Posts tonen met het label Gary Becker. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gary Becker. Alle posts tonen

dinsdag 13 oktober 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 52 - Zo werd ik als socioloog onderdeel van wat "economisch imperialisme" ging heten

Though I am an economist, and the tools of analysis used in this book are drawn from economic theory, the conclusions of the study are as relevant to the sociologist and the political scientist as they are to the economist.

Hier is, in 1965, de econoom Mancur Olson (1932 - 1998) aan het woord, op p.3 van zijn The Logic of Collective Action, zijn proefschrift aan de Universiteit van Harvard, dat in 1971 werd herdrukt. Die herdruk moet ik ergens in de jaren 70 hebben aangeschaft. Dat het niet meer in mijn boekenkast staat, wijst erop dat ik ooit gedacht heb het niet meer nodig te zullen hebben. Gelukkig is het hier te lezen.

Op mijn lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving markeert dit boek het begin van een belangrijke etappe, die veel tijd in beslag nam, achteraf gezien te veel. Hier het vorige bericht.

Ik voelde ongemak bij het vak sociologie dat ik gestudeerd had en dat ik na 1971 aan de Groningse universiteit doceerde. Zonder dat ik dat ongemak zo goed kon verwoorden als ik het nu kan. Erop terugkijkend was ik op zoek naar een theoretisch kader waarin de maatschappij als mensenwerk kon worden geanalyseerd. Waarin dus het vak die drie mankementen achter zich zou hebben gelaten. Methodologisch gezegd: waarin de compositieve methode als vanzelfsprekend en gangbaar zou zijn gehanteerd. Mensenwerk, dat dus ook zou kunnen worden beoordeeld op de kwaliteit ervan.

Welnu, die maatschappij als mensenwerk, die kwam ik tegen bij Mancur Olson. Niet dus bij een socioloog, maar bij een econoom. De econoom die zicht had op het belang van zijn werk voor het vak sociologie.

Olsons betoog was eenvoudig en goed te begrijpen. Als mensen een gemeenschappelijk belang hebben, volgt daar niet uit dat ze zich inspannen om dat belang te verwezenlijken. Als het namelijk om een zogenaamd publiek goed gaat, dan profiteren de anderen van ieders inspanning mee. Een flinke loonsverhoging in een bedrijfstak is zo een publiek goed voor de werknemers. Als de vakbond zo'n loonsverhoging uit de onderhandelingen weet te slepen, dan profiteren ook de niet-leden daarvan mee. Dat maakt het voor alle werknemers de beste optie om niet lid te worden en wel mee te profiteren. Maar dan is er dus geen vakbond en geen flinke loonsverhoging. Het wel degelijk bestaan van vakbonden betekent dat er oplossingen voor dit probleem zijn gevonden, zoals verplicht lidmaatschap of het bieden van speciale voordelen aan leden.

Daar valt veel meer over te zeggen, en dat doet Olson, maar dit lijkt me al voldoende om in te zien dat hij  naar de maatschappij kijkt als mensenwerk. Mensen willen een goed leven en zien in dat voor het bereiken daarvan inspanningen zijn vereist. Ze komen in allerlei situaties terecht waarin die inspanningen lonen. En er kunnen sociale situaties zijn, zoals die van een publiek goed, waarin dat niet het geval is. Als iedereen dan individueel besluit om zich niet in te spannen, dan ontstaat een sociaal inferieure toestand, die verbeterd zou kunnen worden als iedereen zich wel zou inspannen. Maar voor het bereiken van die sociaal superieure toestand moet collectief iets geregeld worden. Degenen die zich wel inspannen moeten beloond worden of degenen die zich niet inspannen gesanctioneerd. Er moet overlegd worden, er moeten afspraken gemaakt worden en er moet op naleving daarvan gecontroleerd worden. 

Wat hebben we? Mensenwerk! Niet een sociaal systeem dat zichzelf via terugkoppeling in stand houdt. Met posities en rolverwachtingen waaraan mensen voldoen. Of met "afwijkend gedrag", als ze dat niet doen. Niet een studieobject waar we in variabelentaal over dienen te theoretiseren, maar waar we sociale processen waarnemen en analyseren.

Niet verwonderlijk dus dat ik dat boek van voor tot achteren intensief bestudeerde. En dat ik er mee aan de haal ging. En dat ik me in de speltheorie ging verdiepen. Want Olson had het over het publieke goed-dilemma uit de speltheorie, die in 1944 was begonnen met Theory of Games and Economic Behavior van John von Neumann en Oskar Morgenstern. 

En niet verwonderlijk dat ik geïnteresseerd raakte in de rationele keuzetheorie of nutstheorie. Want die werd in de speltheorie gebruikt, waar het ging over de principes van strategisch gedrag. Maar die me ook leidde naar de micro-economie, waarin het ging om nutsmaximaliserend gedrag van consumenten en producenten. 

En zo werd ik als socioloog onderdeel van wat "economisch imperialisme" ging heten, de invloed die er van de economische wetenschap uitging op de andere sociale wetenschappen, in het bijzonder op de sociologie. De theoretische leegte van het vak sociologie moest eens worden opgevuld en en dat gebeurde  met de economische theorie van het menselijk gedrag. Zoals in The Economic Approach to Human Behavior van Gary Becker uit 1976. De Gary Becker die in Chicago hoogleraar was in economie en sociologie en die in 1992 de Nobelprijs voor economie kreeg uitgereikt. 

Over dat alles meer in het vervolg. Ik had een theorie over mensenwerk gevonden, maar wat leverde dat op? 

dinsdag 17 december 2019

Over waar Boulding en Friedman in 1965 hun mens- en maatschappijvisies vandaan haalden

In de discussie tussen Kenneth Boulding en Milton Friedman op 6 mei 1965 in Chicago (zie hier het vorige bericht) ging het om twee visies op hoe de maatschappij in elkaar steekt en hoe verbeteringen mogelijk zijn. Friedmans visie is die van de neoliberale econoom (door Boulding aangeduid met libertarianism) en Bouldings visie is die van de econoom die inziet dat het in de maatschappij om meer draait en om meer behoort te draaien dan alleen de markt.

Friedman propageert een maatschappij waarin het domein van de markt de bron is van welvaart en waarin dat domein van de vrijwillige transacties (ruil) dus zoveel mogelijk moet worden uitgebreid. Er is weliswaar een ander domein, maar dat is beperkt tot de kring van naasten die mensen om zich heen hebben. En dat kunnen we volgens deze visie buiten beschouwing laten. (Later begonnen economen, onder aanvoering van Gary Becker, die in Chicago hoogleraar werd in de economie en de sociologie, zich ook met dat domein van naasten bezig te houden.)

Boulding stelt daar tegenover dat er in de maatschappij drie ordeningsprincipes zijn en behoren te zijn: naast de markt het principe van de bedreiging en het principe van de integratie. Met dien verstande dat er een gewenste maatschappelijke ordening bestaat die inhoudt dat bedreiging en markt zijn ingekaderd en begrensd door het integratieprincipe.

Bedreiging (dwang) draagt alleen dan bij aan de gewenste maatschappelijke ordening als hij legitiem is, dat wil zeggen als hij gedrag sanctioneert dat in strijd is met het integratieprincipe (kwaadaardigheid, bedrog, uitbuiting, onderdrukking).

En de markt kan alleen een gewenste bijdrage leveren in een atmosfeer van vertrouwen, respect en gelijkheid. Als die gelijkheid er onvoldoende is, dan hebben we niet meer te maken met ruil tussen gelijken, maar met onderdrukking en uitbuiting. Het domein van de markt hoort dus begrensd te zijn door zoveel gelijkheid dat uitbuiting en onderdrukking worden voorkomen.

Wat kun je, na deze recapitulatie van het voorgaande, zeggen over waar Friedman en Boulding hun maatschappijvisies vandaan halen?

In grote lijnen is die visie van Friedman de strikt economische, dat wil zeggen een uitvloeisel van de academisch-historische ontwikkeling van het vak economie als een zelfstandige, van andere sociale wetenschappen afgegrensde, discipline.

Een vak dus dat je kunt bestuderen en beoefenen zonder je te hoeven verdiepen in andere sociale wetenschappen, zoals de sociologie, de culturele antropologie en de psychologie. Een opvatting die je misschien in zijn extreemste vorm tegenkomt in het werk van Friedrich Hayek (1899 - 1992), die de spontane orde van de markt zag als de historische overwinning van de Great Society op het "tribalisme" van vroeger tijden. Een maatschappij dus waarin er wel een overheid en een rechtssysteem bestaan, maar uitsluitend ten dienste van de spontane werking van de markt.

In vergelijking daarmee heeft Boulding, hoewel econoom, een breder zicht op de maatschappij en daarmee een breder mensbeeld. Dat bracht hem ertoe om naast dat ordeningsprincipe van de markt ook de principes van bedreiging (dwang) en integratie te onderkennen.

Ik wees al op de overeenstemming tussen die laatste twee en de op dit blog onderscheiden patronen van de statuscompetitie en het gemeenschapsgedrag. En we hebben gezien dat het sociaalwetenschappelijk onderzoek nogal wat empirische aanwijzingen verschaft voor het bestaan van die twee patronen en dus voor de ambivalente menselijke sociale natuur.

Maar Boulding voerde die discussie met Friedman in 1965, toen dat sociaalwetenschappelijke onderzoek er nog niet was en er ook nog maar weinig bekend was over de evolutionaire achtergrond van de menselijke sociale natuur. Hij kon dus ook zonder kennis van de latere ontwikkelingen en kennelijk op grond van zijn persoonlijke ervaringen met mensen en met de maatschappij waarin hij opgroeide tot dat inzicht komen dat statuscompetitie (bedreiging/dwang) en gemeenschapsgedrag (integratie) tot het menselijk gedragsrepertoire behoren en dat dat is terug te zien in hoe de maatschappij in elkaar steekt.

Gewone, alledaagse mensenkennis dus. En gewone, alledaagse maatschappijkennis. Vreemd is dat natuurlijk niet. Want er is natuurlijk altijd een zekere continuïteit tussen alledaagse en sociaalwetenschappelijke verklaringen. Wat me herinnerde aan wat ik daar al weer lang geleden over schreef: De wetenschappelijkheid en de alledaagsheid van sociologische verklaringen.

In een volgend bericht meer over de vraag wat Boulding in 1965 te melden had over wat zijn visie betekent voor hoe de maatschappij het beste zou kunnen worden ingericht. Zie Nu, in 2020, kun je wel zeggen dat het niet zo goed is afgelopen. We hadden beter naar Kenneth Boulding moeten luisteren