Finally, I must acknowledge freely that everything I have said seems to me obvious. But why cannot we take the obvious seriously?
Zo besloot George C. Homans in 1964 zijn Presidential Address tot de verzamelde Amerikaanse sociologen. Hier het vorige bericht. Het structureel-functionalistische systeemdenken domineerde het vak. Iedereen werd er in opgeleid en erin gesocialiseerd. De sociologie moest zich met de maatschappij als een sociaal systeem bezighouden en hoorde daarbij de menselijke sociale natuur als een onbeschreven blad, een tabula rasa, op te vatten. De sociologie was een eigenstandige wetenschap. Eigenstandig, want niet "terugvallend op" inzichten uit een ander vak, zoals de psychologie. En een wetenschap, want alleen de "sociale feiten", de statistisch vastgestelde verbanden tussen variabelen, mochten als wetenschappelijke kennis worden beschouwd. Met een sociologie als gevolg die moest theoretiseren over verbanden tussen variabelen en daarbij de ogen sluitend voor psychologische en alledaagse inzichten in hoe mensen in elkaar zitten en voor de sociale processen die mensen tot stand kunnen brengen.
Homans bracht daartegenin dat de maatschappij en de sociale en maatschappelijke processen en ontwikkelingen resulteren uit wat mensen doen en uit hoe ze door elkaar worden beïnvloed en uit hoe ze op elkaar reageren. Dus ligt het inderdaad voor de hand, is het vanzelfsprekend, om in het zoeken naar verklaringen voor sociale en maatschappelijke verschijnselen uit te gaan van bestaande inzichten in de principes van het menselijk gedrag. Zoals die in het vak psychologie kunnen worden aangetroffen en zoals die in de alledaagse kennis bestaan. Natuurlijk geldt ook voor die inzichten dat ze voorlopig zijn en in de toekomst door nieuwe inzichten zullen worden gecorrigeerd. Hetgeen dus ook kan inhouden dat sociologische verklaringen daardoor kunnen worden gecorrigeerd. Dat is de gewone gang van het wetenschappelijk bedrijf.
Dat Homans' betoog baanbrekend was, lag er dus niet aan dat hij revolutionaire uitkomsten van het nieuwste onderzoek ten tonele voerde. Het lag eraan dat hij zijn vakgenoten erop wees dat zij met gesloten ogen een bizarre en doodlopende weg waren ingeslagen, een weg die, indien consequent afgelegd, wetenschappelijke vooruitgang hinderde.
Dit verschijnsel, een buitenstaander die tegen de heersende consensus ingaat en er niettemin in slaagt een hoge positie te bereiken, is natuurlijk op zich sociologisch interessant. Ik vermeldde al dat Homans niet de gebruikelijke weg had afgelegd van de studie sociologie om het vak binnen te komen. Ook onderging hij niet het traject van de wetenschappelijk promotie, de PhD, bij een sociologiehoogleraar. In plaats daarvan schreef hij de historisch-antropologische studie English Villagers of the Thirteenth Century (1941). Hij was toen al, in 1939, door de Harvard Universiteit aangenomen om sociologie en middeleeuwse geschiedenis te doceren. Nadat hij vanaf 1941 vier jaar diende bij de Amerikaanse marine, keerde hij terug naar Harvard, waar hij in 1953 tot hoogleraar sociologie werd benoemd. Ik vond na wat zoeken het artikel Sailing away: The influences on and motivations of George Caspar Homans uit 2013, met interessante informatie over die benoeming en over de sociologie afdeling van Harvard in die tijd. Boeiende lectuur, maar het voert te ver om daar nu verder op in te gaan.
Wat was het alternatief dat Homans te bieden had? Hoe wilde hij de mens terugbrengen? Dat zette hij uiteen in Social Behavior. Its elementary forms, dat in 1971 verscheen. Daarin wijst hij met zoveel woorden die twee eisen van het structureel-functionalisme af, die curieuze wetenschapsopvatting dat alleen "sociale feiten" meetellen en die van de eigenstandigheid van de sociologie. Want hij introduceert het onderwerp van het boek als "het gewone, alledaagse sociale gedrag", waar dus ook ieder mens mee bekend en vertrouwd is en dus ook altijd enig inzicht in heeft (p.1):Nothing is more familiar to men than their ordinary, everyday social behavior; and should a sociologist make any generalization about it, he runs the risk that his readers will find him wrong at the first word and cut him off without a hearing. They have been at home with the evidence since childhood and have every right to an opinion. A physicist runs no such risk that the particles, whose social behavior in the atom he describes, will talk back.
Hij neemt die alledaagse kennis serieus, maar ziet als tekortkoming dat de samenhang erin ontbreekt. Het is een "intellectuele chaos", bestaande uit allerlei inzichten die in spreekwoorden en gangbare uitdrukkingen zijn neergeslagen.
Everyman has his price. You scratch my back, and I'll scratch yours. Do as you would be done by. You can't eat your cake an dhave it too. No cross, no crown. Fair exchange is no robbery. To each his own. Noblesse oblige. Whosoever has, to him shall be given.... And so forth.
We gebruiken elk van deze uitdrukkingen, of "empirische proposities", als ze te pas komen en negeren ze als dat niet zo is. De sociologie heeft nu als taak om er samenhang, ordening, in aan te brengen. Zodat we niet alleen al die afzonderlijke deelinzichten zien, die we bevestigd zien als het ons uitkomt, maar zicht krijgen op het geheel. Popperiaans geformuleerd: zodat we diepere inzichten ontdekken, die laten zien, dat wil zeggen, verklaren, onder welke voorwaarden die alledaagse inzichten wel en wanneer ze niet opgaan.
Maar voor de sociologie houdt dat ontdekken in dat we te rade kunnen gaan bij al bestaande inzichten, namelijk die in de psychologische gedragstheorie en die in het vak economie (de nutstheorie).
I said earlier that the seeker after explanation would have either to invent or borrow from others the set of more general propositions from which the empirical propositions may, under given conditions be deduced. Newton had to invent his own; I have taken the easy way out and borrowed. (...) I have come to believe that the empirical propositions may most easily be explained by two bodies of general propositions already in existence: behavioral psychology and elementary economics.
Met dien verstande dat beide uitbreiding behoeven. Die gedragstheorie was de theorie van de operante conditionering, die door B.F. Skinner (1904 - 1990), waar Homans mee bevriend was, was ontwikkeld en uitgetest in dieronderzoek. Denk aan de duiven in de zgn. Skinner-box. Als de duif in een bepaalde context (een prikkel) een handeling uitvoert die beloond wordt, dan zal het dier die handeling in de toekomst in diezelfde context vaker uitvoeren. De uitbreiding bestaat eruit dat dat principe wordt toegepast op een sociale situatie, waarin mensen dus op elkaar reageren. Die economische nutstheorie gaat over de ruil van goederen en diensten tegen geld in een perfecte markt. En daar bestaat de uitbreiding eruit dat niet tastbare goederen worden geruild, zoals aanzien, in een niet perfecte markt.
Dat brengt Homans er dan toe om recht toe recht aan een lijstje van proposities op te stellen over de uitwisseling van "beloningen" en "bestraffingen" tussen mensen. Hoe vaker een gedrag beloond wordt en hoe waardevoller de beloning, hoe vaker dat gedrag herhaald wordt. Hoe vaker in het recente verleden een gedrag al beloond is, hoe minder waardevol elke volgende beloning is. Aangevuld met de veronderstelling dat mensen waarde hechten aan verdelende rechtvaardigheid, dus dat iedereen beloond wordt naar de inspanning (kosten) die hij gemaakt heeft. En dat mensen dus emotioneel (boos) reageren als de verdeling onrechtvaardig is. Dat eenvoudige raamwerk wordt dan toegepast op allerlei sociale situaties, waarbij steeds ad hoc veronderstellingen worden ingevoerd over wat zoal voor mensen belonend is en wat bestraffend. Zo is bijvoorbeeld sociale goedkeuring door anderen belonend of dat anderen jouw mening delen.
Wat moeten we hier nu van vinden? Waarom noemde ik dit eerder gebrekkig? Terwijl het toch wel een vooruitgang is vergeleken met dat structureel-functionalisme. Daarover in het volgende bericht.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten