Posts tonen met het label interpersoneel vertrouwen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label interpersoneel vertrouwen. Alle posts tonen

vrijdag 13 maart 2026

Over de potentie voor sociale verbetering die klaar ligt om te worden gerealiseerd. En over waarom dat niet gebeurt.

Onze sociale omgeving bestaat enerzijds uit onze persoonlijke relaties, gezinsleden, familie, vrienden buren, collega's. Maar daarbuiten hebben we een wijdere kring van buurtgenoten, dorps- of stadsgenoten, streekgenoten, landgenoten, ja zelfs, de kring van alle medemensen. Want hoewel we al die mensen in die wijdere kring niet persoonlijk kennen, zijn we via allerlei wegen wel van hun bestaan en vaak van hun wederwaardigheden op de hoogte. En we delen met hen een web van onderlinge afhankelijkheden. 

Met buurt-, dorps- en stadsgenoten creëren we een publieke ruimte, die als veiliger, afstandelijker of onveiliger kan worden ervaren. Met landgenoten delen we een democratisch verband, waarin iedereen hoort mee te tellen en houden we dat wel of niet in stand. Of als we in een dictatuur leven delen we een verband dat alles bij elkaar genomen die toestand van overheersing laat voortbestaan of er een einde aan maakt. En met alle medemensen op aarde delen we een verband met oorlogen of vrede of zelfs met een internationale rechtsorde als mogelijke uitkomsten. En met wel of niet de instandhouding van de voorwaarden voor het voortbestaan van de mensheid als uitkomst. 

Dat is het complexe sociale landschap waarin wij ons leven doorbrengen en waarin we een weg proberen te vinden. In die zoektocht zijn we aangewezen op wie we zijn, op wat we kunnen en willen, dat wil zeggen op onze innerlijk tegenstrijdige, en daardoor flexibele, sociale natuur. We zijn een sociale diersoort, die er op geselecteerd is om een sociaal veilige omgeving te zoeken. Die vinden we over het algemeen in dat domein van de persoonlijke en dus vertrouwde relaties. Daarin wordt gemakkelijk ieders gemeenschapsmoraal van iedereen-telt-mee geactiveerd, zodat we elkaar die verlangde sociale veiligheid verschaffen. Er gelden dat wat Homans in 1951 in The Human Group de waarden van de kleine groep noemde. 

Die moraal stond aan de oorsprong van de mensheidsgeschiedenis, toen het voortbestaan zo onzeker was geworden dat onze vroege voorouders alleen door samenwerken en delen konden overleven. Dat kon alleen slagen als iedereen er van uit kon gaan dat met hem/haar rekening zou worden gehouden, ook als het individueel een keer zou tegenzitten. En daar was weer voor nodig dat het rekening houden met anderen als een morele verplichting werd gevoeld. In plaats van als een altijd onzekere uitkomst van een rationele berekening aangestuurd door het individuele eigenbelang. Want die moraal moest daartegen opboksen, tegen het al bestaande vermogen tot onderlinge statuscompetitie, waarin het ieder-voor-zich voorop stond. 

Dat vermogen en de wil tot statuscompetitie staat tot onze beschikking en wordt gemakkelijk geactiveerd als we onze sociale omgeving als onveilig ervaren. En dat is meer het geval hoe meer we bij anderen dat statuscompetitiegedrag of signalen daarvan waarnemen. 

We zijn dus, uitgerust met die sociale flexibiliteit in de huidige maatschappij terechtgekomen. En precies in die wijdere sociale omgeving komt die ons van pas. Ieder van ons zoekt op eigen houtje de beste aanpassing. Die meer uit gemeenschapsgedrag bestaat, hoe meer ik datzelfde gedrag in mijn omgeving waarneem. En meer uit statuscompetitiegedrag, hoe meer dat zich voordoet. 

Met natuurlijk als complicatie dat we over het gedrag van anderen grotendeels heel indirect worden geïnformeerd. We nemen anderen waar in de publieke ruimte, op straat, in het verkeer, in het openbaar vervoer. Maar veel dringt tot ons door via de sociale media en de traditionele media. En al die waarnemingen, die natuurlijk maar een deel zijn van wat we hadden kunnen waarnemen, generaliseren we naar het geheel. En zo komen, vaak onder het expliciete bewustzijnsniveau, tot een inschatting van de veiligheid dan wel onveiligheid van onze wijdere sociale omgeving, die op zijn beurt ons eigen gedrag aanstuurt, in het ene geval meer gemeenschapsgedrag, in het andere geval meer statuscompetitiegedrag.

Maar het zoeken naar wat individueel de beste oplossing is, kan collectief gezien zowel tot een superieure uitkomst leiden, een gemeenschapstoestand, als tot een inferieure uitkomst, een statuscompetitietoestand. Inferieur omdat de onveiligheid van de strijd om status stressvol en ziekmakend is. En omdat die strijd ook de vorm van discriminatie, geweld, oorlog en zelfs genocide kan aannemen.

Oké, dat was de theorie. Nu een blik op de empirie. De aanleiding daartoe is het verschijnen van het rapport In 25-Country Survey, Americans Especially Likely To View Fellow Citizens as Morally Bad van het Pew Research Center. Ik kwam daarop terecht doordat Robert Reich erop attendeerde: Why do Americans hate each other while Canadians love each other?

In een groot aantal landen kreeg een representatieve steekproef van inwoners de vraag voorgelegd hoe ze "de moraal en ethiek" van hun landgenoten beoordelen, van heel goed tot heel slecht. Dat valt op te vatten als een meting van de gemiddelde inschatting van de mate waarin bij de inwoners het gemeenschapspatroon geactiveerd is. 

We zien dat die inschattingen tussen landen sterk uiteenlopen. De Verenigde Staten valt op als het enige land waarin een minderheid, 47 procent, hun landgenoten als moreel en ethisch goed inschat, terwijl dat percentage in Canada, dat met de V.S. een grens deelt van bijna 9000 kilometer, 92 bedraagt. In Nederland vindt 80 procent hun landgenoten moreel en ethisch goed.

Die diversiteit komt overeen met de vergelijkbare vraag in ander onderzoek naar het "interpersoneel vertrouwen", de vraag of in het algemeen andere mensen zijn te vertrouwen. Zie INTERPERSONAL
TRUST ACROSS THE WORLD
. 

Een en ander klopt met de gedachte dat mensen zich over dat wijdere sociale domein altijd op gebrekkige signalen moeten baseren, veel gebrekkiger dan als het gaat om het domein van de persoonlijke relaties. Het is waarschijnlijk ook geen toeval dat mij geen onderzoek bekend is naar hoe mensen de moraal van hun vertrouwde anderen inschatten. Of naar de mate waarin ze vertrouwde anderen vertrouwen. De kringen van persoonlijke relaties berusten immers over het algemeen juist op die moraal en op het onderlinge vertrouwen, vermoedelijk op de basis van selectie- en beïnvloedingsprocessen. Zie ook het bericht Over morele eilandjes in een boze buitenwereld, met onderzoek dat laat zien we in ons dagelijkse persoonlijke leven vooral met moreel gedrag in aanraking komen. En dat we vooral van horen zeggen en via de media over immorele gedragingen te weten komen.

Al met al is het dus vooral die wijdere sociale omgeving waarin wij tegenwoordig ook ons leven doorbrengen die het zo ingewikkeld maakt om de gewenste sociaal superieure gemeenschapstoestand te bereiken. Dat is tragisch, want hoe meer we daar dat immorele, statuscompetitieve gedrag we daar menen waar te nemen, hoe meer we ook zelf, als dat flexibele sociale wezen, daaraan meedoen. 

In dat wijdere sociale domein, van nationale staten en van de wereldbevolking, ligt dus vermoedelijk een aanzienlijke potentie aan sociale verbetering klaar om te worden gerealiseerd. Daar voor zou nodig zijn dat we veel beter over elkaars goede bedoelingen, dus over elkaars bereidheid tot gemeenschapsgedrag, geïnformeerd worden. Diezelfde flexibiliteit zou er dan voor zorgen dat "ons betere ik" geactiveerd wordt.

Maar wat dat betreft valt er van onze huidige media weinig goeds te verwachten.

dinsdag 31 december 2024

Hoe staat het er aan het eind van 2024 sociaalwetenschappelijk gezien voor in Nederland?

Hoe staat het er aan het eind van 2024 sociaalwetenschappelijk gezien voor in Nederland? 

Sociaalwetenschappelijk gezien zou je samenlevingen willen kunnen beoordelen op de plek waar ze zich bevinden op het continuüm van een statuscompetitietoestand (slecht) naar een gemeenschapstoestand (goed). Denk aan Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen. Maar als gevolg van het ontbreken van een normatief kader, hebben sociale wetenschappers nooit een standaardinstrument ontwikkeld om dat te kunnen doen. 

Dit is een opvallend verschil met het vak economie. Economen worden opgeleid en gesocialiseerd in een theoretisch kader waarmee de economie van een land kan worden beoordeeld op zijn "economische prestaties". En ten behoeve daarvan zijn er standaardinstrumenten, zoals het netto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking, het percentage economische groei per jaar en de ontwikkeling van de productiviteit per jaar. Dat alles gemeten in geld. Datzelfde theoretische kader wijst de weg aan waarlangs die prestaties kunnen worden verbeterd, de weg van meer marktwerking en dus van zogenaamde economische hervormingen, zoals privatisering, deregulering, kleinere overheid. 

Met dat uitgewerkte theoretische en normatieve kader hebben economen in het verleden, zeker de afgelopen halve eeuw, een grote invloed gehad op de politiek. Waar sociale wetenschappers weinig tegenin hebben gebracht. Tegenover de bekendheid en vanzelfsprekendheid van "economische hervormingen" hebben pleidooien voor "sociale hervormingen", voor zover ze er al waren, weinig kansen gehad. 

Natuurlijk is die eenzijdigheid van dat economische zicht op wat wenselijk is, opgemerkt. En zijn er, wel meer buiten dan binnen de academische sociale wetenschap, pogingen gedaan om aandacht te vragen voor wat in sociaal opzicht wenselijk is en zou moeten worden bevorderd.

Zo  is er door de onderzoekers van het Centraal Bureau voor de Statistiek het instrument van de "brede welvaart" ontwikkeld. Breed in de zin dat welvaart niet slechts economisch moet worden opgevat, maar ook sociaal. Gebruik makend van bestaande statistieken is een groot scala aan indicatoren bij elkaar gehaald, verdeeld over de acht thema's: subjectief welzijn, materiële welvaart, gezondheid, arbeid en vrije tijd, wonen, samenleving, veiligheid en milieu. Hoewel dat een schat aan informatie oplevert, of juist daardoor, schiet het echter tekort als een specifiek sociaalwetenschappelijk en theoretisch onderbouwd standaardinstrument. Je kunt er niet zomaar de vraag mee beantwoorden waarmee ik begon: Hoe staat het er aan het eind van 2024 sociaalwetenschappelijk gezien voor in Nederland?

Toch zit er in al die onafzienbare hoeveelheid informatie een indicator verborgen die zou kunnen dienen als de kern van zo'n theoretisch onderbouwd standaardinstrument. Ik denk aan "vertrouwen in andere mensen", ook wel interpersoneel vertrouwen genoemd, een van de zes indicatoren onder het thema samenleving. Dat wordt doorgaans gemeten met de vraag: 

Zou je in het algemeen gesproken zeggen dat je de meeste mensen kunt vertrouwen of dat je niet voorzichtig genoeg kan zijn? 

Om de gedachten te bepalen, in de pas verschenen aflevering van Burgerperspectieven van het Sociaal en Cultureel Planbureau zie je dat het aantal Nederlanders van 15 jaar en ouder dat het er mee eens is dat je de meeste mensen kunt vertrouwen zich tussen 1 juli 2021 en 1 juli 2024 rond de 60 procent bewoog. Tot 1 juli 2022 lag het duidelijk daarboven, zelfs tot bijna 70 procent, en na 1 juli 2023 steeds iets daarbeneden. 

Wat zegt dat vertrouwen in andere mensen over de sociaalwetenschappelijke toestand van de Nederlandse samenleving? 

Je mag verwachten dat mensen die vraag beantwoorden met allereerst in hun gedachten de ervaringen die ze in hun persoonlijk leven in de omgang met andere mensen opdoen. Iedereen die antwoordt dat je de meeste mensen kunt vertrouwen, heeft dan kennelijk een sociale omgeving om zich heen die een gevoel van sociale veiligheid verschaft. Je hoeft niet altijd op je hoede te zijn, je hoeft je niet voortdurend krachtiger en stoerder voor te doen dan je in feite bent, je kunt je ook van je kwetsbare kant laten zien, je hoeft niet bang te zijn dat anderen je willen intimideren en op je neerkijken of je willen aftroeven. 

Kortom, je hebt een gemeenschapsomgeving om je heen, waarin je je veilig voelt en waarin je jezelf kunt zijn. Een sociale omgeving dus waarin je weinig wordt geconfronteerd met statuscompetitiegedrag. Daarmee komt overeen dat mensen die meer andere mensen vertrouwen ook meer omgang hebben met familie, vrienden en buren.

En we weten dat dat precies de omgeving is waarin mensen gemakkelijk ook zelf overgaan tot gemeenschapsgedrag. Omdat de menselijke sociale natuur nu eenmaal zo in elkaar zit dat ze dat in een veilige omgeving graag en spontaan doen. Denk aan het onderzoek dat uitwijst dat vertrouwen in anderen en prosociaal gedrag samen op gaan. (Vandaar ook mijn pleidooi om de veelgebruikte term prosociaal gedrag te vervangen door gemeenschapsgedrag, gedrag zoals je dat in een gemeenschap tegenkomt. Anders gezegd: gemeenschapsgedrag doe je samen.) 

Met "vertrouwen in andere mensen" meet je dus niet alleen dat vertrouwen, maar indirect ook het eigen gedrag. Je meet hoever een samenleving zich heeft ontwikkeld in de richting van een gemeenschapstoestand, de toestand dus die het meest tegemoetkomt aan wat mensen in sociaal opzicht kunnen en willen. En andersom, hoever die samenleving zich heeft verwijderd van die tegenovergestelde toestand, die van de statuscompetitie.

De Nederlandse samenleving bevindt zich dus met zo'n 60 procent van de Nederlanders die de meeste mensen vertrouwt, net aan de gunstige kant van het midden tussen gemeenschap en statuscompetitie. Dat is op zich mooi, maar er zou sociaalwetenschappelijk gezien dus nog veel, ja, heel veel, winst zijn te behalen.

Zijn we daarmee op de goede weg? Te oordelen naar de ontwikkeling sinds 2002 lijkt dat het geval. Uitgedrukt in rapportcijfers meldt het CBS dat we zijn gestegen van 5,7 in 2002 naar 6,4 in 2020. Of dat een echte toename is, of een effect van demografische verandering, vergrijzing, zou uitgezocht moeten worden. Er zijn aanwijzingen dat vertrouwen met de leeftijd toeneemt, maar ook aanwijzingen voor het tegendeel.

En we zien daar dat Nederland het beter doet dan de meeste andere landen. Maar Denemarken doet het duidelijk beter.

dinsdag 15 december 2020

Door anderen te vertrouwen creëer je voor hen een veilige sociale omgeving, die ook weer vertrouwen uitlokt

We zagen al allerlei aanwijzingen voor Stelling 2 van de Dual Mode-theorie, die inhoudt dat mensen gemakkelijk met gemeenschapsgedrag reageren als ze dat gedrag bij anderen waarnemen. Pro-sociaal gedrag is besmettelijk, zoals trouwens statuscompetitiegedrag dat ook is. Ik noemde die aanwijzingen in de paragraaf Het belang van de sociale omgeving (Stelling 2) van Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen. Dat mensen zo reageren is begrijpelijk, want gemeenschapsgedrag van anderen schept een sociaal veilige omgeving en als de sociale kust veilig is, dan zijn mensen maar al te graag bereid om met anderen rekening te houden en anderen bij te staan.

Het verschijnen van de studie Trust Does Beget Trustworthiness and Also Begets Trust in Others maakt het mogelijk om daar een aanwijzing aan toe te voegen. Daarin gaat het over het stellen van vertrouwen in anderen en het wel of niet beschamen van dat vertrouwen. Dat gebeurt met het vertrouwensspel, dat in 1995 werd geïntroduceerd in de veel geciteerde studie Trust, Reciprocity, and Social History van Joyce Berg, John Dickhaut en Kevin McCabe. 

In dat spel mag speler A een bedrag verdelen over hemzelf en een anonieme andere persoon (B). Daarna wordt het aan B toegewezen deel van het bedrag verdrievoudigd en kiest B welk deel daarvan hij wil toekennen aan A. Hoe hoger het vertrouwen dat A in B heeft, hoe meer hij aan B zal toekennen. Als B dat vertrouwen waarmaakt, dan zal hij het verdrievoudigde bedrag eerlijk met A delen. Maar hij kan het vertrouwen van A ook beschamen en alles of het meeste voor zichzelf houden. 

Bedenk dat als B zou handelen volgens de rationele keuzetheorie, hij alles voor zichzelf zou houden. En dat A volgens diezelfde theorie dat gedrag zou verwachten en dus het hele beginbedrag voor zichzelf zou houden. Niet een optimale uitkomst, want B ontvangt niets en A minder dan hij zou ontvangen als hij B had vertrouwd en B dat vertrouwen niet had beschaamd.

Er is met dat vertrouwensspel al veel onderzoek gedaan en daaruit komen vrijwel over de hele linie weerleggingen van die rationele keuzetheorie naar voren. Mensen zijn vaak bereid een anonieme andere persoon te vertrouwen en zijn ook vaak bereid om het in hen gestelde vertrouwen niet te beschamen.

Dat "vertrouwensgedrag" behoort natuurlijk tot het gemeenschapsgedrag, tot gedrag zoals in een gemeenschap. Die gemeenschap is immers die veilige sociale omgeving waarin we met elkaar rekening houden en elkaar ondersteunen. En waar we elkaar dus kunnen vertrouwen.

Als persoon A de anonieme andere persoon B vertrouwt, wat dus in onderzoek vaak het geval is, wil dat zeggen dat hij bereid is om een onbekende andere als iemand te beschouwen die tot "de gemeenschap" behoort. Zoals de gemeenschap van alle mensen. Dat wordt ook wel generalized trust genoemd of vertrouwen in mensen in het algemeen. Zie het bericht Meer omgang met vrienden, familie en buren vergroot het algemene vertrouwen in anderen. 

Wat A dus in dat geval doet, is dat hij voor B een veilige sociale omgeving schept. Hij gedraag zich als in een gemeenschap.

Dat gemeenschapsgedrag van A blijkt voor een deel voort te komen uit het in B gestelde vertrouwen, maar voor een ander deel ook uit goedaardigheid, dus uit de bereidheid iets aan iemand anders af te staan. Dat inzicht komt voort uit het onderzoek waarin mensen naast het vertrouwensspel ook het Dictatorspel spelen. Daarin zagen we immers dat mensen ook bereid zijn om van een bedrag een deel aan iemand anders af te staan, ook zonder dat er een verwachting van wederkerigheid in het spel kan zijn. Uit dat onderzoek blijkt dat wat mensen in het vertrouwensspel aan B afstaan, de "optelsom" is van hun goedaardigheid en hun vertrouwen in B. Zie How to identify trust and reciprocity. Een ander woord voor die optelsom is: gemeenschapsgedrag.

Hoe reageert B op die veilige sociale omgeving die A voor hem creëert? Door het verdrievoudigde van A ontvangen bedrag vervolgens met A eerlijk te delen. Dat wil zeggen, dat gemeenschapsgedrag komt in het onderzoek verreweg het meest voor. Als mensen een signaal krijgen van een veilige sociale omgeving, door het gemeenschapsgedrag van anderen, dan zijn ze ook zelf graag bereid tot datzelfde gemeenschapsgedrag. 

Maar daar komt nog iets bij. Want de onderzoekers van die studie Trust Does Beget Trustworthiness and Also Begets Trust in Others hadden iets bedacht dat nog niet eerder was gedaan. Ze lieten degenen die als speler B hadden gespeeld, in een tweede spel optreden als de speler A. Om na te gaan wat het effect zou zijn van het in het eerste spel wel of niet vertrouwd zijn geweest op het gedrag in het tweede spel. 

En wat bleek? Degenen waarin in het eerste spel vertrouwen was gesteld, waren in het tweede spel meer bereid om zelf ook vertrouwen in de ander te hebben. Het in hen gestelde vertrouwen had iets bijgedragen aan hun beeld van een sociaal veilige wereld. Waardoor ze in het tweede spel ook meer vertrouwen voor de ander konden opbrengen dan wanneer ze dat in hen gestelde vertrouwen niet hadden ervaren.

Dat alles is dus geheel in overeenstemming met Stelling 2 van de Dual Mode-theorie. Gemeenschapsgedrag schept sociale veiligheid. En sociale veiligheid lokt gemeenschapsgedrag uit. En zo komt een gemeenschapsevenwicht dichterbij.

woensdag 29 januari 2020

Aanwijzingen voor het vermoeden dat de toename van bestaansonzekerheid een belangrijke oorzaak was van het toegenomen rechts-extremistisch populisme blijven komen.

Aanwijzingen voor het vermoeden dat de toename van bestaansonzekerheid een belangrijke oorzaak was van het toegenomen rechts-extremistisch populisme blijven komen. In The Great Recession and the Rise of Populism doet Evgenia Passari verslag van een analyse van veranderingen in werkloosheid en veranderingen in de aanhang van populistische partijen in 220 regio's in 26 Europese landen tussen 2000 en 2017. De volledige analyse is na te lezen in The European Trust Crisis and the Rise of Populism.

De uitkomst is in het onderstaande plaatje samen te vatten. Daarin worden die landen onderscheiden in Centrum (Oostenrijk, België, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Zwitserland), Noord (Denemarken, Finland, IJsland, Ierland, Verenigd Koninkrijk), Oost (Bulgarije, Tsjechië, Estland, Hongarije, Polen, Roemenië, Slovakije, Slovenië) en Zuid (Cyprus, Griekenland, Italië, Portugal, Spanje).

Al met al zie je dat een toename van werkloosheid gepaard gaat met een toename van de aanhang van populistische partijen. Een werkloosheidstoename van een procent wordt gevolgd door een  groei van stemmen op populistische partijen van een procent. En we weten dat een toename van werkloosheid gepaard gaat met een toename van bestaansonzekerheid, niet alleen van hen die werkloos werden, maar ook van degenen die vrezen het te worden. Als het bestaan onzekerder wordt, als mensen zich onveiliger en bedreigd voelen, dan zijn ze vatbaarder voor populistische boodschappen.



Dat zou er aan kunnen liggen dat mensen door die grotere bestaansonzekerheid het vertrouwen verliezen in het politieke establishment, in hun parlement en in de instellingen van de Europese Unie. En dat blijkt uit analyses van de data van de European Social Survey over de periode tussen 2000 en 2014 ook precies het geval te zijn.

Dat het een met het ander samenhangt is plausibel als je bedenkt dat er in diezelfde periode geen verband was tussen de toename van werkloosheid en het interpersonele vertrouwen (het vertrouwen in andere mensen).

Interessant is dat toenames van werkloosheid ook gepaard gaan met een negatievere houding tegenover immigranten, maar dan specifiek in de zin dat de toename van immigranten wordt gezien als een economische bedreiging. Er is geen aanwijzing voor toenames van aanhang voor de populistische stelling dat immigranten een culturele bedreiging zouden vormen.

Wat betekent dit nu voor het beleid? Evgenia Passari is daar heel duidelijk over: ga niet mee met met dat culturele anti-immigranten frame, maar doe wat aan die bestaansonzekerheid. Voorkom werkloosheid door anticyclisch macro-economisch en fiscaal beleid:
If populism is entrenched in deeply rooted cultural differences, addressing it is a non-trivial endeavor. Our results, however, show that the rise in unemployment results in increased support for anti-establishment parties via the loss of trust in political institutions. Economic factors seem to be an important part of the populism story, and a key determinant of its recent pan-European electoral success. This presents an exceptional opportunity to address populism through the implementation of countercyclical macroeconomic and fiscal policies that will fight unemployment and foster growth.

zaterdag 27 oktober 2018

In een veilige sociale omgeving, waarin mensen elkaar vertrouwen, leven mensen langer

Mensen gedijen als ze zich veilig voelen. Dat gevoel van veiligheid heeft twee componenten: een economische en een sociale.

Bij die economische component gaat het om (het gevoel van) bestaansonzekerheid. Als  mensen onzeker zijn of ze ook in de toekomst rond zullen kunnen komen, dan heeft dat negatieve gezondheidseffecten en kun je dus niet zeggen dat ze gedijen. Aanwijzingen in die richting komen uit het onderzoek dat uitwijst dat mensen met een lagere sociaal-economische status, die meer zorgen hebben over de toekomst, ook een lagere levensverwachting hebben, nog los van andere risicofactoren. Ook blijkt dat het ervaren van bestaansonzekerheid samengaat met het meer ervaren van fysieke pijn. En we kennen de negatieve gezondheidseffecten van baanonzekerheid en van de duur die wordt doorgebracht in flexibele arbeidsrelaties.

Maar er is daarnaast en/of daarmee samenhangend ook een sociale component van dat gevoel van veiligheid. In het onderzoek daarnaar gaat het dan om de mate waarin je andere mensen vertrouwt, in het bijzonder om het vertrouwen in mensen in het algemeen, dat bekend staat als het gegeneraliseerde vertrouwen (generalized trust).

Als je meer vertrouwen hebt in "mensen in het algemeen", dan is dat een aanwijzing dat je je sociale omgeving (straat, dorp/stad, regio, land) als veilig en welwillend inschat. Onderzoek naar de gezondheidseffecten van dat gegeneraliseerde vertrouwen en gezondheid is er al wel, met wisselende resultaten.

Maar nu is er de nieuwe studie Trust and all-cause mortality: a multilevel study of US General Social Survey data (1978–2010), die ondubbelzinnig een positief verband laat zien. De onderzoekers analyseerden data van de voor de Amerikaanse bevolking representatieve steekproeven van de US General Social Survey (GSS) data (1978–2010), gecombineerd met de National Death Index (NDI) until 2014.

De mate van vertrouwen werd zoals gebruikelijk vastgesteld met de vraag
Generally speaking, would you say that most people can be trusted, or that you cannot be too careful in dealing with other people?
Het percentage dat zegt dat je de meeste mensen kunt vertrouwen, was in de jaren 80 van de vorige eeuw 43 procent en daalde tot 34 procent aan het begin van de huidige eeuw.

De onderzoekers hadden ook een maat meegenomen voor de gemiddelde mate van vertrouwen rondom elke deelnemer aan het onderzoek (het contextuele vertrouwen). Voor dat doel hadden ze de Verenigde Staten in negen regio's ingedeeld. Dat maakt het onderzoek interessant omdat bekend is dat er in het Zuiden van de Verenigde Staten meer een statuscompetitieve cultuur (culture of honor) heerst, met minder onderling vertrouwen. Dat laatste bleek er ook uit dat het gegeneraliseerde vertrouwen in de twee zuidelijke regio's 27 en 29 procent was, tegenover 49 procent in de noordwestelijke regio.

Uit de analyses komt dan naar voren dat beide maten van vertrouwen (de individuele en de contextuele) positief samenhangen met de kans dat iemand in 2004 nog leefde. Anders gezegd, hoe meer je mensen in het algemeen vertrouwt en hoe meer je in een regio woont waarin mensen elkaar vertrouwen, dus hoe veiliger je sociale omgeving, hoe langer je leeft. Een veilige sociale omgeving draagt bij aan je gezondheid. En een minder veilige sociale omgeving werkt door een verhoogde kans op sociale stress en angst(stoornissen) negatief uit op je gezondheid.
In de referenties van dit onderzoek kwam ik ook deze interessante studie tegen: Self-rated health, generalized trust, and the Affordable Care Act: A US panel study, 2006–2014. Die laat zien dat dat gegeneraliseerde vertrouwen ook afhangt van de bestaanszekerheid die de overheid verschaft. Het vertrouwen in andere mensen nam in de VS toe nadat de Affordable Care Act (Obamacare) was aangenomen.

maandag 12 juni 2017

Een natuurlijk experiment met een kleinere overheid. Het Kansas-debacle

Update. Zie nu, begin 2018, ook Kansas Provides Compelling Evidence of Failure of "Supply-Side" Tax Cuts. 
In de Amerikaanse staat Kansas hebben de Republikeinen, de ideologen van de kleine overheid, de afgelopen jaren hun kans gegrepen om hun ideologie in de praktijk te brengen. Onder leiding van Gouverneur Sam Brownback voerden ze drastische belastingverlagingen door, met de vaste overtuiging dat ze door deze "adrenalinestoot" snel de economische groei zouden kunnen aanjagen.

Met dit "natuurlijke experiment", zoals Brownback het noemde, zou vast en zeker bewezen worden dat een kleinere overheid beter is voor de economie. Geheel in overeenstemming met de adviezen van economen als Arthur Laffer en Stephen Moore, die eerder President George W. Bush aanzetten tot belastingverlagingen en die nu de auteurs-op-de-achtergrond zijn van de belastingplannen van President Donald Trump.

Maar de feitelijke ontwikkelingen in Kansas komen niet overeen met de hooggestemde verwachtingen. De economische groei en de groei van de werkgelegenheid lopen juist sterk achter bij het gemiddelde van de andere staten. Bovendien heeft de staat grote budgettaire problemen. Terwijl sterk bezuinigd werd op de uitgaven aan infrastructuur en onderwijs. Het Hooggerechtshof greep in met het oordeel dat het gebrek aan middelen in het onderwijs indruiste tegen de Grondwet.

Gematigde Republikeinen die dit beleid aanvankelijk ondersteunden, keren nu op hun schreden terug. Samen met de Democraten beschouwen ze het experiment als mislukt en hebben ze de belastingverlagingen grotendeels teruggedraaid. Tegen de wil van Brownback en andere diehard conservatieven in. Zie de recente berichten Kansas Republicans raise taxes, ending their GOP governor’s ‘real live experiment’ in conservative policy en Kansas Republicans end the state’s failed tax reform experiment. Update. En Finally, Something Isn’t the Matter With Kansas.

Het is een interessante ontwikkeling. De neoliberale ideologie van de kleine overheid kent nog steeds veel aanhangers, ook in Nederland. Mark Rutte behoort daartoe, maar ook de PvdA en de meeste andere politiek partijen. Het is de ideologie die ten grondslag lag aan het idee dat je er juist in een crisis snel weer bovenop komt door, procyclisch, snel en veel te gaan bezuinigen. Eigenlijk hebben we daarmee ook in Nederland een natuurlijk experiment meegemaakt. Dat net als in Kansas geheel verkeerd uitpakte (hoewel de media dat angstvallig proberen te negeren). Zie nog maar weer eens Bas Jacobs, Coen Teulings en de ING.

Dat verband tussen de omvang van de overheid en de economische groei ligt natuurlijk veel genuanceerder als je echt de moeite neemt om naar de wetenschappelijke literatuur te kijken. Die overzie ik geloof ik niet in zijn geheel, maar het lijkt me dat GOVERNMENT SIZE AND GROWTH: A SURVEY AND INTERPRETATION OF THE EVIDENCE van Andreas Bergh en Magnus Henrekson de stand van zaken goed weergeeft.

Zij komen tot de conclusie dat voor de rijkere landen inderdaad geldt dat een grotere omvang van de overheid (als percentage van het BNP) samengaat met een wat lagere economische groei. Maar ook geldt dat de richting van het oorzakelijke verband eigenlijk niet valt te achterhalen:
In fact, it is close to conceptually meaningless to discuss a causal effect from an aggregate such as government size on economic growth. Thus, scholars like Kneller et al. (1999) and Bassaniniet al. (2001) have in our view rightly concluded it is more fruitful to analyse separately the mechanisms through which different taxes and expenditure affect growth. Not all taxes are equally harmful, and some studies identify public spending on education and public investment to be positively related to growth.
Maar ook wijzen Bergh en Henrekson op het gegeven dat er landen zijn, zoals de Scandinavische landen, waar een omvangrijke overheid juist heel goed samengaat met hoge economische groei. En dat zou er aan kunnen liggen dat dat landen zijn met een hoge mate van vertrouwen van burgers in elkaar. Dat vertrouwen maakt een omvangrijke overheid mogelijk, met weinig corruptie en weinig belastingontwijking en -fraude. Terwijl vertrouwen bovendien goed is voor de economie.

Dat is boeiend, als je bedenkt dat die ideologie van de kleine overheid psychologisch gezien wel eens zou kunnen voortkomen uit een lage mate van vertrouwen in anderen. Als je anderen wantrouwt, dan wil je zo weinig mogelijk van anderen afhankelijk zijn. En wil je dus zo weinig mogelijk collectief regelen.

Anderen zijn er immers alleen maar op uit om van jouw inspanningen te profiteren. Klaplopers en profiteurs! Moochers! Daar wil je niets mee te maken hebben. In die psychologie van de kleine overheid zou wantrouwen wel eens de cruciale factor kunnen zijn.
Update. Lees nu ook Paul Krugman over het Kansas-debacle en over de republikeinse partij: We’re Not Even In Kansas Anymore.

vrijdag 14 april 2017

Hoe fundamenteel sociaal zijn wij? Over interpersonele autonome synchronie

Mensen zijn fundamenteel sociaal. In de zin dat de spontane activiteit in onze hersenen in een toestand van rust, ons er op voorbereidt om snel de bedoelingen van andere mensen te begrijpen. De spontane activiteit in het zogenaamde default- (terugval-)netwerk van onze hersenen als we geen prikkels van buiten krijgen, "zorgt er voor" dat we voorbereid zijn (geprimed zijn) op een intentionele houding tegenover mensen. Dat is de uitkomst van de studie The Default Mode of Human Brain Function Primes the Intentional Stance (pdf).
Zo begon het bericht Hoe fundamenteel sociaal zijn wij? van al weer meer dan een jaar geleden. Nu kreeg ik de studie Interpersonal Autonomic Physiology: A Systematic Review of the Literature onder ogen, die verslag doet van een review van onderzoek naar interpersonele fysiologische synchronie.

Het is een uitgebreide studie die ik hier niet volledig kan samenvatten, al was het maar doordat ik maar beperkt op de vereiste deskundigheid kan terugvallen. Maar ik maak er hier wel melding van omdat het fascinerende lectuur is. En omdat het een ander aspect betreft van hoe fundamenteel sociaal wij zijn dan waar het in dat vorige bericht over ging.

Ultrakort samengevat gaat het om onderzoek dat er op wijst dat de werking van ons autonome zenuwstelsel er toe neigt om synchroon te gaan lopen met dat van anderen, vooral met anderen die ons vertrouwd zijn. Dat autonome zenuwstelsel bestaat uit het sympathische systeem dat ons activeert als dat nodig lijkt (fight or flight) en het parasympathische systeem dat gericht is op rust en herstel (rest and digest). Die twee systemen zijn op elkaar afgestemd en maken het ons mogelijk om, meestal adequaat, te anticiperen en te reageren op uitdagingen zonder dat we daar bewust bij hoeven na te denken.

Veel onderzoek laat dus zien dat de werking van dat autonome zenuwstelsel, gemeten aan maten als hartslag, hartslagvariabiliteit, ademhaling, huidweerstand en huidtemperatuur, synchroon gaat lopen met die van anderen die in onze nabijheid zijn. En naar het lijkt meer met die van vertrouwden dan met (nog) vreemden.

En die mate van synchronie lijkt weer samen te hangen met onderlinge empathie en wederzijds vertrouwen. Dat wil zeggen, onderzoek naar die synchronie tussen therapeut en cliënt, tussen echtparen, tussen ouders en kind en tussen teamgenoten lijkt daar op te wijzen. Waarschijnlijk kun je die synchronie beschouwen als het fysiologische substraat van hechtingsprocessen.

En er lijkt een verband te zijn met de omstandigheid dat wij maar beperkt in staat zijn om onze emoties individueel goed te reguleren. Denk aan Verbondenheid met anderen beschermt tegen zwakke emotionele zelf-regulering en We verbeteren onze emotionele zelfregulering door anderen in hun zelfregulering bij te staan.

Want bij dat autonome zenuwstelsel gaat het natuurlijk over onze emoties. En als we dus die synchronie met anderen ontberen, dan zijn we voor het handhaven van ons emotionele evenwicht geheel op onszelf teruggeworpen.

En dat leert weer veel over waarom we sociaal isolement snel als een gevoel van eenzaamheid en als stressvol ervaren. Update. En het doet vermoedens rijzen over wat de vluchtigheid van sociale relaties voor ons betekent. Zie Over de uitdagingen van de sociale vluchtigheid.

In dat verband kwam ik via de referenties terecht op de interessante studie Relationships as Regulators van Tiffany Field. Daarover misschien een andere keer. Hier al vast de Abstract:
This paper reviews the Hofer (1984, 1996) and Field (1985, 1994) models on relationships as regulators, suggesting that relationships regulate optimal stimulation and thereby modulate arousal levels and attenuate stress. In these models, the behavioral, physiological and biochemical rhythms of individuals become synchronized within close relationships like mother-infant and peer relationships both in human and animal species, and they become more coordinated over time, with some potentially remaining stable, much like zeitgebers. Hofer supports his model by data on infant rat separation stress and Field describes “psychobiological attunement” between human infants and their mothers and between young peers. This review revisits the “relationships as regulators” model, summarizing studies on relationships between non-depressed versus depressed mothers and their infants, between infant, preschool and preadolescent friends versus acquaintances and between happily versus unhappily married couples. Although some behavioral and physiological data support Hofer’s and Field’s “relationships as regulators” model, many studies on relationships have focused instead on the effects of separation or loss. Both Hofer and Field suggest that the real question is “what was there about the relationship that was then missing after the loss?” Future research could address the question of potential mediators and underlying mechanisms for relationships becoming regulators. Potential mediators are explored here including mirror neurons, affective priming, imitation and empathy. The individuals’ rhythms and the attraction to others’ rhythms as regulators may be an epigenetic programming phenomenon, suggesting both genetic and early experience effects that endure across development.

vrijdag 27 januari 2017

Bestaansonzekerheid, ziektekostenverzekering en sociale cohesie - En over Obamacare

Het ervaren van bestaansonzekerheid heeft heel negatieve gevolgen. Lees nog even deze eerdere berichten:
In een maatschappij als de onze gaat het bij bestaansonzekerheid vrijwel altijd om het te kampen hebben met financiële onzekerheid, zoals door werkloosheid of baanonzekerheid. Maar een bron van onzekerheid is ook dat je ziek kunt worden en met de kosten van medische zorg te maken krijgt. En die kunnen zoals bekend hoog zijn.

De meeste ontwikkelde landen kennen daarom een wettelijk geregelde collectieve ziektekostenverzekering, die inhoudt dat iedereen verzekerd is, ook degenen die zulks op een particuliere markt nooit zouden kunnen betalen.

Uitzondering was tot de invoering van Obamacare (de Affordable Care Act) de Verenigde Staten. Niet dat iedere Amerikaan nu verzekerd is, maar het aantal verzekerden is wel sterk gestegen. Dat betekent dat voor veel Amerikanen hun bestaanszekerheid is toegenomen.

Er is nu nieuw onderzoek dat een licht werpt op wijdere gevolgen van die toegenomen bestaanszekerheid: Beyond Health Effects? Examining the Social Consequences of Community Levels of Uninsurance Pre-ACA. De onderzoekers, Tara McKay en Stefan Timmermans, analyseerden de data van de Los Angeles Family and Neighborhood Survey, die voorafgaand en na de invoering van Obamacare waren verzameld.

Ze konden daardoor buurten vergelijken waarvan meer of minder bewoners tegen ziektekosten waren verzekerd. Gecontroleerd voor allerlei relevante variabelen (inkomen, gezondheid, veiligheid, armoede, residentiële stabiliteit) leverde dat op dat in buurten met meer verzekerden de sociale cohesie groter was dan in buurten met minder verzekerden.

Bij die sociale cohesie ging het om zaken als het elkaar kennen, het goed met elkaar omgaan, vertrouwen in elkaar hebben en onderlinge hulpvaardigheid. Het verband zie je hieronder afgebeeld: hoe meer onverzekerden in een buurt, hoe lager de sociale cohesie (overgenomen uit het artikel).


Over de vraag hoe dit te verklaren, valt van alles te zeggen. De onderzoekers overwegen dat zorgaanbieders verplicht zijn om onverzekerden in spoedgevallen te behandelen, uiteraard uiteindelijk op kosten van de wel verzekerden. Dat kan de onderlinge verhoudingen verstoren. 

Met de invoering van Obamacare is er daarentegen een expliciet collectief arrangement, waarin iedereen naar vermogen bijdraagt. En dat draagt misschien weer bij aan een gevoel van onderlinge solidariteit, dat in het teken staat van bestaanszekerheid voor iedereen.

Het grote belang van bestaanszekerheid voor mensen én voor de sociale verhoudingen wordt daarmee weer iets duidelijker.

maandag 5 september 2016

Puur altruïsme bestaat echt - En meer bij ouderen

Het is misschien de tijd waarin we leven, maar je komt vaak een cynische kijk op mensen tegen. Die houdt in dat iedereen van binnen een egoïst is die alleen op eigen gewin uit is en dat alle menselijke goedheid niet meer is dan een vernislaagje dat dient om van anderen het vertrouwen te winnen en om van hun goedgelovigheid te profiteren. Wat op altruïsme lijkt, zou dan alleen maar voortkomen uit de zorg om de eigen reputatie, om op anderen indruk te maken. Dat cynisme wordt wel verwoord met de frase Scratch an ‘altruist’ and watch a ‘hypocrite’ bleed.

Dat cynisme staat op de een of andere manier wel stoer en in een statuscompetitieve maatschappij is het altijd goed om stoer over te komen.

Maar de menselijke sociale natuur is complex en het is plausibel dat "echt", "puur" altruïsme er ook onderdeel van is. (Denk aan de Dual Mode-theorie als het gaat om die complexiteit.)

De nieuwe studie A General Benevolence Dimension That Links Neural,Psychological, Economic, and Life-Span Data on AltruisticTendencies versterkt de al bestaande aanwijzingen in die richting. Zie ook Signs of pure altruism converge in the brain and increase with age voor een samenvatting van het onderzoek.

De onderzoekers namen bij 80 personen een fMRI-scan af terwijl die keken naar verschillende verdelingen van sommen geld over henzelf en verschillende goede doelen. Ze keken in het bijzonder naar de hersengebiedjes waarin beloond worden neuraal wordt verwerkt. Bij sommige van de deelnemers waren die gebiedjes vooral actief in die gevallen dat die verdelingen voor henzelf gunstig uitvielen.

Maar bij anderen waren ze juist heel actief als er veel geld naar een goed doel ging. Wat dus laat zien dat deze personen daarbij een gevoel van beloning ervoeren. Bij hen was het besef dat een charitatieve instelling meer middelen kreeg toegediend, een aangename ervaring.

Beide blijkt dus mogelijk: de een is een egoïst, de ander een (pure) altruïst.

Interessant was dat dat pure altruïsme blijkt samen te hangen met de scores op vragenlijstjes waarmee de mate van empathische bezorgdheid en de geneigdheid tot inleving in anderen werden gemeten. Wat mensen verbaal over zichzelf vertelden, blijkt te worden "bevestigd" door hun hersenactiviteit.

Opvallend was ook dat het pure altruïsme meer voorkwam bij de ouderen. Dat kan er op wijzen dat het met de jaren groeit. Misschien hangt dat er mee samen dat we gedurende onze levensloop beter leren om andere mensen te vertrouwen, Omringd door anderen die je vertrouwt, is het makkelijker om puur altruïstisch te zijn.

Maar toch vraag je je af of dat niet anders zou kunnen. Waarom moeten mensen eerst een egoïstische en wantrouwende levensfase door alvorens uit te groeien tot elkaar vertrouwende altruïsten? Wat een verspilling.

donderdag 14 januari 2016

Hebben cynici een hoger of lager inkomen?

Als je cynisch bent, anderen wantrouwt en hen als vijanden ziet, dan heb je geen prettig leven. In onderzoek wordt cynisme als een persoonlijkheidstrek vastgesteld door mensen te vragen hoe eens of oneens ze het zijn met met uitspraken als:
  • Ik denk dat de meeste mensen zouden liegen als ze daar beter van werden
  • Het is veiliger om niemand te vertrouwen
  • De meeste mensen gebruiken oneerlijke middelen om voordelen te behalen
Bedenk dat er overlap is met de persoonlijkheidstrekken van de Donkere Drie. En het ligt voor de hand dat cynici meer statuscompetitief zijn ingesteld.

Zulke mensen zijn er, maar ze hebben zoals gezegd geen aangenaam leven. Ze zijn vaak slechtgehumeurd en neigen tot depressie. En ze hebben een grotere kans op gezondheidsklachten die met stress kunnen samenhangen, zoals suikerziekte en hart- en vaatziekten. Dat kan er goed mee te maken hebben dat ze door hun wantrouwen en vijandigheid niet in staat zijn om goede sociale contacten te onderhouden.

Maar zou het kunnen zijn dat cynisme en wantrouwen je in materieel opzicht wel goed van pas komen? Een cynicus zal zich weinig aantrekken van het lot van anderen en zal opportunistisch elke mogelijkheid gebruiken om er zelf beter van te worden, ook als dat ten koste gaat van anderen. Hij (zij) laat zich niet hinderen door morele gevoelens en medeleven met anderen. Met als motto: als niemand deugt, hoef ik zelf ook niet te deugen. Levert dat bijvoorbeeld een hoger inkomen op?

Nieuw onderzoek (Cynical beliefs about human nature and income: Longitudinal and cross-cultural analyses) kan daar antwoord op geven. Daaruit blijkt dat het er vanaf hangt in wat voor samenleving je verkeert.

In de meeste landen is cynisme een eigenschap die materieel succes in de weg staat. Cynici doen het qua bereikte inkomen slechter dan degenen die anderen met meer vertrouwen tegemoet treden. Hun wantrouwen en vijandigheid maken het moeilijk om goede relaties met anderen te hebben en om met anderen samen te werken. Ze raken vaak in conflicten verzeild of ze trekken zich terug. En dat blijkt niet te helpen om hogerop te komen.

Maar dat blijkt anders te liggen in landen waar mensen elkaar weinig vertrouwen. Waar veel meer mensen cynisch in het leven staan. Anders gezegd, landen die hoog scoren op de Societal Cynicism Index. Dat zijn landen waar veel inwoners opvattingen onderschrijven als:
  • Je komt er alleen maar door in de problemen als je je bezig houdt met maatschappelijke kwesties
  • Als je te aardig bent lopen anderen over je heen
In zulke landen zijn mensen ook weinig geneigd om anderen bij te staan (volgens de World Giving Index) en liggen bovendien de moord- en doodslagstatistieken hoger.

Als je in zo'n wantrouwende en vijandige sociale omgeving opgroeit en verkeert, dan is het maar beter om niet te goed van vertrouwen te zijn. 

Je ziet dat in de figuur afgebeeld. Zelf sterk cynisch zijn (rechts op de horizontale as) is voor jouw bereikte inkomen veel nadeliger als je inwoner bent van een land met een laag cynisme van de bevolking (zie de bovenste vette lijn) dan wanneer je niet cynisch bent (links op de horizontale as). Maar in een land met een overwegend cynische bevolking maakt jouw cynisme voor jouw inkomen maar weinig uit (zie de onderste dunne lijn).

Een en ander komt overeen met de voorspelling van de Dual-Mode theorie dat statuscompetitie een slechte strategie is, maar dan vooral in een sociale omgeving met veel gemeenschapsgedrag. De meeste mensen zijn sociaal flexibel en weten zich aan te passen aan de sociale omgeving waarin ze opgroeien en verkeren. Zie Gezondheid en sociale omgeving (9): maakt het uit wat mensen nastreven?

O ja, voor welke landen geldt dat cynisme nauwelijks minder inkomen oplevert? Landen dus waarvoor die onderste dunne, bijna horizontale lijn geldt? In dit onderzoek waren dat: Albanië, Azerbeidzjan, Cyprus, Estland, Ierland, Macedonië, Moldavië, Portugal, Rusland, Turkije en Oekraïne.

vrijdag 13 november 2015

Etnische diversiteit niet slecht voor vertrouwen - Waar het wel om gaat? Om vertrouwdheid!

De Volkskrant maakt er vanochtend melding van dat een her-analyse van data van Robert Putnam uitwijst dar het niet klopt dat mensen in meer etnisch gemengde wijken elkaar minder vertrouwen.

Als je de analyse overdoet en beter rekening houdt met andere, bekende oorzaken van vertrouwen, dan blijkt dat het niet om die diversiteit op zich gaat, maar om onderliggende factoren, zoals armoede en residentiële stabiliteit. Het artikel, Putting Diversity in its Place. The Continuing Significance of Race for Self-Reported Trust, verschijnt in de november aflevering van de American Journal of Sociology, maar nu is alleen nog de Abstract beschikbaar. Putnam moet er niet goed rekening mee hebben gehouden dat etnisch gemengde wijken vaak ook armer zijn en een groter verloop kennen.

Goed dat die her-analyse is uitgevoerd. Het resultaat lijkt te bevestigen dat het bij de vraag of mensen elkaar vertrouwen vooral gaat om hoe vertrouwd ze met elkaar zijn. Dus om hoe lang ze elkaar al kennen en hoe lang ze al contact hebben. Denk aan het bericht Draait alles om vertrouwdheid? en aan dit bericht over de bekende contacthypothese.

Want als een buurt meer een duiventil is, dan hebben de bewoners niet de tijd om elkaar te leren kennen. En dat is slecht voor het sociale leven in de buurt. Evenzo weten we dat als je individuen vergelijkt, het vaak verhuisd zijn negatieve gevolgen heeft.

Maar hoe zit het dan met armoede? Past dat ook in deze redenering? Ja, dat zou best eens kunnen. Want armoede gaat sterk gepaard met een laag opleidingsniveau en het blijkt steeds dat mensen met een lagere opleiding minder sociaal vertrouwen hebben. Zie Sociaal en institutioneel vertrouwen in Nederland (pdf).

Dat laatste ligt misschien aan persoonseigenschappen die bevorderlijk zijn voor het bereiken van een hoge opleiding én voor het gemakkelijk vertrouwen van andere mensen. (Update. Denk aan openness to experience, een van de vijf persoonlijkheidseigenschappen.) Maar het kan ook zijn dat je door een langere onderwijsloopbaan meer ervaring hebt opgedaan in het omgaan met onbekenden en in het contact maken met anderen. Waardoor je gemakkelijker anderen vertrouwt. Update. Ter verduidelijking: verschillen in opleiding zouden dan dus samenhangen met verschillen in de mate waarin je vertrouwdheid met anderen tot stand kunt brengen.

Maar de boodschap lijkt me vandaag dus vooral dat alles draait om vertrouwdheid.

maandag 2 november 2015

Pro-sociaal gedrag en vertrouwen in anderen gaan samen op - en over waarom dat geen verrassing zou moeten zijn

Onderzoek geeft opnieuw een aanwijzing dat pro-sociaal gedrag en vertrouwen in anderen samen op gaan.

Jouw neiging tot pro-sociaal gedrag, dus tot het helpen en ondersteunen van anderen, wordt sterk beïnvloed door hoeveel van datzelfde gedrag je in jouw sociale omgeving meemaakt. Denk aan de Dual Mode-theorie. En hoe meer jij omgeven wordt door anderen die zich pro-sociaal gedragen, hoe meer jij geneigd zult zijn om andere mensen te vertrouwen. Het is eigenlijk zo eenvoudig als het maar zijn kan. Lees ook nog eens het verreweg meest gelezen bericht van dit blog Wat is eigenlijk pro-sociaal gedrag?

Het nieuwe onderzoek Two-Component Model of General Trust: Predicting Behavioral Trust from Attitudinal Trust (betaalpoort) van Toshio Yamagishi e.a. laat nu overtuigend zien dat de neiging tot het hebben van vertrouwen in andere mensen, interpersoneel vertrouwen, op verschillende manieren gemeten, sterk samenhangt met de neiging tot pro-sociaal gedrag. Bovendien hangt pro-sociaal gedrag sterk samen met het honoreren van het in jou gestelde vertrouwen door anderen.

Het zou geen verrassing moeten zijn. Dat het dat voor veel onderzoekers wel schijnt te zijn, komt waarschijnlijk doordat onderzoek er vaak uit bestaat dat steekproeven van personen worden ondervraagd.

Daardoor ben je automatisch gericht op het theoretiseren over en zoeken naar verbanden tussen kenmerken van personen. En krijg je er minder gemakkelijk zicht op dat personen die zich pro-socialer gedragen, de neiging hebben om elkaar "op te zoeken", om te clusteren. Waardoor ze vervolgens weer door hun omgeving meer beïnvloed worden om zich pro-sociaal te gedragen.

En waardoor ze natuurlijk ook gemakkelijker leren dat anderen zijn te vertrouwen.

Dat hele selectie- en beïnvloedingsproces, daar krijgen onderzoekers die alleen met vragenlijsten werken niet zo gemakkelijk zicht op.

Zie in dit verband ook (nog eens) de berichten Te geven is zaliger dan te ontvangen - Maar de gelegenheid maakt de gever en Door lidmaatschappen en vrijwilligerswerk niet meer sociaal vertrouwen - wel door persoonlijke contacten.

woensdag 27 mei 2015

Door lidmaatschappen en vrijwilligerswerk niet meer sociaal vertrouwen - wel door persoonlijke contacten

Waar hangt het algemene vertrouwen in andere mensen vanaf? Ook wel sociaal vertrouwen genoemd? Of generalized trust? Gemeten met het antwoord op de vraag "Zou je zeggen dat de meeste mensen zijn te vertrouwen of dat je niet voorzichtig genoeg kunt zijn?"

Een bekend vermoeden is dat het lidmaatschap van verenigingen en en het doen van vrijwilligerswerk, zeg maar: formele participatie, ons er toe brengt om mensen in het algemeen meer te vertrouwen. We doen ervaringen op met personen die we nog niet kenden en dat zou ons sociale vertrouwen vergroten. En we weten dat meer formele participatie inderdaad samengaat met meer sociaal vertrouwen.

Maar dat zegt nog niet dat die grotere participatie ook de oorzaak is van dat grotere sociale vertrouwen. En de nieuwe studie Generalized Trust Through Civic Engagement? Evidence from Five National Panel Studies (betaalpoort) laat zien dat zulks inderdaad niet het geval is. Uit de analyses van een aantal panelstudies, waarin mensen door de tijd heen werden gevolgd, blijkt dat een toename van formele participatie niet leidt tot meer sociaal vertrouwen.

Dat zou kunnen betekenen dat de mate van sociaal vertrouwen meer een persoonlijkheidskenmerk is en dat mensen die meer dat kenmerk hebben ook meer lid zijn van verenigingen en meer vrijwilligerswerk doen.

Het is om verschillende redenen gunstig dat mensen een hoge mate van sociaal vertrouwen hebben. Zo zijn mensen met meer vertrouwen tevredener met hun leven en hebben ze een betere gezondheid. En in landen met een hogere mate van sociaal vertrouwen werkt de democratie beter, is er minder corruptie, minder criminaliteit en meer economische groei.

Het lijkt daarom belangrijk om te achterhalen waar dat sociale vertrouwen dan wel van afhangt. Want het lijkt onwaarschijnlijk dat het alleen maar een stabiel en onveranderbaar persoonlijkheidskenmerk is.

Maar wacht, wisten we al niet dat het hebben van meer contacten in de persoonlijke levenssfeer, dus contacten met familie, vrienden en buren, het sociale vertrouwen vergroot? Ja, dat klopt. Denk aan het longitudinale onderzoek waar ik eerder het bericht Meer omgang met vrienden, familie en buren vergroot het algemene vertrouwen in anderen aan wijdde. Want dat onderzoek toont aan dat door een toename in die sfeer van de persoonlijke contacten ook het sociale vertrouwen toeneemt.

Meer contacten met familie, vrienden of buren? Dan neemt het sociale vertrouwen ook toe. Vergroting van de kring van persoonlijke vertrouwdheid is goed voor het sociale vertrouwen.

Het lijkt er op dat we daar niet genoeg bij stilstaan. Om goed in het leven en vooral goed in de maatschappij te kunnen staan, hebben mensen de basis nodig van een kring van persoonlijke vertrouwdheid die groot genoeg is.

Hm, hoe was het ook weer? Was het niet zo dat 40 procent van de volwassen Nederlanders zegt zich enigszins of (zeer) ernstig eenzaam te voelen? Dan kun je denk ik wel zeggen dat de grondslag voor het sociale vertrouwen bedreigd wordt.

maandag 13 april 2015

In Nederland juist minder vertrouwen in andere mensen bij het ouder worden

Een recent onderzoek geeft aanwijzingen dat het vertrouwen in andere mensen met het ouder worden toeneemt. Ik maakte er melding van in het bericht Waardoor neemt ons vertrouwen in andere mensen toe als we ouder worden? Het ging om een onderzoek met data van het World Values Survey dat werd uitgevoerd in 83 landen en het bleek dat het zogenaamde interpersonele vertrouwen (ook wel sociaal vertrouwen genoemd) bij ouderen hoger was dan bij jongeren. Bovendien bleek uit een longitudinaal onderzoek in de Verenigde Staten dat het vertrouwen ook echt met het klimmen der jaren toeneemt.

Bij het interpersonele vertrouwen gaat het om het antwoord op de vraag of je vindt dat de meeste mensen te vertrouwen zijn of dat je met andere mensen niet voorzichtig genoeg kunt zijn. Je moet dan kiezen voor een van de twee antwoordmogelijkheden.

Ik had ook een verklaring geopperd:
Misschien vallen we terug op een strategie waarop in het verleden door de evolutie is geselecteerd. De strategie namelijk dat het beter is om te voorzichtig te zijn dan te roekeloos. Want een keer te roekeloos kan fataal zijn. Dat verklaart ook waarom we vaak angstiger zijn dan "objectief gezien" nodig is. Te angstig draagt meer bij aan overleving dan te roekeloos.
En als we nog jong zijn en nog weinig sociale ervaringen hebben opgedaan met onbekenden, zal dus die voorzichtige strategie domineren. Maar met het ouder worden doen we meer ervaringen op en ontdekken we langzamerhand dat anderen over het algemeen heel goed te vertrouwen zijn. Hoe meer we zulke vertrouwenwekkende ervaringen hebben opgedaan, hoe groter ons vertrouwen in anderen.
Min of meer toevallig viel vanochtend mijn oog op de CBS-studie Sociaal en institutioneel vertrouwen in Nederland (pdf), met daarin de tabel 3.2.1 op pagina 7, waaruit blijkt dat het vertrouwen in andere mensen in Nederland met het klimmen der jaren juist afneemt. Van de leeftijdsgroepen tussen 15 en 55 jaar heeft rond de 60 procent vertrouwen in andere mensen. Vervolgens daalt dat percentage naar 58 voor de leeftijdsgroep 55-64 jaar, naar 52 voor de 65 tot 74-jarigen en tot 49 voor degenen ouder van 75 jaar of ouder.

Misschien vind je de 60 procent al aan de lage kant. Ik ben zelf geneigd om het verontrustend te vinden dat tenminste 40 procent geen vertrouwen in andere mensen heeft. Daar moet je wel bij bedenken dat Nederland in vergelijking met andere landen hoog scoort op dat interpersonele vertrouwen. In Europa scoren alleen de Scandinavische landen hoger. Andere mensen niet vertrouwen is dus een wijdverbreid verschijnsel.

Maar afgezien daarvan, wat is er in ons land aan de hand dat wij met het ouder worden juist minder vertrouwen in andere mensen krijgen? Als mijn "verklaring" hout snijdt, dan zou het zo moeten zijn dat wij Nederlanders gedurende ons leven juist vaak in ons vertrouwen in anderen worden teleurgesteld. En die gecumuleerde ervaringen maken dat we anderen minder gaan vertrouwen.

Geen prettige gedachte. Vooral ook omdat er dus veel andere landen moeten zijn waarin mensen met het klimmen der jaren juist in hun vertrouwen gesterkt worden.

dinsdag 31 maart 2015

Waardoor neemt ons vertrouwen in andere mensen toe als we ouder worden?

We wisten al dat ouder worden een serie positieve effecten heeft. Bij het klimmen der jaren ontwikkelen we, gemiddeld genomen, een aangenamere persoonlijkheid, zijn we minder op onszelf gericht, krijgen we beter inzicht in onze authentieke behoeften,  zijn we minder gestresst, leren we om beter met onze emoties om te gaan, zijn we tevredener met onze persoonlijke relaties en zijn we pro-socialer. De nieuwe studie Growing to Trust. Evidence That Trust Increases and Sustains Well-Being Across the Life Span  (betaalpoort) voegt daar aan toe dat met het ouder worden ons vertrouwen in andere mensen toeneemt.

Uit een analyse van gegevens van bijna 200.000 ondervraagden verspreid over 83 landen blijkt dat ouderen meer dan jongeren vertrouwen hebben in andere mensen. Dat wil zeggen dat ze het er mee mee eens waren dat je de meeste mensen kunt vertrouwen en het er minder mee eens waren dat je met anderen nooit voorzichtig genoeg kunt zijn. Datzelfde patroon komt naar voren als je vraagt naar het vertrouwen in medeburgers, mensen die je persoonlijk kent, mensen die je voor het eerst ontmoet en mensen met een ander geloof en mensen met een andere nationaliteit.

En een longitudinale studie van gegevens uit de Verenigde Staten verschaft aanwijzingen dat dit ook inderdaad effecten zijn van het ouder worden. In plaats van zogenaamde cohorteffecten, die er op wijzen dat het vertrouwen in latere perioden groter is dan in eerdere.

Hoe zou dat komen, dat we meer vertrouwen krijgen in anderen als we ouder worden? Het kan er mee te maken hebben dat we in een maatschappij opgroeien waarin we naast de omgang met bekende en vertrouwde personen (familie, vrienden), ook veel te maken hebben met mensen die we niet goed kennen of die zelfs anoniem zijn. Over die laatste categorie hebben we maar weinig informatie en vaak is die indirect, van horen zeggen en via de media. Hoe bepalen we hoe veel vertrouwen we daarin mogen hebben?

Misschien vallen we terug op een strategie waarop in het verleden door de evolutie is geselecteerd. De strategie namelijk dat het beter is om te voorzichtig te zijn dan te roekeloos. Want een keer te roekeloos kan fataal zijn. Dat verklaart ook waarom we vaak angstiger zijn dan "objectief gezien" nodig is. Te angstig draagt meer bij aan overleving dan te roekeloos.

En als we nog jong zijn en nog weinig sociale ervaringen hebben opgedaan met onbekenden, zal dus die voorzichtige strategie domineren. Maar met het ouder worden doen we meer ervaringen op en ontdekken we langzamerhand dat anderen over het algemeen heel goed te vertrouwen zijn. Hoe meer we zulke vertrouwenwekkende ervaringen hebben opgedaan, hoe groter ons vertrouwen in anderen.

Maakt het wat uit of dat vertrouwen groot is of niet? Jazeker, want het blijkt ook dat we ons gelukkiger voelen en tevredener zijn met het leven als we andere mensen meer vertrouwen. We ervaren dan de wereld om ons heen als veiliger en minder bedreigend. We moeten dus leren dat de wereld veiliger is dan we dachten toen we nog jong waren en daardoor voelen we ons beter.

Dat toenemende vertrouwen zou dus ook verklaren dat we met het ouder worden minder gestresst zijn en meer pro-sociaal.

woensdag 18 februari 2015

Het misverstand dat in "de economie" alles draait om concurrentie

Naast het misverstand dat "de economie" bestaat uit het bedrijfsleven, is er ook het wijdverbreide misverstand dat in "de economie" alles draait om concurrentie. Als er maar voldoende concurrentie is tussen aanbieders en als landen maar genoeg concurreren op hun "concurrentiekracht" (competitiviteit), dan zal de economie bloeien en zal de economische groei grote hoogten bereiken.

Dat misverstand ligt ten grondslag aan het grootscheepse proces van deregulering, liberalisering en privatisering dat we in veel landen de laatste tientallen jaren hebben meegemaakt. In dat proces zijn zeker ook schadelijke prijsopdrijvende kartels en beschermingsconstructies opgeruimd. Ook in Nederland, dat voordien bekend stond als het kartelparadijs. En het is juist Europese regelgeving geweest die dat proces heeft bevorderd. Dat wijst er op dat er te weinig concurrentie kan zijn. Maar we hebben ook geleerd dat het concurrentiedenken kan doorschieten.

Ook ligt het ten grondslag aan de economische doctrine die in Europa heerst, namelijk dat landen onderling dienen te concurreren om wie het meest exporteert en het minst importeert. Een strijd dus om wie het grootste betalingsbalansoverschot tot stand weet te brengen.

Er zijn goede redenen om vraagtekens te zetten bij een onbeperkt vertrouwen in de weldadige werking van concurrentie. Zowel als het gaat om concurrentie tussen aanbieders als concurrentie tussen landen. Nu over concurrentie tussen aanbieders; later meer over concurrentie tussen landen.

We weten al langer dat concurrentie tussen aanbieders onder bepaalde voorwaarden tot sub-optimale resultaten leidt. Met de aard van die voorwaarden houdt de theorie van het marktfalen zich bezig. Dan gaat het om het bestaan van externaliteiten (denk aan vervuiling), van informatie-asymmetrie (denk aan artsen), van publieke goederen (denk aan infrastructuur, schone lucht) en van het natuurlijke monopolie (denk aan het spoorwegennet). De mooiste samenvatting van al het denkwerk en onderzoek dat op dit terrein is verricht, vind je in Policy Analysis. Concepts and Practice van David Weimer en Aidan Vining, waarvan in 2010 de vijfde druk is verschenen. Ik heb er jarenlang college over gegeven.

Onder genoemde voorwaarden is er reden voor overheidsingrijpen in de markt of zelfs voor overheidsproductie. Maar omdat de overheid ook niet perfect is, is het wel zaak om de consequenties van marktfalen en van mogelijk overheidsfalen tegen elkaar af te wegen. In ieder geval zijn er dus aanwijsbare voorwaarden waaronder je niet zomaar kunt vertrouwen op concurrentie tussen aanbieders om een optimale uitkomst te genereren.

Maar genoeg daarover. Dit is alles bekende kost, hoewel niet bij sommige marktfundamentalisten.

Want naast die bestaande theorie van het marktfalen zijn er nog tenminste vier redenen om stil te staan bij de beperkingen van concurrentie als welvaartsgenererend mechanisme:
  1. Voor het tot stand komen van economische transacties is voldoende vertrouwen tussen partijen nodig, omdat contracten nooit volledig zijn. Je moet dus vaak op elkaars goede wil kunnen vertrouwen. Naast concurrentie is er vertrouwen nodig voor het bereiken van economische efficiëntie. Een fraai overzicht van het onderzoek op dit gebied is Trust, Growth and Well-being: New Evidence and Policy Implications (pdf) van Algan en Cahuc uit 2013. Zie ook Calculativeness, trust, and the reciprocity complex: is the market the domain of cynicism? van Rudi Wielers en mijzelf.
  2. Concurrentie kan uitkomsten tot stand brengen die velen van ons (dat hoeft niet iedereen te zijn) moreel afkeuren. We zijn nu eenmaal toegerust met rechtvaardigheids- en zorgemoties en concurrentie garandeert niet dat daar aan voldaan is. Vandaar de ontwikkeling van en de stabiele steun voor het idee van de verzorgingsstaat.
  3. Door alleen te vertrouwen op concurrentie kunnen we tekort doen aan het menselijk vermogen tot intrinsieke motivatie, de motivatie dus om dingen te doen voor jezelf of voor anderen omdat het je bevrediging en voldoening verschaft. Het concurrentiedenken houdt met deze motivatie geen rekening met mogelijk negatieve gevolgen.
  4. Concurrentie alleen zorgt maar beperkt voor investeringen die gericht zijn op innovatie. Zulke riskante investeringen komen vaak alleen tot stand als aanbieders een monopolie-achtige omvang hebben bereikt of als de overheid die taak op zich neemt. Zie het werk van Mariana Mazzucato.
In komende berichten zal ik hier verspreid over de tijd verder aandacht aan besteden. Een aardig recent boek is ook De limieten van de markt van Paul de Grauwe.

vrijdag 10 oktober 2014

Vertrouwen van Amerikanen in elkaar en in instituties sinds 1976 sterk gedaald

Analyses van representatieve databestanden die tussen 1976 en 2012 in de Verenigde Staten zijn verzameld, wijzen uit dat Amerikanen elkaar in deze periode minder zijn gaan vertrouwen. Ook is hun vertrouwen in instituties afgenomen. Zie het plaatje, dat afkomstig is uit de pas verschenen studie Declines in Trust in Others and Confidence in Institutions Among American Adults and Late Adolescents, 1972–2012 (betaalpoort).

Er zijn sterke fluctuaties in dat vertrouwen in instituties. Maar de daling is duidelijk. Tegen de eeuwwisseling lijkt de daling van het vertrouwen in elkaar zich wat te herstellen, maar sinds 2007 zet de daling door.

Wat houdt dat vertrouwen in elkaar in? Het ging om de volgende drie vragen::
  • Zou je in het algemeen gesproken zeggen dat de meeste mensen zijn te vertrouwen of dat je niet voorzichtig genoeg kunt zijn in de omgang met mensen?
  • Zou je zeggen dat mensen meestal proberen om behulpzaam te zijn of dat ze meestal alleen maar naar zichzelf kijken?
  • Zou je denken dat de meeste mensen van je zouden profiteren als ze de kans kregen of zouden ze proberen om eerlijk te zijn?
Bij het vertrouwen in instituties ging het om grote ondernemingen, kerk, onderwijs, federale regering, vakbonden, pers, gezondheidszorg, televisie, hooggerechtshof, wetenschap, Congres (zeg maar: tweede kamer), leger en banken/financiële instellingen.

Eerdere onderzoeken wezen uit dat in de V.S. ook het sociale kapitaal is afgenomen, dus de hoeveelheid sociale contacten die mensen hebben. En er zijn sterke aanwijzingen dat Amerikanen narcistischer zijn geworden. (Denk aan The Narcissism Epidemic.)

Er is bij sommigen wel eens twijfel over deze bevindingen, maar het gaat steeds om serieus en zorgvuldig onderzoek. Bovendien versterken de uitkomsten elkaar. Als sociale contacten afnemen, zou je ook verwachten dat het vertrouwen afneemt en narcisme toeneemt. En dat blijkt dus ook zo te zijn.

Hoe zou het komen? Dit onderzoek kan laten zien dat het samenhangt met hoe het met de economie gaat en met de maatschappelijke ongelijkheid. Als de inkomensongelijkheid toeneemt, gaan mensen elkaar minder vertrouwen. (Ja, dan denk je aan de aangewakkerde statuscompetitie.) En als de armoede toeneemt, gaat het vertrouwen in instituties achteruit.

Het is niet verrassend. Maar het lijkt niet prettig om dat alles om je heen te zien gebeuren. En goed voor de democratie kan het niet zijn. In ons land hebben we (nog) minder ongelijkheid en armoede dan in de Verenigde Staten. Maar is er in Nederland eigenlijk al eens op een rij gezet hoe het vertrouwen zich in de tijd heeft ontwikkeld?