Posts tonen met het label Stephen W. Porges. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Stephen W. Porges. Alle posts tonen

vrijdag 9 september 2022

Over de biologievrije sociale wetenschap. En over Charles Darwin, de Polyvagaaltheorie en het werk van Bessel van der Kolk.

De sociologie, en algemener de sociale wetenschappen, hebben zich grotendeels ontwikkeld zonder voort te bouwen op inzichten uit de biologie en dus op het gegeven dat menselijk gedrag op basaal niveau sterk overeenkomt met dat van andere organismen, in het bijzonder met dat van zoogdieren. Anders gezegd, zonder zich er systematisch rekenschap van te geven hoe sterk het menselijk gedrag wordt beïnvloed door het autonome zenuwstelsel, dat we delen met andere zoogdieren. Natuurlijk zijn er specifiek menselijke aspecten van ons gedrag (taal, cultuur, wetenschap), maar het lijkt bij voorbaat geen goed idee om je als sociale wetenschap daartoe te beperken. 

Die ontwikkeling heeft ertoe geleid dat vele generaties onderzoekers zijn opgeleid en gesocialiseerd in een biologievrije sociale wetenschap. En normaal zijn gaan vinden wat eigenlijk al op het eerste gezicht eigenaardig is. Toch zijn er al wel pleidooien geweest om die normale toestand te doorbreken. Zo hielden Rudi Wielers in 1999 zo'n pleidooi: Sociale wetenschappen in ontwikkeling. Waarom sociologen zich moeten openstellen voor de biologie.

Wat er zich meteen aan je voordoet als je wel oog hebt voor dat basale niveau van het menselijke gedrag is het grote gewicht van het verkeren in een toestand van veiligheid dan wel onveiligheid. Zoals alle organismen is de mens het product van een evolutionair proces, dat eigenschappen heeft geselecteerd die in het verleden bijdroegen tot overleving en reproductie. Cruciaal daarin is het vermogen om voor overleving en reproductie gunstige (veilige) en voor overleving en reproductie ongunstige (onveilige) omgevingstoestanden te onderscheiden en er zo goed mogelijk op te reageren. 

Ons autonome zenuwstelsel herbergt precies dat vermogen. En de polyvagaaltheorie van Stephen W. Porges verschaft ons de tot nu toe meest volledige beschrijving ervan. Zie het vorige bericht. Mensen zijn er op gericht om, juist ook onbewust (neuroceptie), de omgeving op veiligheid of onveiligheid te scannen. In geval van veiligheid is er ruimte voor sociale betrokkenheid en dus voor samenwerking en delen. Wat in de Dual Mode-theorie gemeenschapsgedrag wordt genoemd. En in geval van onveiligheid zijn er, afhankelijk van de omstandigheden en de individuele geschiedenis, de vechtreactie, de vluchtreactie en de immobilisatie met angst (het bevriezen of verstijven), Varianten van wat in de Dual Mode-theorie statuscompetitiegedrag wordt genoemd. Daar komt bij dat mensen elkaar veiligheid kunnen verschaffen, door dat gemeenschapsgedrag, maar ook onveiligheid, namelijk door de statuscompetitie aan te gaan.

In het vorige bericht vermeldde ik al dat die polyvagaaltheorie vooral is ontwikkeld in de context van de behandeling van psychische aandoeningen, in het bijzonder van trauma's, maar dat hij een theoretisch fundament biedt voor de bestudering van menselijk gedrag in het algemeen en voor sociale en maatschappelijke processen. Ik volsta nu maar even met te verwijzen naar veel berichten op dit blog, in het bijzonder de berichten achter het label Dual Mode-theorie. 

In dat vorige bericht noemde ik ook het werk van de psychiater en trauma-onderzoeker Bessel van der Kolk, die gast was in de laatste aflevering van Zomergasten. En ik vermeldde dat ik niet zo goed bekend was met zijn werk en dat ik vermoedde dat je bij hem de immobilisatiereactie tegenkomt als "verdringing" of "dissociatie". 

Welnu, ik heb ondertussen Van der Kolks boek The Body Keeps the Score aangeschaft, in het Nederlands vertaald als Traumasporen. En ik sloeg hoofdstuk 5 op, met de titel Body-Brain Connections. 

Dat begint met een paragraaf over Charles Darwins in 1872 verschenen The Expressions of the Emotions in Man and Animals, waaruit weer eens blijkt hoe ver Darwin zijn tijd vooruit was. Ik citeer maar even (p. 88):

Darwin goes on to observe that the fundamental purpose of emotions is to initiate movement that will restore the organism to safety and physical equilibrium. Here is his comment on the origin of what today we would call PTSD:

Behaviors to avoid or escape from danger have clearly evolved to render each organism competitive in terms of survival. But inappropriately prolonged escape or avoidance behavior would put the animal at a disadvantage in that succesful species preservation demands reproduction which, in turn, depends upon feeding, shelter, and mating activites all of which are reciprocals of avoidance and escape.

In other words: If an organism is stuck in survival mode, its energies are focused on fighting off unseen enemies, which leaves no room for nurture, care and love. For us humans, it means that as long as the mind is defending itself against invisible assaults, our closest bonds are threatened, along with our ability to imagine, plan, play, learn, and pay attention to other people's needs.

En twee bladzijden verder kom je uitgerekend Stephen Porges' Polyvagaaltheorie tegen als een aanpak die op Darwin verder bouwt. En die voor het werk van Van der Kolk zelf van cruciaal belang is geweest (p. 90-91):

The Polyvagal Theory provided us with a more sophisticated understanding of the biology of safety and danger, one based on the subtle interplay between the visceral experiences of our own bodies and the voices and faces of the people around us. It explained why a kind face or a soothing tone of voice ca dramatically alter the way we feel. It clarified why knowing that we are seen an dheard by the important people in our lives can make us feel calm and safe, and why being ignored or dismissed can precipiate rage reactions or mental collapse. It helped us understand why focused attunement with another person can shift us out of disorganized and fearful states.

Dat wist ik dus niet. Dat die polyvgaaltheorie ook voor het werk van Bessel van der Kolk zo belangrijk is geweest. 

Blijft staan dat het belang ervan voor sociaalwetenschappelijk onderzoek nog grotendeels onontgonnen terrein is. Zoals voor onderzoek naar hoe mensen reageren op rampen een grootschalige bedreigingen. Zie weer het vorige bericht. Wordt dus vervolgd.

dinsdag 9 november 2021

Het kunnen herkennen van en adequaat reageren op veiligheid dan wel onveiligheid moet in de evolutie een cruciale rol hebben gespeeld. Over toestanden van voorbereid zijn.

Levende wezens zijn een product van een evolutionair proces. Dat betekent dat ze zo zijn aangepast aan de omgeving dat ze snel kunnen reageren op gebeurtenissen in die omgeving. Ze zijn in allerlei opzichten voorbereid op plotseling optredende veranderingen, met in grote lijnen oftewel een benaderingsreactie oftewel een aanval- of vermijdingsreactie. Die toestand van voorbereid zijn omschrijven Payne en Crane-Godreau als de Preparatory Set. Zie het vorige bericht.

Wij mensen hebben ook een langzamere reactiemogelijkheid, die van het bewuste waarnemen, nadenken en een besluit nemen. Dat ligt eraan dat wij beschikken over een zelfbewustzijn. Dat proces speelt zich vooral corticaal af, dat wil zeggen in onze hersenschors. 

Maar "daaronder", dus subcorticaal, is er die toestand van voorbereid zijn. Die bestaat grotendeels onder het bewustzijnsniveau en strekt zich uit van de lagere hersengebieden via de zwerfzenuw (nervus vagus) naar het hoofd (strottenhoofd en stembanden) en naar de ingewanden in de borst- en buikholte. Met gevolgen voor lichaamshouding, spierspanning, ademhaling, hoe we ons voelen, mate van alertheid en opgewondenheid, waar we onze aandacht op richten en onze onbewuste verwachtingen. Elementen die onderling samenhangen. Als een element verandert, veranderen de andere mee. Vandaar dat wij ons door lichaamshoudings- en ademhalingsoefeningen anders kunnen gaan voelen.

Samenhangend met wat zich in de omgeving voordoet, kun je verschillende toestanden van voorbereid zijn onderscheiden. Heel basaal: wij zijn er op voorbereid om gemakkelijk te leren lopen en aan het begin van ons tweede levensjaar hebben we dat wel zo ongeveer onder knie. Nog basaler: we zijn erop voorbereid om te leren ademhalen en dat leerproces speelt zich af meteen na de geboorte als we reflexmatig voor de eerste keer inhaleren. Daarna gaat het "vanzelf", hoewel we dus ook nog in staat zijn om bewust adem te halen. 

Maar bij Payne en Crane-Godreau gaat het om het voorbereid zijn op wat de omgeving te bieden heeft versus op wat in de omgeving bedreigend is. Voorbereid zijn dus op kansen en op uitdagingen. Op veiligheid en onveiligheid. Daarbij verwijzen ze naar het werk van Stephen W. Porges, die ik in het vorige bericht al noemde, en van Jaak Panksepp. 

Van Porges zagen we al dat hij vier toestanden van voorbereid zijn bij mensen onderscheidt, twee ten behoeve van de uitdagingen van gevaar en onveiligheid (verstijving en vechten-of-vluchten) en twee ten behoeve van het benutten van de mogelijkheden van veiligheid (spelen en sociale betrokkenheid). Zie de berichten achter het label Stephen W. Porges, maar in het bijzonder De belichaming van de innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur. 

Daarin herkennen we het statuscompetitiepatroon en het gemeenschapspatroon. Die verstijving of immobiliteit als reactie op gevaar komen we bij dieren tegen die zichzelf voor dood houden, maar komt natuurlijk ook bij mensen voor als een onbewuste overlevingsreactie. Zoals te lezen op deze pagina van Slachtofferhulp. Het zou kunnen, maar daar weet ik te weinig van, dat de onderdanigheid en berusting die bij mensen in een lage statuspositie voorkomt, neurofysiologisch overeenkomst heeft met die verstijvingsreactie.

Jaak Panksepp (1942-2017) onderscheidt, geheel onafhankelijk van Porges, zeven subcorticale toestanden van voorbereid zijn: zoeken, woede, angst, lust, zorg, paniek en spel. Zoeken (toenadering), zorg en spel zijn toe te delen aan het gemeenschapspatroon en woede, angst en paniek aan het statuscompetitiepatroon. Maar dat is bij benadering, want angst en paniek kunnen ook reacties zijn op verlaten zijn en sociaal isolement. Lust is uiteraard het voorbereid zijn op seks.

Hoe ook precies, het is duidelijk dat het adequaat kunnen herkennen van en reageren op veiligheid dan wel onveiligheid in de evolutie een cruciale rol moet hebben gespeeld. Bij mensen als sociale diersoort bestaat die rol er vooral ook uit dat contact met soortgenoten veiligheid kan verschaffen, maar ook onveilig kan zijn. Anderen kunnen ons vertrouwd zijn en ze kunnen het goed met ons voor hebben, maar ze kunnen ons ook willen domineren en overheersen. Dat wij daar, met het gemeenschapspatroon dan wel het statuscompetitiepatroon neurofysiologisch (subcorticaal) op voorbereid zijn, is dus niet verwonderlijk.

In een volgend bericht ga ik in op de kwestie dat die toestanden van voorbereid zijn ons kunnen helpen, en dus adaptief zijn, maar ons ook in de weg kunnen zitten. Dat laatste kan zowel individueel het geval zijn, zoals wanneer dat voorbereid zijn niet past bij de situatie waarin iemand verkeert. Maar het kan ook collectief het geval zijn, zoals wanneer het statuscompetitiepatroon overheerst, terwijl we beter af zouden zijn als dat het geval was met het gemeenschapspatroon. Wordt vervolgd. Hier het volgende bericht.

donderdag 4 november 2021

Wat betekent het precies dat sociale gedragspatronen, zoals gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag, "klaar liggen om uitgevoerd te worden"?

Wat betekent het precies als je zegt, zoals in de Dual Mode-theorie, dat er in de menselijke sociale natuur twee gedragspatronen, gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag, klaar liggen om uitgevoerd te worden als bepaalde omgevingsvoorwaarden aanwezig zijn? Het gaat dan om een veilige omgeving die gemeenschapsgedrag uitlokt en een onveilige omgeving die statuscompetitiegedrag uitlokt. 

Over de aard van die twee gedragspatronen is op dit blog al veel langsgekomen. Scroll eens door de berichten achter de labels gemeenschapsgedrag en statuscompetitie. Maar het gaat er nu om dat ze als gedragspatronen "klaar liggen om uitgevoerd te worden". Hoe moeten we ons dat voorstellen?

Een indruk daarvan kregen we al bij de polyvagaaltheorie van Stephen W. Porges. Ik verwees daar al naar in mijn bijdrage aan de afscheidsbundel voor Arie Glebbeek, waar ik hierboven naar linkte. Ik citeer even de volgende alinea:

Als die evolutionaire achtergrond (van het klaarliggen van die twee gedragspatronen) er is, dan zou het resultaat ervan in ons autonome zenuwstelsel waargenomen moeten kunnen worden en dat blijkt ook zo te zijn. Stephen W. Porges, onderzoeker op het gebied van de relatie tussen het autonome zenuwstelsel en sociaal gedrag, komt tot de conclusie dat er een neurofysiologisch substraat is voor het “sociale betrokkenheidssysteem” (oftewel gemeenschapsgedrag) dat in werking komt als de neurale inschatting van de omgeving (neuroceptie) wijst op veiligheid. De sympathische activering, het neurofysiologische substraat van de vecht/vluchtreactie of de immobilisering (oftewel statuscompetitiegedrag), wordt dan gedempt. De demping die bij de neuroceptie van onveiligheid juist weer wordt opgeheven (Porges, 2019). Sociale veiligheid is dan de toestand die tot stand komt door het gemeenschapsgedrag van anderen en onveiligheid de toestand die het gevolg is van het statuscompetitiegedrag van anderen.

Dat klaarliggen is dus gelokaliseerd in ons autonome zenuwstelsel, dat wil zeggen, meestal onder onze bewustzijnsdrempel. Daaronder speelt zich ook de neurale inschatting van de veiligheid of onveiligheid van de omgeving af, wat Porges neuroceptie noemt. Die inschatting heeft al plaats gevonden voor we er bewust over hebben kunnen nadenken, voor we "er erg in hebben".

Dit is het systeem dat we delen met andere dieren. En dat moet zijn ontstaan zodra het zichzelf voort kunnen bewegen de evolutie binnenkwam. Denk aan het bericht Ontstond de hang naar vertrouwdheid op het moment in de evolutie dat levende wezens zich gingen voortbewegen? Zodra je jezelf kunt verplaatsen, is het voor je overleving, en dus voor het doorgeven van je genen, cruciaal dat je veilige, en dus vaak vertrouwde, omgevingen zoekt en onveilige omgevingen vermijdt. Dat bij ons dat alles zich afspeelt onder het bewustzijnsniveau, wijst erop dat het evolutionair al heel oud is. 

En dat het zo belangrijk is, dat het niet aan het bewuste, en dus altijd trager verlopende, nadenken kan worden overgelaten. Dat bewuste nadenken is gelokaliseerd in de neocortex en dat dat hersengebied ook ooit, bij zoogdieren, in de evolutie is ontstaan, moet wel betekenen dat het aan overleving heeft bijgedragen. Maar dus als een aanvulling, niet als een vervanging, van het autonome zenuwstelsel en die neuroceptie. Of het bij mensen ook blijft bijdragen aan overleving, dat moet zich in deze tijd van klimaatverandering overigens nog bewijzen.

Dit alles ging zo ongeveer door mijn hoofd (ik was er dus bewust over aan het nadenken), toen ik het fraaie overzichtsartikel The preparatory set: a novel approach to understanding stress, trauma, and the bodymind therapies van Peter Payne en Mardi A. Crane-Godreau onder ogen kreeg. Daarin omschrijven de auteurs dat klaarliggende gedragspatroon als de preparatory set. 

Hoe vertaal je dat? Als een toestand van voorbereid zijn? Hoe dan ook, dit is de omschrijving die ze ervan geven: 

Here we use the term (Preparatory Set) to refer to the rapid, largely sub-cortical, preparation of the organism for response to the environment. We suggest that this preparation involves an organization of core features of the organism in readiness: physical posture and muscle tone, visceral state, affective or motivational state, arousal and orientation of attention, and (subcortical) cognitive expectations. This PS precedes, and influences, the complex human cortical responses of conscious appraisal and voluntary planning.

In een volgend bericht meer over wat de auteurs daar over te melden hebben. We zullen dan ook weer die polyvagaaltheorie van Porges tegenkomen. Wordt vervolgd. Hier het vervolg: Het adequaat kunnen herkennen van en reageren op veiligheid dan wel onveiligheid moet in de evolutie een cruciale rol hebben gespeeld. Over toestanden van voorbereid zijn.

woensdag 19 augustus 2020

Waardoor is pro-sociaal gedrag aanstekelijk? - Doordat het de sociale veiligheid verschaft die weer meer pro-sociaal gedrag uitlokt

Hoe komt het dat het pro-sociale gedrag van anderen de kans vergroot dat we ook onszelf meer pro-sociaal gaan gedragen? Wat verklaart dat pro-sociaal gedrag aanstekelijk is? Die aanstekelijkheid was op dit blog al eerder aanleiding om het woord gemeenschapsgedrag te prefereren boven pro-sociaal gedrag, omdat daar al dat sociale beïnvloedingsproces in besloten ligt. Het gaat om gedrag "als in een gemeenschap", dus om gedrag dat je oftewel met zijn allen doet of helemaal niet. Maar omdat het woord gemeenschapsgedrag vooralsnog alleen op dit blog is ingeburgerd, hou ik het nu maar even bij pro-sociaal gedrag.

Dat pro-sociaal gedrag aanstekelijk is, zagen we in eerdere berichten langskomen: Wie goed doet, doet dubbel goed. Pro-sociaal gedrag is aanstekelijk, Ook pro-sociaal gedrag in de media lokt pro-sociaal gedrag uit en Dreumesen schieten meer te hulp als iemand het goede voorbeeld heeft gegeven. En zie ook Nieuwe aanwijzingen voor de flexibele menselijke sociale natuur - gemeenschapsgedrag lokt gemeenschapsgedrag uit en de berichten over het verschijnsel van crowding-in.

En er is nu de nieuwe studie Prosocial modeling: A meta-analytic review and synthesis, waarin uit een meta-analyse van 88 studies met in totaal 25.354 proefpersonen blijkt dat er alles samengenomen een gematigd positief effect is van het waarnemen van pro-sociaal gedrag op het eigen pro-sociale gedrag. Het gaat dan om zaken als het doneren van geld, het geven van fooi, het oprapen van iets voor iemand die dat per ongeluk heeft laten vallen, iemand te hulp schieten en het kiezen voor samenwerken in plaats van profiteren.

Maar nu terug naar de vraag wat daarvoor de verklaring zou kunnen zijn. In die nieuwe studie worden drie gangbare verklaringen genoemd: imitatie van het gedrag, de neiging tot conformeren en de neiging om het doel van het gedrag over te nemen (goal contagion). En het zou kunnen zijn dat het een zogenaamd onderzoekerseffect is, dat wil zeggen de neiging van proefpersonen om te voldoen aan wat ze denken dat de onderzoeker van hen wil. De auteurs concluderen dat die verklaring van goal contagion het beste uit de bus komt. Mensen zouden dus als ze zien dat een persoon iemand anders helpt, daardoor zelf ook besluiten dat het goed is om anderen te helpen.

Dat is interessant. Want het zou aardig passen in het vermoeden dat bij mij steeds meer is komen bovendrijven, namelijk dat pro-sociaal gedrag een reactie is op signalen die erop wijzen dat je je bevindt in een veilige sociale omgeving. Of op signalen die je eraan herinneren dat je sociale omgeving eigenlijk best wel veilig is. Een veiligheid die eruit bestaat dat mensen bereid zijn om anderen te helpen en om bij te springen als dat nodig is.

Dat vermoeden gaat terug op de gedachte dat alle dieren, en dus ook mensen, voor de uitdaging staan om zich zoveel mogelijk te bevinden in een veilige omgeving, een omgeving die gunstig is voor overleving en reproductie. Eerder in de mensheidsgeschiedenis was die veiligheid er in de groep van jagers-verzamelaars waarin samengewerkt en gedeeld werd. In die groep was pro-sociaal gedrag niet alleen veilig om uit te voeren, omdat je er op kon rekenen dat anderen er geen misbruik van maakten, maar ook omdat je eigen overleving en reproductie er baat bij had. Je deelde mee in de opbrengsten van het samenwerken. Sociale onveiligheid bestond uit het niet deel uitmaken van zo’n groep en in je eentje moeten zien te overleven.

In de huidige samenleving is die veilige omgeving er meestal wel in het gezin waarin een kind opgroeit. (Meestal, want we kennen helaas ook het probleem van kindermishandeling.) Daardoor leren kinderen al snel om op de zorgzaamheid die ze ervaren te reageren met hulpvaardigheid. Denk weer even aan die dreumesen die te hulp schieten. En aan al die studies van Michael Tomasello en medewerkers waaruit blijkt dat kinderen al heel jong anderen helpen als ze daartoe in staat zijn. Dat is hun natuurlijke reactie op de zorgzame omgeving die ze in het gezin aantreffen.

De natuurlijkheid van die reactie blijkt eruit dat in een toestand van ervaren veiligheid de nervus vagus (de zwerfzenuw) gematigd geactiveerd is, wat precies de lichamelijke toestand is (rest and digest) waarin je gemakkelijk anderen te hulp schiet. Terwijl in een toestand van onveiligheid oftewel die zwerfzenuw bovenmatig wordt geactiveerd, waardoor je in het statuscompetitiepatroon schiet (fight or flight), of sterk verlaagd geactiveerd (immobilisation), waardoor je te maken kunt krijgen met een depressie of angststoornis. Zie De belichaming van pro-sociaal gedrag - En wat we daarvan kunnen leren. En denk aan de polyvagaaltheorie van Stephen W. Porges.

Maar in de huidige maatschappij is het gezin maar een klein eilandje in een grote zee van sociale vluchtigheid en daarmee kans op statuscompetitie. Bij het ouder worden is er buiten dat eigen gezin dus de onzekerheid over het gedrag van anderen en dus de mogelijkheid van de sociale onveiligheid van de statuscompetitie. En dat is precies de omgeving waarin we niet alleen "nieuwe" sociale veiligheid zoeken (dus vrienden willen maken), maar ook het pro-sociale gedrag dat we tegenkomen beschouwen als signalen voor het bestaan van sociale veiligheid. "O ja, mensen zijn eigenlijk heel goedaardig en behulpzaam." Dat besef vergroot ons veiligheidsgevoel, waardoor we ook zelf gemakkelijker te hulp schieten.

En dat komt dus wel wat overeen met die goal contagion-verklaring van die auteurs van die nieuwe studie. Maar het verschaft ook een onderliggende mechanisme: pro-sociaal gedrag draagt bij aan sociale veiligheid, die op zijn beurt weer meer pro-sociaal gedrag uitlokt.

maandag 1 juni 2020

Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 6

Als het inderdaad zo is dat aan het ontstaansproces van alle psychische aandoeningen "fundamentele bedreigingen van iemands fysieke en psychologische veiligheid" ten grondslag liggen (zie hier het vorige bericht), langs welke weg of langs welke wegen voltrekt zich dan dat proces?

Caspi en Moffitt noemen drie van zulke wegen. (Eigenlijk vier, maar de vierde slaat op genetische verschillen is stressgevoeligheid.) 

De eerste weg noemen ze stress inbedding en dat slaat erop dat onveiligheid neurale veranderingen in bedreigingssystemen teweegbrengt die de kwetsbaarheid voor het optreden van latere aandoeningen vergroten. Daarbij verwijzen ze naar literatuur die suggereert dat die aanvankelijke veranderingen adaptief zouden kunnen zijn, dus een adequaat antwoord op bedreigingen, maar dat ze niet meer passen bij latere, niet-bedreigende omgevingen. Als dat aanvankelijke adequate gedrag dan toch in stand blijft, is er de kans op wat we dan een psychische aandoening noemen.


Maar nu alvast mijn vertaling van deze weg in termen van het duale mensbeeld (de Dual Mode-theorie) dat je op dit blog zo vaak tegenkomt. Volgens dat mensbeeld zijn kinderen er bij hun geboorte op voorbereid om op te groeien in een zorgzame gemeenschapsomgeving. Waarin er voor hen gezorgd wordt en waarin ze die ervaren zorg beantwoorden, als en zodra ze daartoe in staat zijn, met hetzelfde gedrag. Door dat zorgzame gedrag waarmee ze omringd worden, ervaren ze de omgeving waarin ze terecht zijn gekomen als veilig en een gevoel van veiligheid roept gemakkelijk gemeenschapsgedrag op. Vandaar dat heel jonge kinderen vaak al geneigd zijn tot hulpvaardigheid. Zie Zijn wij van nature goed? Ja, maar...

Maar de menselijke sociale natuur is flexibel. Als die zorgzame omgeving niet of maar beperkt wordt aangetroffen, dan ligt er ook nog dat andere gedragspatroon klaar, dat van de statuscompetitie. Als de omgeving onveilig blijkt te zijn, met mishandeling of emotionele verwaarlozing, dan zal statuscompetitiegedrag in verschillende varianten de kop opsteken. En omdat kinderen doorgaans niet kunnen "vluchten", zal dat de vorm aannemen van "vechten", dus verdedigen, of van verschillende vormen van "berusting" of "onderdanigheid". Wat in de polyvagaaltheorie van Stephen Porges de reactie van bevriezing of immobilisering wordt genoemd. Je wordt bedreigd en kruipt als reactie in je schulp. Om maar zo weinig mogelijk aanleiding te geven tot nog meer agressieve bejegening.

Het punt van die stress inbedding lijkt nu te zijn dat kinderen (of adolescenten) door die statuscompetitiereactie (vechten of bevriezen) anders naar de wereld gaan kijken. Overal en altijd gevaar en bedreigingen zien. Of nog een stap verder: door hun eigen gedrag gevaar en bedreiging uitlokken. Denk aan die heel vroege experimenten van Kelley en Stahelski die lieten zien dat competitief gedrag hetzelfde gedrag van anderen uitlokt. Terwijl dat niet had gehoeven als je maar in staat was geweest om dat allesoverheersende beeld van gevaar en bedreiging los te laten.

En daarmee wordt wat begon als aanpassing aan de omgeving een "psychische aandoening". Als de vechtreactie overheerst, gaat het om een externaliserende stoornis, met agressief en antisociaal gedrag. En als de bevriezingsreactie overheerst, wordt het een aandoening binnen de internaliserende categorie: depressie, angststoornis, sociale fobie.

Dat was de eerste weg van onveiligheid naar een psychische aandoening. In een volgend bericht meer over die twee andere wegen. Zie hier het volgende bericht.

dinsdag 14 januari 2020

Is zelfbewustzijn iets wat onze hersenen leren om te doen? - deel 1

Wat speelde er zich allemaal precies af gedurende de evolutionaire ontwikkeling van de eerste dieren, dus organismen die zichzelf kunnen voortbewegen, naar het ontstaan van het vermogen tot zelfbewustzijn, zoals bij mensen?

Die intrigerende en veelomvattende vraag kwam bij me op toen ik het net verschenen Learning to Be Conscious onder ogen kreeg.

We weten dat de eerste zichzelf voortbewegende organismen, dieren dus, meteen voor de uitdaging kwamen te staan om uit te vinden waar ze zichzelf op welk moment het beste konden bevinden. Met het oog op hun voortbestaan en hun voortplanting. Met het gegeven dat de omgeving heterogeen is naar gunstige en ongunstige eigenschappen.

"Gunstig" staat voor veiligheid en "ongunstig" voor gevaar. En omdat organismen energie nodig hebben, dus voedsel, concurreren ze met elkaar in het verkrijgen van toegang tot energie Naast de concurrentie in de toegang tot voortplantingsmogelijkheden. Bovendien zijn ze ook zelf een bron van energie, dus een mogelijke prooi, voor anderen.

Daardoor ontwikkelde zich bij dieren een zenuwstelsel dat voortdurend op basis van informatie vanuit de zintuigen over de omgeving risico's beoordeelt. Stephen W. Porges noemt dat neuroceptie: een onderbewust systeem voor de detectie van gevaar en veiligheid (p. 37-8):
In het erfelijk materiaal van onze soort ligt een onbewust proces van neuroceptie besloten dat plaatsvindt in primitieve delen van onze hersenen. De inschatting van een persoon als veilig of gevaarlijk leidt tot prosociaal of defensief gedrag. Dat gebeurt via een neurobiologisch proces. Hoewel we op cognitief niveau misschien niet bewust gevaar detecteren, kan ons lichaam op neurofysiologisch niveau al een reeks neurale processen zijn gestart ter voorbereiding op bepaald adaptief verdedigingsgedrag zoals vechten, vluchten of bevriezen.
Dat proces van het detecteren van gevaar en veiligheid heeft natuurlijk een input nodig van ervaring met de omgeving, waardoor informatie binnenkomt in de vorm van signalen die met gevaarlijke dan wel veilige situaties in verband blijken te staan. Dat begint uiteraard vanaf de geboorte. En het allereerste signaal voor veiligheid is de mate van vertrouwdheid van de omgeving.

Zolang je je immers ergens bevindt en nog in leven bent, is kennelijk de plaats waar je je bevindt een veilige plek. Vandaar dat de eerste diervormen, de ediacarische biota, waarschijnlijk op weg waren naar waar ze vandaan kwamen. Zoals bleek uit het bericht Ontstond de hang naar vertrouwdheid op het moment in de evolutie dat levende wezens zich gingen voortbewegen?

Inherent aan het je kunnen voortbewegen is dus het vermogen tot waarneming van de omgeving. En van de veranderingen daarin. Maar als je die veranderingen waarneemt, is het wel zaak om die te kunnen onderscheiden van de veranderingen die jij met jouw voortbeweging en gedrag zelf teweegbrengt. Je moet een besef hebben van je eigen lichaam en daarmee van de effecten van je gedrag op de omgeving. Zie het bericht Wat was er voor we ons zelfbewustzijn hadden ontwikkeld? Over het "besef" van het eigen lichaam. 

Wat ook meteen de grondslag is voor je vermogen om te leren. Het besef van het eigen lichaam behelst het vermogen om je eigen gedrag als zodanig te herkennen en daarmee ook de effecten van je gedrag. Effecten op de omgeving, maar ook op je eigen lichaam, al was het maar ter voorkoming van zelfbeschadiging.

Het besef van wat je teweegbrengt. Met meteen dus het vermogen om te beoordelen of het effect bijdraagt tot jouw veiligheid of juist het gevaar vergroot. Ben ik op de goede weg? Of juist niet? Vragen die een organisme ook zonder zelfbewustzijn kan beantwoorden.

Je zou kunnen zeggen dat dat besef van het eigen lichaam een eerste stap is op weg naar zelfbewustzijn. Dat wil zeggen naar het vermogen van mensenkinderen om laat in het tweede levensjaar ineens dat zelf bewustzijn te hebben. 

Maar wat zit daar allemaal tussen in? Volgens dat artikel waar ik in het begin van dit bericht naar linkte (Learning to Be Conscious) is zelfbewustzijn een proces dat onze hersenen, in die bijna twee jaar, leren om te doen:
consciousness is something that the brain learns to do, by which we mean to suggest that phenomenal experience, rather than being an intrinsic property of some patterns of neural activation, should instead be viewed as the product of active, plasticity-driven mechanisms through which the brain learns to redescribe its own activity to itself.
Dat is een intrigerende gedachte. In een volgend bericht een poging om daar meer helderheid over te krijgen. Zie hier dat volgende bericht.

zondag 5 januari 2020

Zondagochtendmuziek - Franz Schubert: Der Hirt auf dem Felsen - Anna Lucia Richter/Ensemble de...

Is muziek het grootste geheim dat de mensheid met zich mee draagt? Dat wij muziek kennen, moet er mee te maken hebben dat het coöperatief grootbrengen van de kinderen essentieel was voor onze evolutie. In dat verband ontwikkelden we onze grote communicatieve vaardigheden. Gebaren, hoofdbewegingen en daarop voortbordurend vocalisatie. De menselijke stem, die waarschijnlijk eerst muziek voortbracht en toen taal.

Die essentiële rol van muziek in het menselijk bestaan komt aan de orde in hoofdstuk 17 (Muziektherapie, trauma en de polyvagaaltheorie) van Stephen W. Porges, De Polyvagaaltheorie. De neurofysiologische basis van emotie, gehechtheid, communicatie, zelfregulatie.

Volgens die theorie functioneert ons zenuwstelsel als een schildwacht door voortdurend risico's in onze omgeving te beoordelen. We zijn er op ingesteld om meestal onbewust (neuroceptie) op te merken hoe veilig of gevaarlijk, of zelfs levensbedreigend, onze omgeving is.

Daarbij spelen geluiden een rol. Laagfrequente geluiden wijzen op gevaar. Denk aan hoe onze huisdieren, maar dus ook wijzelf, reageren op knalvuurwerk.

Daarentegen ervaren we de akoestische frequentiebanden van de menselijke stem doorgaans als wijzend op een toestand van veiligheid. Waarschijnlijk doordat we met die stem vertrouwd zijn, omdat we die al in de baarmoeder hoorden en omdat we na de geboorte er mee in slaap werden gezongen.

Dat wijst er op dat muziektherapie mensen kan helpen die een sociaal trauma hebben opgelopen. Als je op jonge leeftijd bent mishandeld of misbruikt, dan heb je aangeleerd dat de menselijke stem juist niet wijst op veiligheid, maar op gevaar. Dus ook de menselijke stem van de therapeut, die er op uit is om je te helpen, maar je vertrouwt het niet.

Het luisteren naar muziek, in het bijzonder naar melodieën, omdat die zich meestal bevinden in de frequentieband van de menselijke stem, kan dan een gunstig effect hebben. Dat ligt eraan dat de kalmerende werking ervan niet wordt gehinderd door het bedreigende face to face contact. Door het luisteren naar melodieën vertraagt onze hartslag, voelen we ons veiliger en komen we meer open te staan voor sociale interactie. Ons sociale betrokkenheidssysteem krijgt een kans. Porges (p. 368):
Pogingen om een getraumatiseerde persoon sociaal te betrekken in plaats van te kalmeren, kunnen leiden tot defensieve strategieën van verzet en woede. Levensbedreiging activeert een zeer oud zenuwnetwerk dat het sociale betrokkenheidsgedrag sterk beperkt en de neuroceptie kan vervormen, wat kan resulteren in een valse detectie van risico's. De behandeling van trauma vereist dus een nieuw model dat zich onderscheidt van de traditionele psychotherapeutische strategieën van een face to face tweegesprek om de kalme toestand die samenhangt met het sociale betrokkenheidssysteem weer op gang te brengen. Muziek en muziektherapie kunnen een alternatieve entree naar het sociale betrokkenheidssysteem bieden.
Bij melodieën moet ik vooral denken aan de muziek van Franz Schubert. Je kunt denk ik wel zeggen dat die ons sociale betrokkenheidssysteem aanspreken. Met natuurlijk als dubbele bodem dat het bij Schubert eigenlijk altijd gaat om het verlangen naar die betrokkenheid, meer dan om die betrokkenheid zelf.

Neem nu Der Hirt auf den Felsen D965. Hier zo prachtig gezongen door Anna Lucia Richter, begeleid door  Blaž Šparovec, klarinet en Nicholas Rimmer, piano.

dinsdag 2 juli 2019

De belichaming van de innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur - Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? - deel 13

Update. Zie nu ook het bericht Empirische ondersteuning voor de Moral Politics Theory van George Lakoff - Over de moraliteit van de zorgzaamheid en de moraliteit van-de-strenge-vader voor meer ondersteuning voor de eerste stelling van de Dual mode-theorie.
In deel 1 van deze reeks berichten ging het erover dat het voor een maatschappelijk belangrijker vak sociologie nodig is dat het vak zich baseert op empirisch gefundeerde inzichten in wat mensen op sociaal vlak kunnen en willen. Op inzichten dus in de aard van de menselijke sociale natuur. (Zie hier het vorige bericht in deze reeks.)

Zulke inzichten zijn aanwezig en liggen voor het oprapen. Ik vatte ze samen in de drie stellingen van de Dual Mode-theorie. De eerste twee vind je in deel 1 en de derde in deel 2.

Volgens de eerste stelling is de menselijke sociale natuur innerlijk tegenstrijdig: er zijn twee gedragspatronen die mensen gemakkelijk aanleren en uitvoeren, gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag, en elk van die twee is slechts uitvoerbaar als de andere wordt onderdrukt.

Ik verwees al naar de evolutionaire achtergrond van dat inzicht en de overlapping met de empirisch onderbouwde life history theory. En ik noemde de aanwijzingen die voortvloeien uit het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar sociale gedragspatronen (relational models).

Maar er is meer te melden over de empirische onderbouwing van die eerste stelling (en indirect over de tweede). Ik realiseerde me dat toen ik de aankondiging zag van de Nederlandse vertaling van
The Polyvagal Theory. Neurophysiological Foundations of Emotions, Attachment, Communication, and Self-Regulation van Stephen W. Porges (De polyvagaaltheorie. De neurofysiologische basis van emoties, gehechtheid, communicatie en zelfregulatie). Verschijnt oktober 2019.
Update. In vertaling is nu verschenen: Stephen W. Porges, De Polyvagaaltheorie en de transformerende ervaring van veiligheid. Traumabehandeling, sociale betrokkenheid en gehechtheid. 
Die polyvagaaltheorie kwam op dit blog al eens indirect aan de orde, namelijk in het bericht De belichaming van pro-sociaal gedrag - En wat we daarvan kunnen leren. Maar dat dateert al weer van 2014 en was mij even ontschoten.

Hoe dan ook, ik sloeg er nog eens het hoofdstuk Neurobiology and the Evolution of Mammalian Social Behavior op na, dat Porges samen met C. Sue Carter schreef voor het boek Evolution, Early Experience and Human Development. Daarin vind je een beknopte omschrijving van de empirisch onderbouwde inzichten van die polyvagaaltheorie. Een uitgebreide samenvatting geeft Porges in The polyvagal perspective. 

Waar het mij nu om gaat, kan ultrakort worden samengevat in het volgende plaatje:


Je ziet drie neurale circuits en bijbehorende gedragspatronen afgebeeld (I, II en III), die hiërarchisch zijn georganiseerd. 

Circuit I is fylogenetisch het oudste, dus in de evolutie het vroegst ontstaan, en wordt aangestuurd door het onderste (beneden het middenrif) gedeelte van het parasympathische zenuwstelsel (de nervus vagus of zwerfzenuw). 
De zwerfzenuw ontspringt uit de hersenen en vertakt zich naar het hoofd (o.a. strottenhoofd en stembanden) en naar de ingewanden van de borst- en buikholte. Het is de belangrijkste parasympathische zenuw van het autonome zenuwstelsel (ANS).
Het bijbehorende gedragspatroon is dat van de immobilisering, het bevriezen, als reactie op dreigend gevaar.

Circuit II is dat van de sympathische vechten-of-vluchten reactie op gevaar en komt overeen met het statuscompetitiepatroon. Het is fylogenetisch recenter en kan pas in werking komen als circuit I wordt onderdrukt.

Circuit III is dat van het nieuwste, parasympathisch hogere (boven het middenrif), patroon, dat rust en herstel mogelijk maakt en daardoor ook communicatie en pro-sociaal gedrag. Het komt overeen met gemeenschapsgedrag en kan ook weer pas in werking komen als circuit II, de statuscompetitie, wordt onderdrukt.

Het gemeenschapspatroon en het statuscompetitiepatroon komen dus overeen met twee van de drie neurale circuits. De vraag die nu even blijft staan is of er goede redenen zijn om apart ruimte te maken voor circuit 1. Update. Op die vraag kom ik natuurlijk nog een keer terug.)

Ter verdere toelichting een citaat van Carter en Porges (p. 142-143):
The newest circuit is the branch of the parasympathetic nervous system that coordinates activity in the face and head, permitting social communication. This newer circuit is used first in response to challenges to the organism. If th enewest circuit fails to provide safety, older survival-oriented circuits are recruited sequentially, with the defensive fight-or-flight response preceding the use of an immobilization response. It is important to note that social behavior, social communication, and visceral homeostasis, as promoted by the newest circuit, are largely incompatible with neurophysiological states and behaviors that are regulated by circuits that support the defense strategies of both "flight and fight" and immoblization. Inhibition of systems that are in general defesive or protective is necessary to initiate social engagement and to allow positive social behaviors. Conversely, positive social behaviors may be inhibited during prolonged periods of adversity. However, systems that support sociality, because they are intertwined with restorative physiological states, also may be protective against the destructive effects of chronic fear or stress.
Met in de laatste zin meteen een verklaring voor de positieve gezondheidseffecten van gemeenschapsgedrag!
Ik zie net dat de polyvagaaltheorie toch ook al wel in een sociologietijdschrift aan de orde is gekomen. Zie On the Elementary Neural Forms of Micro-Interactional Rituals: Integrating Autonomic Nervous System Functioning Into Interaction Ritual Theory uit 2016.