat mensen in anderen hebben. Het gaat dan om het vertrouwen in mensen in het algemeen (generalized trust). Het blijkt dat landen met een hoge mate van dat algemene vertrouwen het in allerlei opzichten beter doen. Zo is er meer onderlinge samenwerking, werkt de democratie beter en gaat het economisch beter. Als het algemene vertrouwen achteruitgaat, zoals in de Verenigde Staten, dan is dat reden voor bezorgdheid.

Maar waar zou dat vertrouwen in mensen in het algemeen van afhangen? Eerst: wat houdt vertrouwen in mensen in het algemeen precies in? Dat wordt duidelijk als je weet hoe het in vragenlijsten wordt gemeten. Zoals in het onderzoek hieronder met de volgende drie vragen:
  1. Zou je zeggen dat mensen meestal hulpvaardig proberen te zijn of dat ze meestal alleen aan zichzelf denken?
  2. Denk je dat de meeste mensen misbruik van je zouden maken als ze de kans kregen, of zouden ze proberen om eerlijk te zijn?
  3. Zou je in het algemeen gesproken zeggen dat je de meeste mensen kunt vertrouwen of dat je niet voorzichtig genoeg kan zijn?
Een nieuwe studie, Do Social Connections Create Trust? An Examination Using New Longitudinal Data (betaalpoort), wijst er nu op dat het uitmaakt hoeveel contacten mensen hebben met vrienden, familie en buren. Hoe meer mensen zulke vertrouwde, persoonlijke relaties hebben en hoe vaker ze daar mee contact hebben, hoe meer ze geneigd zijn om in het algemeen mensen te vertrouwen. Sterker, als zulke contacten toenemen, dan neemt ook dat algemene vertrouwen toe. Wat dus wijst op een oorzakelijke relatie.

Dat is wel een interessant resultaat. Want je hoort ook wel de gedachte dat als mensen veel omgaan met hun kring van persoonlijke relaties, dat ze dan juist wantrouwender worden tegenover anderen, de buitenstaanders. Teveel nadruk op de eigen ingroup, de kring van sterke bindingen, zou volgens deze gedachte ten koste gaan van de interesse en het vertrouwen in de outgroup, de kring van zwakke bindingen. Daar lijkt de vrees achter te zitten dat mensen zich teveel in hun eigen netwerk opsluiten en dat ze zich daardoor van de wereld afkeren of daartegenover zelfs wantrouwen ontwikkelen.

Maar dat lijkt dus anders te liggen. Hoe meer je actief bent in die vertrouwde kring van persoonlijke relaties, familie, vrienden en buren, hoe meer je de mensheid in het algemeen vertrouwt. Vertrouwen in kleine kring generaliseert naar vertrouwen in de grote kring, in mensen die je maar vaag kent of helemaal niet kent. "Als de mensen met wie ik omga oké zijn, waarom zou dan niet iedereen oké zijn?"

Als je er voor pleit dat mensen elkaar in de straat en de buurt beter zouden moeten leren kennen, dus pleit voor het bevorderen van een sociaal buurtleven, zoals ik wel eens doe, dan krijg je wel eens de tegenwerping dat dat ook negatief zou kunnen uitwerken. Zo'n buurtgemeenschap zou ten koste gaan van de ruime blik op de maatschappij als geheel. Maar dat klopt dus niet. Hier gaan verschillende wenselijkheden juist heel goed samen.

(Zie ook The importance of being we: human nature and intergroup relations (betaalpoort) voor een mooi overzicht van onderzoek dat in dezelfde richting wijst.)

dinsdag 11 juni 2013

Kunnen onze kinderen genoeg buitenspelen?

Jantje Beton heeft onderzoek laten doen om uit te zoeken of onze kinderen wel genoeg buiten kunnen spelen. En ze zijn zo verstandig geweest om kinderen zelf daarnaar te vragen. En wat blijkt?

De drie favoriete speelplekken zijn natuur/bos, het schoolplein en een grasveld. Dat natuur/bos staat zowel bij de 6-8 jarigen als bij de 9-12 jarigen bovenaan.

Wat doen kinderen het liefst als ze buiten spelen? Zowel bij de jongere als bij de oudere kinderen staan klimmen/klauteren, fietsen, zelfverzonnen spelletjes, tenten/hutten bouwen en verstoppertje spelen bovenaan.

Is de buurt daarvoor geschikt? Ja, als het gaat om fietsen, zelfverzonnen spelletjes en verstoppertje spelen. Maar nee, als het gaat om klimmen en klauteren en om tenten of hutten bouwen. En ja, ook geschikt om te chillen, springtouwen, stoepkrijten en skateboarden, maar die bezigheden vinden de kinderen juist minder leuk.

Verder vindt tegen de helft van de kinderen de stoepen en pleintjes bij hun huis saai. Evenals de speelplekjes met speeltoestellen in de buurt. Opvallend is dat de 9-12 jarigen de plekken in hun buurt veel saaier vinden dan de 6-8 jarigen. Onze buurten lijken juist voor die iets oudere kinderen tekort te schieten.

Wat moet er volgens de kinderen zelf aan hun buurt verbeteren? Bovenaan staat: meer spannende plekken om te spelen. Maar ook valt op: meer dingen voor oudere kinderen. En: meer kinderen om mee te spelen. En: mensen zouden aardiger en vriendelijker moeten zijn. Zouden ze daardoor meer gaan buitenspelen? Jazeker. Meer dan de helft (54%) zegt dat ze dat zouden doen. En bijna de helft (49%) zegt dat ze dan minder tv zouden kijken en minder op de computer zouden spelen.

Zouden kinderen willen meedenken over hoe je het buitenspelen in hun buurt minder saai zou kunnen maken. Ja! 60% zou dat wel willen. Maken de gemeentes gebruik van die bereidheid? Nee, helemaal niet. Slechts 6% is het afgelopen jaar gevraagd om mee te denken.

Voer om over na te denken. Zoals over dat gegeven dat kinderen meer zouden buiten spelen als meer andere kinderen dat ook zouden doen. Dat betekent dat hier een geweldige winst is te behalen. Elk kind meer dat we naar buiten krijgen, zorgt er voor dat ook andere kinderen dat doen. Dit vraagt om actie! Van die kinderen zelf. Maar ook van hun ouders.

Maar natuurlijk ook van de gemeentes. Er moet hier in de buurten en dorpen nog veel meer gebeuren. Niet alleen maar die obligate speelplekken met die "speeltoestellen". Oké, die moeten er ook zijn. Maar alsjeblieft, meer spannende plekken, meer groen en niet alleen maar de keurig aangeharkte parkjes. Zie ook: Natuurlijke speelplekken als ontmoetingsplaatsen in de wijk. En zou niet elke buurt een kinderraad moeten hebben? Dát zou pas goed zijn voor kinderen.

En: als kinderen meer buiten spelen, heeft dat voor iedereen positieve effecten. Want volwassenen en ouderen horen mee te maken dat kinderen buiten spelen. Dat maakt het leven aangenamer. En misschien worden ze daardoor ook wel aardiger en vriendelijker en zorgen ze er daarmee voor dat nog meer kinderen buiten gaan spelen.

vrijdag 25 januari 2013

Niet "pedagogische civil society", maar "buurten voor kinderen"

Als we het hebben over de noodzaak van het verbeteren van de sociale omgeving van kinderen, dus over het verminderen van het sociale isolement van gezinnen, dan pleit ik voor dat wat het meest voor de hand ligt, namelijk het kindvriendelijker maken van buurten waarin die kinderen en gezinnen wonen.

En een kindvriendelijke buurt is een buurt waar gelegenheid is om elkaar te ontmoeten, waar mensen elkaar (dus) kennen, waar kinderen weten dat ze gekend worden, waar mensen op elkaar betrokken zijn, waar ze wel eens iets samen en voor elkaar doen en waar kinderen daardoor als vanzelf leren dat andere mensen zijn te vertrouwen en als vanzelf leren hoe je met elkaar om hoort te gaan. Anders gezegd, een kindvriendelijke buurt is eerst en vooral een sociale buurt. Hoewel dat het belangrijkste is, gaat het natuurlijk ook om een gunstige fysieke inrichting, om speelplekken en groenvoorzieningen.

De aanwezigheid van zo een gemeenschap van kennen en gekend worden rond kinderen en gezinnen, waarin kinderen niet zoals nu zo uitsluitend met leeftijdsgenootjes omgaan, was tot voor kort in de mensheidsgeschiedenis veel meer vanzelfsprekend. En er zijn goede redenen om te denken dat die gemeenschap onmisbaar is voor een goede sociale en morele ontwikkeling van kinderen. En trouwens ook voor een plezierige en veilige jeugd, zonder eenzaamheid, pesten, verwaarlozing en wat dan ook waarvan we vinden dat kinderen er van gevrijwaard horen te blijven.

Daarom is het goed om op dat lokale niveau te streven naar buurten voor kinderen. Zie Niet (nog) beter opvoeden, maar: Buurten voor kinderen! en een reeks andere berichten op dit blog, zoals achter de labels buurtcohesie, mythe van de opvoedbaarheid en cooperative breeding.

Waarom schrijf ik dit (nog een keer) op? Omdat ik eergisteren die bijeenkomst over de pedagogische civil society bijwoonde, waar ik hier al melding van maakte. Want de ideeën achter die uitdrukking pedagogische civil society gaan natuurlijk aardig in de richting die ik hierboven omschrijf. Zie hier voor uitleg van het Nederlands Jeugd Instituut. Toch ben ik ongelukkig met die uitdrukking pedagogische civil society. Dat ligt er aan dat hij twee verkeerde associaties oproept: die met de "burgermaatschappij" en die met "opvoeding".

Die associatie met de burgermaatschappij is ongelukkig omdat daarmee meestal gedoeld wordt op de sfeer van de vrijwillige organisaties, zoals (buurt-)verenigingen, vakbonden, vrijwilligersorganisaties, coöperaties, non-profitorganisaties, liefdadigheidsinstellingen en kerken. Ik ontleen dit lijstje aan wikipedia, waar bovendien de burgermaatschappij met zoveel woorden wordt omschreven als (cursivering van mij):
het institutionele domein van vrijwillige associaties. Het is een aanduiding van organisaties of instituties buiten de sfeer van de overheid, de markt en de sfeer van familie en vrienden.
Maar bij die sociale omgeving die kinderen nodig hebben gaat het nu juist precies wel over dat laatste: alle persoonlijke en vertrouwde relaties waar een gezin onderdeel van is en die voor een kind de dagelijkse sociale leefwereld vormen of zouden moeten vormen. Het gaat om concrete personen, met naam en toenaam, die een gezamenlijke geschiedenis hebben, tante Annie, buurman Kees, vriend Nico, mevrouw Van Dijk die om de hoek woont. Die vormen het sociale verband waar opgroeiende kinderen hun observaties doen en waarin ze leren om mee te doen en een "persoon" te worden. Het is de persoonlijke sociale leefwereld, waarin kinderen hun sociale vaardigheden en morele intuïties ontwikkelen. En dat laatste gebeurt minder naarmate die leefwereld minder aanwezig is. Die persoonlijke sociale leefwereld hoort precies de associatie te zijn, niet die van de "burgermaatschappij".

Maar bovendien is de associatie met opvoeding ongelukkig. Want bij opvoeding denken mensen toch vooral aan het bijbrengen van wat wel en niet mag of wat wel en niet hoort. En mensen vinden dat opvoeding typisch een taak is van de ouders. Er is een buitengewoon grote terughoudendheid om zich met de opvoeding van andermans kinderen te bemoeien.

En daar is ook niets mis mee. Want het gaat bij die sociale en morele ontwikkeling van onze kinderen niet om opvoeding. De resultaten van opvoeding op het gedrag van kinderen zijn meestal oppervlakkig. Door opvoeding leren kinderen vooral hoe ze zich thuis en in aanwezigheid van de ouders maar het beste kunnen gedragen. Maar ze hebben al gauw door dat er in de wereld buiten het gezin andere regels kunnen gelden. En als die leefwereld heel anders is, dan is het effect van opvoeding nog maar heel beperkt. Kinderen worden al gauw veel meer beïnvloed door wat ze buitenshuis observeren en meemaken dan door de lessen van hun eigen ouders. Zie de berichten over de mythe van de opvoedbaarheid.

Juist daarom is die aanwezigheid van een gemeenschap rond het gezin zo cruciaal. En als die er niet is, dan valt dat niet te vervangen door van ouders te verwachten dat ze (nog) beter opvoeden. Dat is het onmogelijke verwachten. En het is krenkend voor verreweg de meeste ouders.

Bovendien breng je die gemeenschap niet tot stand door van buurtbewoners te vragen om mede-opvoeder te worden. Zoals gezegd, dat is voor mensen een stap te ver, omdat het een privacy-grens overschrijdt. Wat je daarentegen wel met succes van buurtbewoners kunt vragen, is of ze mee willen helpen aan een sociale en kindvriendelijke buurt. Zo een buurt wil eigenlijk iedereen wel, maar als hij er niet is, ontstaat hij niet vanzelf. Daar zijn voortrekkers voor nodig. Die zijn er ook vaak wel. Maar indien niet, dan kan een Centrum voor Jeugd en Gezin zo'n voortrekkersrol vervullen. Samen met andere professionals, zoals jongeren-, buurt- en welzijnswerkers (als die er nog zijn). En natuurlijk samen met een bewonersvereniging. In heel veel buurten die nu nog niet sociaal en kindvriendelijk zijn, is een groot potentieel aanwezig om dat te veranderen. Maar iemand moet beginnen. En dan is het aan mevrouw Van Dijk die om de hoek woont heel goed uit te leggen dat je een buurt voor kinderen wilt. Veel beter dan wanneer je aan mevrouw Van Dijk duidelijk moet maken dat er een "pedagogische civil society" gemaakt moet worden.

Daarin kan die "burgermaatschappij" wel een rol spelen, in het meehelpen bij het tot stand brengen van die persoonlijke, sociale leefwereld die kinderen nodig hebben. Als je dat doet, dan besef je dat je als (overheids-)instelling, dus als burgermaatschappij, die leefwereld natuurlijk nooit kunt vervangen, maar wel via een omweg kunt proberen om hem te laten bloeien. Die persoonlijke, sociale leefwereld, daar gaat het voor kinderen om. Dus: buurten voor kinderen!

donderdag 17 januari 2013

Natuurlijke speelplekken als ontmoetingsplaatsen in de wijk

Kijk, daar wordt je vrolijk van! Natuurlijke speelplekken, aangelegd door buurtbewoners en kinderen samen, als ontmoetingsplekken in de buurt.

Waar? In Arnhem, Leeuwarden, Middelburg, Enschede en Slochteren. Waar binnenkort nog meer? Zie Modder aan je broek, Verhalen over het aanleggen van natuurlijke speelplekken samen met bewoners (pdf).

Buurten voor kinderen! Goed voor kinderen. Goed voor de buurt.

zondag 7 oktober 2012

Niet (nog) beter opvoeden, maar: BUURTEN VOOR KINDEREN

Vrijdag 5 oktober reisde ik naar Groningen om in het kader van de Week van de Opvoeding (!) een lezing te geven met als titel:


Belangrijker dan (nog) Beter opvoeden
IS:

Buurten voor Kinderen

Het gehoor bestond uit medewerkers van de Centra voor Jeugd en Gezin van de stad Groningen en andere belangstellenden.

Volg de link hieronder voor de pdf van de powerpoint dia's: Op weg naar het Centrum voor Buurt, Jeugd en Gezin.

dinsdag 6 december 2011

Aan de buurt werken

Johan Cortooms reageert op mijn bericht over het ontstaan van een veelpleger. Hij heeft gelijk dat als de jeugdzorg aan de buurt wil werken, dat ze dan moet samen werken met het welzijnswerk en het jongerenwerk.

Dat moet zeker. Maar dan moeten die instellingen ook echt samen aan de buurt gaan werken. Dus bijvoorbeeld bij de gemeente en de corporatie(s) gaan lobbyen voor meer ontmoetingsplekken, meer speelgelegenheden, meer bankjes. En als er in de buurt nog geen buurtvereniging is, dan moeten ze rechtstreeks naar de bewoners toe om die tot de oprichting daarvan aan te zetten. En daarbij te helpen.

Dat kan vanuit de Centra voor Jeugd en Gezin onder het eenvoudige, voor iedere buurtbewoner begrijpelijke, credo van "We willen een buurt voor de kinderen". En dan zal blijken dat iedereen graag een buurt voor de kinderen wil. Want dat is een leefbare en prettige en sociale buurt, ook voor gezinnen zonder kinderen.

zondag 4 december 2011

Het ontstaan van een veelpleger

Elsbeth Stoker heeft in de Volkskrant van zaterdag een interview met de 18-jarige Mohammed die een zogenaamde nieuwe veelpleger is geweest. (Hij heeft besloten er mee op te houden.)
In tegenstelling tot de 'oude veelpleger' steelt hij (de nieuwe veelpleger) niet om drugs te kopen. Bij hem draait het om materiële zaken, zoals Prada-schoenen en een Dolce & Gabbana-tas. En om de status die hij heeft binnen de criminele jeugdgroep.
Gevraagd naar hoe hij is begonnen, op zijn dertiende, vertelt hij:
'Vroeger toen ik nog een normaal jongetje was, zat ik altijd thuis. Maar op een gegeven moment ging ik naar buiten. Daar was niet zoveel te doen. Dus begonnen we met winkeldiefstallen en het jatten van fietsen. We deden zulke dingen met de hele buurt, met een groep van dertig jongens of zo.'
Dit lijkt mij een weliswaar beknopte, maar heel precieze beschrijving van wat er gebeurt als een jongen in een extreem sociaal geïsoleerd gezin opgroeit, in een buurt waarin alle andere gezinnen ook sociaal geïsoleerd zijn. Tussen de buurt (de straat) en de gezinnen bestaat een strikte scheiding. Als je op je dertiende eenmaal buiten komt, is daar, zeg maar, "niets", dat wil zeggen, niets anders dan al die andere jongetjes die ook naar buiten komen. Vanuit dat "niets" ontstaan natuurlijk niet zomaar de morele intuïties van de gemeenschap die we graag willen dat jongens aanleren. Waar zou die door ons gewenste morele en sociale ontwikkeling vandaan moeten komen?

Wat natuurlijk wel ontstaat is de cultuur van de statuscompetitie, en dan gaat het om Prada-schoenen en om de status binnen de groep. De stap naar criminaliteit is dan maar klein. Zo klein dat die jongens het overdreven vinden dat er over hen als criminelen wordt gepraat. Mohammed:
Ik zag mezelf en de jongens met wie ik omging niet als een criminele jeugdgroep. We waren gewoon een stel rotjongens die irritante dingen deden.
Natuurlijk zijn het rotjongens. Maar wij met zijn allen creëren gezinnen en buurten waarin jongens geboren worden die als ze eenmaal naar buiten komen haast niets anders kunnen dan rotjongens te worden. Ik bedoel, ze zijn misschien niet zielig, maar ze verdienen wel een betere sociale opgroei-omgeving. Waarin mensen elkaar kennen, met zijn allen een sociaal buurtleven hebben en waarin kinderen als ze het huis uitkomen zien hoe mensen met elkaar om kunnen gaan. Waarin er dus veel meer is dan "niets".

En denk niet dat je dit probleem oplost door de ouders van die jongens "er op aan te spreken". Ouders zijn machteloos zolang er in de buurt het "niets" heerst. Wat betekent dat voor de jeugdzorg en het jeugdbeleid? Dat je, als je echt preventief wilt werken, aan de buurt moet werken.

donderdag 15 september 2011

Sociale ontwikkeling en pro-sociaal gedrag

Een belangrijke uitkomst van vele studies naar de evolutie van pro-sociaal gedrag is dat dit gedrag verwacht kan worden als het maar genoeg voorkomt in de sociale omgeving. Als jij hulpvaardig bent, maar de mensen waarmee je omgaat denken alleen aan zichzelf, dan heb je een slecht leven. Maar als anderen ook hulpvaardig zijn én als ze dat gedrag van jou verwachten, dan zou je een slecht leven hebben als je alleen aan jezelf zou denken.

Dat is in een notendop de evolutionaire benadering van pro-sociaal gedrag. En met die benadering kijken onderzoekers ook naar de sociale ontwikkeling van kinderen. Als ze opgroeien in een ondersteunende sociale omgeving, met verwachtingen van pro-sociaal gedrag en dus negatieve reacties op egoïsme, dan zullen kinderen gemakkelijk pro-sociale waarden en gedrag ontwikkelen.

Deze en deze onderzoeksresultaten van het Binghamton Neighborhood Project komen met deze benadering overeen. De pro-socialiteit van adolescenten blijkt samen te hangen met de mate van sociale steun afkomstig uit vijf sociale domeinen waarin ze actief zijn: het eigen gezin, de school, buitenschoolse activiteiten, kerk en buurt. Naast het gezin zijn er dus die vier sociale domeinen buiten het gezin die lijken bij te dragen tot pro-socialiteit. "Lijken", omdat je uit die samenhang geen oorzakelijk verband kunt afleiden. Dat elk van de domeinen zelfstandig samenhangt met pro-socialiteit, zien de auteurs als een aanwijzing voor de noodzakelijkheid van meerdere bronnen van sociale steun. Kennelijk is er inderdaad "een dorp" nodig om een pro-sociaal kind groot te brengen.

Interessant is verder dat adolescenten uit verschillende buurten konden worden vergeleken. Iedereen was ook gevraagd naar de sociale cohesie van de eigen buurt, zodat per buurt een gemiddelde kon worden bepaald. Het blijkt dan dat de meest pro-sociale kinderen in de buurten wonen met de hoogste sociale cohesie. En dat lag er niet aan dat die buurten een hoger gemiddeld inkomen hadden.

Een citaat uit de conclusies van de tweede studie:
Prosociality and the relationships it creates are essential to society, and our study suggests that a prosocial society perpetuates itself by providing an environment that encourages such behavior in youth. Prosociality is not exclusively a function of the individual, or even of parenting practices, as it is also impacted by the broader community.
 En een citaat over het praktische belang:
... nearly any intervention that provides a young person with a constructive environment will have some measurable effect on attitudes and behavior.