Posts tonen met het label rechts-extremisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label rechts-extremisme. Alle posts tonen

woensdag 31 december 2025

Over het niet normaliseren en zo nodig verbieden van vuurwerk en het niet normaliseren en zo nodig verbieden van rechts-extremistische politieke partijen

Het ziet ernaar uit dat deze jaarwisseling de laatste is zonder een landelijk vuurwerkverbod. In het bijna afgelopen jaar hebben zowel de Tweede als de Eerste Kamer ingestemd met zo'n landelijk verbod. Een nieuwe regering zal en wil weinig anders kunnen doen dan die wens van de kamers in wetgeving om te zetten. Daar zal, volgens een enquête van Kieskompas en ANP, zo'n twee derde van de Nederlanders mee instemmen. 

Vuurwerk afsteken rondom de jaarwisseling is een gedrag waar de afstekers, en veel omstanders en toeschouwers, genoegen aan beleven. Het wordt ook gezien als een traditie en veel mensen ontlenen genoegen aan het in standhouden van tradities. In lijn daarmee riep het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed het afsteken van vuurwerk nog in 2015 uit tot Nederlands cultureel erfgoed.

Maar het is ook een gedrag dat schade en leed toebrengt. Er is een kans dat afstekers en omstanders fysiek letsel oplopen. En die schade en overlast nemen toe hoe meer vuurwerk er wordt gekocht en afgestoken. Zolang het op kleine schaal gebeurt, zijn degenen die overlast ondervinden bereid om die te accepteren. Ze hebben weliswaar moreel gezien het recht op het niet te hoeven ondergaan van schade en overlast, maar zolang die binnen de perken blijven, maken ze daar geen punt van. Je gunt anderen een pleziertje, zo lang het niet uit de hand loopt.

Maar het is dus wel uit de hand gelopen. In de loop van de afgelopen tientallen jaren zijn de verkoop en het afsteken van vuurwerk sterk toegenomen. Afstekers van vuurwerk zijn nog altijd een minderheid, maar hun gedrag heeft gevolgen voor veel anderen. Vlak na de jaarwisselingen worden er in de stedelijke gebieden sterk verhoogde concentraties fijnstof gemeten, meer dan wat alle wegverkeer samen in een heel jaar uitstoot. De zware metalen in vuurwerk (barium, antimoon, koper en strontium) zijn schadelijk voor het milieu en voor de gezondheid van mens en dier. Rond de jaarwisseling zijn eerste hulpposten en oogklinieken druk met het zo goed mogelijk behandelen van hand- en oogblessures, met vaak blijvende verminkingen. Het is ook uit de hand gelopen in de zin dat sommige afstekers hun vuurwerk inzetten tegen hulpverleners, politieagenten en brandweerlieden. Frank Straver en Stefan Keukenkamp geven vandaag in Trouw een overzicht van "de jaarlijkse schade en ellende": In cijfers: hoe vuurwerk een spoor van vernieling trok.

Toen tijdens de coronajaren 2020 en 2021 geen vuurwerk mocht worden verkocht, om de zorg te ontlasten, namen de letselcijfers drastisch af. Oogarts Tjeerd de Faber verklaarde daarna tegenover de Vaste Kamercommissie Veiligheid en Justitie:

„Ik zei: we hebben twee jaar eigenlijk een vuurwerkverbod gehad. Ik ben wetenschappelijk opgeleid. Als je tijdens een experiment een ziekmakende factor weghaalt en je ziet de ziektecijfers met 75 procent zakken, dan is er geen enkele medisch ethische commissie die zegt: laten we het toch maar terugdraaien om te kijken of het aantal slachtoffers dan weer omhoog gaat.”

Kortom, het wel of niet verbieden van vuurwerk is een ethische kwestie. Het gaat om een moreel afgekeurd gedrag, anderen schade toebrengen. Dat kan aanvankelijk en zolang het op kleine schaal plaatsvindt, getolereerd worden. Maar door die tolerantie kunnen meer mensen die aan dat gedrag genoegen ontlenen, zich erbij aansluiten. Dat het wordt geaccepteerd, zijn ze als een aanwijzing gaan zien dat het met die schade en de overlast wel meevalt. Het is niet iets waar je bij stil hoeft te staan. Als die schade echt zo groot was, dan zou het toch wel verboden worden? Dat maakt dat het niet verboden zijn niet alleen de problemen laat bestaan, maar daarbovenop vergroot.

En zo ontwikkelt zich het proces van het "uit de hand lopen". Het moreel afgekeurde gedrag wordt "genormaliseerd". Zo genormaliseerd dat het zelfs tot het culturele erfgoed werd gerekend.

Sociaalwetenschappelijk gezien hebben we hier te maken met een interessant geval van complicaties bij het naleven van het morele grondprincipe van het anderen geen schade of leed toebrengen. Dat grondprincipe is de kern van het gemeenschapspatroon van het iedereen-telt-mee waartoe mensen in hun gedrag tegenover anderen in staat zijn. Je hoort anderen zo nodig te hulp te schieten als je daartoe in staat bent, maar minimaal hoor je met hun welzijn en belangen rekening te houden en hen dus niet te benadelen.

We weten dat mensen daartegenover ook in staat zijn tot het amorele ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon. Je ziet dan anderen als tegenstrevers en vijanden, die op eigen gewin uit zijn, juist ook als dat ten koste van jou gaat. Als dat patroon in ons gedrag domineert, dan brengen we met zijn allen een sociaal inferieure toestand tot stand. Onze gemeenschapsmoraal hebben we nodig om het statuscompetitiepatroon te ontmoedigen en te onderdrukken.

Complicaties ontstaan doordat we tegenwoordig niet alleen verkeren in het domein van de vertrouwde, persoonlijke relaties, het domein waarin lang geleden dat morele grondprincipe evolueerde, maar ook in het domein van de onpersoonlijke, anonieme relaties. Zoals in het domein van de democratie, waarin dat morele grondprincipe van het iedereen-telt-mee vorm krijgt in het algemeen kiesrecht. Waarin we met miljoenen anderen in een veel meer abstracte, want onpersoonlijke, zin zijn verbonden. 

In dat domein wordt bij ons het gemeenschapspatroon minder direct, minder "automatisch" geactiveerd. Want we verkeren meer in sociale onzekerheid. We weten niet goed hoe anderen zich opstellen. Misschien is ook bij hen het gemeenschapspatroon geactiveerd, maar het kan ook zijn dat het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon actief is. Terwijl in het domein van de persoonlijke relaties meestal het gemeenschapsevenwicht ontstaat, behoort in het onpersoonlijke, anonieme domein ook een beweging in de richting van het statuscompetitie-evenwicht tot de mogelijkheden. 

Anders gezegd, in het persoonlijke domein ervaren we over het algemeen de sociale veiligheid van de verwachting dat de anderen het goed met ons voor hebben, terwijl we daar in het onpersoonlijke domein niet standaard van uit gaan. De democratie is wel bedoeld om sociale veiligheid te verschaffen (denk aan "de gemeenschap georganiseerd in de staat" en "We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal,...), maar die bedoeling wordt altijd maar beperkt gerealiseerd. Dat zien we terug in de verdeling van politieke voorkeuren van links tot rechts, want uit onderzoek is bekend dat mensen bij wie meer het gemeenschapspatroon geactiveerd is, meer links stemmen en dat mensen bij wie meer het statuscompetitiepatroon actief is, meer rechts stemmen.

Terug naar dat vuurwerk. Het proces van uit de hand lopen kon zich ontwikkelen doordat we aanvankelijk bereid waren om de afstekers van vuurwerk hun pleziertje te gunnen. Maar daardoor nam het aantal vuurwerkafstekers toe. Doordat anderen ook dat pleziertje wilden. Maar ook doordat het belang van dat morele grondprincipe van het anderen geen leed of schade toebrengen minder manifest werd. Mensen zijn nu eenmaal geen morele automaten. Als er aanwijzingen zijn dat een morele overtreding getolereerd wordt, dan is het gemakkelijker om hem te begaan. Ook al doordat dit alles zich afspeelt in dat onpersoonlijke, anonieme domein.

Een tweede complicerende factor is die van de schaalgrootte. Al die negatieve effecten van vuurwerk afsteken treden op doordat het zo massaal gebeurt. Doordat het al uit de hand is gelopen. Dan geldt voor iedereen afzonderlijk dat de eigen bijdrage tot die negatieve effecten maar zeer gering is. Iedereen ziet de bijdrage van zijn vuurwerk tot de totale schade en ellende als verwaarloosbaar. Sociaalwetenschappelijk staat dat bekend als het publieke goed dilemma: niemand wil die schade en ellende, maar die is wel de uitkomst van de optelsom van alle individuele gedragingen. Onze moraal "dient" nu juist om die sociaal inferieure uitkomst zo veel mogelijk te voorkomen.

En zo dringt zich het inzicht op dat het probleem van het uit de hand gelopen vuurwerk afsteken staat voor het algemenere probleem van de altijd onvolkomen werking van de moraal in het grootschalige, onpersoonlijke sociale domein. En dus ook in het domein van de democratie. Want het is niet toevallig dat het in de Tweede Kamer (op de SP na) vooral de linkse partijen waren die het landelijk vuurwerkverbod ondersteunden en dat de rechtse partijen, PVV, BBB, FvD en JA21, tegen stemden. Dat komt ermee overeen dat de stemmers op de Partij voor de Dieren, GroenLinks/PvdA en Volt het meest voor een verbod zijn en de stemmers op Forum voor Democratie, PVV, BBB en JA21 het vaakst tegen.

In die zin is het uit de hand gelopen probleem van het vuurwerk afsteken te vergelijken met het uit de hand gelopen probleem van het rechts-extremisme in de politiek. De schade en ellende van het vuurwerk tijdens de jaarwisseling moest, na aanvankelijke tolerantie en "normalisering", uiteindelijk ingedamd worden door een landelijk vuurwerkverbod. Zo zal ook de schade en ellende van het uit de hand gelopen rechts-extremisme, na de huidige tolerantie en "normalisering", misschien ook een keer door een verbod op rechts-extremistische politiek partijen moeten worden ingedamd. 

woensdag 9 juli 2025

Een tijdperk van collectieve morele verwonding

Als het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon terrein wint ten koste van het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon, dan beleven we een tijdperk van morele trauma's. Bij iedereen bij wie het gemeenschapspatroon geactiveerd is, heerst de verwachting van een sociaal veilige wereld, dat wil zeggen een wereld waarin mensen overwegend handelen volgens dat gemeenschapspatroon en elkaar daarmee sociale veiligheid verschaffen. Een verwachting die als vanzelfsprekend, nagenoeg onbewust, beïnvloedt hoe je naar de wereld en naar andere mensen kijkt. Je gaat er van uit, zonder daar veel bij stil te staan, dat anderen het goed met jou en met elkaar voor hebben. Anders gezegd, je verkeert in een toestand van voorbereid zijn.

Het kan zijn dat die verwachting nog steeds uitkomt als het gaat over jouw Kleine Wereld, die van je familie, vrienden, buren, van jouw persoonlijke sociale netwerk. De kleine wereld waarin je je veilig voelt en waarin je eraan bijdraagt dat anderen zich veilig voelen. 

Maar je volgt ook, of komt in aanraking met, wat er in de Grote Wereld gebeurt, die van het nationale en internationale publieke domein. De wereld waarin de omstandigheden konden ontstaan waarin foute leiders aan de macht konden komen. Waarin overheden de gevoelens van bestaansonzekerheid onder grote delen van de bevolking lieten toenemen, waarmee ze foute leiders de kans gaven om zich te presenteren als redders in nood. Rechts-extremistische foute leiders die gevoelens van sociale onveiligheid, en het beeld van een onveilige, ieder-voor-zich-wereld, aanwakkeren, waarin vijanden bestaan die moeten worden bestreden, geweerd, opgepakt en gedeporteerd of zelfs geëlimineerd dienen te worden. Een wereld van ieder-voor-zich, waarin je je alleen nog veilig kunt voelen door je neer te leggen bij de almacht en de onfeilbaarheid van de foute leider. Waarmee de foute leider zijn narcistisch streven naar alleenheerschappij heeft bereikt en ongehinderd kan doen wat hem invalt.

In de manier waarop wij tegenwoordig leven, kun je je aan wat er gebeurt in die Grote Wereld maar moeilijk onttrekken. Wat doet het met ons als die manifestaties van het ieder-voor-zich van die Grote Wereld in aantal toenemen en steeds meer bij ons binnenkomen? (De hierna volgende opsomming van die manifestaties is het resultaat van wat mij nu te binnen schiet en is dus niet volledig.)

Als we hebben meegemaakt dat politici de sociale zekerheden van de verzorgingsstaat versoberden, omdat wij geacht werden alleen bij grotere "prikkels" bereid te zijn om ons voldoende in te spannen. Dat het recht op bijstand afhankelijk werd gemaakt van het leveren van een "tegenprestatie". Dat het sociaal minimum achterbleef bij de loonontwikkeling. Dat de Belastingdienst bij loonbeslag in geval van schulden geen rekening hield met het absolute bestaansminimum.

Als we hebben meegemaakt dat de overheid de inkomens- en vermogensongelijkheid uit de hand liet lopen, waardoor de statuscompetitie en de machtsconcentratie werden aangewakkerd.

Als we hebben meegemaakt dat de financiële markten werden gedereguleerd, waardoor de grote Financiële Crisis van 2008-2010 kon uitbreken. Waarop diezelfde overheid misplaatst reageerde met een bezuinigingsbeleid dat de bestaansonzekerheid nog meer vergrootte en het collectieve voorzieningenniveau, waarvan vooral de kwetsbaren afhankelijk zijn, verminderde.

Als we hebben meegemaakt dat de overheid de arbeidsmarkt vergaand dereguleerde, waardoor het fenomeen van de werkende armen zich kon ontwikkelen.

Als we hebben meegemaakt dat de overheid in de jacht op fraude met toeslagen duizenden onschuldige burgers in grote financiële onzekerheid bracht, met vaak levensontwrichtende gevolgen. En met als gevolg een sterke afname van het vertrouwen in de overheid. 

Als we hebben meegemaakt dat de overheid de zorg voor de volkshuisvesting aan de markt en dus de buitenlandse investeerders delegeerde, waardoor de woningbouw stagneerde, de huizenprijzen werden opgedreven en starters geen woning kunnen vinden.

Als we meemaken dat de overheid tekortschiet in beleid ten behoeve van het tegengaan van klimaatverandering, met grote huidige en toekomstige negatieve gevolgen en onzekerheid over onze toekomst.

Als we meemaken dat de overheid tekortschiet in het oplossen van de stikstofproblematiek, met ernstige gevolgen voor de biodiversiteit, de natuur en de gezondheid. 

Als we meemaken dat in ons land, in navolging van andere Europese landen, in de "asielnoodmaatregelenwet" het verlenen van hulp aan zogenaamde illegalen strafbaar wordt gesteld. Dat gemeenschapsgedrag wordt gecriminaliseerd.

Als we meemaken dat internationaal de uitgaven ten behoeve van ontwikkelingssamenwerking, gemeenschapsgedrag op wereldniveau, zijn teruggebracht. 

Als we meemaken dat een land, Rusland, een andere soevereine staat, Oekraïne, met militair geweld binnenvalt, dagelijks burgerdoelen aanvalt en dat tegen zijn leider, Poetin,door het Internationaal Strafhof een arrestatiebevel is uitgevaardigd omdat hij verdacht wordt van het plegen van oorlogsmisdaden.

Als we meemaken dat een land, Israël, dagelijks Gaza bombardeert en Palestijnen uithongert en dat tegen zijn leider, Netanyahu, door het Internationaal Strafhof een arrestatiebevel is uitgevaardigd omdat hij verdacht wordt van het plegen van oorlogsmisdaden.

Als we meemaken dat in de Verenigde Staten een foute leider, Donald Trump, aan de macht is die bezig is de rechtszekerheid, de democratie en de bestaanszekerheid voor zijn burgers af te schaffen. Die een instrument is in de handen van de miljardairs die hun rijkdom en hun macht zeker willen stellen. En die de Amerikaanse hulpverlening aan arme landen heeft stopgezet. Die alle maatregelen tegen klimaatverandering heeft beëindigd en integendeel de steun aan fossiele bedrijven heeft vergroot. Die een militaire politiemacht optuigt die gemaskerd jaagt op mensen die ervan verdacht worden "illegaal" te zijn en die zonder vorm van proces in concentratiekampen worden opgesloten en het land uit worden gezet. En als we meemaken dat de hoogste rechters van het land dit alles laten passeren, omdat ze een extreme, ondemocratische opvatting aanhangen over de bevoegdheden en handelingsvrijheid van de gekozen president.

Dit alles, en wat in deze lijst mogelijk nog ontbreekt, heeft een toestand doen ontstaan waarin we aanhoudend geconfronteerd worden met manifestaties van het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon. Met aanwijzingen voor een grote mate van sociale onveiligheid in de Grote Wereld, waar we ons niet of moeilijk aan kunnen onttrekken. Ons wereldbeeld van het iedereen-telt-mee van het morele gemeenschapspatroon wordt erdoor bedreigd.

Wat doet dat met ons? En met "ons" doel ik op iedereen die (nog) met de blik van het morele gemeenschapspatroon naar die Grote Wereld kijkt. Hoe beleven we die schendingen van onze verwachtingen dat die Grote Wereld sociaal veilig is? En welke woorden zijn geschikt om die beleving te omschrijven?

Dat vroeg David Rothkopf zich ook af, maar dan in het bijzonder over hoe hij de schendingen van het gemeenschapspatroon door de regering-Trump beleeft ("A Deep Soul Wound"). Hij komt terecht bij de term "morele verwonding" (moral injury). Die term is afkomstig uit de literatuur over de oorlogservaringen van veteranen die getuige waren van "acts that they knew were wrong, violations of military or international law or foundational ethical or moral beliefs" of daar zelf als dader bij betrokken waren. Een andere omschrijving die hij vond, is “a deep soul wound that pierces a person’s identity, sense of morality, and relationship to society.” 

En er zit wat in dat wat wij meemaken overeenkomt met een traumatische ervaring. Traumatisch, omdat ons diep gevoelde gemeenschapswereldbeeld, dat er naast de veiligheid van onze eigen Kleine Wereld ook de veiligheid bestaat van die Grote Wereld, er door onderuitgehaald wordt. En dat is geen kleinigheid. Want het verwondt inderdaad onze identiteit, onze morele gevoelens en onze verhouding tot de samenleving. 

Nieuwsgierig gemaakt zocht ik nog even op "morele verwonding" en kwam ik terecht op het Moral Injury Project van de Radboud Universiteit, de Nederlandse Defensie Academie, de Politieacademie, het Nederlands Veteraneninstituut en het ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum. Morele verwonding wordt daar omschreven als

de psychische, spirituele en sociale problematiek die mensen kunnen ontwikkelen wanneer hun morele verwachtingen en overtuigingen geweld wordt aangedaan door eigen of andermans handelen. Die problematiek kan enerzijds gevoelens van schuld en schaamte inhouden, en anderzijds gevoelens van boosheid en verraad. Ook morele desoriëntatie en fundamentele zingevingsproblemen kunnen spelen. 

En in dit plaatje wordt het moreel verwond zijn gerelateerd aan de posttraumatische stressstoornis:

Merk op dat in beide gevallen de aanleiding eruit bestaat dat het gevoel van veiligheid geweld wordt aangedaan, want een onrechtvaardige wereld is een onveilige wereld. En omdat het hier gaat over het getuige zijn van de onveiligheid van de Grote Wereld, zou de centrale emotie die zijn van het gevoel van verraden te zijn. We gaan ervan uit dat de wereld veilig is en dragen daar door ons eigen gedrag aan bij. Veronderstellende dat anderen dat ook doen en zullen doen. Als we onder ogen moeten zien dat dat laatste niet meer geldt, dan kan dat inderdaad zo ingrijpend voelen als verraad.

We kunnen ons verraden voelen of moreel verwond raken in onze eigen Kleine Wereld van de persoonlijke relaties. Zo een individuele traumatische ervaring, in de vroege jeugd of de adolescentie, kennen we als een "fundamentele bedreiging van iemands fysieke en psychologische veiligheid", die gemeenschappelijk is aan de ontwikkeling van de meeste psychische aandoeningen. Aandoeningen waarvoor therapieën bestaan, die ons kunnen helpen. 

Maar wat we nu meemaken in de Grote Wereld is een collectief trauma, een collectieve morele verwonding. Hoe reageren we daarop? Kiezen we voor de vluchtreactie, door ons zoveel als mogelijk terug te trekken in onze Kleine Wereld en op te houden met het nieuws te volgen? Laten we ons door het gevoel van onveiligheid, door angst, overmannen, overeenkomend met de immobilisatiereactie? Of kiezen we voor de vechtreactie en sluiten we ons aan bij collectieve pogingen om het kwaad te bestrijden, via de weg van de politiek? En door samen met anderen onze stem te laten horen, door te demonstreren en door actie te voeren?

dinsdag 25 februari 2025

Een sociaalwetenschappelijk zicht op het fenomeen van de foute leider - 27 - In Duitsland waren de voorwaarden voor een ruk naar rechts aanwezig

Foute leiders zijn uitsluitend gedreven door de motieven van het statuscompetitiepatroon van het ieder-voor-zich en van het willen bereiken van de top van de statushiërarchie, dus van de alleenheerschappij. De menselijke sociale natuur zit nu eenmaal zo in elkaar dat dat statuscompetitiepatroon er deel van uitmaakt, naast en tegenover het gemeenschapspatroon, maar alleen onder speciale omstandigheden geactiveerd wordt. Bovendien verschillen mensen in het gemak waarmee die activering plaatsvindt. Bij de een wordt het statuscompetitiepatroon bij het minste of geringste getriggerd, bij de ander is daar veel meer voor nodig. Hier het vorige bericht.

Die verschillen zijn deels overerfelijk, maar liggen er ook aan hoeveel sociale onveiligheid mensen ervaren en in het verleden hebben ervaren. Als mensen zijn opgegroeid in een statuscompetitieve sociale omgeving, dus veel met statuscompetitiegedrag in aanraking zijn geweest, dan hebben ze een wereldbeeld ontwikkeld waarin het ieder-voor-zich de boventoon voert, dus een wereldbeeld van sociale onveiligheid. Dat is een wereld waarin het statuscompetitiepatroon actief is. Met voor de een als uitkomst dat de strijd om status wordt aangegaan, geprobeerd wordt om anderen af te troeven en zo hoog mogelijk in de statushiërarchie terecht te komen. En voor de ander de uitkomst van het zich erbij neerleggen dat die strijd verloren is en van het proberen om de schade van die nederlaag zoveel mogelijk te beperken. Waarbij die twee uitkomsten ook achtereenvolgens bij een en dezelfde persoon kunnen optreden: eerst de strijd aangaan en die vervolgens opgeven en zich terugtrekken. Die statuscompetitie heeft altijd de neiging om zich te stabiliseren in een statushiërarchie van overheersers en onderdrukten.

De mate van ervaren sociale onveiligheid is cruciaal voor wat volgt. Als mensen veel sociale veiligheid ervaren, dan is er geen aanleiding voor statuscompetitiegedrag en zal integendeel gemeenschapsgedrag, waarin iedereen meetelt, de boventoon voeren. Als er verder niets verandert, wat nooit het geval is, dan heerst het gemeenschapsevenwicht. Maar een toestand van sociale onveiligheid creëert daarentegen, ook weer als er verder niets verandert, de toestand van het statuscompetitie-evenwicht, waarin dus die statuscompetitie in een stabiele statushiërarchie is neergeslagen.

Oké, dat is de sociaalwetenschappelijke blik waarmee we het actuele fenomeen van de foute leiders kunnen duiden. Foute leiders hebben een wereldbeeld van de sociale onveiligheid van het ieder-voor-zich, waarin er voor hen slechts één weg bestaat naar de eigen veiligheid, de weg naar de alleenheerschappij en het onderdrukken en vernietigen van al hun vijanden. In de politieke actualiteit behoren immigranten altijd tot die vijanden. Naast natuurlijk de politieke tegenstanders. Denk aan Trump, die nu hij opnieuw aan de macht is, probeert om het justitiële en het militaire apparaat en de rechterlijke macht aan hem ondergeschikt te maken, zodat hij in de positie komt te verkeren dat hij iedereen die hem ooit heeft tegengewerkt uit kan schakelen. Dat is zoals Robert Reich hier uitlegt de kern van wat de foute leider ambieert, de alleenheerschappij en dus het geweldsmonopolie: What Trump is really trying to do.

Maar het begint meestal met het aanwijzen van die immigranten als de vijand. Want foute leiders moeten in een democratie eerst de weg bewandelen van het behalen van successen in verkiezingen. Zoals we nu wel weten, is een belangrijke voorwaarde voor die successen dat er onder de bevolking een duidelijke toename is geweest van gevoelens van bestaansonzekerheid. Zie De neoliberaal gemotiveerde toename van bestaansonzekerheid, de niet in goede banen geleide globalisering, groeiende ongelijkheid en de opkomst van het rechts-extremisme en Waardoor werd de PVV zo groot?

Die toestand van toegenomen bestaansonzekerheid is het ideale werkterrein van foute leiders. Onder de kiezers ligt een reservoir van sociale onveiligheidsgevoelens gereed om te worden aangeboord. Een reservoir van ontvankelijkheid voor de rechts-extremistische boodschap dat inderdaad de wereld onveilig is, dat er vijanden bestaan die moeten worden bestreden, ja, het land uit moeten en dat er maar één iemand is die daarvoor kan zorgen, de redder in nood, de rechts-extremistische voorman.

Of voorvrouw. En dan hebben we het over de verkiezingsuitslag in Duitsland, waar de aanhang van de rechts-extremistische AfD, onder leiding van Alice Weidel, verdubbelde. De andere partijen hebben tegen de AfD een Brandmauer opgericht, een belofte dus om er niet mee samen te werken. Anders dus dan in ons land, waar de rechts-extremisten van de foute leider Geert Wilders deel uitmaken van de regering. 

Sociaalwetenschappelijk gezien viel dat succes van de AfD, evenals de geografische spreiding ervan, te verwachten. In de Duitse politiek is de zogenaamde Schuldenbremse een algemeen geaccepteerd standpunt, dat zelfs in de Grondwet is vastgelegd. Dat schuldenplafond is er op gericht om het begrotingstekort zo klein mogelijk te houden, Het komt voort uit de Duitse variant van het neoliberale denken, waarin de markt de bron van welvaart is en waarin dus de overheid zoveel mogelijk terug moet treden. Een anti-overheidsideologie, die door de grote meerderheid van de economen ten sterkste wordt ontraden. Op dit blog heb ik er achter het label bezuinigingszeepbel vaak aandacht aan besteed. 

Dat de Duitsers dat plafond zelfs in de Grondwet hebben opgenomen, heeft ertoe geleid dat er nu al jarenlang veel te weinig is geïnvesteerd in de infrastructuur, in het openbaar vervoer, in woningbouw, in de gezondheidszorg en in het onderwijs, kortom in de publieke voorzieningen waarvan we weten dat die voor het welzijn van de bevolking, zeker voor de minderbedeelden, zo van groot belang zijn. Er is een oproep van meer dan vijftig vooraanstaande economen aan de Duitse politiek om dat schuldenplafond los te laten. Duitsland heeft een groot publieke investeringsoffensief hoognodig. Zie Gute Argumente für eine Reform der Schuldenbremse. Als ik het goed gevolgd heb, is die boodschap nu toch tot de Duitse politiek doorgedrongen. Maar in de verkiezingsdebatten heeft hij geen enkele rol gespeeld. Terwijl dat investeringstekort vele malen belangrijker is dan het immigratieprobleem, waar het wel vooral over ging.

Dat grote tekort een overheidsinvesteringen en -uitgaven heeft ongetwijfeld wel een rol gespeeld in de verkiezingsuitslag. De verdubbeling van de AfD kan er zeker voor een deel door worden verklaard. 

Dan over die geografische spreiding. Want de AfD was in het hele land succesvol, maar toch vooral in de deelstaten van het het gebied van de voormalige DDR. In de Volkskrant van vandaag zie je een kaart die laat zien dat de deelstaten waarin de AfD de grootste partij is geworden op één na allemaal in het voormalige DDR-gebied liggen. En dat valt er gemakkelijk uit te verklaren dat Oost nog altijd economisch achter is gebleven bij West. De salarissen liggen er lager en er is hogere werkloosheid. De levensverwachting ligt er lager. Daar komt bij dat de sanering na de Duitse eenwording gepaard ging met massaontslagen en grote onzekerheid. Historicus Krijn Thijs van het Duitsland Instituut Amsterdam zegt daarover:

Dat is de voedingsbodem voor een desillusie over de beloftes van het Westen die je nu 35 jaar later pas écht gestold ziet in de verkiezingsuitslag.

Kortom, de voorwaarden voor een Rechtsrück in Duitsland en in het bijzonder in het Oosten waren duidelijk aanwezig. Hier het vervolg.

dinsdag 10 december 2024

Een sociaalwetenschappelijk zicht op het fenomeen van de foute leider - 17 - Vijanden aanwijzen die er niet zijn. De weg van de desinformatie

Oké, we weten al dat rechts-extremistische politici, foute leiders, een economie en een maatschappelijk klimaat nodig hebben waarin mensen zich in hun bestaan bedreigd voelen. Hier het vorige bericht. Waarin overheden, zoals in de afgelopen 40 tot 50 jaar een neoliberaal beleid hebben gevoerd waarin meer aan de markt moest worden overgelaten, waarin de kans op financieel-economische crises toenam en waarin de sociale zekerheid moest worden teruggedrongen, omdat zulks goed zou zijn voor "de economie". Een klimaat waarin mensen meer voor zichzelf moeten opkomen en minder moeten leunen op collectieve regelingen. Een statuscompetitief klimaat dus, waarin het ieder-voor-zich in de plaats komt van het iedereen-telt-mee van een overheid die ons gemeenschapspatroon vorm geeft.

Dat voor foute leiders gunstige werkterrein bestaat dus. Daarin zien ze mogelijkheden om zichzelf te presenteren als de enige redder en verlosser die het tij kan doen keren. Niet gemotiveerd door enige zorg om het welzijn van de bevolking, maar uitsluitend door hun statuscompetitieve obsessie met macht en alleenheerschappij. Daardoor zijn ze er dus niet op uit om de werkelijke problemen op te lossen die de bevolking ervaart. Sterker, de voorstanders van die linkse, iedereen-telt-mee oplossing, het vergroten van de bestaanszekerheid, zien ze als hun voornaamste concurrenten.

Nee, in plaats daarvan moeten de onveiligheidsgevoelens van de kiezers zo worden bijgestuurd dat er "vijanden" in beeld komen voor de bestrijding waarvan de democratie opzij moeten worden gezet om plaats te maken voor de alleenheerschappij van de foute leider. Die "vijanden" maken al deel uit van de bevolking of ze staan aan de grenzen om het land binnen te komen. Die migranten pikken banen in, ze leggen beslag op schaarse woonruimte, ze misbruiken de sociale voorzieningen of ze zijn zelfs criminelen en verkrachters. Daardoor tonen ze de naïviteit aan van dat linkse iedereen-telt-mee en daarmee van de democratie. Stem op de foute leider, die als hij maar aan de macht wordt geholpen, schoon schip zal maken.

We kennen natuurlijk die verklaring voor de opkomst van het rechts-extremisme. Denk aan Waardoor werd de PVV zo groot? 

Maar wat bepaalt de kans dat de foute leider in zijn opzet slaagt? Maakt het iets uit of hij dat aanwijzen van "vijanden" ook met feiten kan onderbouwen? Moeten er ook echt negatieve gevolgen aanwijsbaar zijn van het "openen van de grenzen voor immigranten"?

Of kan de foute leider ook succes hebben langs de weg van de desinformatie, die eerste van de drie wegen die ik eerder noemde?

Jazeker, dat kan. Daarop wijst het nieuwe onderzoek The Free Movement of People and the Success of Far-Right Parties: Evidence from Switzerland’s Border Liberalization. Het gaat om een onderzoek dat al aandacht heeft getrokken. Zo stond Caroline de Gruyter er al bij stil in haar column op NRC>: Hoe de extreemrechtse elite aan stemmen komt.

De onderzoekers keken naar de gevolgen van de toename van arbeidsimmigranten in Zwitserland voor de steun voor rechts-extremistische anti-immigratiepartijen nadat dat land in 1999 met de Europese Unie een verdrag had gesloten over het vrije verkeer van personen. Die toename van arbeidsimmigratie bleek er inderdaad te zijn, meer in gemeenten grenzend aan Italië, Frankrijk en Duitsland dan in gemeenten met grotere afstand tot de grens.

Had die toename van arbeidsimmigranten negatieve gevolgen voor de inwoners van die aangrenzende gemeenten? Nee, geenszins. Hun werkgelegenheid nam niet af en hun lonen namen eerder iets toe dan af. Evenmin was er een afname van het door hen ingeschatte risico op werkloosheid en van de door hen waargenomen woonlasten. En hun financiële tevredenheid was zelfs iets toegenomen. Ook waren er geen aanwijzingen dat de bewoners in de grensgemeenten zich meer cultureel bedreigd of onveiliger waren gaan voelen. Merk op dat het taalprobleem niet een rol gespeeld kan hebben, omdat in alle drie gebieden aan weerszijden van de grens dezelfde taal wordt gesproken.

Kortom, de toegenomen arbeidsimmigratie had geen negatieve economische of culturele gevolgen. Wat de verwachting wekt dat er geen toename zou optreden van de steun voor rechts-extremistische anti-immigrantenpartijen. 

Maar wat bleek? In de vier verkiezingen na de openstelling van de grens nam het stemmenpercentage van die rechts-extremistische partijen met bijna een derde toe.

Hoe kan dat? Vroegen de onderzoekers zich af. Hun antwoord komt er op neer dat de rechts-extremistische politici so wie so een vijandbeeld proberen te propageren. Bedenk weer dat ze die statuscompetitieve drijfveer hebben waarin zij zichzelf willen presenteren als de redder in nood in een vijandige wereld.

En dus zijn ze vindingrijk. Als die economische of culturele bedreigingen niet genoeg aanslaan, dan komen ze met het "Dit land is vol"-argument. In Zwitserland namen ze hun toevlucht tot het aan de biologie ontleende thema van de Dichtestress, van de overbevolking, waardoor mensen meer overlast van elkaar ervaren. Overvolle treinen, files, verstedelijking van het platteland, te drukke winkelcentra, te weinig parkeerplekken, etc. We zijn al met zoveel dat we die immigranten er niet bij kunnen hebben. We moeten ze tegenhouden en als ze er al zijn, dan moeten ze terug. Maar ook daar valt weer tegenin te brengen dat er geen aanwijzingen waren dat in de grensgemeenten de verkeersdrukte was toegenomen. 

Hoe dan toch te verklaren dat de inwoners meer rechts-extremistisch gingen stemmen? De onderzoekers vermoeden uiteindelijk dat het iets te maken moet hebben met de mate waarin kiezers geïnformeerd en beïnvloedbaar zijn. Dus inderdaad met die weg van de desinformatie. 

Dit onderzochten ze in het aan Italië grenzende kanton Ticino (of Tessin). Daar was de arbeidsimmigratie sterk toegenomen en was er in de media veel aandacht aan besteed. Volgens een bekende theorie over politiek bewustzijn, zijn kiezers die heel weinig of juist heel veel politiek geïnteresseerd zijn, weinig beïnvloedbaar. Als je weinig geïnteresseerd bent, dan ben je met andere dingen bezig. En als je heel veel geïnteresseerd bent, dan ben je in staat je eigen oordelen te volgen. Degenen die daar tussen in zitten, die zijn het meest beïnvloedbaar. Ze weten genoeg om open te staan voor beïnvloedingspogingen, maar te weinig om die op waarde te kunnen schatten.

In overeenstemming daarmee bleek inderdaad dat die middengroep een negatievere houding had tegenover de immigranten dan de twee andere groepen. Dat is dus het deel van de kiezers dat bij uitstek ontvankelijk is voor de desinformatie van rechts-extremistische anti-immigranten boodschappen. Ze zijn genoeg geïnteresseerd om die boodschappen te ontvangen en te weinig geïnteresseerd om ze goed te kunnen beoordelen.

Dat alles komt er dus op neer dat rechts-extremistische politici succes kunnen hebben met het aanwakkeren van hun beeld van een vijandige wereld ook als dat beeld feitelijk niet kan worden onderbouwd. Ze blijken in staat een bepaald deel van de bevolking, het deel dat matig politiek geïnteresseerd is, op te zetten tegen immigranten, ook als hun argumenten tegen immigratie elke onderbouwing ontberen. 

Foute leiders hebben het nu eenmaal nodig om vijanden te kunnen aanwijzen. Ook als die er in feite niet zijn. Hier het vervolg.

vrijdag 27 september 2024

Een sociaalwetenschappelijk zicht op het fenomeen van de foute leider - 1

Toen ik, in 1943, werd geboren, werd het wereldtoneel beheerst door de strijd van geallieerde landen tegen het bewind van een foute leider, Adolf Hitler, die in Duitsland aan de macht was gekomen, daar alleenheerser was geworden, een veroveringsoorlog was begonnen en de Holocaust in werking had gezet om zoveel mogelijk van al diegenen die hij als vijand of als minderwaardig zag, te vermoorden. Die strijd eindigde met de nederlaag van Hitler, die zelfmoord pleegde, nadat hij een groot deel van het Duitse volk in zijn val had meegesleurd. In zijn optiek had dat volk dat lot verdiend, want het was te zwak gebleken voor de totale eindoverwinning waar hij altijd op uit was geweest.

Die episode, die begon in 1933 en eindigde in 1945, valt te beschouwen als het schoolvoorbeeld van wat een foute leider kan aanrichten. Een voorbeeld van wat een foute leider is, hoe hij te werk gaat, hoe hij aanhangers en bewonderaars achter zich krijgt, hoe hij grenzeloos is in zijn bewondering voor zichzelf en zijn haat en wantrouwen tegenover anderen en hoe hij uiteindelijk de onvermijdelijke nederlaag ondergaat en anderen daarin meesleurt.

Maar nu zijn we beland in 2024 en is er alle aanleiding om ons af te vragen of we wel genoeg van dat schoolvoorbeeld geleerd hebben. Want het fenomeen van de foute leider duikt weer opnieuw op. En met de opeenvolging van generaties zakken lessen uit het verleden diep weg in het collectieve geheugen.  

Timothy Snyder, geschiedenishoogleraar aan de Universiteit van Yale, is een van degenen die zich er voor inspant om dat collectieve geheugen in stand te houden. Een andere is onze landgenoot Cas Mudde, hoogleraar Internationale Betrekkingen aan de Universiteit van Georgia. 

Van Snyder is net zijn nieuwe boek On Freedom verschenen, vertaald als Over vrijheid. Op de website van de uitgever lees je als toelichting:

Wat is vrijheid? Waarom is onze vrijheid in gevaar? En waarom is vrijheid onze enige kans om te overleven?

Vrijheid is de kern van onze westerse wereld, het hart van onze democratie, maar we zijn uit het oog verloren wat het betekent, met crisis als resultaat. Te veel mensen beschouwen vrijheid als de afwezigheid van staatsmacht. We denken dat we vrij zijn als we kunnen doen en zeggen wat we willen en zo min mogelijk worden gehinderd door de overheid. Maar echte vrijheid is niet zozeer vrijheid van als wel vrijheid om – om te gedijen, om dingen op het spel te zetten voor een toekomst die we samen kiezen en waar we samen aan werken. Vrijheid is de waarde die alle andere waarden mogelijk maakt.

Dat lijkt er op te wijzen dat Snyder daar probeert om op het niveau van de nationale staat een toestand te kenschetsen die overeenkomt met wat ik de gemeenschapstoestand noem van het iedereen-telt-mee. 

Terwijl hij ons in zijn eerdere boek On Tyranny (vertaald als Over tirannie. Twintig lessen uit de twintigste eeuw) waarschuwt voor de gevaren dat die gemeenschapstoestand afglijdt naar een statuscompetitietoestand van het ieder-voor-zich, waarin een foute leider aan de macht is gekomen. (Lees hier meer over die gemeenschapstoestand en de statuscompetitietoestand: Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.)

Daarmee loop ik al vooruit op hoe een sociaalwetenschappelijk zicht op het fenomeen van de foute leider er uit zou zien. Kort gezegd: een goede leider kan alleen bestaan in een gemeenschapstoestand, dat wil zeggen, in een goed functionerende democratie als het gaat om een nationale staat. Daartegenover is een foute leider onverbrekelijk verbonden met de statuscompetitietoestand, dus op het niveau van de nationale staat met een autocratie, een dictatuur, of sociaalwetenschappelijk gezegd, een statushiërarchie. 

Dat betekent dat het bestaan van een goede of foute leider altijd het resultaat is van een sociaal proces, van oftewel het zich ontwikkelen van een gemeenschapstoestand oftewel van een statuscompetitietoestand. Als er ergens een foute leider aan de macht is gekomen, dan hebben daarin naast de eigenschappen en het gedrag van de persoon ook de eigenschappen en het gedrag een rol gespeeld van al diegene die hem actief aan de macht hebben geholpen of dat passief hebben laten gebeuren.

En het betekent dat de drijfveren van een goede en een foute leider radicaal verschillen. Een goede leider is gemotiveerd door het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon. Dat is de drijfveer van het samenwerken en delen. Hij of zij vervult de leiderschapspositie niet voor zichzelf. En maakt plaats voor een opvolger als die wordt gekozen. 

Daarentegen is de foute leider geheel en al gedreven door zijn (meestal is het een man) eigenbelang en wel het belang dat bepaald wordt door de statuscompetitie. Zijn einddoel is het bereiken van de top van de statushiërarchie. De toestand waarin hij niemand meer naast zich, laat staan boven zich, hoeft te dulden. En als hij daar eenmaal beland is, is er niets anders dan de drijfveer om die positie te behouden, want in zijn wereldbeeld zijn er altijd rivalen die tijdig dienen te worden opgemerkt en uitgeschakeld.

En dat wijst natuurlijk op de grote betekenis van sociale (on)veiligheid. Alleen een toestand van sociale veiligheid, van onderling vertrouwen, kan een goede leider voortbrengen. Een democratie bestaat bij de gratie van een grote mate van vertrouwen in andere mensen (generalized interpesonal trust). Zie bijvoorbeeld de studie Democracy satisfaction: the role of interpersonal trust. Geheel in lijn met het sociaalwetenschappelijke inzicht dat sociale veiligheid een voorwaarde is voor een gemeenschapstoestand.

En met het inzicht dat sociale onveiligheid de statuscompetitie in gang zet, of beter gezegd, dat die twee altijd samengaan. De foute leider denkt zich pas veilig te kunnen voelen als hij de top van de statushiërarchie heeft bereikt. Pas dan denkt hij verlost te zijn van de gevaren die uitgaan van degenen die hij naast zich of boven zich moet dulden. Zolang hij de alleenheerschappij niet heeft bereikt, en zelfs daarna, is zijn wereldbeeld dat van de permanente sociale onveiligheid. Anders gezegd, het is het wereldbeeld van de kwaadaardige narcist, die er op uit is om zijn positie in overeenstemming te brengen met zijn onbegrensde zelfvertrouwen en zelfbewondering. Zo lang dat niet gelukt is, en dat lukt dus nooit, ziet hij overal gevaren en bedreigingen.

Dat verklaart dat de foute leider altijd obsessief bezig is met personen en groepen die in zijn ogen een gevaar vormen en die moeten worden bestreden, verwijderd, ja, zelfs geëlimineerd. 

En dat verklaart weer dat de foute leider aanhang krijgt in tijden van grote bestaansonzekerheid onder de bevolking. Hij treft dan zijn ideale werkterrein aan. Mensen zoeken naar oorzaken voor de verslechtering van hun positie en de foute leider wijst ze aan: de Joden (Hitler), de immigranten, de asielzoekers, de moslims (Trump, Wilders). En houdt hen voor dat hij, en hij alleen, in staat is om hen te geven wat ze willen: de veiligheid van de Lebensraum (Hitler), van het Make America Great Again (Trump), van het Nederland zoals het was (Wilders).

En het verklaart tenslotte dat de foute leider zacht gezegd niet goed uit de voeten kan met de democratie. De democratie binnen de kortste keren afschaft als hij daartoe de kans krijgt (Hitler). Zijn verkiezingsnederlaag niet erkent en zelfs probeert om aan de macht te blijven (Trump). En als hij deelneemt aan een regering, meteen probeert om een crisis uit te roepen en het parlement buiten spel te zetten (Wilders). Hier het vervolg.

woensdag 10 juli 2024

De overgangsfase van het afscheid van het neoliberale tijdperk - Spannender dan je zou wensen

De politieke actualiteit staat geheel in het teken van het afscheid van het neoliberale tijdperk, waarin het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon het denken van politici en kiezers domineerde. We ervaren de negatieve gevolgen van dat denken in de vorm van de toegenomen bestaansonzekerheid onder grote delen van de bevolking, de toegenomen ongelijkheid, het vijanddenken van het rechts-extremisme en het bedreigd worden van de democratie. 

Dat doet het besef groeien dat het hoog tijd is om die andere kant van de menselijke sociale natuur, het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon, en dus van de democratie, weer in het hart van de politiek terug te brengen. Dat kan op het niveau van de politiek alleen als we dat met zijn allen doen, dus met een grotere rol voor de democratische overheid. Die bestaanszekerheid voor iedereen nastreeft en die de ongelijkheid binnen de perken houdt. Die onze morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee cultiveert en vorm geeft in beleid en in de instituties van de rechtsstaat. En bijdraagt aan die vormgeving op het niveau van de internationale verhoudingen.

Zo'n overgangsfase verloopt niet zonder slag of stoot. Want degenen die in dat rechts-extremistische vijanddenken van het statuscompetitiepatroon zijn beland, kunnen daar moeilijk los van komen. Als je eenmaal de wereld als onveilig bent gaan zien, als een wereld vol gevaar of als een amorele jungle, dan verduistert dat je blik en zie je er alleen nog maar bevestigingen van. En je maakt je wereld kleiner, waardoor je geen corrigerende ervaringen meer opdoet. 

Dat kan een proces van radicalisering in gang zetten. "Vreemdelingen" dienen te worden "gedeporteerd" of erger. Jouw leider dient dictatoriale macht te krijgen. Er dient hard en gewelddadig te worden opgetreden. We zien zich zo'n proces voltrekken in de Verenigde Staten, waar de krachten achter Donald Trump in hun Project 2025 een christelijk-nationalistische dictatuur schilderen met Trump aan het hoofd. En natuurlijk zien we die radicalisering ook in Nederland, waar PVV-ministers deel uitmaken van de regering.

Daardoor is het nog niet meteen duidelijk hoe lang die overgangsfase nog duurt en wat we nog aan vreselijke gevolgen van die radicalisering zullen meemaken.

Dat maakt het dagelijks volgen van de nationale en internationale politieke berichtgeving spannender dan je zou wensen.

dinsdag 14 mei 2024

Naast en onafhankelijk van economische achtergesteldheid maakt ook de persoonlijkheidstrek van het neuroticisme vatbaar voor rechts-extremisme

Politiek rechts-extremisme berust op een wereldbeeld van onveiligheid en daarmee van vijandigheid. De wereld is onveilig en dat komt doordat er vijanden zijn die het op ons voorzien hebben en die dus moeten worden bestreden. En die als het mogelijk is dienen te worden verwijderd ("gedeporteerd") of zelfs te worden vernietigd. De aard van die vijanden kan variëren (Joden, Roma, immigranten, asielzoekers, moslims, lhbtqia+-ers, de linkse elite), de constante is dat er vijanden zijn. 

Daarmee is politiek rechts-extremisme een uitingsvorm van het menselijke statuscompetitiepatroon. Het wereldbeeld van strijd en ieder-voor-zich is erin geactiveerd. Er zijn vijanden die tegelijk aan ons inferieur zijn en ons bedreigen. Alles in de politiek draait erom die bedreiging het hoofd te bieden. Al het andere is daaraan ondergeschikt.De bij de democratie passende opdracht van het zoeken naar het beste beleid voor iedereen is gereduceerd tot de opdracht van het uitschakelen van vijanden.

Dat het rechts-extremisme in allerlei landen weer de kop opsteekt, in ons land in de vorm van de verkiezingsoverwinning van Wilders' eenmanspartij de PVV, ligt eraan dat de heersende neoliberale politiek de doelstelling van het verschaffen van bestaanszekerheid voor iedereen overboord gooide. Daardoor namen onveiligheidsgevoelens toe en dus de ontvankelijkheid voor de rechts-extremistische boodschap. Als mensen zich bedreigd en onveilig voelen, dan zoeken ze daar voor een oorzaak en een oplossing. In antwoord daarop wijst de rechts-extremistische politicus een vijand aan en een oplossing: bestrijd en verwijder de vijand.

Er is het nodige sociaalwetenschappelijk onderzoek dat dit zicht op het politieke rechts-extremisme ondersteunt. Veel daarvan kwam aan de orde in het bericht Waardoor werd de PVV zo groot? 

Er is nu dit nieuwe onderzoek dat in dezelfde richting wijst: Fear and Deprivation in Trump’s America: A Regional Analysis of Voting Behavior in the 2016 and 2020 U.S. Presidential Elections. De onderzoekers laten zien dat de rechts-extremist Donald Trump bij de verkiezingen van 2016 en 2010 in het bijzonder goed scoorde in economisch achtergestelde regio's (counties), maar daarnaast ook in regio's met een hoge mate van onveiligheidsgevoelens, dat wil zeggen met een hoge gemiddelde score op de persoonlijkheidsdimensie neuroticisme.

Mensen met een hoge mate van neuroticisme zien de wereld als bedreigend en zijn vatbaar voor een angststoornis of een depressie. Ze reageren sterk op negatieve gebeurtenissen, ervaren vaker negatieve gebeurtenissen, interpreteren ambigue gebeurtenissen als bedreigender, raken door negatieve ervaringen meer van de kaart en vinden het moeilijker om met negatieve gevoelens om te gaan. 

Dat zo'n behoorlijk stabiele persoonlijkheidstrek als neuroticisme, onafhankelijk van die economische achtergesteldheid, vatbaar maakt voor rechts-extremisme is opmerkelijk. Het bevestigt dat politiek rechts-extremisme een antwoord is op onveiligheidsgevoelens, of die nu een economische oorzaak hebben of dat ze een oorzaak hebben in iemands persoonlijkheid. 

De rechts-extremistische politicus vaart wel bij onveiligheidsgevoelens. Die zijn vanwege dat neuroticisme altijd in zekere mate in de bevolking aanwezig. Maar dat heeft geen gevolgen voor het stemgedrag van neurotici zolang de politiek zich laat leiden door de morele gemeenschapsintuïtie van iedereen-telt-mee. Zodra die leidraad wordt verlaten, ontstaat er de ruimte voor het rechts-extremistische wereldbeeld van onveiligheid en daarmee van vijandigheid. En dan wordt neuroticisme een politieke factor.

donderdag 11 april 2024

Het klopt dat de democratie van bovenaf wordt bedreigd en niet van onderop

Klopt het dat de democratie van bovenaf wordt bedreigd en niet van onderop? 

Ik zag een fragment van een Tweede Kamerdebat voorbijkomen, waarin Laurens Dassen, fractievoorzitter van Volt, die stelling innam in antwoord op een interruptie van Caroline van der Plas van BBB, die hem verweet dat hij de kiezers van de PVV en BBB niet serieus nam. Dassen betoogde kennelijk dat je de de antidemocratische en antirechtsstatelijke opvattingen vooral aantreft bij de politieke voormannen en -vrouwen en veel minder bij hun kiezers. 

Van PVV-kiezers weten we weliswaar dat ze hoger dan gemiddeld scoren op de Sociale Dominantie Oriëntatie, maar ze zouden dus tegelijkertijd minder dan Geert Wilders zelf antidemocratische en antirechtsstatelijke opvattingen hebben. (Ik denk even aan die ene PVV-stemmer die werd geïnterviewd en die vertelde dat hij Wilders had gestemd omdat die "zegt waar het op staat" en juist niet vanwege "dat rechts-extremisme".)

Nu is het niet gebruikelijk dat politici hun beweringen altijd meteen onderbouwen met verwijzingen naar wetenschappelijk onderzoek. Maar het had gekund dat Dassen zich baseerde op de recent verschenen studie Uncommon and nonpartisan: Antidemocratic attitudes in the American public. 

Daaruit blijkt namelijk dat, althans voor de Amerikaanse politiek, de antidemocratische opvattingen van de Republikeinse politici slechts door een kleine minderheid van hun kiezers gedeeld worden. De Republikeinse partij is zoals bekend overgenomen door Donald Trump, die de uitslag van de presidentsverkiezingen van 2020 niet erkent, die de Grondwet buiten werking wil stellen, die de rechterlijke macht aanvalt en die aankondigt dat hij dictator zal zijn en dat hij wraak zal nemen op zijn tegenstanders mocht hij herkozen worden. En een groot deel van de Republikeinse politici scharen zich achter Trump.

Maar ondervraging van Republikeinse kiezers wijst uit dat ze in overweldigende meerderheid de democratie aanhangen en daarin niet of nauwelijks afwijken van kiezers op de Democraten. Van kiezers van beide partijen zijn het slechts kleine minderheden, grofweg tussen 10 en 20 procent, die

  • het er mee eens zijn dat het aantal stembureaus in districten met de meeste kiezers op de andere partij verminderd wordt
  • meer loyaal zijn met hun eigen partij dan met de verkiezingsprocedures en met de Grondwet
  • vinden dat uitspraken van rechters die benoemd zijn door een president van de andere partij genegeerd mogen worden
  • vinden dat de overheid media mag censureren die vooral de eigen partij aanvallen.

Nagenoeg het enige onderscheid dat werd gevonden was dat Republikeinen meer dan Democraten geneigd zijn loyaler te zijn met hun eigen partij dan met de Grondwet (5,2 procent verschil). 

Er is kortom onder de kiezers een overweldigende meerderheid voor het handhaven van de democratie. Ook bij de Republikeinse kiezers, terwijl juist die partij onder hun voorman Donald Trump aankondigt de democratie overboord te willen zetten. 

Er is dus, tot nu toe, geen aanwijzing dat de Republikeinse kiezers hun voorman volgen. Als ze in november al op Trump gaan stemmen, dan is dat niet vanwege zijn antidemocratische opvattingen. 

De onderzoekers besluiten met:

Our results suggest that we do not need to convince the public to value democracy, but we do need to convince Americans to take into account their commitment to democracy in the ballot box. If elites can be made more responsive to the attitudes of the public, proponents of democracy will have grounds for cautious optimism.

Kortom, duidelijke aanwijzingen dat de democratie bedreigd wordt van bovenaf, niet van onderop. Laurens Dassen had gelijk.

Dat zou dus heel goed ook voor Nederland kunnen gelden. 

Meer in het algemeen, mensen zijn er in grote getale van overtuigd dat het een goed idee is om de morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee op het niveau van de nationale staat vorm te geven in de instituties van de democratie en de rechtsstaat. 

Tegenstanders van dat iedereen-telt-mee mogen opvallend actief zijn in de politiek en aandacht krijgen in de media, en mogen zelfs verkiezingen "winnen",  dat wil geenszins zeggen dat ze daarbij gedragen worden door grote groepen kiezers.

vrijdag 23 februari 2024

Zijn dit "de beste tijden van de PVV" die Wilders al in 2014 zag aankomen? - 2. Een sociaalwetenschappelijke blik

Dat Geert Wilders met zijn eenmanspartij de PVV de grootste politieke partij is geworden, maakt het nog niet waarschijnlijk dat hij ook premier zal kunnen worden van een nieuwe regering. Niet alleen doordat hij toch maar over 37 zetels van de 150 kan beschikken, maar ook doordat hij ongrondwettelijke standpunten uitdraagt, waar de meeste andere partijen niet van zijn gediend. Gegeven zijn narcistische neiging tot alleenheerschappij, zoals in zijn eigen partij, valt ook niet te verwachten dat hij met bijvoorbeeld een vicepremierschap en een minderheidspositie in de regering genoegen zal willen nemen. Zie hier het vorige bericht.

We weten niet wat de informatie-Putters zal opleveren. Maar het zou kunnen zijn dat Wilders al verder vooruit kijkt. De situatie waarin hij verkeert, en waarin wij met hem verkeren, is een bijzonder geval van een bekend sjabloon. Het sjabloon namelijk waarin de democratie, als verwezenlijking van het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon, bedreigd wordt door een politicus en zijn gevolg, die geleid worden door de drijfveren van het statuscompetitiepatroon. 

Terwijl het gemeenschapspatroon alleen horizontale drijfveren kent, het met elkaar goed voor hebben, zijn die van het statuscompetitiepatroon verticaal en dus enerzijds van boven naar beneden en anderzijds van beneden naar boven. Van boven naar beneden zijn dat de drijfveren van de leider die uit is op de alleenheerschappij en die vijanden meent te zien die overheerst dienen te worden of erger. En het zijn de drijfveren van de volgers, die diezelfde vijanden menen te zien en de leider volgen in zijn overheersingsdrang. En van beneden naar boven zijn het de drijfveren van de volgers om hun lot in de handen van de leider te leggen, om zijn alleenheerschappij in bewondering te aanvaarden.

Die twee patronen die menselijke relaties kunnen aannemen, zijn natuurlijk bekend. En evenzeer is bekend hoe die twee met elkaar in botsing kunnen komen. Toch is het belangrijk om onder ogen te zien hoe de bijbehorende motiveringen van elkaar verschillen.

In het geval van het gemeenschapspatroon en van de democratie die daarop geïnspireerd is, zijn mensen gemotiveerd om in onderling overleg het beste beleid te vinden voor iedereen. In dat overleg kunnen inzichten en meningen verschillen, maar de onderliggende motivatie is dezelfde. Mensen kunnen ergens van overtuigd zijn, maar delen de bereidheid om in overleg door anderen overtuigd te worden. Bestaande inzichten kunnen worden bijgesteld en niemand wordt geacht de waarheid in pacht te hebben.

Dat ligt fundamenteel anders in het geval van het statuscompetitiepatroon. Dan zijn er geen andere drijfveren dan aan de ene kant de wil tot alleenheerschappij en overheersing en aan de andere kant de wens om zich te voegen naar en te onderwerpen aan de leider. Daarbuiten is er geen voorkeur voor het ene dan wel het andere beleid. Laat staan een bereidheid om daar onder gelijken over te overleggen.Lees ook de fraaie analyse van de persoon en de drijfveren van Geert Wilders door de antropoloog Ginny Mooy: Wilders houdt helemaal niet van Nederland. Hij haat ons, ten diepste.

Anders gezegd, we hebben te maken met twee radicaal verschillende wereldbeelden. Het gemeenschapswereldbeeld, waarin de wereld als veilig wordt waargenomen, waarin anderen zijn te vertrouwen en waarin mensen het goed met elkaar voor hebben. En daartegenover het statuscompetitiewereldbeeld, waarin er vijanden zijn en waarin niemand is te vertrouwen. (Dat de volgelingen in de ban zijn van hun leider, is een andere toestand dan dat ze hem vertrouwen. Ze hebben zich aan hem uitgeleverd.)

Dat fundamentele verschil maakt dat communicatie over en weer ernstig wordt bemoeilijkt. Degenen bij wie het gemeenschapspatroon actief is, kunnen zich maar moeilijk voorstellen dat het bij de andere partij niet gaat om welk beleid het beste is, maar uitsluitend om het bereiken van de alleenheerschappij. Dat beleid daaraan ondergeschikt is. Ze hebben de neiging om beleidsvoorstellen van de andere partij te serieus te nemen. En er is de neiging om de kwaadaardigheid, die altijd gepaard gaat met het willen overheersen en onderwerpen, te onderschatten.

En degenen bij wie het statuscompetitiepatroon actief is, kunnen de bereidheid tot overleg van de andere partij alleen maar zien als een teken van zwakte of als een slimme manoeuvre om hen op het verkeerde been te zetten. Er kan alleen maar wantrouwen zijn. En tekenen van zwakte worden aangegrepen om te kleineren en te beledigen of om toe te slaan.

Het zou bij uitstek een taak behoren te zijn van de sociale wetenschap om voor die communicatieproblemen, en in het bijzonder voor die onderschatting van de kwaadaardigheid, te waarschuwen. Een taak die nu niet wordt uitgeoefend. Zie Heeft de sociologische theorie een blinde vlek voor kwaadaardigheid?

Wat zegt dit over de huidige politiek toestand in ons land? Wilders heeft met zijn verkiezingsoverwinning een stap gezet in de door hem gewenste richting. Maar die stap is bij lange na niet groot genoeg. Hij heeft weliswaar drie ongrondwettelijke en voor vrijwel alle andere partijen onaanvaardbare initiatiefwetsvoorstellen ingetrokken, maar heeft tegelijk verklaard dat hij aan alle ooit ingenomen standpunten vasthoudt. Dat de islam een haatzaaiende religie is die verboden zou moeten worden, is waarom hij de politiek is ingegaan. Het is en blijft het DNA van zijn partij. Het bezit van een koran en het bezoeken van een islamitische school zou met vijf jaar gevangenis bestraft moeten worden. Het bezoeken van een moskee met enkele maanden. Ambtsdragers zouden geen dubbele nationaliteit mogen hebben en mensen met een dubbel paspoort moet het kiesrecht worden ontnomen. Er zou "administratieve detentie" ingevoerd moeten worden, wat wil zeggen dat mensen zonder tussenkomst van een rechter en nog voor een veroordeling maximaal zes maanden vastgezet kunnen worden. Het parlement is een nepparlement en de rechters zijn corrupt.

Daarmee heeft hij voor de goede verstaander duidelijk gemaakt dat hij de huidige toestand ziet als een tussenstap naar de gewenste alleenheerschappij. Hij ziet nieuwe verkiezingen opdoemen met een nog grotere winst. Hij kan niet anders dan zich daardoor te laten leiden. 

Die toestand heeft, naast natuurlijk de grote verschillen, enige overeenkomst met die in het Duitsland van 1932-1933. De NSDAP, de eenmanspartij van Adolf Hitler, boekte op 31 juli 1932 met 37,4 procent van de stemmen een grote verkiezingsoverwinning. Hitler eiste het kanselierschap op en stelde zich voor dat hij dan met presidentiële volmachten zou kunnen regeren. Maar hij kreeg van president Von Hindenburg het lid op de neus. Maar ook na ruim 4 procent verlies bij de verkiezingen op 4 november van dat jaar, hield hij onbuigzaam vast aan zijn aanspraak op het kanselierschap. En jawel, uiteindelijk, na veel verwikkelingen, kreeg hij zijn zin. Peter Longerich daarover in zijn biografie van Hitler:

Door zijn onwrikbare eis van een kanselierschap met presidentiële bevoegdheden was Hitler eind 1932 slechts schijnbaar op een dood spoor beland ... In werkelijkheid zette de partijleider zijn conservatieve tegenstrevers voor het blok door consequent te weigeren als gewoon minister aan een presidentieel kabinet deel te nemen of zo'n kabinet met gedoogsteun mogelijk te maken. (...) Zo had Hitler met tamelijk veel politiek vernuft al in januari 1933 een beslissende uitgangspositie voor zichzelf gecreëerd om zijn overstap naar het kanselierschap in de maanden erna tot een alomvattende machtsovername uit te bouwen. (p 330-331)

Hitler werd op 30 januari 1933 tot kanselier benoemd, terwijl hij toch niet meer dan een derde van de kiezers achter zich had. Daarna trok hij de macht in twee stadia naar zich toe:

in het eerste stadium, tot aan de zomer van 1933, werd de politieke macht grotendeels in handen van de nu duidelijk door de nazi's gecontroleerde regering gebundeld; in het tweede stadium, tot aan de late zomer van 1934, slaagde Hitler erin - vooral door zijn ingreep van 30 juni 1934 en door de overname van het ambt van rijkspresident - de conservatieven in de regering definitief buitenspel te zetten, de oppositie binnen zijn eigen partij uit te schakelen, en tenslotte een alleenheerschappij zonder enige grondwettelijke beperking op te zetten. (p. 336)

Dat was het overbekende voorbeeld van het proces waarin de strijd tussen het gemeenschapspatroon en het statuscompetitiepatroon in het voordeel van het laatste uitpakte. Met zoals evenzeer bekend vreselijke gevolgen. We zien er de ingrediënten van de beide patronen: de onwrikbare wil tot alleenheerschappij, gesteund door een felle en gewelddadige achterban, die echter naar omvang een minderheid was, en aan de andere kant de zwakte en de onderschatting van de komende gevaren.

Terug naar 2024. We zien zich in verschillende landen gebeurtenissen volgens het bekende sjabloon afspelen. In het geval van Rusland waren de democratische krachten veel te zwak ontwikkeld om de alleenheerschappij van Poetin te kunnen tegenhouden. In Polen heeft de nationalistisch conservatieve PiS acht jaar de tijd gehad om de democratie en de onafhankelijke rechtspraak af te breken, maar bij de verkiezingen eind vorig jaar waren de democratische krachten sterk genoeg om de regeringsmacht over te kunnen nemen. In de Verenigde Staten en Brazilië leek het vier jaar de verkeerde kant op te gaan, maar is de democratische rechtsstaat voorlopig sterk genoeg gebleken.

Afwachten hoe de strijd tussen het gemeenschapspatroon en het statuscompetitiepatroon in Nederland zich verder zal ontwikkelen. En of we "de beste tijden van de PVV" nog gaan meemaken.

maandag 19 februari 2024

Zijn dit "de beste tijden van de PVV" die Wilders al in 2014 zag aankomen? - 1

Op 9 maart 2014 verklaarde Geert Wilders in een interview: "Ik kan de PVV de grootste partij van Nederland maken. Ik voel dat. De beste tijden van de PVV liggen nog voor ons." De PVV had in 2012 een verkiezingsnederlaag geleden, van 15,4 procent in 2010 naar 10,1 procent. Zie hier de verkiezingsuitslagen voor de PVV sinds 2006.

In datzelfde interview zei hij ook wat hem drijft:

"Ik ben maar om één ding de politiek ingegaan: om de islam te bestrijden. Om de vrijheid te verdedigen. Al gaat de PVV over veel meer: het terugwinnen van soevereiniteit uit Europa, over lagere belastingen, het tegengegaan van het opheffen van de verzorgingshuizen." 

"Maar de bestrijding van de islam is mijn drijfveer. Dat is geen Nederlands probleem, maar een existentieel probleem."

Nu, in 2024, is hij inderdaad zo maar de grootste partij geworden. En nu is het de vraag of daarmee de beste tijden van de PVV zijn aangebroken.

Allereerst natuurlijk: hoewel de PVV de grootste partij is, kunnen we met nog geen 25 procent van de stemmen niet van een grote partij spreken. Het politieke landschap is zo gefragmenteerd dat Wilders niet zonder drie andere partijen een regering zou kunnen vormen. En na de tot niets leidende verwikkelingen van de informatie-Plasterk en zeer waarschijnlijk ook na de komende verwikkelingen van de informatie-Putters is duidelijk geworden of wordt dat nog duidelijk dat die drie andere partijen niet gevonden kunnen worden. Wilders mag datgene al hebben ingeleverd waarvoor hij de politiek is ingegaan, de bestrijding van de Islam ook als daarvoor de Grondwet moet sneuvelen, daarmee is hij nog onvoldoende tot de vereiste rechtsstatelijkheid teruggekeerd. Temeer doordat hij laat weten die ondemocratische standpunten uit het verleden nog steeds voluit te omarmen. Hij neemt "nergens afstand van."

Dat de PVV de grootste kon worden en dat de politieke fragmentatie zo groot is, heeft alles te maken de zwakte van de overige partijen. Zwakte vooral in het vermogen om de kiezers een vooruitzicht te bieden op een andere politiek dan het neoliberale beleid dat uitliep op de "Nederlandse polycrisis". En natuurlijk met de bizarre manoeuvres van de nieuwe VVD-lijsttrekker, waardoor Wilders gratis en voor niets de aandacht kreeg en ineens voor acceptabel kon doorgaan. Een deel van de kiezers is op zoek naar een "nieuwe" belofte en dacht die achtereenvolgens te vinden in Baudet, Van der Plas, Omtzigt en nu dus Wilders. 

Dat krijg je als opeenvolgende regeringen zo weinig oog hebben voor het belang van de overheid en van overheidswetgeving voor de bestaanszekerheid en het welzijn van de bevolking. Het verkiezingsprogramma van GroenLinks/PvdA wees in de goede richting, maar werd timide aan de kiezers gepresenteerd. Althans dat is mijn indruk, want van de lijsttrekkersdebatten heb ik maar weinig gezien.

Maar hoe dan ook, een regering met Wilders als premier ligt dus niet in het nabije verschiet. Wat speelt er zich nu in zijn hoofd af? 

Het moet zo zijn dat wat hem betreft die beste tijden van de PVV nog ergens in de toekomst liggen. In zijn wereldbeeld, dat van de narcistische rechts-extremist, bestaat de wereld uit vijanden of anderen die hij niet kan vertrouwen en die in ieder geval altijd zijn minderen zijn. Daarom heeft hij zich in zijn eigen partij tot alleenheerser gemaakt. En daarom vindt hij het zo lastig om anderen bij de minste aanleiding, ook als hij ze eigenlijk nodig heeft, niet te beledigen of te treiteren..

En kan hij zich in een mogelijke regering alleen voorstellen in de rol van premier, de rol die hij niet zoals gebruikelijk als "eerste onder zijn gelijken" zal willen invullen, maar als "eerste zonder gelijken". 

Alleen als hij het voor het zeggen heeft, voelt hij zich op zijn gemak. Eventueel kan dat in de rol van "gedoger", zoals van het minderheidskabinet-Rutte 1 (2010 - 2012), toen hij kabinetsleden, zoals Gerd Leers, minister voor Immigratie en Asiel, bij zich op het matje kon roepen. Zodra hem dat niet meer beviel, achtte hij zich niet langer aan het gedoogakkoord gebonden en viel het kabinet.

Wat betekent een en ander voor wat we van zijn gedrag in de komende tijd kunnen verwachten? En van het gedrag van andere politici? 

En wat valt daar sociaalwetenschappelijk over te zeggen? Hier het vervolg.

vrijdag 16 februari 2024

Waardoor werd de PVV zo groot? Jesse Frederik: doordat nu eenmaal zoveel kiezers tegen immigratie zijn. Een sociaalwetenschappelijke reactie.

Jesse Frederik laat op De Correspondent zien dat er bij het zoeken naar een verklaring voor de grote verkiezingswinst van de PVV van Geert Wilders te weinig onder ogen is gezien dat er gewoon veel kiezers zijn die de standpunten van de PVV onderschrijven. De winst van de PVV zou niet verrassend zijn, maar juist dat de PVV in het verleden zo weinig stemmen behaalde. En hij betoogt dat de pogingen om die winst te verklaren uit economische factoren, dus uit een veronderstelde toename van bestaansonzekerheid, niet deugen. Kort samengevat:

De winst van de PVV werd de afgelopen maanden grijsgeduid. Het was een tegenstem, angst, onbehagen. Maar het bewijs dat mensen vooral op een antimigratiepartij stemmen omdat ze tegen migratie zijn is overweldigend. Rechtspopulisme wint, omdat rechtspopulisme populair is.

Zie Waarom de PVV zo groot werd (en nee, niet door geschrapte buslijnen, guur neoliberalisme of groeiende ongelijkheid). 

Het is een serieus betoog, dat zeker de aandacht verdient. De vraag komt natuurlijk op hoe het zich verhoudt tot al het sociaalwetenschappelijk onderzoek dat ik besprak in de acht berichten op dit blog onder de titel Sociaalwetenschappelijk gezien zijn opkomst en neergang van rechts-extremisme in democratieën goed te verklaren. Daarin gaat het namelijk over de aanwijzingen dat de toename van rechts-populisme wel degelijk te maken heeft met problemen van bestaansonzekerheid. 

Mijn indruk is dat Jesse niet goed onderscheidt tussen het motief om rechts-extremistisch te stemmen (anti-immigratie) en de verklaring voor veranderingen in het belang dat kiezers aan dat anti-immigratie standpunt hechten (veranderingen in ervaren bestaansonzekerheid). En ik denk dat hij te weinig recht doet aan alle aanwijzingen dat de bestaansonzekerheid met de neoliberale regeringen van de afgelopen decennia wel degelijk is toegenomen. Ondanks dat in die periode de armoede is afgenomen en we een rijker land zijn geworden.

Maar laten we nog eens al die sociaalwetenschappelijke aanwijzingen de revue passeren. Hieronder die acht berichten.

1. Een verklaring in een notendop

De vraag hoe opkomst en neergang van de aanhang van rechts-extremistische politieke partijen valt te verklaren heeft enige urgentie, zeker nadat in ons land de rechts-extremistische PVV de grootste partij is geworden. 

Waarbij overigens meteen twee kanttekeningen dienen te worden gemaakt:

  • Hoewel de PVV als grootste uit de bus kwam, is de partij met 37 van de 150 zetels bepaald geen grote partij. Dat komt door de versplintering van het politieke landschap, een verschijnsel dat gelijk op lijkt te gaan met de opkomst van rechts-extremisme. 
  • En de PVV is geen gewone politieke partij met een interne democratie, maar "niet meer dan de Vereniging Groep Wilders, op 30 maart 2005 opgericht door Geert Wilders en de Stichting Groep Wilders. Deze stichting die Wilders op 20 november 2004 had opgericht om fondsen te werven bestond eveneens uit slechts één lid… Geert Wilders. De twee officiële oprichters van de vereniging, Geert Wilders en de Stichting Groep Wilders, hebben direct besloten een ledenstop door te voeren, waardoor de PVV in juridisch opzicht kortom maar één lid heeft." (Een unieke partij. De organisatie van de PVV). Een en ander is mogelijk doordat er in ons land opvallend weinig wettelijk geregeld is over politieke partijen. Er ligt al een paar jaar een wetsvoorstel Wet op de politieke partijen, maar daarin worden alleen eisen gesteld aan de transparantie van de interne procedures tot vaststelling van bestuur en kandidatenlijst. Of die procedures wel of niet democratisch zijn, wordt in het midden gelaten. Dit in tegenstelling tot buurland Duitsland, waar een partij met de juridische vorm van de PVV niet tot de verkiezingen zou worden toegelaten. Volgens de grondwet van 1949 en de wet over politieke partijen van 1967 moet een partij leden hebben en democratisch georganiseerd zijn (wikipedia).

Maar goed, een urgente vraag dus. Maar ook een vraag die sociaalwetenschappelijk gezien niet zo moeilijk valt te beantwoorden. Dit is het eerste van een aantal berichten waarin ik het sociaalwetenschappelijk onderzoek zal inventariseren waarop je dat antwoord kan baseren. Maar allereerst maar even hoe dat antwoord er in een notendop uitziet. In drie stappen.

Stap 1. Het vertrekpunt is dat mensen in hun kijk op en omgang met anderen zijn toegerust met het gemeenschapspatroon van iedereen-telt-mee en het statuscompetitiepatroon van ieder-voor-zich. Als burgers en kiesgerechtigden in een democratie kunnen ze zich laten leiden door het gemeenschapspatroon en dan omhelzen ze de democratische rechtsstaat, waarin immers iedereen meetelt, zowel in het algemeen kiesrecht als in de beleidsuitkomsten die beogen het algemeen belang zo goed mogelijk te dienen. 

Maar ze kunnen ook geleid worden door het statuscompetitiepatroon en dan hebben ze moeite met de democratie. Want in dat patroon hoort de maatschappij als een statushiërarchie te zijn georganiseerd, waarin de eigen groep het voor het zeggen heeft en waarin andere groepen slechts een ondergeschikte positie toekomt. 

Stap 2. Of mensen door het ene dan wel het andere patroon geleid worden, wordt sterk beïnvloed door de mate van sociale (on)veiligheid die ze ervaren. 

Bij een grote mate van ervaren sociale veiligheid wordt bij mensen het sociale betrokkenheidssysteem geactiveerd en hebben ze er geen moeite mee om medeburgers in het democratische proces als gelijkwaardig en goedwillend te beschouwen. Op zijn kortst gezegd: anderen zijn te vertrouwen.

Maar bij een grote mate van ervaren sociale onveiligheid zijn anderen een gevaar omdat ze de democratie zullen misbruiken. Ze zullen misbruik willen maken van de sociale voorzieningen. Daarom moeten die sociale voorzieningen zo sober mogelijk zijn of zelfs helemaal worden afgeschaft. Ook al om "aanzuigende werking" op "gelukszoekers" van buiten te voorkomen. Anderen moeten als interne of externe vijanden worden beschouwd, die zoveel mogelijk onschadelijk dienen te worden gemaakt of waartegen de grenzen moeten worden gesloten. We hebben dan te maken met activering van de vechtreactie op ervaren sociale onveiligheid. De reactie die zich uit in stemgedrag, namelijk het stemmen op een rechts-extremistische partij, of in pogingen de democratie omver te werpen en te vervangen door een statushiërarchie met de eigen groep aan de top. Op zijn kortst gezegd: wantrouw anderen.

Stap 3. Of mensen sociale veiligheid of onveiligheid ervaren wordt sterk beïnvloed door de mate waarin het overheidsbeleid erop gericht is en erin slaagt om voor zijn burgers bestaanszekerheid tot stand te brengen. Bij een hoge mate van bestaanszekerheid voelen mensen zich niet bedreigd en hebben ze er weinig moeite mee om anderen te vertrouwen. Maar als het bestaan onzeker is, is er snel de neiging om overal vijanden te zien en politici te volgen die graag vijanden aanwijzen. Na de Tweede Wereldoorlog was in veel landen het overheidsbeleid sterk gericht op het bevorderen van bestaanszekerheid en bestond er in de politiek geen rechts-extremisme. Maar sinds de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw gingen overheden een neoliberaal beleid voeren waarin het streven naar bestaanszekerheid naar de achtergrond verdween of zelfs actief werd verlaten. Daardoor nam de bestaanszekerheid voor grote groepen af. De daardoor ervaren sociale onveiligheid nam toe en daarmee het rechts-extremisme in de politiek.

Dat was het sociaalwetenschappelijke antwoord in een notendop. In volgende berichten een overzicht van het sociaalwetenschappelijk onderzoek waarop dit antwoord is gebaseerd. Om te beginnen met de aanwijzingen dat rechts-extremisme inderdaad een uitingsvorm is van het statuscompetitiepatroon.

2. Rechts-extremisme is statuscompetitie

Is rechts-extremisme inderdaad een uitingsvorm van het statuscompetitiepatroon?

Een serieus antwoord begint uiteraard met de bepaling van wat we onder rechts-extremisme verstaan. Ik kan natuurlijk zelf een definitie geven, maar daarin schuilt het gevaar dat ik daarin al meteen elementen van het statuscompetitiepatroon binnensmokkel. Ik moet dus een definitie gebruiken die al bestaat en die niet controversieel lijkt. 

Daarvoor ga ik te rade bij de AIVD, de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Die heeft tot taak:

het verrichten van onderzoek met betrekking tot organisaties en personen die door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de nationale veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat.

De AIVD omschrijft eerst wat onder extremisme verstaan wordt en daarna wat de betekenis is van rechts-extremisme. 

Onder extremisme wordt verstaan "het uit ideologische motieven bereid zijn om niet-gewelddadige en/of gewelddadige activiteiten te verrichten die de democratische rechtsorde ondermijnen". En als voorbeelden van zulke activiteiten worden genoemd:

  • systematisch haatzaaien;
  • angst verspreiden;
  • doelbewust desinformatie verspreiden;
  • demoniseren en intimideren;
  • verwerpen van wet en regelgeving;
  • pogingen om een parallelle samenleving tot stand te brengen waarbij het gezag van de Nederlandse overheid en het rechtssysteem wordt afgewezen;
  • geweldplegingen; 
  • mishandelingen;
  • of ernstiger vormen van geweld.

En als het om rechts-extremisme gaat, komen daarbij:

  • vreemdelingenhaat (inclusief antisemitisme en antimoslims);
  • haat jegens vreemde (cultuur)elementen;
  • ultranationalisme.

Kortom in het rechts-extremistische wereldbeeld is er de eigen groep, het eigen volk, dat verheven is boven andere groepen (vreemdelingen, andere culturen, buitenlanders). Zolang dat wereldbeeld nog niet algemeen aanvaard wordt, zijn anderen die het niet aanhangen vijanden die moeten worden bestreden. Net zo als die andere groepen. Door haat, angst en desinformatie te verspreiden, door demoniseren en intimideren, door de democratie, waarin immers iedereen hoort mee te tellen, te verwerpen en te ondermijnen en door gebruik van geweld. Dat laatste wijst erop dat vijanden niet alleen horen te worden onderdrukt en overheerst of "gedeporteerd", maar zo nodig ook horen te worden "uitgeroeid" of 'geëlimineerd".

Het is niet moeilijk om hier het statuscompetitiepatroon in te herkennen. De wereld is een strijd tussen groepen, waarin de eigen groep hoort te overwinnen. En bedenk dat als mensen door dat statuscompetitiepatroon geleid worden, dat de uitwerking daarvan allesoverheersend is. Al het denken en al het gedrag staat in het teken van de strijd en het behalen van de eindoverwinning. Een of ander verder weg gelegen doel waaraan het eigen handelen nog beoordeeld zou kunnen worden, ontbreekt. Een externe begrenzing door zoiets als objectieve waarheid is niet langer aanwezig. Vandaar dat samenzweringstheorieën zo gemakkelijk ontstaan en worden omarmd.

In het sociaalwetenschappelijk onderzoek komen we het rechts-extremistische en dus statuscompetitieve wereldbeeld tegen in de Sociale Dominantie Oriëntatie (SDO). Als je daar hoog op scoort,  dan ben je gefascineerd door de gedachte dat de samenleving een statushiërarchie is van groepen en door de innerlijke behoefte om jezelf en je groepsgenoten (het eigen volk) aan de top daarvan te zien. Je bent het dan opvallend veel eens met uitspraken als:

  • Sommige groepen mensen zijn gewoon inferieur aan andere groepen
  • Het is oké als sommige groepen betere levenskansen hebben dan andere
  • Als bepaalde groepen meer hun plaats kenden, dan hadden we minder problemen

Hier kun je je eigen SDO-score te weten komen. 

Hebben stemmers op rechts-extremistische partijen dan ook een hogere SDO-score? Ja, dat weten we al sinds 2014. Toen verscheen namelijk de studie Extreme-Right Voting in Western Europe: The Role of Social-Cultural and Antiegalitarian Attitudes, die dat laat zien.

In zeven Europese landen (Oostenrijk, België, Denemarken, Frankrijk, Nederland, Noorwegen en Zwitserland) bleek het stemmen op rechts-extremistische partijen samen te hangen met het afwijzen van gelijkheid (anti-egalitarisme), dus met het omarmen van de statushiërarchie. En uit een vervolgonderzoek in Nederland bleek dat het stemmen op de PVV gepaard ging met een hogere SDO-score. Dat verband bleef bestaan bij controle voor geslacht, leeftijd en opleiding. In het eerste geval verloopt het verband via vijandigheid tegenover immigranten en in het Nederlandse onderzoek via etnisch vooroordeel, zeg maar racisme.

Die uitkomsten zijn vooral ook interessant omdat je vaak hoort dat vijandigheid tegenover immigranten met een andere cultuur voortkomt uit gevoelens van culturele bedreiging. Sociaal-culturele onzekerheid zou dan het probleem zijn. Maar volgens dit onderzoek is dat juist niet het geval. Het gaat om de neiging tot sociale dominantie.

Wilders-aanhangers zijn dus volgens dit onderzoek niet degenen die zich cultureel bedreigd voelen, die hun eigenheid willen beschermen tegenover vreemde uitingen en gewoonten die zich aan hen opdringen. Nee, het zijn degenen van het "Eigen volk eerst", van het zichzelf superieur voelen boven anderen en het willen overheersen van die anderen. Het lijkt een soort collectief narcisme dat hier werkzaam is.

Of die resultaten uit 2014 onverkort gelden voor de huidige stemmers op de PVV weten we natuurlijk niet. Wel weten we dat de PVV nu net zo rechts-extremistisch is als de partij in 2014 was.

3. De gevaarlijke wereld en de wereld als een amorele jungle

Sociaalwetenschappelijk gezien is rechts-extremisme gemakkelijk te herkennen als een uitingsvorm van het statuscompetitiepatroon. In dat patroon is er altijd een strijd tussen groepen en is er het allesbepalende streven om de eigen groep te laten domineren over andere groepen. We zagen een en ander tevoorschijn komen in het verband tussen het stemmen op de rechts-extremistische PVV en het hoog scoren op de Sociale Dominantie Oriëntatie (SDO).

In het sociaalwetenschappelijk onderzoek is er naast die SDO ook nog het meetinstrument van het Right-Wing Authoritarianism (RWA), dat met die SDO overlapt, maar waarmee een ander aspect van het rechts-extremisme aan het licht komt. Valt dat ook te herkennen als behorend tot het statuscompetitiepatroon?

Dat andere aspect bestaat uit het onderschrijven en aanhangen van traditionele normen en waarden, het je zelf daaraan onderwerpen en het opleggen ervan aan anderen, als het moet met geweld. Zie The Authoritarians van Bob Altemeyer. Je RWA-score is hoger als je het meer eens bent met uitspraken als:

  • Our country desperately needs a mighty leader who will do what has to be done to destroy the radical new ways and sinfulness that are ruining us.
  • The only way our country can get through the crisis ahead is to get back to our traditional values, put some tough leaders in power, and silence the troublemakers spreading bad ideas.
  • It is always better to trust the judgement of the proper authorities in government and religion than to listen to the noisy rabble-rousers in our society who are trying to create doubt in people's minds.

In de studie Dangerous and competitive worldviews: A meta-analysis of their associations with Social Dominance Orientation and Right-Wing Authoritarianism uit 2013 concluderen de onderzoekers uit een meta-analyse van eerdere studies dat degenen die hoog scoren op RWA meer het beeld hebben van een gevaarlijke wereld en degenen die hoog scoren op SDO meer het beeld van een competitieve wereld.

De mate waarin je een gevaarlijk wereldbeeld hebt, werd vastgesteld met de Belief in a Dangerous World Scale, waarin het gaat om het wel of niet onderschrijven van uitspraken als: "Any day now chaos and anarchy could erupt around us..." en "There are many dangerous people in our society who will attack someone out of pure meanness, for no reason at all."
En bij het aanhangen van een competitief wereldbeeld gaat het om uitspraken als “It’s a dog-eat-dog world where you have to be ruthless at times” en "There is really no such thing as “right” and “wrong.” It all boils down to what you can get away with."

De onderzoekers vatten de gevonden samenhangen samen in het onderstaande plaatje, Je ziet dat de sterkste verbanden (de dikkere lijnen) worden gevonden tussen het beeld van een gevaarlijke wereld (DW) en RWA en tussen het beeld van een competitieve wereld (CW) en SDO. Je kunt dus het rechts-extremisme onderverdelen in Right-Wing Authoritarianism, dat nauw samenhangt met een gevaarlijk wereldbeeld, en de Sociale Dominantie Oriëntatie, die nauw samenhangt met een competitief wereldbeeld.

In de eerste variant zijn er altijd gevaarlijke lieden en moet je dus altijd op je hoede zijn en in de tweede variant is de wereld een amorele jungle van strijd en statuscompetitie.  In beide varianten gaat het om een wereld bestaande uit groepen. Andere groepen die gevaarlijk zijn. Of groepen waartegen de eigen superieure groep met hand en tand dient te worden verdedigd.


Maar je ziet ook dat het rechts-extremisme een samenhangend geheel is, want er zijn dwarse samenhangen. Zo is de correlatie tussen de beide wereldbeelden behoorlijk groot, wat erop wijst dat als je de wereld als gevaarlijk ziet, de kans behoorlijk groot is dat je hem ook als een amorele jungle ziet. En andersom. 

En wat natuurlijk opvalt is dat beide wereldbeelden gemakkelijk zijn onder te brengen in dat statuscompetitiepatroon. Het gemeenschapspatroon van de morele intuïtie van iedereen-telt-mee en van onderling vertrouwen is in geen velden of wegen te bekennen.

Laten we zeggen dat het sociaalwetenschappelijk onderzoek enig inzicht verschaft in het denken van de rechts-extremisten die nu al tientallen jaren deel uitmaken van het politieke landschap.  

En die natuurlijk hun voorlopers hadden. De allergrootste aanhanger van dat beeld van de wereld als een amorele jungle was wel Adolf Hitler. Sebastian Haffner geeft in zijn Kanttekeningen bij Hitler het volgende citaat (zonder bronvermelding, maar ik neem aan uit Mein Kampf):

Wie wil leven, welaan, die moet strijden, en wie in deze wereld van eeuwige worsteling niet wil strijden, verdient het leven niet.

Toen, en nu nog steeds, huiveringwekkend.

4. Sociale veiligheid voor en na de neoliberale wending.

Hoe valt nu te verklaren dat we nu in de politiek wel met een flinke dosis rechts-extremisme te maken hebben, terwijl dat in de twee à drie decennia na de Tweede Wereldoorlog niet het geval was? Wat is er in zo ongeveer de jaren 70 en 80 veranderd waardoor dat rechts-extremisme de wind in de zeilen heeft gekregen? Niet alleen in Nederland, maar ook in al die andere landen waar het rechts-extremisme gegroeid is. Denk aan Trump en de Republikeinen in de Verenigde Staten, Johnson en de Conservatieven in Groot Brittannië, het Front National in Frankrijk, het Vlaams Belang in België, Fratelli d'Italia en Forza Italia in Italië, de AfD in Duitsland en de PiS in Polen.

Een sociaalwetenschappelijk inzicht is dat het statuscompetitiepatroon wordt uitgelokt door een toename van sociale onveiligheidsgevoelens. Dan kan het gaan om sociale onveiligheid in de persoonlijke levenssfeer, maar ook sociale onveiligheid in de meer onpersoonlijke sfeer die daar boven uitgaat en die beïnvloed wordt door het door de overheid gevoerde sociaal-economische beleid. 

Als dat beleid er op gericht is en erin slaagt om voor de bevolking bestaanszekerheid tot stand te brengen, dan zal dat bijdragen tot gevoelens van sociale veiligheid onder de bevolking. Niet alleen als gevolg van die bestaanszekerheid op zich, de eigen inkomens- en baanzekerheid, maar ook door het besef in een democratie te leven waarin medeburgers erop uit zijn om niet alleen zichzelf, maar ook elkaar die bestaanszekerheid te verschaffen. In een land waarin "de gemeenschap georganiseerd is in de staat", waarin iedereen meetelt. 

Hoewel er geen sociaalwetenschappelijk onderzoek bestaat waarin precies dat is aangetoond, al was het maar doordat voor "sociale onveiligheidsgevoelens" nimmer een meetinstrument is ontwikkeld, is het wel zeer aannemelijk dat de eigen bestaanszekerheid plus het besef van iedereen-telt-hier-mee sterk tot sociale veiligheid bijdragen. Persoonlijke en maatschappelijke condities dus die (1) sociale veiligheidsgevoelens bevorderen, en daardoor (2) gemeenschapsgedrag bevorderen en statuscompetitiegedrag tegengaan, waardoor (3) rechts-extremisme in de politiek onwaarschijnlijk is. Zo ongeveer de condities die in de eerste twee à drie decennia na de Tweede Wereldoorlog bestonden, de periode van de opbouw van de sociale zekerheid en de verzorgingsstaat. En van het macro-economische streven naar volledige werkgelegenheid om zo de werknemers te beschermen tegen met elkaar op de arbeidsmarkt concurrerende werkgevers.

Maar toen kwam de wending naar de neoliberale sociaal-economische politiek. Waarin het geloof zich verbreidde dat alles zoveel mogelijk aan de markt diende te worden overgelaten en waarin de overheid zich vooral zoveel mogelijk moest beperken tot het ruim baan geven aan marktwerking. In dat geloof moest het verschaffen van bestaanszekerheid juist niet het eerste doel zijn. Voorop moest staan dat economische groei werd bevorderd en dat kon alleen met meer marktwerking. En mensen die aan de markt deelnemen, moeten worden geprikkeld om zich in te spannen. Ze behoren dus de positieve en negatieve gevolgen van hun gedrag voor zichzelf te voelen en te ondergaan. Ze moeten met een "prikkelstructuur" geconfronteerd worden die hen aanzet tot dat gedrag dat het meeste bijdraagt aan economische welvaart. Dat is voor iedereen het beste.

Dat is in een notendop het neoliberale denken over menselijk gedrag. In dat denken is er eigenlijk geen motivering voor sociale zekerheidswetgeving of meer algemeen voor al die wetgeving die beoogt om iedereen te laten meetellen. Voor een bodem waar niemand door heen zou mogen zakken. Die zou immers afbreuk doen aan die prikkelstructuur. Er is één "poort"' waar doorheen alles wat we "welvaart" vinden, tot stand komt en dat is de markt. Met aan de ingang dat door marktprikkels gestuurde gedrag van 'de hardwerkende Nederlanders" en aan de uitgang de zo groot mogelijke economische welvaart. Merk op dat er in die manier van denken geen gemeenschapsgedrag bestaat, noch statuscompetitiegedrag. En merk op dat alles wat mensen willen door economische welvaart wordt afgedekt, dus door wat je met geld kunt kopen. Dus ontbreekt ook dat mensen behoefte hebben aan sociale veiligheid.

Wat zijn de gevolgen geweest van die neoliberale wending en hoe hebben die bijgedragen aan de opkomst van het rechts-extremisme?

5. De toename van bestaansonzekerheid

Nam door de neoliberale wending in de politiek in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw inderdaad de bestaansonzekerheid toe?

Hoewel dat natuurlijk nooit met zoveel woorden gezegd is, was het de opzet van dat neoliberale beleid om de bestaansonzekerheid onder de bevolking te laten toenemen. Dat zou immers nodig zijn om mensen, die dat van nature niet willen, zich te laten inspannen. Daar zijn "prikkels" voor nodig en dan in het bijzonder financiële prikkels. En die zijn er natuurlijk meer, en ze werken beter, als er ook de reële dreiging bestaat om tot armoede te vervallen. En ze werken beter als er meer rijkdom valt te behalen, dus als de inkomensongelijkheid groter is. 

En om die dreiging voldoende tot stand te brengen, moesten de sociale zekerheid en de bescherming op de arbeidsmarkt worden teruggedrongen. Mensen moest geleerd worden om minder van de overheid te verwachten. Ze moesten zelfredzamer worden. Minder het iedereen-telt-mee van de "gemeenschap georganiseerd in de staat" en meer van het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon. 

Kregen de opeenvolgende regeringen het voor elkaar om die bestaansonzekerheid te vergroten? 

Jazeker. Ik citeer nu even uit mijn De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding? uit 2017, met enkele toevoegingen tussen haakjes.

Deze hier ultrakort aangeduide ontwikkelingen (van de neoliberale wending) bleken al spoedig gevolgen te hebben voor de bestaanszekerheid van burgers. Vrooman boog zich daarover en laat zien dat na 1980 voor de bevolking tussen 18 en 64 jaar de inkomensbescherming door middel van socialezekerheidsregelingen sterk is afgenomen. In rapportcijfers uitgedrukt daalde die van 7,1 in 1980 naar 4,7 in 2015. Met als gevolg dat de inkomenszekerheid met 34 procent daalde. Bovendien daalde de werkzekerheid met 27 procent (Vrooman 2016). Een element in de toename van onzekerheid was ook de introductie en stapsgewijze verhoging van het eigen risico in de gezondheidszorg. Door deze en andere maatregelen hebben chronisch zieken en gehandicapten hun eigen betalingen sterk zien stijgen.

Die algehele toename van onzekerheid werd mede veroorzaakt door het, tegen het neoliberale optimisme in, (maar veroorzaakt door deregulering van de financiële sector,) frequenter optreden van economische en financiële crises, een ontwikkeling die culmineerde in de financiële crisis van 2008. Hoewel de oorzaak van die crisis daarin niet gelegen was, reageerden overheden daarop met beleid om het overheidstekort terug te dringen.

In ons land betekende dat onder het verder versoberen van de verzorgingsstaat en het meer bezuinigen en decentraliseren op de gebieden van werk en inkomen, langdurig zieken, ouderen en de jeugdzorg. Qua wetgeving hield dit onder meer in dat de Participatiewet in de plaats kwam van de Wet Werk en Bijstand en de Wet Sociale Werkvoorziening (en deels de Wajong). Onderdeel van een en ander is een strenger sanctiebeleid, met weinig aandacht voor het verschil tussen opzettelijke en onbedoelde overtredingen, en de controversiële verplichting voor gemeenten om van uitkeringstrekkers een tegenprestatie te verlangen. De vraag dringt zich op of een en ander nog wel valt binnen “het redelijke” dat van burgers verwacht mag worden. Hoe ook ingekleed, opent dit beleid de weg voor gevoelens van vernedering en versterking van vooroordelen tegenover uitkeringstrekkers. In dezelfde lijn ligt dat we de vernederende afhankelijkheid van voedselbanken normaal zijn gaan vinden.

Dat de afstand tot de naoorlogse bedoelingen van de verzorgingsstaat daarmee wel erg groot is geworden, komt tot uitdrukking in het opduiken van termen als repressieve verzorgingsstaat (Vonk 2014), “buiten het recht treden” (Vonk 2016) en punishing the poor (Wacquant 2009). De vraag dient zich aan of het evenwicht tussen opgelegde verplichtingen en rechten nog wel bestaat en zelfs of het nog wel wordt nagestreefd (Vonk 2014). De weg van genade naar recht (Klompé) lijkt in omgekeerde richting te zijn ingeslagen. Het belang van het verschaffen van bestaanszekerheid moet onderweg uit het oog zijn verloren. 

Dat was in 2017. Daar is sindsdien wel het een en ander bijgekomen, waar ik in een reeks berichten over de Nederlandse polycrisis bij stilstond, waarvan hier het eerste bericht. In het laatste bericht, waarin ik me afvroeg waar al die crises toch vandaan komen, gaf ik de volgende opsomming, in willekeurige volgorde.

De rechtspraak kampt met grote problemen door te grote werkdruk. Als gevolg van bezuinigingen door de eerste twee kabinetten-Rutte werden jarenlang geen nieuwe rechters aangenomen. De kwaliteit van de rechtspraak komt in het geding.

Instellingen voor de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) sloten in 2022 vanwege geldgebrek en personeelstekorten een derde van de klinische behandelplekken voor volwassenen met ernstige persoonlijkheidsstoornissen, terwijl de wachtlijsten voor deze plekken al jaren toenemen. Volgens de Nederlandse Zorgautoriteit zou de zorgplicht niet worden geschonden  omdat vervangende zorg beschikbaar is. Maar die behandelplekken zijn juist nodig omdat die vervangende, ambulante zorg onvoldoende is.

Mede door die wachtlijsten in de GGZ, maar ook door vergrijzing van de bevolking en het beleid van ziekenhuizen, is de werkdruk van huisartsen zo sterk toegenomen dat 60 procent van de praktijken een patiëntenstop heeft. Het Capaciteitsorgaan adviseert het aantal opleidingsplekken te verhogen van 921, het vorige advies, naar 1190. Het huidige aantal is 850.

Mensen in een lagere sociaaleconomische positie overlijden gemiddeld acht jaar eerder dan mensen in een hogere sociaaleconomische positie. Ook leven ze gemiddeld drieëntwintig jaar in minder goed ervaren gezondheid. De gezondheidsverschillen tussen mensen nemen niet af, maar juist toe. De Artsenfederatie KNMG pleit met 85 vertegenwoordigers van partijen van binnen en buiten de zorg voor structurele verbetering van de bestaanszekerheid van mensen:  een stabiel en voldoende besteedbaar inkomen en de mogelijkheden tot gezond eten, onderwijs, gezond en veilig wonen.

De toestand bij de Belastingdienst is kritiek, door sterk verouderde computersystemen en ernstige personeelstekorten. De belastingheffing loopt gevaar en invoeren van nieuwe wetgeving is onmogelijk. Tijdige vervanging van de computersystemen was door jarenlange bezuinigingen niet mogelijk. Door een uit de hand gelopen vertrekregeling vertrokken duizenden medewerkers, veelal de beste mensen.

Er is achterstallig onderhoud aan de infrastructuur:  bruggen, sluizen en viaducten, met veiligheidsrisico's en toenemend oponthoud op de weg als gevolg. Er zijn in het verleden te weinig middelen beschikbaar gesteld.

Er is al jaren een groot woningtekort door bewust overheidsbeleid om zich van de woningmarkt terug te trekken. Tegelijk legde de overheid in 2013 de woningcorporaties een forse verhuurderheffing op om de overheidsfinanciën weer op orde te brengen. De huursector is doelbewust verwaarloosd. Nadat er sinds 2010 niet meer een ministerie voor “volkshuisvesting” bestond, is het in het huidige kabinet teruggekeerd.

We hebben een stikstof- en een mestcrisis doordat de overheid hoognodige uitvoering van wetgeving op gebied van natuur, biodiversiteit en klimaatverandering voor zich uit schuift en aanhoudend juridische "geitenpaadjes" bedenkt. De veel te grote landbouwsector en grote bedrijven als Schiphol en TataSteel veroorzaken grote  milieu- en gezondheidsschade en dragen in vergelijking daarmee maar weinig bij aan het bbp. In het huidige kabinet is er een minister zonder portefeuille voor Natuur en Stikstof gecreëerd, vallend onder het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Door het op zijn beloop laten van de stikstofcrisis lopen bouwprojecten grote vertraging op. Ongeveer 2500 veehouders blijken na de uitspraak van de Raad van State in 2019 in feite illegaal stikstof uit te stoten. Een oplossing laat maar op zich wachten.

Er is een crisis in de jeugdzorg, die in 2015 werd overgeheveld naar de gemeenten. Toen was er al een tekort en daar kwam een korting bovenop, omdat werd aangenomen dat gemeenten het met minder geld zouden kunnen doen. Dat blijkt niet het geval. De ingestelde "Commissie van wijzen" concludeert dat er meer geld bij moet.

Gemeenten kregen extra taken, maar krijgen structureel te weinig geld, waardoor investeringen in wegen, scholen en andere essentiële zaken achterblijven. Er wordt bezuinigd op sportvoorzieningen, buurthuizen en bibliotheken. Volgens de VNG zijn noodzakelijke investeringen  van gemeenten al ruim een decennium onder de maat. 

De Nationale Ombudsman waarschuwt dat de overheid tekortschiet in het verschaffen van een sociaal minimum. In het algemeen geldt dat het sociale minimum ontoereikend is, dat het doenvermogen van burgers onrealistisch wordt ingeschat en dat er een gebrek aan geld, tijd en deskundigheid is bij gemeentelijke dienstverleners. Volgens de Arbeidsinspectie is de bestaanszekerheid onvoldoende geborgd bij het huidige bijstandsniveau. Bijstandsgerechtigden kunnen, als ‘”tegenprestatie”, ingevoerd door het kabinet Rutte-2, of als onderdeel van de re-integratie, gedwongen tewerk worden gesteld. Dit leidde tot uitwassen, zoals blootstelling van werklozen aan giftig chroom-6 door de gemeente Tilburg en de Nederlandse Spoorwegen. Het tekortschietende sociaal minimum heeft ervoor gezorgd dat het bestaan van voedselbanken werd genormaliseerd. In het huidige kabinet-Rutte is er voor het eerst een ministerie voor Armoedebestrijding. Als de grondwettelijk vastgelegde  zorg voor bestaanszekerheid eerder serieus was genomen, dan was zo’n ministerie niet nodig geweest.

De Belastingdienst heeft duizenden ouders die toeslagen voor de kinderopvang ontvingen ten onrechte bestempeld en behandeld als fraudeurs. Sandra Palmen, ambtenaar bij de Belastingdienst, waarschuwde al in 2017 dat dit fraudebeleid in strijd was met de beginselen van behoorlijk bestuur, rechtszekerheid, gelijkheid en evenredigheid. Haar adviezen werden niet alleen niet opgevolgd, het “memo-Palmen” werd lang buiten de openbaarheid gehouden. Het kabinet beloofde een ruimhartige vergoeding, maar de afhandeling daarvan kan nog wel tot 2030 duren. Er is onvoldoende capaciteit om alle aanmeldingen binnen de wettelijke termijn te beoordelen.

Er is een crisis in de asielopvang doordat de overheid de uitgaven structureel te laag inschat. Dat leidde niet alleen vaak tot problemen in de opvang, asielzoekers die de nacht in de buitenlucht moesten doorbrengen, maar ook tot hogere uitgaven omdat de opvangkosten hoger zijn als eerder gesloten locaties heropend moeten worden of als noodopvang nodig is. Het huidige kabinet besloot tot de juridisch (en moreel) onhoudbare opschorting van de uitvoering van de nareisregeling.

De overheid heeft te weinig oog gehad voor de nadelige gevolgen van de aardgaswinning voor de tweehonderdduizend Groningse inwoners van het winningsgebied. Volgens de parlementaire Commissie Aardgaswinning zijn de belangen van de Groninger structureel genegeerd. De Staat is "ernstig tekortgeschoten" in het behartigen van de publieke belangen, zoals de veiligheid en gezondheid van Groningers. Er was jarenlang onwil om te erkennen dat gaswinning aardbevingen kan veroorzaken. Onderzoeken van de risico’s op zwaardere aardbevingen werden „niet nauwkeurig gelezen”. Het argument dat de “leveringszekerheid” in gevaar dreigde te komen bij vermindering van gaswinning kenschetst de Commissie als een opgetrokken “rookgordijn”.

Het is een opsomming van crises die voor een deel heel rechtstreeks in verband kunnen worden gebracht met een toename van bestaansonzekerheid. En voor een ander deel bij een groot deel van de bevolking de indruk moet hebben gewekt van een overheid die zijn bestaan als hoeder van het iedereen-telt-mee niet langer serieus neemt. Van een luchthartige overheid, die de "marktvuistregel" hanteert, zelfredzaamheid predikt en zijn handen in onschuld wast.

Leidde die toename van bestaansonzekerheid ook inderdaad tot een toename van rechts-extremisme?

6. Neo-liberalisme, bestaansonzekerheid en psychische aandoeningen

Kan die toegenomen bestaansonzekerheid er voor verantwoordelijk worden gehouden dat mettertijd het rechts-extremisme in de politiek toenam? De redenering zou zijn dat die toename van bestaansonzekerheid sociale onveiligheidsgevoelens vergroot en dat sociale onveiligheidsgevoelens het statuscompetitiepatroon aanwakkeren, waar rechts-extremistische politieke partijen op kunnen inspelen met hun boodschap dat er interne en externe vijanden zijn die bestreden dienen te worden. De tussenliggende schakel is dus die van de toename van sociale onveiligheidsgevoelens. Zijn er aanwijzingen voor die toename?

Ja, die zijn er. Want we weten ook dat gevoelens van sociale onveiligheid een aan vrijwel alle psychische aandoeningen gemeenschappelijke factor is. Zie Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 1 en de daaropvolgende berichten. Die gemeenschappelijke factor wordt omschreven als "verlies, geïntimideerd en/of vernederd en/of verraden worden - fundamentele bedreigingen van iemands fysieke en psychologische veiligheid". Die sociale onveiligheid kan zoals gezegd voortkomen uit de persoonlijke levenssfeer, maar ook uit het meer onpersoonlijke, maatschappelijke domein.

Dat zou dan moeten betekenen dat er in diezelfde periode waarin de bestaansonzekerheid toenam, ook een toename moet zijn geweest van het lijden aan psychische aandoeningen. Het ontwikkelen van een psychische aandoening op sociale onveiligheid (zoals depressie of een angststoornis) komt overeen met de immobilisatiereactie-met-angst, terwijl politiek rechts-extremisme overeenkomt met de vechtreactie. Zie Over de biologievrije sociale wetenschap. En over Charles Darwin, de Polyvagaaltheorie en het werk van Bessel van der Kolk. Als we verwachten dat de toename van bestaansonzekerheid via sociale onveiligheid het rechts-extremisme vergroot, dan zouden we dus tegelijkertijd ook een toename van psychische aandoeningen moeten zien.

En voor dat laatste is een duidelijke aanwijzing. We hebben geen gegevens voor de gehele periode, maar een flink deel ervan, de periode tussen 2007-2009 en 2019-2022 wordt bestreken door de Netherlands Mental Health Survey and Incidence Studies (NEMESIS), waarover verslag wordt gedaan in het rapport Prevalence and trends of common mental disorders from 2007-2009 to 2019-2022: results from the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Studies (NEMESIS). Als er inderdaad een toename is geweest van psychische aandoeningen, dan zou je die ook in deze periode moeten waarnemen.

En dat blijkt inderdaad het geval te zijn. In zowel 2007-2009 als 2019-2022 werd een gestratificeerde toevalssteekproef van de Nederlandse bevolking van 18 tot 64 jaar oud gevraagd of men in het voorafgaande jaar had geleden aan een psychische aandoening. Het bleek dat de groep die daar bevestigend op antwoordde, in die periode was toegenomen van 17,4 procent naar 26,1 procent. Die toename was sterker bij studenten en 18 tot 34-jarigen dan bij betaald werkenden en degenen van 35 jaar of ouder.

Als je dus de bestaansonzekerheid onder de bevolking laat toenemen, omdat je denkt dat zulks voor de economie een goed idee is, dan vergroot dat de sociale onveiligheidsgevoelens zodanig dat je dat terugziet in een forse toename van het deel van de bevolking dat lijdt aan een psychische aandoening. 

Het is interessant om te kijken naar de mogelijke verklaringen voor deze trend die de onderzoekers naar voren brengen:

In recent decades, young adults may have been more adversely affected by the further individualization of society26, the rise of social media54, 55, and the increasing pressure to succeed56. They may also be more adversely affected by current social problems (e.g., shortage of affordable housing, climate change concerns), or have more difficulty coping with setbacks, such as not immediately having a successful job or owner-occupied home.

Daarin vallen gemakkelijk de ontwikkelingen te herkennen die de bestaansonzekerheid, vooral voor jongeren, hebben vergroot: druk om te presteren, problemen op de arbeidsmarkt, tekort aan woningen.

Het herinnert ons er nog eens aan hoe kortzichtig het is als regeringen zich bij hun beleid eenzijdig laten leiden door wat economen (of eigenlijk: de verkeerde economen) hen toeroepen en geen oog hebben voor sociaalwetenschappelijke inzichten.

Dat komt natuurlijk nog sterker naar voren als we gaan kijken naar de aanwijzingen dat datzelfde neoliberale beleid het rechts-extremisme in de politiek heeft aangewakkerd.

7. Meer bestaansonzekerheid? Dan meer rechts-extremisme

Welke aanwijzingen kennen we dat een toename van bestaansonzekerheid bijdraagt aan de aanhang van rechts-extremistische politieke partijen? Op dit blog ben ik vanaf eind 2016 alle onderzoek gaan bijhouden dat voorbijkwam en dat daarover uitsluitsel verschaft. In dat onderzoek gaat het over werkloosheid, baanonzekerheid, statusverlies of het meemaken van een financiële crisis als indicatoren voor bestaansonzekerheid. Hier de korte samenvattingen van de in totaal 11 studies.

De studie Going to extremes: Politics after financial crises, 1870–2014 uit 2016 onderzocht 800 verkiezingsresultaten in 20 ontwikkelde landen gedurende de periode 1870 - 2014. Het bleek dat nadat er een financiële crisis was geweest, de aanhang van rechts-extremistische politieke partijen met gemiddeld 30 procent toenam. Er was geen verband met economische recessies of crises. Het doet vermoeden dat juist financiële crises als bedreigend voor de bestaanszekerheid worden ervaren omdat niet alleen de inkomenspositie, maar ook de waarde van en de toegankelijkheid tot het geld in het geding zijn. En omdat er meer de indruk kan ontstaan dat er "duistere krachten" de crisis hebben veroorzaakt. 

De studie Why Far Right Parties Do Well at Times of Crisis: The Role of Labour Market Institutions, eveneens uit 2016, laat zien dat de toename van de aanhang voor rechts-extremistische partijen bij drie verkiezingen voor het Europese parlement nadat de eurocrisis in 2008 - 2010 had plaatsgevonden, samenhangt met de hoogte van de werkloosheid, maar dat die samenhang zwakker is hoe hoger de werkloosheidsuitkeringen. Een overheid kan door de inkomensachteruitgang na werkloosheid te beperken het rechts-extremisme de wind uit de zeilen nemen. Maar kan daar dus ook in tekort schieten.

In de studie Baanonzekerheid en sympathie voor extreemrechtse partijen laten de Vlaamse onderzoekers Dave Stynen en Hans De Witte zien dat de ervaren baanonzekerheid samenhangt met de mate van sympathie voor het extreemrechtse Vlaams Belang. Dat verband komt tot stand doordat baanonzekerheid samenhangt met angst voor statusverlies en die hangt weer samen met zich bedreigd voelen door migranten en wantrouwen in de politiek.

Op grond van een online vragenlijst onder een representatieve steekproef van tegen de 5000 inwoners van Duitsland in 2017 kwamen onderzoekers tot de conclusie dat het niet zozeer de objectieve economische positie is die de sympathie voor de rechts-extremistische AfD verklaart, maar veeleer de angst voor sociale daling (statusangst). En die blijkt samen te hangen met de indruk dat men er in vergelijking met de eigen ouders op achteruit is gegaan. Daar komen grotere zorgen bij over de eigen toekomstige financiële positie en die van de kinderen. Die onzekerheid gaat bovendien samen met meer egoïsme, minder vertrouwen in anderen, een autoritair wereldbeeld en een anti-vreemdelingensentiment.(Einstellung und sozialeLebenslage. Eine Spurensuche nach Gründen fürrechtspopulistische Orientierung,auch unter Gewerkschaftsmitgliedern).

Het onderzoek The politics of social status: economic and cultural roots of the populist right uit 2017 wijst erop dat de toename het aandeel in de bevolking dat zichzelf een lage sociale status toekent (de zogenaamde subjectieve sociale status) een bijdrage heeft geleverd aan de toegenomen aanhang van populistisch rechtse partijen. De onderzoekers analyseerden de gegevens van het International Social Survey Program (ISSP) over de jaren 1987, 1992, 1999, 2004, 2009 en 2014 voor het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Verenigde Staten, Australië, Polen, Zweden, Noorwegen, Slovenië, Tsjechië en Hongarije.

De Zweedse studie Economic Distress and Support for Far-right Parties – Evidence from Sweden uit 2021 laat zien dat 31 procent van de toename van stemmers op de rechts-extremistische Swedish Democrats tussen 2006 en 2010 toegeschreven kon worden aan de toename van ontslagen onder laaggeschoolde, in Zweden geboren, werknemers. De onderzoeker maakte gebruik van data over de aantallen ontslagen per kiesdistrict. 

Catherine E. de Vries liet in 2017 in de studie The cosmopolitan-parochial divide: changing patterns of party and electoral competition in the Netherlands and beyond zien dat de meer "parochiale" kiezers, die de grenzen dicht willen en tegen verdere Europese integratie zijn, meer last hadden gehad van de Grote Financiële Crisis, zich uitend in werkloosheid of werkloos geweest zijn en/of in een achteruitgang van het gezinsinkomen. 

De onderzoekers van de studie Economic Insecurity and the Rise of the Right uit 2019 gebruikten als maat voor bestaansonzekerheid de combinatie van door een individu ervaren afname of toename van financiële middelen en de tijd die sinds die verandering is verstreken. Hoe meer iemand financiële verslechteringen had meegemaakt en hoe recenter die hadden plaatsgevonden, hoe groter iemands bestaansonzekerheid. Met gebruikmaking van de British Household Panel Survey kwamen ze tot de conclusie dat een grotere bestaansonzekerheid de kans op een stem voor de rechtse Conservatieven vergrootte. (De Conservatieve partij mag je na Boris Johnson, Lizz Truss, Suella Braverman en Rishi Sunak wel extreem-rechts noemen.) Voor Duitsland en de Verenigde Staten werden overeenkomstige resultaten gevonden: toename van bestaansonzekerheid maakte de kans op het stemmen voor de CSU/CDU en voor Donald Trump groter.

In The European Trust Crisis and the Rise of Populism uit 2017 doet Evgenia Passari verslag van een analyse van veranderingen in werkloosheid en veranderingen in de aanhang van populistische partijen in 220 regio's in 26 Europese landen tussen 2000 en 2017. Het blijkt dat een werkloosheidstoename in een land van een procent wordt gevolgd door een  groei van stemmen op populistische partijen van een procent. Toenames van werkloosheid gaan ook gepaard met een negatievere houding tegenover immigranten.

In de studie What’s Work Got to Do with It? How Precarity Influences Radical Party Support in France and the Netherlands, met André Krouwel van de Vrije Universiteit Amsterdam als een van de auteurs, wordt bestaansonzekerheid, precariteit genoemd, in twee dimensies onderscheiden: onzekerheid over het behoud van de baan en de onzekerheid binnen de huidige baan. Het blijkt dat zowel in Frankrijk als in Nederland in 2017 de mate van bestaansonzekerheid samenhing met het stemmen op een rechts-extremistische partij (Front National in Frankrijk en de PVV in Nederland). Onzekerheid binnen de huidige baan hing in beide landen samen met een twee tot drie keer grotere kans op zowel het stemmen op een rechts-extremistische partij als op een populistisch-linkse partij (La France insoumise in Frankrijk en de SP in Nederland). Terwijl de onzekerheid over het behoud van de baan samenhing met een grotere kans op het stemmen op een rechts-extremistische partij. In Frankrijk was die kans 7,5 maal zo groot.

De zeer recente studie Geographies of Discontent: Public Service Deprivation and the Rise of the Far Right in Italy, met Catherine E. De Vries als een van de onderzoekers, laat zien dat in gebieden in Italië waar de lokale publieke voorzieningen (zoals politie en vuilnisophaal) als gevolg van beleid van de nationale overheid meer achteruitgingen, de steun voor rechts-extremistische partijen (Lega (Nord) and Fratelli d’Italia) toenam.

Samengevat zien we dat een toename van bestaansonzekerheid als gevolg van passief of actief overheidsbeleid dat: 

  • de kans op financiële crises doet toenemen, 
  • dat de individuele inkomens- of arbeidsmarktbescherming doet afnemen
  • of dat lokale publieke voorzieningen afbreekt,

 de steun voor rechts-extremistische partijen vergroot.

Daarmee hebben we alle mij bekende empirische aanwijzingen bij elkaar die de "verklaring in een notendop" ondersteunen waarmee deze reeks berichten begon. Overheidsbeleid dat de bestaansonzekerheid voor zijn burgers vergroot, draagt bij aan de opkomst van rechts-extremisme in de politiek. En andersom, overheidsbeleid dat de bestaansonzekerheid verkleint, zal bijdragen aan de neergang van rechts-extremisme in de politiek.

8. Bestaansonzekerheid als oorzaak, niet als motief

In het Nationaal kiezersonderzoek (NKO) werd een open vraag gesteld naar de motieven voor het stemmen op een partij. Mensen konden daar "in hun eigen woorden" op antwoorden. Wat antwoordden de PVV-stemmers? Ik citeer uit het verslag van de onderzoekers:

De trouwe PVV-stemmers en de nieuwe PVV-stemmer noemden over het algemeen dezelfde punten. Vaak wordt gesteld dat de PVV het beste programma heeft en het dichtst bij de mening of standpunten staat. Daarbij wordt migratie en asiel veruit het meest genoemd. Ook wordt gesteld dat de PVV ervoor zorgt dat Nederland weer voor de Nederlanders wordt en dat de PVV, anders dan de andere partijen, de waarheid durft te benoemen. De PVV wordt gezien als de partij die ervoor kan zorgen dat er verandering komt. Kiezers benoemen dat ze protesteren tegen het gevoerde beleid.

In de media is er ophef over dat zaken als bestaansonzekerheid en woningnood niet als belangrijke motieven wordt genoemd. Die zouden immers naar verwachting in de verkiezingen een belangrijke rol spelen. En we zagen in de vorige berichten dat sociaalwetenschappelijk gezien toegenomen bestaansonzekerheid een belangrijke verklaring is voor de toename van rechts-extremisme in de politiek. In plaats daarvan worden migratie en asiel en "Nederland weer voor de Nederlanders" het meest genoemd.

Klopt het dan wel dat toenemend rechts-extremisme wordt veroorzaakt door meer bestaansonzekerheid?

Ja, dat klopt wel degelijk. Sterker, dit resultaat is precies wat sociaalwetenschappelijk viel te voorspellen. 

Die voorspelling is namelijk niet dat rechts-extremistische kiezers vooral gemotiveerd worden door hun bestaansonzekerheid. Nee, voorspeld wordt dat toename van bestaansonzekerheid sociale onveiligheidsgevoelens doet toenemen en dat daardoor het statuscompetitieve wereldbeeld wordt aangewakkerd. Het wereldbeeld van vijandigheid en bedreiging, waarin de eigen groep zich moet verdedigen. Het wereldbeeld dat je aantreft in die Sociale Dominantie Oriëntatie en het Rightwing Authoritarianism. De wereld is gevaarlijk, dus moeten we ons verdedigen tegen vijanden en moeten we terug naar de veilige vertrouwdheid van de traditionele waarden en het traditionele gezag van vroeger.

En het is natuurlijk precies dat wereldbeeld dat maakt dat die PVV-stemmers als eerste motief verwijzen naar "migratie en asiel" en naar "Nederland weer voor de Nederlanders". Bestaansonzekerheid is niet het motief voor hun stem, maar de oorzaak. Het is het wereldbeeld van gevaar en bedreiging, waarin migranten en vluchtelingen en "de linkse elite" die hen verwelkomt, de vijanden zijn die moeten worden buitengehouden en die moeten worden bestreden. Het beeld dat rechts-extremistische politici zo graag aanwakkeren en waar ze zo enthousiast van profiteren om aan de macht te komen.

Er is nog een resultaat van dat NKO dat ook volledig met die sociaalwetenschappelijke verklaring overeenkomt. Volgens die verklaring zijn het bij uitstek de mensen die het meest te lijden hebben gehad onder de toegenomen bestaansonzekerheid, dus de lager opgeleiden en de lagere inkomensgroepen, die rechts-extremistisch zullen stemmen. En wat zien we?

... onder stemmers met een VMBO-t/k of MBO-1, 2 of 3 opleiding stemde zo’n 40% op de PVV. Onder de stemmers die aangaven als opleiding een universitaire master te hebben afgerond stemde zo’n 5% op de PVV.

En:

De oververtegenwoordiging van de PVV vinden we verder vooral ook onder kiezers die zich rekenen tot de arbeidersklasse. Bijna een derde stemde PVV. In de middenklasse was het aandeel stemmers op de PVV ongeveer gelijk aan de landelijke uitslag: 25%. De hogere (midden) klasse stemde beduidend minder op de PVV (3% respectievelijk 11%). 

Dat bestaansonzekerheid rechts-extremisme veroorzaakt, wordt er dus door bevestigd dat je rechts-extremistische kiezers het meest aantreft onder degenen die het meest de bestaansonzekerheid hebben ervaren.