Posts tonen met het label belichaming. Alle posts tonen
Posts tonen met het label belichaming. Alle posts tonen

dinsdag 14 december 2021

Over body-mind therapieën als individuele oplossingen voor individuele problemen - En over een collectieve oplossing

Onze toestanden van voorbereid zijn op wat we in de omgeving tegenkomen bestaan uit zowel "lichaam" als "geest". Payne en Crane-Godreau vatten dit inzicht samen in het plaatje waarin de vijf elementen van zo'n toestand en hun onderlinge relaties worden afgebeeld. 

Denk bij "lichaam" aan lichaamshouding en aan alle lichaamsorganen en - functies die door de zwerfzenuw (nervus vagus) met elkaar zijn verbonden. En bij "geest" aan aandacht, alertheid, verwachtingen, impliciete herinneringen en emoties, die bewust kunnen zijn, maar dat (heel) vaak niet zijn.

Precies dat laatste slaat op de problemen die ontstaan als onze toestand van voorbereid zijn niet goed past bij de omgevingsuitdagingen waar we voor staan. 

Over die grens tussen waar we ons niet bewust van zijn en waar we ons bewust van (kunnen) worden en over waar in de evolutie die grens werd gepasseerd, ben ik nu The Deep History of Ourselves. The Four-Billion Year Story of How We Got Conscious Brains van Joseph LeDoux aan het lezen. Kom ik een keer op terug.

De oplossing voor zulke problemen ligt voor de hand: probeer je bewust te worden van je onbewuste toestand vaan voorbereid zijn, zodat je die toestand kunt veranderen. Eenvoudig gezegd, maar niet gemakkelijk gedaan. Payne en Crane-Godreau daarover:

The PS perspective suggests that re-appraisal occurring only on a verbal/conceptual level is less likely to alter the PS, and thus the stress response; but altered subcortical expectations may be more effective. This suggests that attention to interoceptive and proprioceptive experience may be more effective in handling stress than attention to ideas and thoughts alone, because bodily experience enables more direct access to the PS.
 
Bedenk weer dat PS staat voor Preparatory State, dat ik vertaal met toestand van voorbereid zijn.
 
Door die innige verstrengeling van "lichaam" en "geest" is het meestal niet voldoende om je verbaal/cognitief te realiseren wat jouw toestand van voorbereid zijn inhoudt. Stel je bent er onbewust sterk op ingesteld dat de wereld onveilig is en dat je niemand kunt vertrouwen. Je ziet overal gevaar, terwijl dat er vaak helemaal niet is. 
 
Je kunt dan wel zo ver komen dat je cognitief inziet dat het met die onveiligheid wel meevalt. Daar probeer je dan jezelf van te overtuigen. Maar dat wil nog niet zeggen dat dan je "lichaam" daar mee akkoord is. Je kruipt toch in elkaar, je houdt toch je adem in en je voelt toch angst. Terwijl je dat alles bewust niet wilt.

Je moet dus meer doen. En de therapieën die Payne en Crane-Godreau aanduiden als de body-mind therapeutic and educational systems (BTES) zijn bedoeld om daarbij te helpen. Dat ze daartoe in staat zijn, doet het vele onderzoek vermoeden naar de mogelijkheden om je bewust te worden van wat je met je lichaam doet en van wat er zich in je lichaam afspeelt. Ik citeer maar even een hele alinea met verwijzingen naar dat onderzoek:
 
Damasio's theory of somatic markers (Damasio et al., 1996; Damasio and Carvalho, 2013) emphasizes the important role of interoceptive awareness in becoming aware of one's inner state. Interoception enables one to become aware of the (autonomic) state of the body, and is strongly related to emotional response and affective and visceral aspects of the PS. Craig and Critchley (Critchley et al., 2004; Hölzl et al., 2009; Garfinkel et al., 2013; Sel, 2014), as well as earlier researchers (Newman, 1974; Mogenson et al., 1980), have suggested the neural pathways for this mechanism. The anterior insula and anterior cingulate cortex are where this information reaches full awareness. Proprioceptive and kinesthetic information likewise bring to consciousness other essential aspects of the PS including posture, muscle tone, and movement preparation (Suetterlin and Sayer, 2013). The cortex receives this information in the sensorimotor, pre-motor and supplementary motor cortexes (Gellhorn, 1964; Prochazka, 2011) as well as in the body schema area in the inferior parietal and extra-striate body area (Arzy et al., 2006; Daprati et al., 2010; Ionta et al., 2011). Proprioceptive and kinesthetic feedback bring information from the basic and EMS (Holstege et al., 1996), and thus can inform the conscious mind about unintended automatic or emotionally driven motion, bringing information about current PS.

En op grond van dat bewustwordingsproces is vervolgens verandering mogelijk. Namelijk door bewust "in te grijpen" in een of meer van die vijf elementen van de toestand van voorbereid zijn. Zoals door verbeelding ( van lichaamshouding, intern functioneren en van emoties), door lichaamshoudingen en -beweging, door ademhalingsoefeningen, door aandachtsoefeningen en door het bijstellen van oordelen en verwachtingen. 

Ook daar is weer onderzoek dat erop wijst dat zulke "ingrepen" succesvol kunnen zijn:

... there is evidence for the effectiveness of each of these in altering stress responses. We suggest that the anterior cingulate (ACC) and the premotor cortex (PMC), as well as portions of the orbito-frontal cortex (OFC), are the principal originations of these actions. It has already been shown that ACC has significant effects on amygdala (Posner et al., 2007) and other subcortical autonomic, affective and motor areas (Critchley et al., 2005), as well being involved with acts of intention (Shenhav et al., 2013). PMC has rich connections to subcortical motor centers, alters posture, muscle tone and autonomic state (Jeannerod, 1994; Desmurget and Sirigu, 2009). OFC likewise has extensive connections to subcortical areas and is central to several executive networks (Price, 2007)}. It has been shown that both motor (Collet and Guillot, 2010; Anema and Dijkerman, 2013) and affective (Lang, 1979) imagery can alter subcortical activity.
 
Payne en Crane-Godreau bespreken verschillende therapieën die met het voorgaande overeenkomen en die ze in drie hoofdgroepen onderscheiden:
  • Moderne vormen van oude Aziatische psychofysieke oefeingen (Qigong, yoga en meditatie)
  • Twintigste eeuwse Westerse somatische technieken (Alexander Technique, Feldenkrais Methode, Continuum en Rolfing)
  • Westerse vormen van "lichaamspsychotherapie": Bioenergetica, Formative Psychology en Levine's Somatic Experiencing trauma therapy.
Er zullen onder de lezers van dit blog vast mensen zijn die met een of meer van deze therapieën bekend zijn. Want problemen met die toestanden van voorbereid zijn  komen natuurlijk veel voor. Psychische aandoeningen zijn wijdverbreid en hebben onveiligheidsgevoelens gemeenschappelijk. Zie Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 1 en de daaropvolgende berichten. 
 
Ik heb zelf ervaring met de formatieve psychologie van Stanley Keleman. Dat gaat letterlijk over lichaamsvormen, houdingen, die we hebben overgehouden aan onze vroege jeugd en waarin we "vast zijn komen te zitten". In de therapie oefen je met die vormen door ze minder en juist (nog) meer "te doen" en zo te leren om ze bewust te controleren en los te laten. En je daarmee zelf nieuwe vormen te geven. Ik heb daar veel van geleerd.

Maar dit alles gaat over individuele oplossingen voor individuele problemen. Dat wij in ons opgroeien toestanden van voorbereid zijn aanleren die vaak niet goed passen bij de omgevingsuitdagingen in ons (jong-)volwassen leven, heeft natuurlijk ook te maken met de aard van onze opgroei-omgeving en met de aard van die uitdagingen. Die verschillen nogal van de sociale omgeving waarin onze morele gemeenschapsintuïties werden gevormd. 
 
Dat wijst op het bestaan van een collectief, maatschappelijk, probleem. Het probleem namelijk dat we beter zouden gedijen in een maatschappij die meer tegemoetkomt aan onze morele gemeenschapsintuïties, met minder stress van statuscompetitie en eenzaamheid. Een maatschappij dus die meer het gemeenschapsevenwicht benadert en verder verwijderd is van het statuscompetitie-evenwicht. Ik verwijs maar weer eens naar Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

dinsdag 2 juli 2019

De belichaming van de innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur - Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? - deel 13

Update. Zie nu ook het bericht Empirische ondersteuning voor de Moral Politics Theory van George Lakoff - Over de moraliteit van de zorgzaamheid en de moraliteit van-de-strenge-vader voor meer ondersteuning voor de eerste stelling van de Dual mode-theorie.
In deel 1 van deze reeks berichten ging het erover dat het voor een maatschappelijk belangrijker vak sociologie nodig is dat het vak zich baseert op empirisch gefundeerde inzichten in wat mensen op sociaal vlak kunnen en willen. Op inzichten dus in de aard van de menselijke sociale natuur. (Zie hier het vorige bericht in deze reeks.)

Zulke inzichten zijn aanwezig en liggen voor het oprapen. Ik vatte ze samen in de drie stellingen van de Dual Mode-theorie. De eerste twee vind je in deel 1 en de derde in deel 2.

Volgens de eerste stelling is de menselijke sociale natuur innerlijk tegenstrijdig: er zijn twee gedragspatronen die mensen gemakkelijk aanleren en uitvoeren, gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag, en elk van die twee is slechts uitvoerbaar als de andere wordt onderdrukt.

Ik verwees al naar de evolutionaire achtergrond van dat inzicht en de overlapping met de empirisch onderbouwde life history theory. En ik noemde de aanwijzingen die voortvloeien uit het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar sociale gedragspatronen (relational models).

Maar er is meer te melden over de empirische onderbouwing van die eerste stelling (en indirect over de tweede). Ik realiseerde me dat toen ik de aankondiging zag van de Nederlandse vertaling van
The Polyvagal Theory. Neurophysiological Foundations of Emotions, Attachment, Communication, and Self-Regulation van Stephen W. Porges (De polyvagaaltheorie. De neurofysiologische basis van emoties, gehechtheid, communicatie en zelfregulatie). Verschijnt oktober 2019.
Update. In vertaling is nu verschenen: Stephen W. Porges, De Polyvagaaltheorie en de transformerende ervaring van veiligheid. Traumabehandeling, sociale betrokkenheid en gehechtheid. 
Die polyvagaaltheorie kwam op dit blog al eens indirect aan de orde, namelijk in het bericht De belichaming van pro-sociaal gedrag - En wat we daarvan kunnen leren. Maar dat dateert al weer van 2014 en was mij even ontschoten.

Hoe dan ook, ik sloeg er nog eens het hoofdstuk Neurobiology and the Evolution of Mammalian Social Behavior op na, dat Porges samen met C. Sue Carter schreef voor het boek Evolution, Early Experience and Human Development. Daarin vind je een beknopte omschrijving van de empirisch onderbouwde inzichten van die polyvagaaltheorie. Een uitgebreide samenvatting geeft Porges in The polyvagal perspective. 

Waar het mij nu om gaat, kan ultrakort worden samengevat in het volgende plaatje:


Je ziet drie neurale circuits en bijbehorende gedragspatronen afgebeeld (I, II en III), die hiërarchisch zijn georganiseerd. 

Circuit I is fylogenetisch het oudste, dus in de evolutie het vroegst ontstaan, en wordt aangestuurd door het onderste (beneden het middenrif) gedeelte van het parasympathische zenuwstelsel (de nervus vagus of zwerfzenuw). 
De zwerfzenuw ontspringt uit de hersenen en vertakt zich naar het hoofd (o.a. strottenhoofd en stembanden) en naar de ingewanden van de borst- en buikholte. Het is de belangrijkste parasympathische zenuw van het autonome zenuwstelsel (ANS).
Het bijbehorende gedragspatroon is dat van de immobilisering, het bevriezen, als reactie op dreigend gevaar.

Circuit II is dat van de sympathische vechten-of-vluchten reactie op gevaar en komt overeen met het statuscompetitiepatroon. Het is fylogenetisch recenter en kan pas in werking komen als circuit I wordt onderdrukt.

Circuit III is dat van het nieuwste, parasympathisch hogere (boven het middenrif), patroon, dat rust en herstel mogelijk maakt en daardoor ook communicatie en pro-sociaal gedrag. Het komt overeen met gemeenschapsgedrag en kan ook weer pas in werking komen als circuit II, de statuscompetitie, wordt onderdrukt.

Het gemeenschapspatroon en het statuscompetitiepatroon komen dus overeen met twee van de drie neurale circuits. De vraag die nu even blijft staan is of er goede redenen zijn om apart ruimte te maken voor circuit 1. Update. Op die vraag kom ik natuurlijk nog een keer terug.)

Ter verdere toelichting een citaat van Carter en Porges (p. 142-143):
The newest circuit is the branch of the parasympathetic nervous system that coordinates activity in the face and head, permitting social communication. This newer circuit is used first in response to challenges to the organism. If th enewest circuit fails to provide safety, older survival-oriented circuits are recruited sequentially, with the defensive fight-or-flight response preceding the use of an immobilization response. It is important to note that social behavior, social communication, and visceral homeostasis, as promoted by the newest circuit, are largely incompatible with neurophysiological states and behaviors that are regulated by circuits that support the defense strategies of both "flight and fight" and immoblization. Inhibition of systems that are in general defesive or protective is necessary to initiate social engagement and to allow positive social behaviors. Conversely, positive social behaviors may be inhibited during prolonged periods of adversity. However, systems that support sociality, because they are intertwined with restorative physiological states, also may be protective against the destructive effects of chronic fear or stress.
Met in de laatste zin meteen een verklaring voor de positieve gezondheidseffecten van gemeenschapsgedrag!
Ik zie net dat de polyvagaaltheorie toch ook al wel in een sociologietijdschrift aan de orde is gekomen. Zie On the Elementary Neural Forms of Micro-Interactional Rituals: Integrating Autonomic Nervous System Functioning Into Interaction Ritual Theory uit 2016.

woensdag 3 december 2014

De belichaming van pro-sociaal gedrag - En wat we daarvan kunnen leren

Als je over anderen bezorgd bent en hen te hulp schiet, dan gebeurt er niet alleen iets in je hoofd, maar ook in een groot deel van je lichaam. Anders gezegd, pro-sociaal gedrag is belichaamd. Hoe zit dat dan in elkaar?

De studie Vagal Activity Is Quadratically Related to Prosocial Traits, Prosocial Emotions, and Observer Perceptions of Prosociality leert ons dat pro-sociaal gedrag te maken heeft met de activiteit van de nervus vagus, ook wel de zwerfzenuw genoemd. Die zenuw ontspringt uit de hersenen en vertakt zich naar het hoofd (o.a. strottenhoofd en stembanden) en naar de ingewanden van de borst- en buikholte. Het is de belangrijkste parasympathische zenuw van het autonome zenuwstelsel (zie Wikipedia).

De activiteit van die zenuw kun je afmeten aan de hartslag en de hartslagvariabiliteit. Als je hartslag lager is en de variabiliteit hoger, dan is je nervus vagus gematigd geactiveerd. Je bent dan in een toestand die je als veilig ervaart, ook wel aangeduid met rest and digest. Je bent kalm en rustig en je autonome zenuwstelsel kan zijn gewone werk doen, zoals spijsvertering. Het tegengestelde van paniek (fight of flight), zou je kunnen zeggen.

Dat betekent dat je in die toestand goed in staat bent om je emoties te reguleren en dus om adequaat te reageren op een stressvolle gebeurtenis. Bovendien worden je stembanden, je ogen en oren en je gezichtsspieren zo gereguleerd dat je gemakkelijker sociaal communiceert en emotioneel betrokken bent bij anderen.

Let wel, dat geldt voor een gematigd verhoogde activering van die nervus vagus. Een sterk verlaagde activering gaat samen met depressie, angststoornis en posttraumatische stress. En een te sterk verhoogde activiteit betekent dat je een manische periode doormaakt.

Maar precies die toestand van gematigde activering blijkt nu de toestand te zijn waarin je gemakkelijk anderen te hulp schiet. Waarin pro-sociaal gedrag wordt bevorderd. Anders gezegd, als uit hartslagmetingen die gematigde activering blijkt, dan is de kans groot dat je met iemand te maken hebt die hulpvaardig is en zich betrokken voelt bij anderen. In termen van persoonlijkheid: een aardiger persoon (agreeableness). Die bovendien meer compassie voelt voor anderen en gevoelens van dankbaarheid koestert.

Als pro-sociaal gedrag op deze wijze belichaamd is, valt dat dan ook door anderen waar te nemen?

En ja, dat blijkt het geval te zijn. De onderzoekers lieten beoordelaars videoclips zien van personen die face-to-face naar iemand luisterden die vertelde over een emotioneel pijnlijke ervaring. Zonder geluid, om het effect van de inhoud van het verhaal uit te schakelen. De beoordelaars keken dus naar de toehoorder. De clips duurden slechts 20 seconden. Vlak voor dat de clips waren opgenomen, was er een hartslagmeting gedaan bij degenen die naar het verhaal luisterden.

De beoordelaars, die uiteraard niet van de uitslag van die hartslagmetingen op de hoogte waren, moesten de personen beoordelen op hoe betrouwbaar (trustworthy), mededogend (compassionate) en aardig (kind) ze de persoon vonden. Die drie oordelen hingen sterk samen en werden gebruikt als maat voor pro-socialiteit. Het bleek toen dat het verband tussen de hartslagmeting en de waargenomen pro-socialiteit zoals verwacht curvilineair was. Degenen met een gematigd verhoogde activiteit van de nervus vagus werden als pro-socialer beoordeeld dan degenen met een verlaagde of sterk verhoogde activiteit. De lichamelijkheid "zorgde er voor" dat de mate van pro-socialiteit binnen 20 seconden kon worden afgelezen.

Al met al dus sterke aanwijzingen dat pro-sociaal gedrag belichaamd is. En het blijkt dus precies die lichamelijke toestand te zijn die optreedt in omstandigheden van veiligheid, waarin mensen pro-sociaal zijn. Je hebt dan een evenwicht tussen aan de ene kant het meeleven met de pijn van de ander (empathie) en aan de andere kant het vermogen om de eigen negatieve gevoelens die je daardoor hebt, goed te reguleren.

Waardoor je niet door negatieve emoties overmand wordt en vooral met je zelf bezig bent. Waardoor je bijvoorbeeld zou besluiten om je van het lijden van de ander af te sluiten. In de trant van "Ik kan het niet langer aanzien". Nee, je bent in staat om die emoties om te zetten in een pro-sociale reactie: je schiet te hulp en/of je biedt troost.

En eigenlijk leren we daarvan hoe het kan dat pro-sociaal gedrag pro-sociaal gedrag uitlokt.

Want dat wisten we: hoe meer pro-sociaal gedrag mensen in hun omgeving meemaken, hoe groter de kans dat ze zichzelf ook pro-sociaal gaan gedragen. Denk nog even terug aan de Dual Mode-theorie, die ik voor het eerst hier besprak. Mensen zijn in staat tot gemeenschapsgedrag (pro-sociaal) of tot statuscompetitiegedrag en "kiezen" voor dat gedrag dat in hun sociale omgeving het meest voorkomt.

En wat is het geval? Hoe meer jij omgeven bent door anderen die zich pro-sociaal gedragen, hoe veiliger die omgeving voor jou is. En dat gevoel van veiligheid is een belichaamd gevoel, een lichamelijke toestand dus die gemakkelijk tot pro-sociaal gedrag leidt.

Pro-sociaal gedrag creëert veiligheid voor anderen, waardoor ook die anderen zich pro-sociaal gaan gedragen.