Posts tonen met het label communicatiemedia. Alle posts tonen
Posts tonen met het label communicatiemedia. Alle posts tonen

donderdag 12 december 2024

Een sociaalwetenschappelijk zicht op het fenomeen van de foute leider - 18 - Desinformatie en het Grote Geld

Het zijn geen tijden om vrolijk van te worden, maar er is één lichtpuntje: sociaalwetenschappelijk gezien is het niet moeilijk om helder te krijgen wat er aan de hand is. In de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw begonnen neoliberaal geïnspireerde, dus bijna alle, politici, hopelijk meer uit onkunde dan willens en wetens, met het scheppen van de economische en maatschappelijke voorwaarden voor de opkomst van rechts-extremistische foute leiders. (Lees Waardoor werd de PVV zo groot?)

Met die foute leiders zitten we nu dus opgescheept. Alles wat daar verder over valt te zeggen, is een invuloefening van een al bekend stramien. Ik ga nog even verder met die invuloefening. (Hier het vorige bericht.)

Doordat de foute leider uitsluitend statuscompetitief gemotiveerd is, en er dus niet op uit is om het welzijn van de bevolking te dienen, kan hij in een democratie niet gemakkelijk langs reguliere weg aan de macht komen. Als hij een "eerlijke" campagne zou voeren, dus met de kiezers zijn ware bedoelingen zou delen, dan zou hij weinig kans maken. Wat hij voor ogen heeft, is ver verwijderd van wat de grote meerderheid van de kiezers, die gemotiveerd wordt door het gemeenschapspatroon van iedereen-telt-mee, wenselijk vindt. 

Dat maakt dat we de drie wegen kunnen aanwijzen waarlangs hij moet proberen om zijn obsessie, het bereiken van de alleenheerschappij, te realiseren: de weg van de desinformatie, de weg van het aanwijzen van vijanden en het zaaien van onrust,en de weg van het zich laten financieren door de miljardairs, met de toezegging dat die daar veel voor zullen terugkrijgen.  

In het geval van de onverwachte herverkiezing van Donald Trump zien we die drie wegen in alle helderheid voor ons liggen. We zagen al dat de traditionele media, de grote dagbladen en de netwerken, die weg van de desinformatie bewandelden, met het grotendeels negeren van de successen van het economische beleid van de Biden-Harris regering en van het de ogen sluiten voor en het normaliseren van het foute leider-gedrag van Donald Trump. 

Dat kan er mee te maken hebben gehad dat de kwaadaardigheid van de foute leider vaak pas onder ogen wordt gezien als het te laat is. Maar sommige van die traditionele media, zoals de Washington Post, die eigendom is van de multimiljardair Jeff Bezos, waren al op een overwinning van Trump aan het participeren. Bezos had eerder een botsing met Trump en was nu zoete broodjes aan het bakken. Trump zou "gematigder" zijn geworden en zou zorgen voor de deregulering die Bezos zo graag wil. En daar lag de derde weg voor iedereen zichtbaar: de op een na rijkste man op aarde heult met de foute leider in ruil voor begunstigingen. (Jeff Bezos is optimistic about working with a ‘calmer’ Trump.)

Maar er is natuurlijk veel meer aan de hand in het media-landschap. Sinds de publieke informatievoorziening, onmisbaar in een democratie, als onderdeel van datzelfde neoliberale beleid grotendeels aan de markt is overgelaten, is er ruimte gekomen voor invloedrijke informatiestromen die geheel in dienst staan van de belangen van foute leiders. Meteen na de herverkiezing van Trump was het voor Heather Cox Richardson al duidelijk wat er zich moest hebben afgespeeld:

But my own conclusion is that both of those things (sexisme en racisme - HdV) were amplified by the flood of disinformation that has plagued the U.S. for years now. Russian political theorists called the construction of a virtual political reality through modern media “political technology.” They developed several techniques in this approach to politics, but the key was creating a false narrative in order to control public debate. These techniques perverted democracy, turning it from the concept of voters choosing their leaders into the concept of voters rubber-stamping the leaders they had been manipulated into backing. 

In the U.S., pervasive right-wing media, from the Fox News Channel through right-wing podcasts and YouTube channels run by influencers, have permitted Trump and right-wing influencers to portray the booming economy as “failing” and to run away from the hugely unpopular Project 2025. They allowed MAGA Republicans to portray a dramatically falling crime rate as a crime wave and immigration as an invasion. They also shielded its audience from the many statements of Trump’s former staff that he is unfit for office, and even that his chief of staff General John Kelly considers him a fascist and noted that he admires German Nazi dictator Adolf Hitler.

As actor Walter Masterson posted: “I tried to educate people about tariffs, I tried to explain that undocumented immigrants pay billions in taxes and are the foundation of this country. I explained Project 2025, I interviewed to show that they supported it. I can not compete against the propaganda machines of Twitter, Fox News, [Joe Rogan Experience], and NY Post. These spaces will continue to create reality unless we create a more effective way of reaching people.” 

X users noted a dramatic drop in their followers today, likely as bots, no longer necessary, disengaged.

Het fenomeen van de foute leider omvat natuurlijk niet alleen de persoon, maar ook allen die van hem hopen te profiteren. Die doorhebben dat ze hem in ruil daarvoor iets te bieden moeten hebben. En dat laatste komt in een democratie neer op het het in werking stellen en houden van informatiestromen die de foute leider aan de macht helpen. De combinatie dus van de weg van de desinformatie en van de weg van de financiering door het Grote Geld. Hier het vervolg.

vrijdag 30 december 2022

Mensen willen geen polarisatie en willen geen vuurwerk - Waardoor zijn die er dan toch? In beide gevallen is er een kleine minderheid verantwoordelijk

Er zijn meer en grotere problemen, maar laten we even stil staan bij polarisatie en vuurwerk. 

Nederlanders geven aan zich zorgen te maken over polarisatie, aan verslechterde omgangsvormen en verharding in het politieke en publieke debat. En ze ergeren zich aan uitingen die zij als extreem of radicaal ervaren. Driekwart denkt dat meningsverschillen over maatschappelijke kwesties steeds groter worden. Zoals blijkt uit Burgerperspectieven bericht 2 2022 van het Sociaal en Cultureel Planbureau. 

Ook maken Nederlanders zich zorgen over het vele vuurwerk dat aan het eind van het jaar wordt afgestoken en over de schade en overlast die daarmee gepaard gaan. Volgens I&O Research is een meerderheid van 65 procent van mening dat het door particulieren afsteken van vuurwerk zou moeten worden verboden. Dit was in 2016 nog een minderheid van 42 procent.

Opvallend is dat er in beide gevallen een minderheid lijkt te zijn die het probleem veroorzaakt. Het SCP meldt dat er "over de hele linie geen aanwijzingen (zijn) voor politiek-culturele polarisatie, waarbij het gaat om opvattingen, houdingen en gevoelens richting de politiek en over politieke kwesties. Ook is er op veel maatschappelijke thema’s geen beweging naar de uitersten." (p. 49). Dit doet vermoeden dat er een relatief kleine groep is die verantwoordelijk is voor het ontstaan van dat beeld van polarisatie. 

Daar geeft het SCP geen cijfers over. Maar uit gesprekken met focusgroepen komt naar voren (p. 64):

Hierboven bespraken we de zorgen en ergernis van Nederlanders over in hun ogen extreme uitingen in het debat. We zagen al dat mensen dan vaak aan specifieke groepen denken, die zich in het maatschappelijk debat profileren met (soms scherpe) standpunten die afwijken van de gangbare opinie. Ze hebben het dan bijvoorbeeld over critici van coronabeleid en vaccinaties, complotdenkers, radicaal-rechtse politici, protesterende boeren, klimaatactivisten of antiracisten.
 
Dit roept de vraag op of de ervaren polarisatie in de samenleving misschien niet zozeer gebaseerd is op een splijting van de gehele samenleving als op een ontwikkeling waarbij kleine groepen zich nadrukkelijk(er) manifesteren in het publieke debat, al dan niet met een felle of harde toon? Zouden we zelfs van radicalisering van kleine groepen kunnen spreken (vgl. ook Boutellier 2021)?
 
Er lijkt kortom een kleine groep te zijn die dat ervaren probleem van polarisatie veroorzaakt. 
 
En dat is precies ook het geval met dat probleem van de zorgen over vuurwerk. Want I&O Research meldt dat slechts 11 procent van de Nederlandse bevolking zegt deze jaarwisseling zeker of waarschijnlijk vuurwerk te zullen gaan afsteken. Het vuurwerkprobleem wordt veroorzaakt door net iets meer dan een op de tien Nederlanders.
 
In beide gevallen hebben we dus te maken met een (kleine) minderheid die gedrag vertoont waar een grote meerderheid zich zorgen over maakt. Dat ligt er natuurlijk aan dat het in beide gevallen over gedrag gaat dat een groot bereik heeft. 
 
Het polariserende gedrag van die minderheid kan zich verspreiden over de sociale media, mede doordat die nog niet voldoende zijn gereguleerd. En het kan zich verspreiden doordat de publieke media er nu al heel wat jaren onevenredig veel aandacht aan besteden. Meer en betere regulering is wenselijk. Op Europees niveau is al het een en ander aan de gang (New EU Rules for Online Platforms). In eigen land is er wat betreft de publieke omroep nog wel wat te verbeteren. Hoe een omroep als Ongehoord Nederland tot het bestel kon worden toegelaten, roept vragen op. 

En vuurwerk afsteken heeft natuurlijk naar zijn aard een groot bereik. Heel eigenaardig dat die kleine minderheid van 11 procent zoveel overlast, schade en ergernis mag veroorzaken. Dat landelijke vuurwerkverbod had er al lang moeten zijn. 
 

maandag 12 september 2022

De gevaren van het Grote Geld en de Terreur van de Kijkcijfers voor de informatievoorziening en daarmee voor de democratie

De democratie kan niet goed functioneren als de kiezers niet goed zijn geïnformeerd. Natuurlijk kan niet iedereen van alles op de hoogte zijn, maar een zeker niveau van geïnformeerdheid hoort in een democratie te worden nagestreefd. Dat betekent dat je als overheid de media waar de kiezers hun informatie aan ontlenen, niet aan de markt kunt overlaten. 

Als je dat wel doet, dan zet je de deur wijd open voor twee gevaren: de invloed van het Grote Geld en de Terreur van de Kijkcijfers. 

Het gevaar van het Grote Geld bestaat eruit dat je de democratie uitlevert aan de rijken en de vermogenden. Die kunnen niet alleen politici rechtstreeks omkopen, ze kunnen ook televisie- en radiokanalen, kranten en andere media opkopen en daarmee beïnvloeden hoe kiezers geïnformeerd worden. Zo geïnformeerd dat ze politici en politieke partijen in het zadel helpen die voor de rijken gunstige besluiten nemen. Minder progressieve belastingen. Minder geld naar de bestrijding van belastingfraude. Meer besluiten die overeenkomen met de politieke, meestal rechts-extremistische, voorkeuren van de rijken. 

Dit kan op den duur leiden tot afschaffing van de democratie. De Amerikaanse rijken deden middels Donald Trump een poging in die richting, die vooralsnog mislukt is. Maar ook zonder afschaffing kan kan er alleen een papieren democratie overblijven. Lees over het gevaar van het Grote Geld Dark Money. The Hidden History of the Billionaires Behind the Rise of the Radical Right van Jane Mayer. Of Democracy For Sale. Dark Money and Dirty Politics van Peter Geoghehan. 

Wat te doen? Allereerst: dring de extreme inkomens- en vermogensongelijkheid terug. En zorg voor een sterkere regulering van de commerciële media. Maar ja, daar heb je een functionerende democratie voor nodig.

Dan is er nog dat gevaar van de Terreur van de Kijkcijfers. De overheid kan besluiten, zoals in ons land, dat informatievoorziening een publieke taak is en dus een publieke omroep in stand houden. Ten behoeve van de democratie. Maar wat zal er dan gebeuren als je die publieke omroep mede door reclame-inkomsten laat financieren? Dan vervaagt het onderscheid tussen publiek en commercieel. De publieke omroep wordt dan als vanzelf geprikkeld om te bezwijken voor de Terreur van de Kijkcijfers. Ten koste van de informatievoorziening. 

Vandaag fulmineert Teun van de Keuken in de Volkskrant heel terecht tegen die "kijkcijfergekte" van de publieke omroep, in het bijzonder van de talkshows. Zie De publieke omroep verwart kijkcijfers met kwaliteit. Het doel is niet meer om de kijkers te informeren:

Vaak geven omroepcollega's en -bazen pas hun mening over een uitzending als de cijfers bekend zijn: 'Mooi programma! En goede cijfers!' (...) Bij slechte cijfers hoor je meestal niks. Wel schieten de programmamakers dan in de stress. Naarstig gaan ze op zoek naar oorzaken. (...)

En dan komt het grote aanpassen. Er moeten populairdere onderwerpen komen en leukere sprekers. Dat zie je ook in de talkshows, waar kennelijk een 'oorlog' woedt. Als je wilt winnen, nodig je geen mensen uit die ergens verstand van hebben. Dan nodig je populaire BN'ers en populisten (Henk Bleker) uit, die goed zijn voor de controverse.

Wat te doen? Teun van de Keuken roept op om niet mee te doen aan die 'talkshowoorlog'. 

Maak programma's die werkelijk inzicht bieden in de energiecrisis, inflatie, armoede, het klimaat, stikstof, wereldwijde spanningen, en de opvang van vluchtelingen (het liefst niet voor het hek in Ter Apel). Met mensen die er verstand van hebben.

Kortom: leg je toe op het uitvoeren van de publieke taak van een goede informatievoorziening. Omdat de democratie niet zonder kan.

Maar waarom gebeurt dat dan niet al? 

Nou, dat is heel eenvoudig: als je het uitvoeren van een publieke taak niet financiert met publieke middelen, maar met reclame-inkomsten, dan stel je de programmamakers bloot aan de Terreur van de Kijkcijfers. Een publieke taak moet je met publiek geld financieren. 

En dan verdwijnt die publieke taak ergens naar de achtergrond. Wordt een papieren werkelijkheid. Dan kun je, met Teun van de Keuken, oproepen wat je wilt, maar het gaat niet gebeuren.

dinsdag 5 april 2022

Als je in een democratie de media aan de markt overlaat, dan worden die media een bedreiging voor de democratie - En over een onderzoek naar Fox News kijkers

De democratie heeft goed geïnformeerde kiezers nodig. In de democratie gaat het om het vinden van het beste beleid voor iedereen, als uitvloeisel van onze morele gemeenschapsintuïties van iedereen-telt-mee. Daarvoor zijn onderbouwde inzichten nodig in mogelijkheden en beperkingen van beleidsmaatregelen, bestaande maatregelen en nieuw voorgestelde. Democratie is niet alleen een optelsom van opinies, maar ook en vooral een proces van waarheidsvinding en groei van kennis.

Dat er nu allerlei redenen zijn om ons zorgen te maken over de democratie, kan er voor een groot deel aan liggen dat die geïnformeerdheid tekort schiet. En omdat kiezers hun informatie uit de media halen, wijst dat op het tekortschieten van de media. 

Daar zou iets aan gedaan moeten worden. En dat kan ook, althans in ons land, waar de "publieke mediadiensten" in de Mediawet worden geregeld. Die regeling houdt onder meer in dat die diensten moeten voorzien in "democratische behoeften" van de Nederlandse samenleving. Zie eerder het bericht Hoe krijgen we meer waarheidsgetrouwe en verdiepende journalistiek? Die meer wil dan alleen iedereen aan het woord laten? 

Over de uitwerking daarvan (in Artikel 2.1.2) schreef ik daar:

Daarin valt op dat het veel gaat over pluriform en evenwichtig, waarvan je denkt dat zulks in de praktijk er vooral toe leidt dat programmamakers alle "partijen" aan het woord willen laten. En dan zie je gebeuren dat er tegenover een goed geïnformeerde deskundige iemand komt te zitten die nauwelijks een andere kwalificatie heeft dan het hebben van een "andere mening". 

Anders gezegd: media zouden dat voorzien in democratische behoeften niet alleen moeten opvatten als het presenteren van verschillende meningen, maar ook als het zelf bijdragen aan waarheidsvinding en groei van kennis. Aan het goed geïnformeerd zijn van de kiezers.

Maar het kan slechter. Neem nu de Verenigde Staten. Daar was er tot in de jaren 80 de Fairness Doctrine, die na de Tweede Wereldoorlog was ingesteld en waarin televisiekanalen als publieke diensten werden opgevat. Die bij controversiële kwesties alle partijen, meestal twee (voor of tegen), aan het woord moesten laten. Redelijk vergelijkbaar met onze Mediawet dus.

Maar dat veranderde dus in de jaren 80, de jaren van de opkomst van het neoliberalisme. De regering-Reagan vond dat de markt, de commercie dus, heel goed voor die pluriformiteit kon zorgen, daar was overheidsregulering niet voor nodig. Geen overheidsbemoeienis met de media.

 
Kevin M. Kruse en Julian Zelizer (How policy decisions spawned today’s hyperpolarized media) daarover:

Almost overnight, the media landscape was transformed. The driving force was talk radio. In 1960, there were only two all-talk radio stations in America; by 1995, there were 1,130. While television news on the old networks and the cable upstart CNN still adhered to the standard of objectivity, radio emerged as a wide-open landscape.
 
New York’s conservative talk radio icon Bob Grant had long been known for testing the limits of the doctrine, but he now felt freed to engage in outspoken nativism and racism. Discussing the 1991 Los Angeles riot, he called African Americans “screaming savages” and complained that “heaven forbid you talk about white rights.” Immigrants were a favorite target of his, as well. The country, he said, was being flooded with “millions of subhumanoids.”
 
De weg was vrijgemaakt voor conservatieve, ja, rechts-extremistische media, die onweersproken hun partijdige, haatzaaiende en antidemocratische boodschappen de wereld in konden sturen. In 1996 richtte mediamagnaat Rupert Murdoch Fox News op, waarvan je wel kunt zeggen dat het geweldig heeft bijgedragen aan de antidemocratische krachten in de Verenigde Staten. In het in mei te verschijnen boek This Will Not Pass: Trump, Biden and the Battle for America’s Future van Jonathan Martin and Alex Burns noemt Joe Biden Rupert Murdoch “the most dangerous man in the world” en dat is maar weinig overdreven. Dat werd ergens in 2021 opgetekend, toen er nog geen sprake was van Poetins oorlogsmisdaden in Oekraïne.

Over hoeveel kwaad zulke rechts-extremistische media aanrichten, is nu de studie The manifold effects of partisan media on viewers’ beliefs and attitudes: A field experiment with Fox News viewers (preprint) verschenen. In het najaar van 2020 vroegen de onderzoekers aan een groep intensieve Fox News kijkers om een maand lang een aantal uren per week naar CNN te kijken, tegen betaling van 15 dollar per uur. Of ze gekeken hadden werd met tussentijdse vragenlijstjes gecontroleerd. In diezelfde maand werd door middel van een analyse van de programma's van Fox News en CNN vastgesteld dat Fox News o.a. zeer eenzijdig pro-Trump boodschappen uitzond en dat CNN waarheidsgetrouw berichtte over o.a. Trumps gebrekkige aanpak van de coronacrisis.

Het bleek toen dat een maand lang kijken naar CNN programma's de opinies over Trump, de Republikeinen en de Democraten significant deed veranderen in vergelijking met een controlegroep van andere Fox News kijkers. En dit lag er vooral aan dat de experimentele groep ineens over allerlei zaken geïnformeerd werden waar ze nog nooit over gehoord hadden, doordat die in de programmering van Fox News genegeerd werden. Voorbeeld: Trump had begin 2020 in kleine kring gezegd dat hij zich ervan bewust was dat corona gevaarlijker was dan de gewone griep, terwijl hij in het openbaar beweerde dat de mensen van corona niets te vrezen hadden. Alleen CNN maakte daar melding van. Fox News was gewoonweg een propagandazender voor Donald Trump.

Het bevestigt wat iedereen kon vermoeden. Het is niet alleen zo dat mensen al meningen hebben en daar de media bij zoeken die hen daarin bevestigen. Het is ook zo dat media meningen beïnvloeden, alleen al door hun kijkers eenzijdig te informeren (partisan coverage filtering).

Als je in een democratie de media aan de markt overlaat, dan worden die media een bedreiging voor de democratie.

dinsdag 19 oktober 2021

Over de sociale hervorming van het terugdringen van reclame - Niet alleen op internetplatforms

Een nipte meerderheid van Europarlementariërs roept grote bedrijven op om niet meer te adverteren via platforms als Facebook en Google. Omdat die bedrijven daarmee bijdragen aan "een door advertenties gefinancierd ‘ondoorzichtig en giftig ecosysteem’, dat een bedreiging vormt voor ‘de privacy, sociale cohesie en democratie wereldwijd’". Michael Persson en Laurens Verhagen maken daar vandaag melding van in de Volkskrant: Europarlementariërs roepen grote bedrijven op om niet langer te adverteren via Facebook en Google. 

Het probleem van die platforms is niet alleen de bekende schending van de privacy, maar ook dat het met het oog op die reclame-inkomsten nodig is om zoveel mogelijk de aandacht te trekken en vast te houden. En dat laatste blijkt vooral te gebeuren "door algoritmen die polariserende inhoud bevoordelen en echokamers creëren’". Of in de woorden van Facebook-klokkenluider Frances Haugen: "Het resultaat is meer verdeeldheid, meer schade, meer leugens, meer bedreigingen en meer strijd. In sommige gevallen heeft dit gevaarlijke online gebabbel geleid tot daadwerkelijk geweld dat zelfs mensen doodt’"

Een bedreiging dus voor sociale cohesie en democratie wereldwijd. 

Het onderliggende probleem is niet nieuw. Ook al voor het internettijdperk leefden we in een reclamemaatschappij. Een maatschappij waarin bedrijven hun spullen en diensten aan de man willen brengen en daarin onvermijdelijk met elkaar concurreren. Hoe meer de een erin slaagt om ons meer van zijn producten te laten kopen, hoe meer de anderen genoodzaakt zijn om op hun beurt meer aan reclame uit te geven. De reclame van het ene bedrijf werkt in tegen die van het andere bedrijf. Niet alleen als ze op dezelfde productmarkt opereren, maar ook daarbuiten, want het budget van de consument is eindig. (Vandaar de aanwijzingen dat blootstelling aan reclame bijdraagt aan het maken van schulden.)

De advertentiemarkt heeft dus een inherente neiging tot verspilling van middelen. Een situatie waarin met minder middelen hetzelfde resultaat zou kunnen worden bereikt. Dat vraagt om regulering en die is er ook wel. Denk aan de Nederlandse Reclame Code, waar ik in een eerder bericht bij stilstond: De Nederlandse reclame code: er is nog veel te winnen. Maar daarin gaat het om eisen waaraan individuele reclame-uitingen dienen te voldoen, niet over het totale volume. Hetzelfde geldt voor reclame-uitingen in de publieke of particuliere ruimte. Als ik goed ben geïnformeerd, gelden daar de gemeentelijke verordeningen en mag reclame niet hinderlijk zijn voor het verkeer of hinder of overlast veroorzaken voor omwonenden. Het totale volume zou daarin een rol kunnen spelen, maar wordt niet expliciet genoemd.

Dat laatste is wel het geval met reclame op televisie en radio. Naast de reclamecode gelden daar ook eisen met betrekking tot de maximale omvang van reclameblokken als proportie van de totale zendtijd.

Maar die laatste ontbreken, wederom, als ik goed ben geïnformeerd, voor die internetplatforms. Daar zijn het de reclame-inkomsten die maken dat het internet "vrij en open" is. In dat Volkskrantbericht hierboven wijst directeur Townsend Feehan van branchevereniging IAB Europe, de "European-level association for the digital marketing and advertising ecosystem", daarop. 

Maar dat het internet vrij en open is, wil niet zeggen dat er geen verborgen kosten zijn. En volgens die Europarlementariërs zijn die verborgen kosten dus aanzienlijk: minder privacy, minder sociale cohesie en bedreigde democratie.

Dat reclame in het algemeen, op welk medium dan ook, zulke kosten heeft, wisten we al. In 2011 was er het rapport Think of me as evil? opening the ethical debates in advertising van het World Wide Fund for Nature (WWF) en het Public Interest Research Centre (PIRC). Ik schreef daarover toen het bericht Maakt reclame ons materialistischer, ondankbaarder en daardoor ongelukkiger?

Dat rapport geeft een overzicht van het wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van reclame op houdingen en welzijn van mensen. De conclusie is dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat reclame negatieve gevolgen heeft:

1. toename van onze ecologische voetafdruk door het aanjagen van consumptie,
2. versterken van extrinsieke aspiraties (conformisme, uiterlijk vertoon, najagen van financieel succes en prestaties in de ogen van anderen, macht),
3. en daarmee het verzwakken van onze intrinsieke aspiraties (goede relaties met familie en vrienden, tevredenheid met jezelf, gemeenschapsgevoel, helpen van anderen, gerichtheid op collectief welzijn).

Daardoor heeft reclame een negatief effect op onze tevredenheid met het leven en ons geluk.

Anders gezegd, reclame versterkt onze neiging tot statuscompetitiegedrag en verzwakt de neiging tot gemeenschapsgedrag. Het duwt ons in de richting van het slechte statuscompetitie-evenwicht en maakt het bereiken van het goede gemeenschapsevenwicht moeilijker. 

Het zou dus een goede sociale hervorming zijn om als overheid veel meer paal en perk te stellen aan reclame-uitingen en aan de totale omvang van reclame. Denk weer even aan Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen. In een reclamemaatschappij zoals wij die hebben laten ontstaan, accepteren we ten onrechte die veel te hoge verborgen kosten.

In dat rapport van het WWF en het PIRC wordt precies die sociale hervorming bepleit. Aan het eind komen de auteurs tot twee aanbevelingen:

1. neem in de reclamecodes op dat reclame niet mag appelleren aan extrinsieke waarden (dus bijvoorbeeld niet een product mogen aanprijzen als een middel om "populair" te worden),
2. verminder de alomtegenwoordigheid van reclame: minder of geen reclame in de publieke ruimte, meer mogelijkheden om je er van af te sluiten (opt-out), meer publieke of anderszins niet commerciële financiering van nieuws en andere media. (En doe dit vooral voor en ten behoeve van kinderen.)

Tenslotte stellen ze voor om reclamemakers te verplichten om voor de negatieve gevolgen van blootstelling aan reclame te waarschuwen. Vergelijk maar met verplichte waarschuwingen tegen roken.

vrijdag 20 augustus 2021

Hoe krijgen we meer waarheidsgetrouwe en verdiepende journalistiek? Die meer wil dan alleen iedereen aan het woord laten?

Kan de nieuws- en informatievoorziening aan de markt worden overgelaten? Of is overheidsregulering noodzakelijk? En moet die regulering zo ver gaan dat de titel beroepsjournalist wettelijk wordt beschermd? En daarmee kwaliteitseisen aan het uitoefenen van dat beroep worden gesteld? Gekoppeld aan de invoering van wettelijk geregeld tuchtrecht? 

Dat alles vroeg ik me af in het bericht De democratie heeft goed geïnformeerde kiezers nodig. Wordt het tijd voor een wettelijke bescherming van de titel beroepsjournalist? Met als aanleiding het pleidooi van Bert van den Braak voor precies die titelbescherming: Een verantwoordelijk beroep.

Goede nieuws- en informatievoorziening heeft kenmerken van een publiek goed. Als kiezers meer toegang hebben tot waarheidsgetrouwe en verdiepende journalistiek, zullen ze beter geïnformeerd hun stem uitbrengen. En daar vaart de democratie, wij-met-zijn-allen, wel bij.

Dat pleit voor overheidsregulering. En natuurlijk is die er al. In Nederland kennen we de Mediawet van 2008. Daarin gaat het over publieke mediadiensten, die "in overeenstemming (dienen te zijn) met publieke waarden, waarbij zij voorzien in democratische, sociale en culturele behoeften van de Nederlandse samenleving." (art.2.1.2). Dat betekent onder meer dat het aanbod 

  • evenwichtig, pluriform, gevarieerd en kwalitatief hoogstaand is (art. 2.1.2a)
  •  op evenwichtige wijze een beeld van de samenleving geeft en de pluriformiteit van onder de bevolking levende overtuigingen, opvattingen en interesses op maatschappelijk, cultureel en levensbeschouwelijk gebied weerspiegelt (art. 2.1.2b)
  • onafhankelijk is van commerciële invloeden en, behoudens het bepaalde bij of krachtens de wet, van overheidsinvloeden (art. 2.1.2d)
  • voldoet aan hoge journalistieke en professionele kwaliteitseisen, die binnen deze sector gehanteerd worden (art. 2.1.2e)
Daarin valt op dat het veel gaat over pluriform en evenwichtig, waarvan je denkt dat zulks in de praktijk er vooral toe leidt dat programmamakers alle "partijen" aan het woord willen laten. En dan zie je gebeuren dat er tegenover een goed geïnformeerde deskundige iemand komt te zitten die nauwelijks een andere kwalificatie heeft dan het hebben van een "andere mening".

Dat zou moeten worden tegengegaan door die "hoge journalistieke en professionele kwaliteitseisen", maar die worden verder niet gespecificeerd en uitwerking ervan wordt aan de sector overgelaten. Van dat laatste komt weinig terecht, denk je, als je de website van de Nederlandse Vereniging van Journalisten raadpleegt.

Het is natuurlijk ook niet zo gemakkelijk om "waarheidsgetrouwe en verdiepende journalistiek" te concretiseren. Maar in een tijd waarin het toch wel erg schort aan waarheidsgetrouwheid en verdieping, zou dat misschien toch geprobeerd moeten worden. 

Dat zou het mogelijk moeten maken om een titelbescherming in te voeren, waardoor consumenten er verzekerd van kunnen zijn dat je bij de 'beroepsjournalistiek" terecht kunt, die niet alleen maar iedereen aan het woord wil laten, maar zich onderwerpt aan eisen van waarheidsgetrouwheid en verdieping. En daarop kan worden aangesproken.

vrijdag 6 augustus 2021

De democratie heeft goed geïnformeerde kiezers nodig. Wordt het tijd voor een wettelijke bescherming van de titel beroepsjournalist?

In een democratie kun je de nieuwsvoorziening niet zomaar aan de markt, en dus aan het grote geld, overlaten. Dat is de titel van een bericht dat ik in 2017 schreef. Volg de link. Met daarin een verwijzing naar het bericht Door slechte media hebben we slecht geïnformeerde kiezers die slecht geïnformeerde leiders kiezen. Volg weer de link.

Het is echt de moeite waard om beide berichten (nog eens) te lezen. In het eerste kom je een verwijzing tegen naar onderzoek naar de invloed van het door mediamagnaat Rupert Murdoch gefinancierde Fox News Channel op het stemgedrag van de Amerikanen. Dat "nieuws"- kanaal geeft eenzijdige en partijdige "informatie", dat wil zeggen sterk in het voordeel van de rechtsextremistische Republikeinse partij. Het onderzoek laat zien dat het kijken naar dat kanaal inderdaad het door de financiers en makers beoogde effect heeft op het kiezersgedrag. Het Grote Geld kan dus de werking van de democratie negatief beïnvloeden. De democratie kan immers niet goed gedijen als kiezers slecht en eenzijdig geïnformeerd worden.

En dit is een citaat uit het tweede bericht:

Nu is het klagen over de media van alle tijden, maar misschien is er nu toch meer aan de hand. Want het is onderdeel van de neoliberale golf waarin we zijn terechtgekomen om te denken dat je de media kunt overlaten aan de commercie. De markt is overal goed voor en zal er dus ook wel voor zorgen dat de burgers goed worden geïnformeerd over het publieke domein.

Dat is een ernstige misvatting. Media overlaten aan de markt heeft in feite betekend dat de mediamagnaten het heft in handen hebben genomen. En die hebben hun eigen belangen.

En zijn zo machtig geworden dat ze niet alleen de berichtgeving en de politieke commentaren naar hun hand zetten, maar ook rechtstreeks de politici beïnvloeden.

En nog los daarvan, heeft de commercialisering van de media in de hand gewerkt dat er een omvangrijke amusementsindustrie kon ontstaan. Een bijkomend effect daarvan is dat de indruk wordt gewekt dat het ook helemaal niet nodig is om je goed te informeren. Wat weer de ruimte creëerde voor de populist die gemakkelijke oplossingen aandraagt en die de verpersoonlijking is van dat amusement en van de alternatieve feiten.

Dat we nu in een tijd leven waarin de democratie wordt bedreigd, heeft natuurlijk alles met deze grote misvatting te maken. 

En het roept de dringende vraag op wat we kunnen doen om deze bedreigingen het hoofd te bieden. Precies daarover gaat de column Een verantwoordelijk beroep van Bert van den Braak, bijzonder hoogleraar parlementaire geschiedenis en parlementair stelsel aan de Universiteit Maastricht, die vandaag verscheen op PARLEMENT.com.

Van den Braak bespreekt de mogelijkheid om het beroep van journalist een beschermde status te geven, een status die we al kennen voor medici, notarissen, advocaten, architecten, makelaars en rijschoolhouders. Het gaat dan om beroepen waarvan de kwaliteit van de geleverde diensten moeilijk door de afnemers zelf beoordeeld kunnen worden, terwijl tegelijk die afnemers grote risico's lopen als die kwaliteit slecht is. 

Dit is een van de bekende gevallen van marktfalen, namelijk het probleem van informatieasymmetrie. Natuurlijk zou het mooi zijn als de aanbieders van die diensten uit zichzelf moreel verantwoordelijk zouden handelen, maar de kans daarop wordt negatief beïnvloed door de algemeen heersende ideologie van de morele luchtledigheid van het domein van de markt. 

Toekenning van een beschermde status aan "beroepsjournalisten", wat op titelbescherming neer zou komen, zou allerlei voordelen kunnen hebben, die vergelijkbaar zijn met die van andere beschermde beroepen. Niet alleen kunnen kwaliteitseisen worden gesteld, maar ook kan het gedrag van de beroepsbeoefenaar door middel van tuchtrechtspraak beoordeeld worden.

Van den Braak wijst er op dat er in België wel degelijk een wettelijke bescherming van de titel beroepsjournalist bestaat. Dat wist ik niet. Ook wist ik niet dat er in Nederland ooit, in 1949, een dergelijk wetsvoorstel is ingediend. Maar dat bleef "in een la liggen", om er pas in 1960 weer uit te komen, toen het werd ingetrokken. Met als motief de toen algemeen heersende opvatting dat "zelfregulering" zou volstaan.

Nu, in 2021, moeten we die opvatting misschien eens goed tegen het licht houden. Van den Braak is nog aan de voorzichtige kant:

In een tijd van 'nepnieuws' en infotainment is alles wat kan bijdragen aan betrouwbare journalistiek, winst. Wettelijke regeling lijkt een stap te ver, maar de (reguliere) media moet dan wel de eigen verantwoordelijkheid nog beter oppakken, bijvoorbeeld door striktere scheiding van nieuws en opinie en door het voorkomen van ongewenste vermenging van presentatie en journalistiek in talkshows.

Kwalitatief goede en verantwoordelijke media zijn de beste remedie tegen nepnieuws en belangenverstrengeling. Als het daaraan schort, moeten we misschien toch maar eens die wettelijke titelbescherming overwegen.

Het voordeel van een wettelijk geregelde titelbescherming zou zijn dat het iedereen vrij staat om journalistiek werk te verrichten, maar dat het voeren van de titel "beroepsjournalist" aan voorwaarden is gebonden. Zoals die kwaliteitseisen en het zich onderwerpen aan tuchtrechtspraak.

donderdag 21 januari 2021

In de Verenigde Staten maken we een beweging mee in de richting van het gemeenschapsevenwicht - en over de rol van de media

De strijd tussen gemeenschap en statuscompetitie is fundamenteel aan de menselijke sociale natuur. Hij zit in ieder mens, zij het dat de een bij voorbaat meer geneigd is tot gemeenschapsgedrag en de ander meer tot statuscompetitiegedrag. 

Dat maakt dat je diezelfde strijd ook altijd kunt waarnemen als mensen met elkaar te maken hebben. Als dat laatste zo is, dan kunnen mensen door gemeenschapsgedrag elkaar de sociale veiligheid verschaffen die datzelfde gemeenschapsgedrag weer bevordert. Net zo kunnen ze door statuscompetitiegedrag voor elkaar de sociale onveiligheid creëren die datzelfde statuscompetitiegedrag oproept.

Dat maakt dat je op alle samenlevingsniveau's, van kleine groep tot wereldbevolking, bewegingen zult kunnen verwachten in de richting van oftewel het gemeenschapsevenwicht oftewel het statuscompetitie-evenwicht. Bewegingen die afhankelijk zijn van informatie die mensen krijgen over het gedrag van anderen. En dat informatieprobleem wordt serieuzer naar mate de groep groter is. Dan is de informatie overwegend slechts indirect beschikbaar, namelijk via de media die erover berichten.

Dit is natuurlijk in sociaalwetenschappelijke taal, en dus onvermijdelijk enigszins abstract, gesteld. Maar lees Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen voor meer uitleg en, niet te vergeten, empirische onderbouwing. Als je een keer met de blik van de strijd tussen gemeenschap en statuscompetitie kijkt naar mensen, groepen en samenlevingen, dan komen er welhaast dagelijks zaken voorbij die je er mee kunt analyseren, en vaak beter begrijpen.

Neem wat er zich dezer dagen afspeelt in de Verenigde Staten. Gisteren kwam er met de inauguratie van Joe Biden en Kamala Harris tot president en vice-president een einde aan het presidentschap van Donald Trump. Er valt wel heel veel voor te zeggen dat we hier een beweging meemaken in de richting van het gemeenschapsevenwicht. Een verheugende beweging, want we zagen immers dat het gemeenschapsevenwicht valt te prefereren boven het statuscompetitie-evenwicht.

Dat het presidentschap van Donald Trump, tot nagenoeg de laatste dag ondersteund door de Republikeinse partij, gepaard ging met in allerlei opzichten een beweging richting het statuscompetitie-evenwicht, valt gemakkelijk in te zien. Neem alleen maar zijn belangrijkste binnenlandse beleidsdaad, de sterke verlaging van de belastingen voor de allerrijkste Amerikanen. Precies passend in de statuscompetitievisie dat de rijken niet mag worden "afgepakt" wat ze "eerlijk" verdiend hebben en dat de armen aan hun lot dienen te worden overgelaten. Lees ook nog eens Paul Krugman over Trumps war on the poor.

Neem zijn zacht gezegd ongemakkelijke omgang met de democratie, blijkend uit zijn pogingen om zijn regering samen te stellen op basis van persoonlijke loyaliteiten in plaats van op deskundigheid en democratische verantwoording. Waardoor het bewind-Trump meer het karakter had van de statushiërarchie van de maffia dan van een democratische regering. En natuurlijk blijkend uit zijn weigering, tegen alle voldongen feiten in, om de uitslag van de verkiezingen te erkennen en mee te werken aan een vreedzame overdracht. Sterker, denk aan zijn poging om zijn achterban ertoe aan te zetten om het Capitool te bestormen en zo de bekrachtiging van de verkiezingsuitslag gewelddadig te beletten.

Of neem zijn buitenlandse "politiek", die er op gericht was om wat er tot stand was gekomen van een wereldgemeenschap van nationale staten, zoveel mogelijk af te breken. Door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) te verlaten en zich terug te trekken uit het Klimaatakkoord van Parijs. En door zijn oor zoveel mogelijk te luisteren te leggen bij Vladimir Poetin, de president van Rusland, die binnenlands een statushiërarchie van oligarchen heeft gevestigd en het ook niet meer tot zijn ambities lijkt te rekenen om een verantwoordelijke rol te spelen in de wereldgemeenschap.

En neem tenslotte zijn wel heel zacht gezegd ongemakkelijke omgang met de waarheid. Ik stond al eens bij dat opvallende gedrag: Liegen doen we allemaal. Maar Trump! Narcisme is nu eenmaal de meest extreme vorm van statuscompetitie, waarin ondergeschiktheid aan zoiets als waarheid geen rol kan spelen. Lees daarover nu ook Bas Blokker: De president die de waarheid irrelevant maakte:

In de 1.455 dagen van zijn presidentschap heeft Trump volgens de factcheckers van The Washington Post 30.529 onware of misleidende uitspraken gedaan, gemiddeld ruim 21 per dag.

Waarbij al dat liegen tot gevolg had dat nu een flink deel van de Amerikaanse bevolking, de Trump-aanhangers, in een parallel universum leven. Een gevaarlijke toestand. 

Bij dat alles, en veel meer, vergeleken zijn de eerste dagen, ja, uren, van het presidentschap van Joe Biden een verademing. Hij is meteen begonnen een serie typische Trump-maatregelen terug te draaien. Hij neemt wèl de verantwoordelijkheid om op federaal niveau de coronapandemie aan te pakken, de pandemie die Trump als een hoax bleef betitelen en die de staten maar moesten oplossen. Lees zijn inaugurele toespraak: Mijn hele ziel ligt hierin: ons volk en ons land herenigen, en stel vast dat hier een gemeenschapsvisie op de democratie onder woorden wordt gebracht.

Kortom, de nationale, ja, internationale, nachtmerrie is over. Blijft natuurlijk de grote vraag hoe dit heeft kunnen gebeuren. Daar zal en moet nog heel veel over worden nagedacht en onderzocht. Maar nu al is duidelijk dat de media een grote rol spelen als het op landelijk niveau gaat over de strijd tussen gemeenschap en statuscompetitie. Want die kunnen een dynamiek in gang zetten die oftewel een beweging in de richting van statuscompetitie oftewel in de richting van gemeenschap teweegbrengt. Wat de opkomst van Trump in de Verenigde Staten betreft, en die van extreemrecht in Nederland, hebben de media een grote verantwoordelijkheid. Voor de Verenigde Staten schreef Karen Attiah daar gisteren over in de Washington Post: The media had a role to play in the rise of Trump. It’s time to hold ourselves accountable. 

woensdag 1 mei 2019

Het gemeenschapsevenwicht en het statuscompetitie-evenwicht op het niveau van nationale staten - Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? En over wat de Dual Mode-theorie te bieden heeft - deel 5

Update. Zie nu ook deel 6 in deze reeks: Hoe meer gemeenschapsgedrag, hoe beter.
We besloten het vorige bericht in deze reeks met de tussentijdse conclusie dat het vak sociologie maatschappelijk belangrijker zou kunnen worden door meer oog te ontwikkelen voor de voorwaarden waaronder het gemeenschapsevenwicht dan wel het statuscompetitie-evenwicht tot stand komt. Waarbij het gemeenschapsevenwicht een hoger welzijn verschaft dan het statuscompetitie-evenwicht.

In dat bericht ging het over die voorwaarden als het kleine en overzichtelijke groepen betreft: enerzijds groepen van familie en vrienden en anderzijds de groep van de schoolklas. In die groepen is er gemakkelijke onderlinge waarneembaarheid, waardoor behoorlijk snel het ene dan wel het andere evenwicht kan ontstaan.

Dat ligt anders als we het hebben over grotere groepen, zoals die van de bevolking van een nationale staat. De directe waarneembaarheid van het gedrag van anderen betreft dan maar een fractie van de totale bevolking. Gedeeltelijk komen mensen tot een inschatting van welk gedrag het meeste voorkomt in de gehele bevolking door die directe waarnemingen te generaliseren. In de trant van: ik kom in het dagelijks leven eigenlijk alleen maar aardige mensen tegen, waaruit ik opmaak dat mensen ook wel in het algemeen goed te vertrouwen zijn.

De direct waargenomen mate van gemeenschapsgerichtheid wordt dan dus gegeneraliseerd naar de gehele bevolking, naar "mensen in het algemeen". We weten al dat dit proces zich voordoet: mensen die meer gemeenschapscontacten hebben (contacten met familie, vrienden en buren), hebben een hogere mate van interpersoneel vertrouwen. Zie het bericht Meer omgang met vrienden, familie en buren vergroot het algemene vertrouwen in anderen, met daarin de drie stellingen waarmee dat interpersonele vertrouwen wordt vastgesteld.

Maar daarnaast maken mensen natuurlijk ook inschattingen op basis van indirecte waarnemingen, dat wil zeggen op grond van wat via de media tot hen doordringt. En dat wijst erop dat hoe  waarheidsgetrouw de media berichten, een zelfstandige rol speelt in bewegingen in de richting van het ene dan wel het andere evenwicht.

Een algemene klacht is dat de media, altijd op zoek naar nieuwswaardigheid, meer aandacht besteden aan uitingen van statuscompetitiegedrag (moord en doodslag, leugen en bedrog) dan aan, daarmee vergeleken altijd wat saaie, uitingen van gemeenschapsgedrag. Denk ook aan die overmatige aandacht in de media voor narcistische rechts-extremisten in de politiek (nu Baudet, voorheen Wilders), waardoor statuscompetitiegedrag dreigt te worden "genormaliseerd". Dat wil zeggen, geportretteerd als meer voorkomend dan in werkelijkheid het geval is.

Als dat zo is, dan is er dus wat de indirecte waarneembaarheid betreft, altijd een bias in de richting van het statuscompetitie-evenwicht, die ingaat tegen de beweging op grond van directe waarneming. En het is die bias die mede verklaart waarom we altijd zo geïnteresseerd zijn in objectievere opiniepeilingen.

Dan hebben we het alleen nog over die directe of indirecte waarneembaarheid van het gedrag van anderen. Die dus informatie oplevert waardoor mensen zich laten beïnvloeden in de "keuze" voor hun eigen gedrag.

Een ander soort indirecte informatie waar mensen zich door kunnen laten leiden heeft te maken met de mate waarin ze in hun dagelijks leven bedreigingen ervaren voor hun bestaanszekerheid.

We weten al dat een gevoel van veiligheid gemakkelijk aanzet tot pro-sociaal gedrag en dus tot gemeenschapsgedrag. Dat gevoel van veiligheid heeft ook te maken met het land waarin je woont, met name met de mate waarin dat land een verzorgingsstaat is, met een wetgeving die erop gericht is om bestaanszekerheid te garanderen.

Want de formeel georganiseerde zorg en bevordering van bestaanszekerheid blijkt immers niet de informele, onderlinge hulpverlening te verdringen, maar juist aan te wakkeren. Zie Geen verdringing - Juist meer informele langdurige zorg in landen met uitgebreidere overheidsvoorzieningen voor langdurige zorg en Participatiesamenleving en verzorgingsstaat: niet of-of, maar en-en? Meer aanwijzingen voor en-en.

En de toename van bestaansonzekerheid als gevolg van de neoliberale  afbraak van de Nederlandse verzorgingsstaat in de afgelopen decennia is gemakkelijk in verband te brengen met de toename van maatschappelijke tegenstellingen.

Als je landen vergelijkt, dan kun je pogingen om een verzorgingsstaat te vestigen of te handhaven zien als bewegingen naar het gemeenschapsevenwicht. In termen van Why Nations Fail. The Origins of Power, Prosperity and Poverty van Daron Acemoglu en James A. Robinson gaat het dan over landen met inclusieve instituties.

En tegengesteld daaraan, zijn landen met extractieve instituties de landen waarin de statuscompetitie allesoverheersend is en een stabiele statushiërarchie tot stand heeft gebracht. Waarin een rijke elite erin geslaagd is om zich de rijkdommen van het land toe te eigenen en om de rest van de bevolking voor zich te laten werken.

In grote lijnen is dus een functionerende democratie een geval van een gemeenschapsevenwicht en een failed state een geval van een statuscompetitie-evenwicht.

dinsdag 9 april 2019

Sociale media en de angst te worden buitengesloten

We weten dat de generatie die opgegroeid is met de sociale media in vergelijking met vorige generaties meer tijd doorbrengt op die sociale media en daar tijdsbesteding aan face-to-face contacten voor heeft ingeleverd. Uit onderzoek van Jean Twenge in de Verenigde Staten kwam naar voren dat:
Tussen 2000 en 2015 nam het aantal adolescenten dat bijna elke dag vrienden ontmoet met meer dan 40 procent af. Rondhangen met vrienden is sterk afgenomen. In plaats daarvan hangen ze meer rond op de sociale media.
Met negatieve gevolgen:
Bovendien zijn de adolescenten die elke dag op de sociale media actief zijn en minder vrienden in het echt ontmoeten, precies degenen die zich vaker eenzaam en buitengesloten voelen. En ze hebben een grotere kans op symptomen van depressie en op zelfmoordgedachten.
Een deel van de verklaring daarvoor kan zijn dat je via die sociale media voortdurend wordt geïnformeerd over hoe leuk anderen het samen hebben, terwijl jij dan alleen thuis zit. En niemand informeert anderen over hoe het is om alleen thuis te zitten.

Het zou dus kunnen dat die nieuwe technologische ontwikkeling van de sociale media met zich mee brengt dat we vaker ten prooi vallen aan de vrees te worden buitengesloten. Dat zou dan staan tegenover het voordeel dat je gemakkelijker contact houdt.

Die vrees te worden buitengesloten is so wie so al groter onder de condities van sociale vluchtigheid, die zo kenmerkend zijn voor onze huidige manier van samenleven. We zijn er als groepsdier op ingesteld om relaties te hebben die zo vanzelfsprekend zijn dat je zelden of nooit bang hoeft te zijn dat anderen jou buitensluiten. Nu we veel meer vluchtige contacten hebben, ontbreekt vaak die vanzelfsprekendheid. En dat stelt ons voor uitdagingen.

Hoe ermee om te gaan dat die vrees voor uitsluiting vaker de kop opsteekt?

De nieuwe studie Why Do People Experience the Fear of Missing Out (FoMO)? Exposing the Link Between the Self and the FoMO Through Self-Construal wijst erop dat je minder last hebt van die vrees voor uitsluiting als je jezelf meer ziet als een onafhankelijk iemand.

Zo'n zelfbeeld van een onafhankelijk iemand betekent dat je jezelf meer ziet als een autonoom en op zichzelf staand individu. Dat aan zichzelf genoeg heeft. Daartegenover kun je jezelf ook zien als iemand die zich door onderlinge afhankelijkheid sterk met anderen verbonden voelt. In het sociaalwetenschappelijk onderzoek kom je die tegenstelling tegen als die tussen een independent en een interdependent self-construal. Een baanbrekend artikel is Culture and the Self. Implications for Cognition, Emotion, and Motivation van Markus en Kitayama uit 1991. Zie ook Wat is geluk? Culturele verschillen.

Volgens die nieuwe studie kun je de uitdaging van hoe om te gaan met het op de loer liggen van buitengesloten te worden dus beter aan als je je maar niet teveel verbonden voelt met anderen. Zie jezelf als onafhankelijk en autonoom, als iemand die anderen niet nodig heeft, en dan vermijd je dat vervelende gevoel van er niet bij te horen.

Daar zit wat in. Maar toch. Misschien lukt het je om dat autonome zelfbeeld in de lucht te houden. Als een aanpassing aan de sociale vluchtigheid waar we nu eenmaal mee te maken hebben.

Maar zou het dan ook lukken om eenzaamheid buiten de deur te houden? En om een zinvol leven te leiden?

donderdag 17 mei 2018

Waarom we zo actief zijn op sociale media - En over hoe de markt inspeelt op onze primaire sociale behoeften

Het CBS publiceert vandaag een aflevering van Statistische Trends over opvattingen over sociale media. Wat valt er zoal op?

87 procent van de ondervraagden (18 jaar of ouder) zijn actief op sociale media. Voor bijna iedereen van deze groep (rond de 90 procent) is de de belangrijkste reden om dat te doen het in contact blijven met anderen.

En dat in contact blijven, dat lukt ook goed. Want ruim 60 procent ervaart een positieve invloed van de activiteit op sociale media op het contact met familie en vrienden (en bijna niemand een negatieve invloed).

Jongeren (18 - 25 jaar) zijn het meest actief op sociale media: ruim 80 procent van hen spendeert er ten minste 1 - 5 uur per dag aan, oplopend tot 10 uur per dag of meer. Onder hen vinden we ook de meesten die zichzelf verslaafd vinden aan sociale media, hoewel dat toch niet meer is dan tegen de 30 procent.

Dat jongeren meer dan ouderen actief zijn, zal eraan liggen dat hun sociale contacten meer in beweging zijn, door gebeurtenissen als veranderen van opleiding, overgang van opleiding naar werk en verlaten van het ouderlijk huis. Daardoor ervaren ze meer sociale vluchtigheid, wat aanzet tot grotere inspanningen om contacten te onderhouden en voor nieuwe contacten open te staan. Zie Over de uitdagingen van de sociale vluchtigheid. En misschien hebben ze door dat dit de tijd is om vrienden te maken, omdat er later in de levensloop nog maar weinig vrienden bij komen.

Dat de sociale media die belangrijke functie van het in contact blijven met anderen zijn gaan vervullen en dat zoveel mensen er zo snel actief op zijn gaan worden, is wel iets om bij stil te staan.

Want het lijkt erop dat het op de markt komen van deze nieuwe technologie ons in staat stelt om meer dan daarvoor te voldoen aan onze sociale behoeften. Onze 'ouderwetse" behoefte aan het vanzelfsprekende contact met vertrouwde anderen komt door onze leefwijze in het gedrang. We hebben al lang niet meer die fysieke omgeving waarin we onze vertrouwden als onderdeel van onze dagelijkse bezigheden eigenlijk altijd dicht in de buurt hadden.

Maar als groepsdier bij uitstek zijn we nog steeds wel ingesteld op die vanzelfsprekende nabije aanwezigheid van anderen. Daar komt die voortdurende behoefte aan contacten uit voort, die vaak latent is, maar vaak ook manifest, wanneer we ons eenzaam voelen.

En wat is er gebeurd? De markt heeft die behoefte ontdekt en een aanbod aan sociale media ontwikkeld, waar wij geld voor over hebben om er actief op te kunnen zijn. En waar we blootstelling aan reclame en opgeven van onze privacy voor over hebben.

Het is een voorbeeld van die vele gevallen waarin iets dat eerst als vanzelf voortkwam uit onze Primaire Sociale Orde, het domein van de persoonlijke relaties, nu als een "voorziening" tot stand komt via de omweg van de Markt. Dus via de omweg van een commercieel product.
Die hoofdletters slaan op het OMOP-schema, dat onze huidige maatschappij ziet als bestaande uit twee geconstrueerde sociale ordes, Overheid en Organisaties, en twee spontane sociale ordes, Markt en Primaire Sociale Orde. Met die onderscheidingen en de bewegingen en beïnvloedingen tussen die ordes kun je eigenlijk het hele onderzoeksgebied van de sociologie, of breder, van de sociale wetenschap karakteriseren. De Groningse sociologie-opleiding is rond het OMOP-schema opgebouwd. Zie ook Sociale Welvaart.
Vergelijkbaar is de introductie en snelle verspreiding van de televisie als een commercieel product dat ons in staat stelde om een soort pseudo-sociale contacten aan te gaan met televisiepersoonlijkheden (parasociale relaties) als onvolkomen substituut voor de ontbrekende echte contacten. Zie Door toename vrije tijd gingen we vooral meer televisiekijken. En wat deden we met onze sociale contacten?

maandag 5 maart 2018

Ook pro-sociaal gedrag in de media lokt pro-sociaal gedrag uit

Het is bekend dat competitie, geweld en sociale agressie in media (televisieprogramma's en videogames) de kans op hetzelfde gedrag bij consumenten van die media vergroten. Zie de laatste berichten op dit blog daarover: Sociale agressie op televisie maakt adolescenten sociaal agressiever en Competitieve videogames versterken agressieve gevoelens en daardoor meer agressief gedrag.

Maar net zoals in het gewone leven zou je verwachten dat het in aanraking komen met pro-sociaal gedrag in media ook meer pro-sociaal gedrag uitlokt. Dat is immers de verwachting van de Dual mode-theorie, dat mensen zowel statuscompetitiegedrag als gemeenschapsgedrag gemakkelijk tot hun beschikking hebben en dat de mate van statuscompetitie- dan wel gemeenschapsgedrag in hun omgeving van invloed is op het soort gedrag waar ze voor "kiezen" (tussen aanhalingstekens, omdat die beïnvloeding vaak onbewust verloopt).

Dat media inderdaad die positieve invloed kunnen hebben, komt naar voren uit de vorig jaar verschenen studie A Meta-Analysis of Prosocial Media on Prosocial Behavior, Aggression, and Empathic Concern: A Multidimensional Approach. De onderzoekers zochten, in een meta-analyse, alle studies bij elkaar die uitsluitsel kunnen geven. Dat bleken er 72 te zijn. Het ging om televisieprogramma's, films, videogames en muziek(video's).

Het bleek toen dat een pro-sociale media-inhoud (anderen helpen, aardig zijn, compassie hebben, altruïsme, empathie) meer pro-sociaal gedrag en meer empathische bezorgdheid (empathic concern) uitlokte en minder agressief gedrag.

Het lijkt soms, of vaak, dat de media ons vooral een competitieve, agressieve wereld voorhouden. Maar ze kunnen ons dus ook een betere wereld voorhouden en daarmee een gunstige invloed uitoefenen.

vrijdag 23 februari 2018

Klein, maar goed, nieuws: Jongeren maken zelf hun ontmoetingsplek

Als welkom tegenwicht tegen al het grote, slechte nieuws, nu aandacht voor het weliswaar kleine, maar goede nieuws. Over jongeren die zelf hun ontmoetingsplek maken

Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn we de ruimtelijke inrichting van ons land zo gaan omvormen dat wonen en werken sterk zijn gescheiden. Bovendien hebben we door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie van voorzieningen (winkels, horeca, uitgaansgelegenheden) saaie woonbuurten gecreëerd, waarin bewoners bij gebrek aan natuurlijke ontmoetingsplekken elkaar niet kennen en niet bij elkaar op bezoek komen. Zie We gaan minder en minder en minder bij elkaar op bezoek. Gezinnen weer meer sociaal geïsoleerd.

Die ontwikkeling heeft eraan bijgedragen, of is er zelfs de voornaamste oorzaak van, dat we nu een groot eenzaamheidsprobleem hebben. Volgens de nieuwste cijfers, van 2016, is 33 procent van de volwassen bevolking matig eenzaam en 10 procent ernstig of zeer ernstig eenzaam.

Eenzaamheid komt in alle leeftijdsfases voor. Vaak denken we dan eerst aan vereenzaamde ouderen. Maar het risico op eenzaamheid is ook onder jongeren groot. Dat ligt er ook aan dat de leeftijdshomogene groepering op scholen niet zo'n gunstige sociale omgeving biedt, een omgeving namelijk die gemakkelijk statuscompetitie en pesten uitlokt. En in een woonbuurt waar verder niets gebeurt, is het lastig om vrienden te maken of vriendschappen te onderhouden.

Met als gevolg dat de generatie die is opgegroeid met internet en sociale media in vergelijking met vorige generaties meer tijd doorbrengt met online communicatie dan met face-to-face ontmoetingen. En de aanwijzingen zijn dat dat de kans op eenzaamheid en zelfs depressie vergroot. Zie Door sociale media grotere kans om je eenzaam en buitengesloten te voelen en Meer over het verband tussen het gebruik van sociale media en eenzaamheid.
Update. En denk aan het onderzoek dat laat zien dat jongeren minder tijd besteden aan televisiekijken, gamen en sociale media als er inde buurt meer te doen is: Als er in de buurt meer te doen is, zitten kinderen minder naar een scherm(pje) te staren.
Maar mensen lijken goed door te hebben dat dit geen gunstige ontwikkeling is. Er zijn veel aanwijzingen voor een onvervulde behoefte aan ontmoetingsplekken en er zijn alom initiatieven om aan die behoefte tegemoet te komen.

Zo is er nu in de Leeuwarder Courant het berichtje dat de tien leden van de Jeugdraad van de gemeente Smallingerland niet alleen actie voeren om meer hangplekken ("afdakjes") tot stand te brengen, maar ook proberen voor elkaar te krijgen dat jongeren zelf die afdakjes gaan maken. En het zou helemaal mooi zijn als ze dat samen zouden doen met lokale kunstenaars. De Jeugdraad hoopt steun te krijgen van de gemeenteraad en heeft het plan aangeboden bij de politieke partijen. Zie Zelf afdakjes maken om onder af te spreken.

Een klein berichtje waar je vrolijk van wordt.

donderdag 11 januari 2018

Meer over het verband tussen het gebruik van sociale media en eenzaamheid

Marlies Maes reageerde op Door sociale media grotere kans om je eenzaam en buitengesloten te voelen met een verwijzing naar het overzichtsartikel Loneliness and Social Internet Use: Pathways to Reconnection in a Digital World?

Dat overzicht van onderzoek laat zien dat het gebruik van sociale media niet alleen samen kan gaan met meer eenzaamheid, maar ook juist met minder eenzaamheid. Het hangt er maar vanaf waar je die sociale media voor gebruikt.

Er zijn er die er hun bestaande sociale contacten beter mee weten te onderhouden of er zelfs nieuwe contacten mee weten te leggen, en dat vermindert dus de kans op eenzaamheid. Dat wil zeggen, onder de voorwaarde dat de online interacties maar genoeg worden aangevuld met de offline interacties. Dit eenzaamheidsreducerende effect bestaat opvallend vaak bij ouderen.

Maar bij anderen komt de activiteit op sociale media meer in de plaats van offline interacties en dat heeft een eenzaamheidsverhogend effect. Je hebt dan immers minder bevredigender en stimulerender interacties "in het echt", waardoor je je eenzamer gaat voelen.

Daar komt nog het tweerichtingsverkeer bij: niet alleen maakt sociale media-activiteit eenzamer, maar ook vergroot eenzaamheid het sociale mediagebruik. Degenen die al eenzaam zijn, trekken zich nog meer terug en gaan het internet op.

Al deze inzichten komen voort uit zogenaamd cross-sectioneel onderzoek, waarin mensen worden vergeleken die meer of juist minder actief zijn op de sociale media.

In het onderzoek van Jean Twenge waar het in Door sociale media grotere kans om je eenzaam en buitengesloten te voelen over ging, worden generaties vergeleken. En daaruit valt op te maken dat de generatie die is opgegroeid met internet en sociale media in vergelijking met de vorige generaties meer tijd doorbrengt met online interactie en minder met offline interacties. En zich daardoor meer eenzaam voelt en meer buitengesloten. Mezelf citerend:
Tussen 2000 en 2015 nam het aantal adolescenten dat bijna elke dag vrienden ontmoet met meer dan 40 procent af. Rondhangen met vrienden is sterk afgenomen. In plaats daarvan hangen ze meer rond op de sociale media.
En daarmee samenhangend nam de kans op symptomen van depressie en op zelfmoordgedachten toe. Ook weer in vergelijking met de vorige generaties.

Het zal dus zeker zo zijn dat er binnen deze generatie verschil is in de manier waarop de sociale media worden gebruikt. Sommigen zullen ze zo gebruiken dat ze er juist minder eenzaam door worden. Maar per saldo is de kans op eenzaamheid in vergelijking met de vorige generaties dus toegenomen.

donderdag 28 december 2017

Door sociale media grotere kans om je eenzaam en buitengesloten te voelen

Update. Een versie van dit bericht is nu ook als gastblog te lezen op Samen tegen eenzaamheid.
Twee vragen over het gebruik van sociale media kwamen in het vorige bericht niet aan de orde:
  • komt communicatie via de sociale media in de plaats van real life-ontmoetingen?
  • als dat zo is, heeft dat dan negatieve welzijnseffecten?
Antwoorden op die vragen komen naar voren uit het onderzoek van Jean Twenge, waarover ze verslag doet in The Atlantic: Have Smartphones Destroyed A Generation?

Jean Twenge doet al langer onderzoek naar verschillen tussen generaties. Eerder kwamen we haar tegen toen het ging om de toename van narcisme in de Verenigde Staten sinds de jaren 50 van de vorige eeuw. Nu gaat het over de generatie, die ze iGen noemt en die geboren is tussen 1995 en 2012. Het is de generatie die opgroeide met de smartphone, met een Instagram account nog voor ze naar het voortgezet onderwijs gingen en zonder herinnering aan een tijd van voor het internet.

En dit blijkt precies de generatie te zijn die meer tijd doorbrengt op sociale media en minder tijd besteedt aan real life ontmoetingen met vrienden buitenshuis. Tussen 2000 en 2015 nam het aantal adolescenten dat bijna elke dag vrienden ontmoet met meer dan 40 procent af. Rondhangen met vrienden is sterk afgenomen. In plaats daarvan hangen ze meer rond op de sociale media.

Bij de jongste generatie is het dus inderdaad zo dat tijdsbesteding aan sociale media, zoals in je eentje op je kamer op je bed liggen met je telefoon, in de plaats is gekomen van echte sociale activiteiten.

Het doet me denken aan de supernormale stimulus van Niko Tinbergen: dat grote, felgekleurde ei, waar de zeemeeuwen energiek op gingen zitten broeden in plaats van op hun echte eieren. Facebook, Snapchat, Instagram en al die sociale media als een overdreven, in het oog springend sociaal domein, dat verleidt en opslokt.

En heeft dat verleid worden en opgeslokt worden dan negatieve welzijnseffecten?

Nou, reken maar. Hoe meer tijd doorgebracht op Facebook, hoe ongelukkiger. Zonder aanwijzingen voor het omgekeerde verband: hoe ongelukkiger, hoe meer je op Facebook zit.

Bovendien zijn de adolescenten die elke dag op de sociale media actief zijn en minder vrienden in het echt ontmoeten, precies degenen die zich vaker eenzaam en buitengesloten voelen. En ze hebben een grotere kans op symptomen van depressie en op zelfmoordgedachten.

Een deel van de verklaring zou kunnen zijn dat je je meer buitengesloten gaat voelen hoe meer je voortdurend geïnformeerd wordt, via die sociale media, hoe leuk anderen het samen hebben. Want iedereen die iets leuks doet, maakt daar meteen digitaal gewag van. Twenge daarover:
For all their power to link kids day and night, social media also exacerbate the age-old teen concern about being left out. Today’s teens may go to fewer parties and spend less time together in person, but when they do congregate, they document their hangouts relentlessly—on Snapchat, Instagram, Facebook. Those not invited to come along are keenly aware of it. Accordingly, the number of teens who feel left out has reached all-time highs across age groups. Like the increase in loneliness, the upswing in feeling left out has been swift and significant.
En dat doet natuurlijk denken aan Over het sociale leven van anderen zijn we eenzijdig geïnformeerd. Daarom denken we dat anderen een rijker sociaal leven hebben.

woensdag 27 december 2017

Hoe een sociale diersoort sociale media uitvond en ging gebruiken - neem nu WhatsApp en WhatsApp-stress

Het internet heeft ons de sociale media opgeleverd. Zo zijn velen van ons lid geworden van een of meer WhatsApp-groepen. Waarom zijn we dat in zo grote getale gaan doen? Hoe worden we erdoor beïnvloed en hoe gaan we ermee om?

Toen ik die vragen gesteld kreeg, bedacht ik me dat je veel van het menselijk gedrag kunt begrijpen als dat van een sociale diersoort die verzeild is geraakt in een nieuwe omgeving. Een omgeving die afwijkt van de oorspronkelijke omgeving, waarin die diersoort is geëvolueerd en waaraan hij is aangepast. Die gedachte staat wel bekend als die van de evolutionaire mismatch theorie.

Mensen zijn geëvolueerd in en aangepast aan hun zogenaamde Omgeving van Evolutionaire Aangepastheid (de term is van de hechtingsonderzoeker John Bowlby), ruwweg de omstandigheden die bestonden in de lange periode dat mensen leefden als jagers-verzamelaars. De uitdagingen in die periode bestonden eruit dat je door samenwerken en delen moest zien te overleven.

Dat bleek te lukken, en wel zeer succesvol, in min of meer stabiele groepen waarin je elkaar persoonlijk kende. Met naburige groepen was van tijd tot tijd contact, al was het maar in het kader van de uithuwelijking. De relaties binnen en tussen de groepen waren gebaseerd op de voor die samenwerking en dat delen wenselijke vertrouwdheid.

Voor de individuele levensloop hield dat in dat je opgroeide en je leven doorbracht in een groep van vertrouwde anderen. Daarbinnen ontwikkelde iedereen de bijpassende sociale motivaties en vaardigheden. Het was nodig om voldoende vrijgevig, bescheiden en vriendelijk te zijn en om je voldoende in te spannen voor de anderen en het gezamenlijke welzijn. Denk even aan Persoonlijkheid en maatschappij: de Big Five en de Big Two.

Tegen die achtergrond is het niet verwonderlijk dat in onze huidige maatschappij de sociale media en in het bijzonder die WhatsApp-groepen werden bedacht en zo snel populair werden.
Ik schreef daarover in 2004, toen de sociale media nog minder ver ontwikkeld waren, maar die ontwikkeling zich al wel aandiende: Community and Human Social Nature in Contemporary Society: Opportunities and Restrictions for Online Cooperation.
De naam WhatsApp is een samentrekking van 'What's up' (Hoe is het? en Wat is er?) en 'Application'. Wij hebben nu veel minder altijd die groep van vertrouwde anderen om ons heen. Familie en vrienden zijn over de ruimte verspreid en we ontmoeten elkaar niet dagelijks en niet als vanzelf. Een sociaal leven is niet vanzelfsprekend en moet altijd georganiseerd worden.

Vandaar dat we als we elkaar dan toch ontmoeten, altijd eerst vragen "hoe het gaat". We proberen de ontbrekende gezamenlijke tijd zo gauw mogelijk weer in te vullen. De vertrouwdheid dient steeds opnieuw te worden hersteld. Eigenlijk verlangen we, onbewust, naar die gezamenlijke, continue geschiedenis van weleer.

Aan die behoefte aan vertrouwde sociale contacten komt onze huidige manier van leven altijd maar beperkt tegemoet. We verkeren ook veel onder vluchtige contacten en die geven ons minder een goed gevoel dan de vertrouwde contacten.

Vandaar dat bijna iedereen graag meer (vertrouwde) sociale contacten zou willen. Want hoe meer contact met familie, vrienden en buren, hoe gelukkiger. En vandaar dat we niet graag alleen zijn en dat we eenzaamheid erkennen als een belangrijk maatschappelijk probleem.

De vraag is dan natuurlijk in hoeverre de sociale media ons nu echt behulpzaam zijn in ons sociale leven. Eerder onderzoek wees uit dat tijdsbesteding op sociale media, in tegenstelling tot tijdsbesteding aan face-to-face contacten, niet gelukkiger maakt. Maar onderzoek naar de effecten van WhatsApp-groepen heb ik nog niet onder ogen gehad.

Wat me wel opvalt is dat de populariteit ervan samen gaat met negatieve berichten van gebruikers. Die gaan niet alleen over de vraag naar de veiligheid ervan, maar ook over de "sociale druk" die ervan uit kan gaan. Je hebt je telefoon eigenlijk altijd bij je en op elk moment kan er een berichtje binnenkomen. Dat maakt nieuwsgierig, waardoor je gaat kijken en de ander kan zien dat je hebt gekeken. En dus hoopt hij of zij op een reactie. Omdat iedereen, ook jijzelf, zo nu en dan de behoefte voelt om iets van zich te laten horen, kan dat dus de hele dag doorgaan. Hoe ga je daar mee om, is een veel gestelde vraag. Hoe voorkom je "WhatsApp-stress"?

Misschien hangt die stress ermee samen dat het medium nog nieuw is en dat we nog moeten leren hoe het in ons dagelijks leven in te passen.

In ieder geval zou het kunnen helpen om je te realiseren dat die sociale druk niet alleen door de anderen op jou wordt uitgeoefend, maar dat jij omgekeerd hetzelfde doet. Net zo als in het echte sociale leven is het goed om wat tolerant te zijn voor elkaar. Net als de anderen, heb jij ook zelf wel eens behoefte aan belangstelling en aandacht. Een zekere mate van "druk" hoort er dus bij. Is nu eenmaal een onderdeel van dat sociale leven dat we nodig hebben en dat ons gelukkiger maakt. Misschien moeten we dus weer leren om er voldoende tijd en aandacht voor te hebben.

Maar aan de andere kant is het ook een onderdeel van datzelfde sociale leven om elkaar zo nu en dan te corrigeren. Als iemand teveel aandacht opeist, dan kunnen we dat laten weten. Dat kan, net zo als in het echte sociale leven, een subtiele feedback zijn. Wat langer laten wachten op een reactie of zelfs niet reageren. Of een grapje als "nou kan ie wel weer".

Misschien is die WhatsApp-stress dezelfde sociale stress die we so wie so al kennen. Onze sociale contacten zijn nu eenmaal minder vanzelfsprekend en vertrouwd dan ze in het verleden waren. Zo heel goed weten we vaak niet wie onze echte vrienden zijn. Daardoor zijn we wel eens bang of we "er nog wel bij horen". En menen we al gauw signalen van sociale afwijzing te bespeuren. Waardoor we sneller die sociale druk ervaren. Toch maar snel reageren, anders zien ze mij over het hoofd.

Maar dat is dus "gewoon" de sociale stress die we toch al hadden. Ook zonder WhatsApp.

zaterdag 2 december 2017

Spannende tijden voor de democratie

Spannende tijden voor de democratie. Spannender dan je zou wensen. Simon-Wren Lewis wijdt er vandaag een dringende beschouwing aan over de ontwikkelingen in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. Waar het Grote Geld rechtstreeks en via de opgekochte media de politiek naar zijjn hand zet: If we treat plutocracy as democracy, democracy dies. Lezen alsjeblieft.

De grote vraag is of de democratie tegen deze plutocratische en rechts-extremistische aanvallen bestand is. Of in Groot-Brittannië de Labour-partij de tegenstand weet te mobiliseren. En of in de V.S. de scheiding der machten sterk genoeg zal blijken te zijn om de speciale aanklager Robert Mueller zijn werk te laten afmaken. En of de Democraten voldoende in staat zijn om zichzelf van het Grote Geld te bevrijden en de tegenstand te mobiliseren.

Maar ook in Europa is het spannend. Ja, wat valt daarover nog meer te zeggen dan ik al in al mijn berichten over de eurocrisis heb gedaan? Het laatste bericht was van eind september met als veelzeggende titel: Sekte-achtig beleid in de eurozone door een democratische tekort.

dinsdag 31 oktober 2017

Kan het kapitalisme de democratie in stand houden?

De democratische nationale staat leek na de Tweede Wereldoorlog een verworvenheid die niet meer in gevaar zou komen.

Maar wat zich nu in de Verenigde Staten afspeelt, zet je aan het denken. Of zich daar de scheiding der machten, met name die tussen de uitvoerende en de rechterlijke macht, zal weten te handhaven, zal moeten blijken, misschien binnen een paar dagen.

Maar ook in Europa is het spannend. Zal de eurozone zich in democratische richting ontwikkelen? Zie Sekte-achtig beleid in de eurozone door een democratische tekort. Zal de democratie zich kunnen handhaven in de landen met opkomend rechts-extremisme? Hoe gaat het verder in Hongarije en in Polen?

De grote vraag lijkt te zijn of het economische systeem van het kapitalisme de democratie in stand kan houden. In 2011 noemde Kenneth Rogoff (Is Modern Capitalism Sustainable?) een rijtje van vijf problemen die het kapitalisme zou moeten oplossen om zich te kunnen handhaven: publieke goederen, ongelijkheid, gezondheidszorg, toekomstige generaties en het financiële stelsel. Het leek mij toen dat het handhaven van de democratie daar als zesde probleem aan moest worden toegevoegd: Het zesde probleem dat het kapitalisme moet oplossen: de democratie.

De ontwikkelingen sinds 2011 lijken dat inzicht alleen maar urgenter te hebben gemaakt.

Als we er even van uitgaan dat kapitalisme en democratie uiteindelijk verenigbaar met elkaar zullen blijken te zijn, wat zijn dan de grote gevaren die we het hoofd moeten bieden?

Wat zich aan mij opdringt, is dat het gaat om twee gevaren, die met elkaar samenhangen: dat van de ongelijkheid en dat van de media.

De sterk toegenomen ongelijkheid in de meeste kapitalistische landen heeft een reeks van negatieve gevolgen, die samen een zichzelf versterkend en onomkeerbaar proces in werking lijken te zetten. Waardoor een correctie via democratische weg sterk wordt bemoeilijkt en een opeenvolging van dictatoriale stelsels afgewisseld door revoluties waarschijnlijker wordt. Zie Loopt het kapitalisme op zijn laatste benen? Economische, maar ook sociaalwetenschappelijke inzichten.

Daarmee hangt het tweede probleem samen. Bij extreme ongelijkheid is de kans groot dat de rijke bovenlaag de democratie kaapt door zich meester te maken van de media. Democratie heeft media nodig die in dienst staan van de democratie. Een volk dat niet voldoende en onpartijdig geïnformeerd is, kan niet over zijn eigen lot beslissen. Maar als de media (ook de sociale media!) in de greep zijn van het grote geld, dan is er geen garantie dat aan die voorwaarde is voldaan. Lees nog eens In een democratie kun je de nieuwsvoorziening niet zomaar aan de markt, en dus aan het grote geld, overlaten en Door slechte media hebben we slecht geïnformeerde kiezers die slecht geïnformeerde leiders kiezen.

Hoe zich dat de komende jaren (maanden?, weken?, dagen?) zal ontwikkelen, wie zal het zeggen?

dinsdag 17 oktober 2017

In een democratie kun je de nieuwsvoorziening niet zomaar aan de markt, en dus aan het grote geld, overlaten.

We kunnen er niet om heen: het functioneren van een democratie is sterk afhankelijk van de kwaliteit van de media. Dat blijkt te gelden voor sociale media, nu we steeds meer aanwijzingen krijgen voor Russische inmenging via Facebook in de Amerikaanse verkiezingen ten nadele van Hilary Clinton en ten gunste van Donald Trump.

Maar het geldt ook voor de massamedia, dus voor televisie, radio en kranten. Zie het bericht Door slechte media hebben we slecht geïnformeerde kiezers die slecht geïnformeerde leiders kiezen.

Eerder dit jaar was er ook het onderzoek Bias in Cable News: Persuasion and Polarization, dat een inschatting maakt van de invloed van Fox News Channel op het stemgedrag van de Amerikanen. Fox is, sinds 1996,  het televisienetwerk van de mediamagnaat Rupert Murdoch, die de Republikeinse partij openlijk ondersteunt.

De onderzoekers voerden een inhoudsanalyse uit van de nieuwsprogramma's van Fox (en van CNN en MSBNC) en komen inderdaad tot de conclusie dat het "nieuws" van Fox eenzijdig en partijdig is, dat wil zeggen sterk in het voordeel van de Republikeinse partij en van Donald Trump gebracht wordt.

En dat blijkt het verwachte en door Murdoch gewilde effect te hebben gehad. Het kijken naar Fox heeft in toenemende mate bijgedragen aan het percentage Republikeinse kiezers, van 0.46 procentpunt in 2000 tot 6.34 procentpunt in 2008.

Die invloed zal er zeker ook geweest zijn op de verkiezing van Donald Trump. Denk aan de banden die Trump en Murdoch onderhouden: Donald Trump en Rupert Murdoch: Inside the Billionaire Bromance.

In een democratie kun je de nieuwsvoorziening niet zomaar aan de markt, en dus aan het grote geld, overlaten.
Update. Lees nu ook het verslag van Justin Peters op Slate, die de moeite nam om drie weken lang nonstop naar Fox te kijken: What I Learned From Three Weeks Watching Fox News Nonstop. Een citaat:
Fox News exists to repudiate expertise. The network is forever differentiating between authentic opinion and inauthentic opinion. Authentic opinion is felt, whereas inauthentic opinion is derived. Authentic opinion is a product of lived experience, preferably lived by leathery military men. Inauthentic opinions are expressed by needle-nosed nerds who have read some books.

dinsdag 18 april 2017

Door slechte media hebben we slecht geïnformeerde kiezers die slecht geïnformeerde leiders kiezen

De Verenigde Staten hebben met Donald Trump een president aan de macht die om verschillende redenen voor dat ambt ongeschikt is. In ieder geval een van die redenen is dat hij meestal niet weet waarover hij praat. Hij voerde campagne met een eenvoudig wereldbeeld, door Matthew Yglesias (Donald Trump’s big problem is he doesn’t know what he’s talking about) omschreven als
Trump’s basic worldview, as articulated on the campaign trail, was that all the major dilemmas of American public policy had easy solutions. The reason the problems had not been solved already was that America’s political leaders were too stupid, too corrupt, or too “politically correct” to solve them.
This is a reasonably widespread view of things among the mass public, but as Trump has been discovering since taking office, it’s not true.
Nu hij in de positie terecht is gekomen waarin hij niet kan volstaan met praten en tweeten, ontdekt hij dat de wereld anders en ingewikkelder in elkaar zit. Yglesias noemt drie in het oog springende voorbeelden van zulke ontdekkingen:
Als hij wat minder onsympathiek was geweest, zou je de naïviteit, die maakt dat hij meestal het standpunt inneemt van zijn laatste gesprekspartner, nog wel ontwapenend kunnen vinden.

Maar hoe dan ook, het is natuurlijk verbijsterend dat iemand die zo overduidelijk van niets weet door kiezers in het zadel kan worden gehesen.

Toch is dat verschijnsel niet uniek. Want ook in Europa, en dus ook in Nederland, hebben we leiders aan de macht die slecht geïnformeerd zijn over hoe je op een economische crisis moet reageren en over hoe je een muntunie moet organiseren. Vandaar dat ik verzuchtte dat we in Europa een sekte aan de macht hebben: Als je door een sekte geregeerd wordt, dan loopt dat niet goed af.

En in Groot-Brittannië hebben slecht geïnformeerde kiezers een regering aan de macht gebracht die met Brexit een beleid uitvoert dat niet kan waarmaken wat de Brexiteers beloofden en dat slecht voor het land zal uitpakken.

Als je bedenkt dat slecht geïnformeerde leiders zijn gekozen door slecht geïnformeerde kiezers, dan vraag je je af hoe het komt dat kiezers zo slecht geïnformeerd zijn.

En dan kom je onvermijdelijk terecht bij de rol van de media. Wat zich dan wel erg opdringt, is dat die hun werk slecht doen. De Brits-Amerikaanse journalist Harold Evans heeft het daarover in het interview dat vorige week verscheen: ‘Slechte journalisten hebben Trump groot gemaakt’:
Harold Evans wil op een warme lentemiddag praten over de beroerde staat van zijn vak. Slechte journalistiek, zegt hij, heeft Donald Trump groot gemaakt. Slechte journalistiek heeft de Brexit in gang gezet. „It stinks. De Angelsaksische journalistiek is gecorrumpeerd door geld en machtshonger. De pers dient een politiek doel, of het commerciële belang van de eigenaren. Het publieke belang is ondergeschikt gemaakt. Ik heb het zelf zien veranderen. Ik ben geen journalist geworden om rijk te worden.”
In dezelfde richting beklaagt de Engelse macro-econoom Simon Wren-Lewis zich al langer over de Britse media, de tabloids en de BBC. Hier lees je de laatste aflevering: When journalism becomes propaganda.

En, o ja, lees vooral ook Jesse Frederik over de "de alternatieve werkelijkheid waarin Nederlandse politici en journalisten zijn terechtgekomen" waarin Jeroen Dijsselbloem als de redder (in plaats van als de slager) van Griekenland wordt beschouwd: Als je nog steeds denkt dat Jeroen Dijsselbloem Griekenland heeft geholpen, lees dan dit.

Nu is het klagen over de media van alle tijden, maar misschien is er nu toch meer aan de hand. Want het is onderdeel van de neoliberale golf waarin we zijn terechtgekomen om te denken dat je de media kunt overlaten aan de commercie. De markt is overal goed voor en zal er dus ook wel voor zorgen dat de burgers goed worden geïnformeerd over het publieke domein.

Dat is een ernstige misvatting. Media overlaten aan de markt heeft in feite betekend dat de mediamagnaten het heft in handen hebben genomen. En die hebben hun eigen belangen.

En zijn zo machtig geworden dat ze niet alleen de berichtgeving en de politieke commentaren naar hun hand zetten, maar ook rechtstreeks de politici beïnvloeden.

En nog los daarvan, heeft de commercialisering van de media in de hand gewerkt dat er een omvangrijke amusementsindustrie kon ontstaan. Een bijkomend effect daarvan is dat de indruk wordt gewekt dat het ook helemaal niet nodig is om je goed te informeren. Wat weer de ruimte creëerde voor de populist die gemakkelijke oplossingen aandraagt en die de verpersoonlijking is van dat amusement en van de alternatieve feiten.

Aanwijzingen voor de invloed van amusementstelevisie op populistisch stemgedrag komen naar voren uit onderzoek waarover hier gerapporteerd wordt: People who watch entertainment TV are more likely to vote for populist politicians.
Update. Slechte geïnformeerdheid verhoogt niet alleen de kans op slecht geïnformeerde leiders maar meer in het algemeen ook de kans op sociale zeepbellen. Zie Sociale zeepbellen in economie en politiek.