woensdag 8 juli 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 42 - Joop Ellemers en de variabelensociologie

Kortom, hier het vorige bericht, het vak sociologie zoals dat in de loop van de vorige eeuw academische erkenning kreeg, ontbeerde de ingrediënten om een verbetervak te worden. De maatschappij moest niet als mensenwerk gezien worden, maar als een nog onbekend domein van "sociale feiten" waartussen door middel van onderzoek verbanden dienden te worden opgespoord. Door nu maar steeds veel onderzoek te doen, zouden gaandeweg de geheimen van dat nog onbekende domein worden ontrafeld. Zo ontwikkelde zich de wat ik variabelensociologie noemde.Zie De theoretische onbestemdheid van de variabelensociologie en De variabelensociologie stuurt ook de probleemkeuze

Sociologische theorieën konden uitsluitend bestaan uit voorspelde samenhangen tussen variabelen. En sociologische inzichten uitsluitend uit gevonden statistische verbanden tussen die variabelen. Dat er zich achter die verbanden sociale processen, en dus mensenwerk, afspeelden, dat diende te worden genegeerd. Sociologie werd een vak met een zelfgekozen handicap, die toepassing en beleidsadvisering uitsloot.

Daar moest wel een reactie op komen. En die kwam er, in de vorm van de voorstanders van de compositieve methode en van het methodologisch individualisme. Maar dat ging niet gepaard met een herbezinning en heroriëntatie van het vak als geheel. De meeste sociologen bleven zo goed en zo kwaad als het ging roeien met de riemen van die variabelensociologie. Ze waren daar nu eenmaal in gesocialiseerd en bleven de leer van de "sociale feiten" aan de nieuwe generaties doorgeven. Misschien niet altijd om heel serieus te nemen, maar dan toch op zijn minst als een retoriek waarmee de identiteit van het vak werd vereenzelvigd. 

Toch was er in een enkel geval een serieuze reflectie. Ik moet

denken aan een interessant, maar weinig opgemerkt, artikel van Joop (J.E.) Ellemers (1930 - 2015) uit 1976: Veel kunnen verklaren of iets kunnen veranderen:krachtige versus manipuleerbare variabelen, dat ik aanhaalde in De twee talen van de sociologie

Interessant, omdat Joop (ik heb hem als collega en medebestuurder van de Groningse sociologie-subfaculteit goed gekend en gewaardeerd, maar zal in het vervolg toch de achternaam gebruiken) daar wees op de problemen van die variabelensociologie. Ik begin met een citaat waarin hij dat soort sociologie fraai karakteriseert (p. 283):

Door het soort theorieën die zij in het algemeen trachten te ontwikkelen, (...) zijn sociologen zeer geïnteres­seerd in het opsporen van zo sterk mogelijke ver­banden tussen variabelen. Dit ligt natuurlijk zeer voor de hand. Men wil nu verklaren waarom iets zo is en dit zo goed mogelijk doen. Nu blijkt dat verre­weg de meeste sociale verschijnselen, of het nu deel­name aan voortgezet onderwijs, participatie aan be­paalde vormen van cultuur, gezinsgrootte, danwel sociale problemen als criminaliteit, armoede of slechte huisvesting zijn, veelal in sterke mate be­paald worden door een beperkt aantal variabelen. Deze variabelen zijn: inkomen, opleidingsniveau, beroep, sociaal milieu, waarde-oriëntaties, gods­dienst, leeftijd, geslacht, woonplaats (stad-platteland).

Dat is in een notendop de sociologie in de tijd dat ik studeerde. Als je onderzoek deed, dan werd je geacht die rij onafhankelijke variabelen standaard mee te nemen, er op hopend dat er statistisch significante verbanden met je onafhankelijke variabele uit tevoorschijn zouden komen. Ik herinner me dat iemand betreurde dat de onafhankelijke variabele religie "steeds minder deed." Het was inderdaad een "theoretisch onbestemd" soort sociologie.

Het probleem is nu dat je met het soort inzichten dat zulk onderzoek oplevert, weinig hebt als het om toepassing en beleidsadvisering gaat. Want aan zulke basisvariabelen (dus "oorzaken") valt weinig te veranderen, te "manipuleren". Ze zijn wel "krachtig", in de zin dat ze veel verklaren (nou ja, veel), maar je hebt er weinig aan als je een sociologie wilt die zich leent voor toepassing, die iets wil veranderen of zelfs verbeteren, kortom een sociologie die "er toe doet".

Ellemers is vervolgens heel duidelijk over de oplossing voor dit probleem (p. 284-5): kies een ander theoretisch kader of een ander analyseniveau. En welk kader of analyseniveau is dat? Jawel, dat van het menselijk gedrag, dat van wat mensen kunnen en willen. In voorbeelden die hij geeft, gaat het dan ineens over "in­dividuele belangen en kosten en baten" en over een innovatie die ander gedrag mogelijk maakt.

Kortom, verlaat de variabelensociologie en breng de mens terug. Je zou verwachten dat Ellemers dan ook die conclusie met zoveel woorden zou trekken. Dat hij zou pleitten voor de compositieve methode, voor het methodologisch individualisme, voor het zo voor de hand liggende inzicht dat de maatschappij mensenwerk is. Maar die stap was te groot.

En dat staat eigenlijk wel voor de onduidelijke toestand waarin de sociologie nog steeds verkeert. Het vak heeft nooit als vak afscheid genomen van de uitgangspunten van die variabelensociologie. Het heeft er, ondanks Homans in 1964, nooit onomwonden en openlijk voor gekozen om de mens terug te brengen. Als die al terugkwam, dan was het door de achterdeur.

(Afbeelding overgenomen van https://jagdaf.nl/wp-content/uploads/2020/01/jgdf.132.pdf)

Geen opmerkingen: