Posts tonen met het label morele gemeenschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label morele gemeenschap. Alle posts tonen

dinsdag 21 februari 2023

De Nederlandse polycrisis: een moedeloos makende waslijst van problemen - die met elkaar samenhangen en een gemeenschappelijke oorzaak hebben - deel 14

In de voorgaande berichten over de Nederlandse polycrisis (hier het vorige bericht) werd het op zijn minst enigszins aannemelijk dat die polycrisis een gemeenschappelijke bron heeft, namelijk het bij de regerende politici overheersende wereldbeeld en de bijpassende psychologie van de (neoliberale) marktvuistregel. De te grote complexiteit van politiek en maatschappij wordt onvermijdelijk opgelost met de toevlucht tot vuistregels. En er zijn twee vuistregels die het politieke landschap domineren, naast die marktvuistregel de overheidsvuistregel. 

In de marktvuistregel is de markt de primaire bron van welvaart en moet de overheid zoveel mogelijk terugtreden en zich voor wat er nog overblijft in dienst stellen van de markt. En in de overheidsvuistregel gaat het niet alleen om welvaart, maar ook om menselijk welzijn en menselijke moraal en is de overheid onmisbaar voor het nastreven daarvan. Onder de marktvuistregel huist de psychologie van het statuscompetitiepatroon, op zijn kortst geformuleerd als de omarming van het ieder-voor-zich. Onder de overheidsvuistregel huist de psychologie van het morele gemeenschapspatroon, op zijn kortst geformuleerd als de omarming van het iedereen-telt-mee.

Het maakt zacht gezegd veel verschil of bij de regerende politici de ene dan wel de andere vuistregel domineert. Dat we nu in Nederland een polycrisis ondergaan, kan gemakkelijk met de psychologie van die marktvuistregel in verband worden gebracht. Regerende politici bekleden dan weliswaar hun positie, maar neigen er toe om de daarmee samenhangende verantwoordelijkheden met enige luchthartigheid uit te oefenen. 

Het echte werk gebeurt immers op de markt en dat wil in die psychologie vooral zeggen: door het bedrijfsleven, door de grote ondernemingen. Die moet alle ruimte krijgen en dus kan er gemakkelijk en eigenlijk altijd.op overheidsuitgaven worden bezuinigd. En kunnen de belastingen altijd omlaag. Denk aan het "Ik ben in principe voor belastingverlaging. Op alles!" van Edith Schippers, kennelijk de beoogd opvolger van Mark Rutte. Lees dat interview en je maakt kennis met een welhaast perfecte weergave van de marktvuistregel. Een nog wat banalere uitdrukking van die psychologie die je wel eens tegenkomt is "Belasting is diefstal!".

Ook een heel fraaie weergave van dezelfde psychologie valt aan te treffen in het interview dat Mark Rutte zelf gaf naar aanleiding van de bedreigingen die minister van Financiën Sigrid Kaag ten deel vielen toen ze op bezoek was in Diepenheim. Rutte veroordeelt die "fakkelactie" als onbeschoft, onbehoorlijk en onacceptabel. Terecht, natuurlijk. Maar dan antwoordt hij op een vraag van de interviewer: 

Dat kunnen we met zijn allen doen. Daar hebben we als samenleving een taak in. Maar ga niet teveel naar de overheid kijken. Dit is echt iets wat we met zijn allen moeten doen. Want de overheid kan proberen te beschermen en politie en beveiliging. Maar uiteindelijk is het ook gewoon een zaak van wat vinden we acceptabel als Nederland. 

En wat gebeurt daar? De man die al twaalf jaar onze premier is, stelt de democratische overheid en "wij met zijn allen" tegenover elkaar. In zijn psychologie is die overheid er voor de bescherming en beveiliging, maar niet als uitdrukking van de morele gemeenschap van wij-met-allen en iedereen-telt-mee. In zijn (neoliberale) ogen is de democratie niet een moreel project, waarin wij met zijn allen een naar welzijn en moraal betere maatschappij nastreven. 

En dat is precies het wereldbeeld van de morele luchtledigheid van het statuscompetitiepatroon.

donderdag 8 december 2022

Weg met dat idee van een markt die vrij is van morele verplichtingen en verantwoordelijkheden.

Mensen zijn morele wezens. Dat wil zeggen dat ze uitgerust zijn met morele gemeenschapsintuïties die hen ertoe aanzetten om zich moreel te gedragen, dus rekening te houden met de gevolgen van hun handelingen voor anderen. Breng anderen geen schade toe, want iedereen hoort mee te tellen in de persoonlijke afwegingen die jij maakt. Ook zetten die gemeenschapsintuïties mensen ertoe om moreel gedrag van anderen te verwachten en hen er op aan te spreken als die verwachtingen worden beschaamd. 

Een an ander betekent dat het menselijke sociale en maatschappelijke leven een moreel project is. Een gezamenlijk project dus om te voorkomen dat we met zijn allen in het inferieure statuscompetitie-evenwicht terechtkomen. 

Dit zijn eenvoudige en herkenbare inzichten die de mensheid altijd hebben vergezeld. En in een ideale wereld zou dat morele project succesvol zijn. De werkelijkheid is natuurlijk anders. Het statuscompetitiepatroon kan zelfs de overhand krijgen, met grote ongelijkheid, onderdrukking, vernedering en zelfs genocide tot gevolg. Hoewel dat kan gebeuren, en gebeurd is, kan het rekenen op vrijwel unanieme morele afkeuring. 

Maar dat morele project schiet kan ook ook tekortschieten op een manier die, althans aanvankelijk, op grote instemming kan rekenen. Dat is het geval met de neoliberale omarming van het aandeelhoudersmodel van ondernemingen. Volgens dat model zou al het handelen van ondernemingen uitsluitend gericht moeten zijn op winstmaximalisatie ten behoeve van de aandeelhouders. Zie het bericht Wat mogen we van ondernemingen verwachten? En over Milton Friedman en Kenneth Boulding.

Sinds Milton Friedman dat in 1970 bepleitte (The Social Responsibility of Business Is to Increase Its Profits), heeft het een grote invloed gehad op het maatschappelijke en politieke denken. Het domein van de markt werd zo uniek geacht dat het gevrijwaard zou moeten zijn van enig idee van morele verplichtingen of verantwoordelijkheden. Zolang ondernemingen maar binnen de grenzen van de wet blijven, zou dat wonderbaarlijke marktmechanisme er voor zorgen dat "alles goed komt". Dat de uitkomsten in economische zin optimaal zouden zijn. Dus moesten overheden zich terugtrekken en moest er gedereguleerd worden.

Nu, een halve eeuw later, komen we daarop terug. Eenvoudig gezegd: het viel nogal tegen. De ongelijkheid nam toe, de economische groei viel tegen, de arbeidsproductiviteit stagneerde, de economie werd instabieler en vooral ook: de economische groei die er was, ging ten koste van de natuur en van het klimaat. En van het sociale leven, want de afname van bestaanszekerheid onder grote delen van de bevolking wakkerde de statuscompetitie aan en op politiek vlak het rechts-extremisme.

We komen tot het inzicht dat het helemaal geen goed idee was om Milton Friedman (en Hayek en Buchanan) zo serieus te nemen en dat we beter naar Kenneth Boulding hadden moeten luisteren. Dus komt een al ouder idee weer terug in de belangstelling, dat van het maatschappelijk verantwoord ondernemen. Zo zijn er de Preadviezen van de Vereniging voor Staathuishoudkunde, die er dit jaar helemaal aan gewijd zijn. 

Jaap Winter pleit daarin voor een paradigmaverschuiving in het bedrijfsleven en het vennootschapsrecht: Zie De politieke en open vennootschap. (Winter was vorig jaar ook een van de 25 hoogleraren die  Naar een zorgplicht voor bestuurders en commissarissen tot verantwoorde deelname aan het maatschappelijk verkeer ondertekenden.) Hij betoogt dat de vennootschap deel behoort uit te maken van "de polis", dus van de gemeenschap waarin samen beslissingen worden genomen en waarin het niet alleen kan gaan over het eigen belang. 

Anders gezegd, waarin iedereen hoort mee te tellen. Nog anders gezegd: weg met dat idee van een markt die vrij is van morele verplichtingen en verantwoordelijkheden. Winter verwijst naar Europese regelgeving die er aan zit te komen en noemt verschillende varianten waarin die zorgplicht een rechtsvorm kan krijgen.

Die zorgplicht kan natuurlijk nooit juridisch volledig worden omschreven. Dat is kenmerkend voor morele verplichtingen. Maar het gaat erom de geldigheid ervan vast te leggen. Zodat uiteindelijk de rechter een oordeel kan vellen over concrete gevallen.

donderdag 21 juli 2022

De strijd om de democratie houdt nooit op (4) - In democratische verzorgingsstaten is de morele vooruitgang het verst voortgeschreden

De democratie is de hedendaagse institutionele vormgeving van onze oeroude morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee. 

Als dat zo is, dan hebben we er onvermijdelijk mee te maken dat er in de menselijke sociale natuur ook het statuscompetitiepatroon bestaat. Onze gemeenschapsmoraal is er juist omdat hij ons er van moet weerhouden om in dat statuscompetitiepatroon terecht te komen. Om de verleidingen van de machtsuitoefening en het overheersen en onderdrukken van anderen het hoofd te bieden. Zolang de mensheid bestaat, is er de strijd tussen die twee, de strijd die we in onze taal en in onze religies kennen als die tussen goed en kwaad. 

Daaruit volgt, wederom onvermijdelijk, dat de strijd om de democratie nooit ophoudt. Hier het vorige bericht. Maar daaruit volgt eveneens dat die strijd een grote morele lading heeft. Het gaat niet om zomaar iets, maar om het moreel goede (de democratie) tegenover het moreel kwade (de autocratie, de onderdrukking en de overheersing). 

Dat laatste kwam al, zij het zijdelings, aan de orde in Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen. Daarin ging het over Stelling 3 van de Dual Mode - theorie die inhoudt dat het gemeenschapsevenwicht waarin iedereen zijn of haar morele gemeenschapsintuïties volgt, niet alleen naar welzijn, maar ook in moreel opzicht, te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht, waarin iedereen is bezweken voor de verleiding tot statuscompetitie. En waarin allerlei aanwijzingen werden opgesomd voor de positieve welzijnseffecten van de democratie voor de bevolking. En in het vorige bericht ging het over een recente studie waarin onderzoek naar die positieve effecten van democratie wordt samengevat.

Dat alles doet de gedachte postvatten dat successen in de strijd voor democratie en dus voor de positieve welzijnseffecten van democratie gezien kunnen worden als morele vooruitgang. En nederlagen in die strijd als morele achteruitgang. 

Precies in die richting gaat het pleidooi van Jeremy Evans om de toename van het welzijn van de bevolking te gebruiken als indicator voor morele vooruitgang. Hij deed dat in A Working Definition of Moral Progress, dat in 2017 verscheen in het tijdschrift Ethical Theory and Moral Practice. 

Evans bespreekt daarin de drie verschillende manieren waarop in het wetenschappelijk onderzoek het welzijn van de bevolking wordt opgevat en gemeten. In twee van die manieren gaat het om het subjectieve welzijn, in het ene geval gemeten als positieve en negatieve gevoelens gedurende een dag of achteraf gerapporteerd en in het andere geval om globale beoordelingen, zoals de mate van tevredenheid met het leven. En als derde manier is er de meer objectieve, "eudamonische" benadering waarin wordt nagegaan in hoeverre het leven van mensen tegemoetkomt aan hun fundamentele behoeften. In onderzoek zijn die drie benaderingen ook gecombineerd. In dat verband verwijst Evans naar het werk van Felicia Huppert, die "floreren en gedijen" als welvaartsbegrip en - maat ontwikkelde. Zie eerder ook het bericht Hoe is het om te floreren en goed te gedijen? En hoeveel mensen floreren/gedijen? op dit blog.

Evans maakt vervolgens met verwijzingen naar onderzoek aannemelijk dat een toename van welzijn op die manier gemeten consistent samengaat met meer onderling vertrouwen, meer onderlinge samenwerking en meer onderlinge hulpverlening. Dat verband kenden we al. Want het komt overeen met het inzicht dat mensen meer gemeenschapsgedrag vertonen als ze zich sociaal veilig voelen en sociale veiligheid gaat gepaard met, of is zelfs de belangrijkste voorwaarde voor, welzijn.

En dan komt tenslotte de link met de institutionele voorwaarden voor dat welzijn, die meer blijken te bestaan in landen met meer sociale zekerheid en mogelijkheden tot persoonlijke autonomie, zoals in democratische verzorgingsstaten. Kortom, in dat soort landen is de morele vooruitgang het verst voortgeschreden. Hier het vervolg.

dinsdag 19 juli 2022

De strijd om de democratie houdt nooit op (3) - Alles bij elkaar genomen zie je dat democratieën beter presteren op algemeen wenselijke uitkomsten voor de bevolking dan niet-democratieën.

Klopt het dat de democratie voor de bevolking naar resultaten beter uitpakt dan de autocratie, de staat dus waarin een alleenheerser of een groep machthebbers (een plutocratie) het voor het zeggen heeft? De democratie valt natuurlijk om zichzelf positief te waarderen, omdat iedereen meetelt (algemeen kiesrecht) en burgerrechten heeft (zoals vrijheid van meningsuiting en van vergadering). Maar levert de democratie ook? Zijn mensen beter af in een democratie?

In het vorige bericht betoogde ik dat zulks wel valt te verwachten, omdat de heersers in een autocratie onvermijdelijk gedreven worden door hun machtsstreven, dus door het statuscompetitiepatroon. De eerste motivatie is om te overheersen en te onderdrukken, niet om het belang van de bevolking te dienen. Dat laatste zal alleen dan een rol spelen als het zou kunnen helpen om aan de macht te blijven. Maar dat is niet meer dan een middel om dat eerste doel, de macht, te dienen. Als het ook gaat met onderdrukking, zal daar zonder scrupules of zelfs bij voorkeur voor worden gekozen. En dat zal dus naar verwachting voor de bevolking slechter uitpakken, dan in een democratie. Waarin iedereen meebeslist en leiders kunnen worden weggestemd.

In de pas verschenen studie Does Democracy Matter? toetsen de onderzoekers of die verwachting klopt. Ze gingen op zoek naar vanaf 2000 in wetenschappelijke tijdschriften verschenen studies, waarin democratische en niet-democratische landen werden vergeleken. Dat bleken 607 studies te zijn, waarin ze in totaal 30 "effecten van democratie" aantroffen, met 212 indicatoren en 1181 statistische analyses. Het ging in totaal om gegevens van 115 landen en van 27 verschillende jaren.

Het blijkt dan dat democratische landen significant hoger scoren dan niet-democratische op:

  • mensenrechten (physical integrity index, civil liberties index)), 
  • transparantie (openbaarheid van informatie), 
  • afwezigheid van corruptie (corruption perception index), 
  • gezondheid en "human development" (levensverwachting, kindersterfte, overheidsuitgaven gezondheidszorg, tevredenheid met het leven), 
  • internationale handel, 
  • technologische innovatie (patenten, internet), 
  • kwaliteit van bestuur (good governance index), 
  • onderwijs (overheidsuitgaven, bereikte opleidingsniveaus), 
  • rechtspraak en criminaliteit, 
  • milieubeleid en 
  • economische groei. 

Mindere sterke effecten zijn er op monetair beleid (waarde van de munt), overheidsuitgaven (kredietwaardigheid), infrastructuur en industrie (kwaliteit van wegen, water, elektriciteitsnet, bedrijfsongevallen), investeringen (als proportie van het BNP) en inkomensherverdeling (sociale zekerheid). Opvallend is dat er nauwelijks een effect werd gevonden van democratie op de inkomensongelijkheid.

Alles bij elkaar genomen zie je dat democratieën beter presteren op algemeen wenselijke uitkomsten voor de bevolking dan niet-democratieën. Ook in de eenentwintigste eeuw zijn onze oeroude morele gemeenschapsintuïties een goed leidraad voor de vormgeving van de nationale staat. Als we iedereen laten meetellen, bereiken we voor iedereen betere resultaten dan wanneer de nationale staat als een statushiërarchie vorm heeft gekregen. De democratie is een poging om het gemeenschapsevenwicht dichterbij te brengen en we zien dat die poging behoorlijk goed slaagt.

Het is dus nogal wat waard om de democratie te verdedigen tegen degenen die gegrepen zijn door het evenzeer menselijke gedragspatroon van de statuscompetitie. Waarin machtsuitoefening, onderdrukking en overheersing worden nagestreefd, niet als middel, maar als doel op zich.

dinsdag 12 juli 2022

De strijd om de democratie houdt nooit op (1) - Over waarom de Grondwet een aanhef krijgt

De Grondwetswijziging die vorige week door de Eerste Kamer werd aangenomen, houdt onder meer in dat de Grondwet een aanhef krijgt, die als volgt luidt:

De Grondwet waarborgt de grondrechten en de democratische rechtsstaat.

Bovendien wordt het bestaande artikel 120 geschrapt, waarin het de rechter niet is toegestaan om nieuw aangenomen wetten aan de Grondwet te toetsen, Tot nu toe kon de rechter wel toetsen aan de internationale mensenrechtenverdragen, zoals het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Zie het bericht in de NRC van gisteren: Minister Hanke Bruins Slot: ‘Een grondwet moet je dus ook onderhouden’.

Dat nu ook kan worden getoetst aan de Grondwet, en dus aan de eisen van "grondrechten en de democratische rechtsstaat", is van betekenis. Mensenrechten, grondrechten, de democratische rechtsstaat, dat alles verwijst naar de morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee, die het morele fundament van de democratie uitmaken. En net zoals in het sociale en maatschappelijk leven die morele gemeenschapsintuïties ons ertoe aanzetten om de statuscompetitie en de statushiërarchie te onderdrukken, doen ze dat in het domein van de politiek om de vijanden van de democratie het hoofd te bieden. En dus om te voorkomen dat de democratie wordt vernietigd en vervangen door een autocratische, dictatoriale, fascistische, kleptocratische of plutocratische statushiërarchie. De innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur werkt nu eenmaal door in ons sociale, maatschappelijke én politieke leven. De strijd om de democratie houdt nooit op.

Die strijd om de democratie is daarmee onvermijdelijk ook een centraal sociaalwetenschappelijk thema. En dus is het niet verwonderlijk dat er op dit blog tot nu toe al 113 berichten aan zijn gewijd.

Uit al die berichten komt naar voren dat de democratie gevaar loopt als toenemende ongelijkheid en bestaansonzekerheid onder grote delen van de bevolking onveiligheidsgevoelens en daarmee een statuscompetitief wereldbeeld aanwakkeren. In dat wereldbeeld zijn er altijd vijanden, die bestreden en nog liever uitgeschakeld en zelfs geëlimineerd dienen te worden. Als mensen eenmaal in dat statuscompetitiepatroon terecht zijn gekomen, is er vrij spel voor wantrouwen, paranoia en samenzweringstheorieën. 

Ook als vijanden er objectief niet zijn, kunnen ze dan toch gemakkelijk worden "gevonden". De morele intuïtie van het iedereen-telt-mee is dan volledig uit het zicht verdwenen. Morele oproepen worden met diep wantrouwen ontvangen en als "politiek correct" en "woke" onschadelijk gemaakt. Niets lijkt het amorele wereldbeeld nog te kunnen verstoren.

Dat er nu die grondwetswijziging is aangenomen, waarin die aanhef over grondrechten en de democratische rechtsstaat kennelijk nodig werd gevonden, wijst erop dat we in een tijd leven waarin de democratie bedreigd wordt. Eerder werd zo'n aanhef niet nodig gevonden. Sociaalwetenschappelijk gezien doet dat vermoeden dat we te maken hebben gehad met toenemende ongelijkheid en bestaansonzekerheid. 

En natuurlijk wijst alles erop dat zulks inderdaad het geval is geweest. Meer ongelijkheid en meer bestaansonzekerheid waren nauwelijks verhulde, ja, vaak openlijk beleden,  doelstellingen van het neoliberale denken dat sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw de politiek in zijn greep kreeg. Het vloeide voort uit de morele luchtledigheid waartoe het vak economie zich al langer geleden bekeerd had. 

Maar het kreeg de wind in de rug van al diegenen die dachten beter af te zijn met het inperken van het democratische iedereen-telt-mee. De overheid moest allereerst in dienst staan van marktwerking als de voornaamste, ja, enige, bron van welvaart. Dat zou zogenaamd goed zijn voor iedereen (trickle-down), maar het ging toch vooral om meer kansen om rijk te worden en te blijven voor de weinigen en te profiteren van de door bestaansonzekerheid afgedwongen inspanningen van velen. Vandaar de afbraak van de sociale zekerheid van de verzorgingsstaat en de deregulering van de arbeidsmarkt en van de woningmarkt.

Met dus als onontkoombaar gevolg dat het statuscompetitieve wereldbeeld breed ingang vond. En dat dus de democratie bedreigd werd. En dat als reactie daarop die aanhef in de Grondwet er moest komen. Wordt vervolgd. Hier het vervolg.

vrijdag 24 juni 2022

Hoe de democratie zich in de Verenigde Staten op het nippertje wist te handhaven - En hoe de strijd om de democratie altijd doorgaat

Waarom zijn de hoorzittingen van het House Select Committee to Investigate the January 6th Attack on the U.S. Capitol van historisch belang? Lees hier mijn vorige bericht daarover naar aanleiding van de eerste zitting. 

Dat grote historische belang zit er in dat je het allesoverheersende thema van de mensheidsgeschiedenis, dat van de strijd tussen gemeenschap en statuscompetitie, er sterk gecondenseerd in aantreft. 

Een hedendaagse uitingsvorm van die strijd is de strijd om de democratie. Als in een land de democratie gevestigd is, dan is die strijd voor het moment beslist in het voordeel van de morele gemeenschapsintuïties. Het zijn immers die intuïties, die van het iedereen-telt-mee en van het wij-met-zijn-allen, die in de democratie, in het algemeen kiesrecht en in de opdracht tot het vinden van het beste beleid voor iedereen, vorm krijgen. 

En net zo als die gemeenschapsintuïties er zijn om de statuscompetitie bij onszelf en bij anderen te onderdrukken, is de democratie er om diezelfde statuscompetitie buiten de deur van de nationale staat te houden. In een democratie wordt zoals in elke staatsvorm macht uitgeoefend, maar die macht is een vertegenwoordigende en toegekende macht. Die door algemeen kiesrecht en eerlijke verkiezingen is verleend. Op grond van de verkiezingsuitslag wordt een regering gevormd, die door het gekozen parlement gecontroleerd wordt en kan worden weggestemd. Als cruciaal sluitstuk is er de onafhankelijke rechterlijke macht, een erkenning van het inzicht dat er een kern is van die gemeenschapsintuïties, fundamentele gelijkheid voor de wet, waarover niet bij meerderheid moet kunnen worden beslist. Zie ook De democratische rechtsstaat. (En denk ook aan de erkenning van dat inzicht in de vorm van mensenrechtenverdragen tussen democratische nationale staten.)

Dat die democratie niet vanzelfsprekend is en moet worden verdedigd, ligt er aan dat de menselijke sociale natuur ook dat andere patroon kent, dat van de statuscompetitie. Als je gedrag door dat patroon wordt aangestuurd, dan worden status en macht doelen op zich. Alles is er op gericht om in de statuscompetitie zo hoog mogelijk te eindigen. Anderen zijn altijd bedreigend en horen zoveel als mogelijk te worden overheerst en onderdrukt. En naar de mate waarin dat lukt, zullen die anderen zich daarbij neerleggen. De uitingsvorm daarvan is de onderdanigheidsvariant van het statuscompetitiepatroon. Onderdanig gedrag dient om de schade nog zoveel mogelijk te beperken. Niet langer geldt het iedereen-telt-mee.

De democratie wordt dus altijd bedreigd door de aanwezigheid van het statuscompetitiepatroon. Ook als de democratie goed lijkt te functioneren, zijn er altijd degenen die zich er niet bij willen neerleggen en voor wie de gecontroleerde macht van de democratie hoogstens een opstapje is naar de onbeperkte macht van de statushiërarchie.

Die hoorzittingen, waarvan je gisteren de vijfde kon volgen (er komen er meer), geven inzicht in hoe zich dat proces bijna van uur tot uur afspeelde in het geval van de reactie van Donald Trump op zijn verkiezingsnederlaag. Die reactie was stereotiep. Namelijk geheel volgens het gedragspatroon van de ultieme narcist, die immers geen andere wereld kent dan die van de statuscompetitie, die met de onvermijdelijke nederlaag wordt geconfronteerd. Je daarbij neerleggen, zoals we in een democratie verwachten, is ondenkbaar. Lees de weergave die Heather Cox Richardson geeft van die hoorzitting van gisteren: Letters from an American, June 23, 2022.

Alles maar dan ook alles, ook als dat het omverwerpen van de democratie is, moet in het werk worden gesteld om aan de macht te blijven. Nu alweer ruim een jaar geleden schreef ik daarover: De narcistische leider en zijn nederlaag - over Trump en Hitler. (2) Trump en zijn nederlaag, waarbij ik een vergelijking trok met de uiteindelijke nederlaag, niet in een democratie, maar in een oorlog, van Adolf Hitler. Zie (1) Hitler en zijn nederlaag.

Het grote verschil is natuurlijk dat Hitler meteen toen hij aan de macht kwam, de democratie afschafte en ook in staat was dat te doen. Waardoor hij de vrije hand kreeg om zijn extreme statuscompetitieve fantasieën van genocide en Lebensraum te verwerkelijken - tot aan de onvermijdelijke nederlaag.

Daarentegen kwam de nederlaag van Donald Trump er uit voort dat de democratie zich, naar nu blijkt op het nippertje, wist te handhaven. Trump had zijn handlangers, maar daar stonden genoeg anderen tegenover die de democratie verdedigden. Uiteindelijk zijn het de moreel gemotiveerde personen waar de democratie van afhankelijk is. Gisteren werd duidelijk dat de minister van Justitie en anderen op dat departement massaal ontslag hadden genomen als Trump die minister (Jeffrey Rosen) had vervangen door een handlanger (Jeffrey Clark). Heather Cox Richardson doet verslag:

“What have I got to lose?” Trump demanded. In a meeting of more than two and a half hours, Rosen, Donaghue, and all the other lawyers present except Clark warned Trump that there would be mass resignations from the DOJ if he went through with his plan, and that his decimation of the DOJ would overshadow all of his claims about the election. Cipollone called the idea a “murder-suicide pact.” Trump backed down then, but at the Ellipse three days later, he repeated all his debunked claims about the election.

De democratie was dus sterk genoeg. Maar het is duidelijk dat de strijd doorgaat. Want achter Trump stond en staat tot nu toe vrijwel de hele Republikeinse partij. Waarbinnen al heel lang een antidemocratische stroming bestaat, die zich, gesteund door het Grote Geld, nooit bij het iedereen-telt-mee heeft willen neerleggen. Die in een narcistische televisiepersoonlijkheid met politieke ambities een mogelijkheid zag om de eigen achterban te mobiliseren. En voor de rest probeerde en probeert om andere kiezers zoveel mogelijk te ontmoedigen om te gaan stemmen of om hun stem zo weinig mogelijk te laten meetellen. 

Iemand als Trump komt dan van pas. Ook als zijn rol is uitgespeeld en hij, als de democratische rechtsstaat zijn werk doet, wordt veroordeeld en in de gevangenis belandt, kan er zo weer een nieuwe, door Dark Money ondersteunde, narcistische populist opstaan.

De maatschappelijke voorwaarden daarvoor, grote ongelijkheid en bestaansonzekerheid voor velen, zijn nog aanwezig. Niet alleen in de Verenigde Staten trouwens.

dinsdag 19 januari 2021

De vraag of je de democratie kunt en moet zien als de institutionalisering van de morele gemeenschapsintuïties is urgent en actueel

Gisteren, 18 januari, was de dag dat in 1689 Montesquieu werd geboren, voluit  Charles Louis de Secondat, baron de La Brède et de Montesquieu. Hij overleed in 1755 en publiceerde in 1748 zijn beroemde De l'Esprit des Lois. 

Die geboortedag is een mooie aanleiding om de draad weer op te pakken die ging over de gemeenschapsvisie op de democratie. De visie die inhoudt dat de staatsvorm van de democratie en de menselijke hang naar democratie hedendaagse uitingsvormen zijn van onze oeroude morele gemeenschapsintuïties. En over de vraag of je die gemeenschapsvisie al kunt aantreffen in het werk van Montesquieu. Zie hier het vorige bericht in deze reeks. 

Om de herinnering op te frissen: die vraag of je de democratie kunt en moet zien als de institutionalisering van de morele gemeenschapsintuïties, dus van de intuïties van iedereen telt mee en van onderlinge rechtvaardigheid, is urgent en actueel. Want we hebben een periode achter ons waarin de neoliberale vulgair-economische visie op de democratie overheerste. 

Volgens die economische visie is de markt de bron van welvaart bij uitstek, omdat hij de optelsom zou zijn van alle vrijwillige transacties. Met als (enige) morele argument de vrijheid van overheersing van de een door de ander. En dus met het buiten de deur houden van de andere morele gemeenschapsintuïties, die van het iedereen telt mee en van de rechtvaardigheid. Waardoor je er in die visie van uit mag gaan dat als iedereen maar het eigen belang mag nastreven, de markt er voor zorgt dat altijd alles goed komt. Maar waarbij "goed" niets anders betekent dan dat er geen verliezers zijn. Voor de rest is alles mogelijk en automatisch "goed", dus ook grote en toenemende ongelijkheid.

En in het verlengde daarvan de overtuiging dat de democratische overheid, waarin immers met meerderheid wordt beslist, waardoor er ook altijd verliezers zijn en dus overheersing, zoveel mogelijk dient te worden ingeperkt. Want er dient van uitgegaan te worden dat ook in de democratie iedereen altijd alleen maar uit is op eigen belang. Voorstellen om via de overheid het lot van de armen te verbeteren kunnen dus niet voortkomen uit morele motieven, maar alleen maar uit het streven om via de belastingen van de rijken af te pakken wat zij door hard werken verdiend hebben. Als je arm bent, heb je dat aan jezelf te wijten, want de markt zou aan iedereen dezelfde kansen bieden. Denk even aan die VVD-slogan "Handen uit de mouwen in plaats van hand ophouden" uit 2012. Zoek het zelf maar uit. En als je toch de hand ophoudt, dan mogen we ervan uitgaan dat je een klaploper en een fraudeur bent. Dit is voluit de statuscompetitievisie op de democratie.

We maken nu mee dat die vulgair-economische, in morele zin afgeknotte, visie op de democratische overheid in elkaar stort. Er is de Toeslagenaffaire die het kabinet Rutte-III heeft doen vallen, maar er is veel meer aan de hand. Alle partijen schuiven op naar links, dat wil zeggen de morele gemeenschapsvisie op de democratische overheid komt weer in het vizier.

Dat betekent, zoals eerder gezegd, een terugkeer naar de periode na de Tweede Wereldoorlog, toen de verzorgingsstaat werd opgebouwd. Met in zoveel woorden de overtuiging dat de gemeenschap diende te worden georganiseerd in de staat. Het is nu de tijd van de herontdekking van de gemeenschapsvisie op de democratie. 

Die herontdekking komt na wat we achteraf gezien wel een heel merkwaardige onderbreking mogen noemen van de historische ontwikkeling op weg naar de gemeenschapsdemocratie. Die we te danken hadden aan een opvallende kongsi van enerzijds die vulgair-economische academici en zelfs Nobelprijswinnaars (Buchanan, Hayek, Friedman) en anderzijds de kapitaalverschaffers van de academische denktanks waar ze zich in verenigden, zoals de Mont Pelerin Society. De invloed van dat samenwerkingsverband op het maatschappelijke en politieke denken is tientallen jaren zonder meer overweldigend geweest. Alles draaide om "economische hervormingen" en iedereen wist of meende te weten wat daarmee bedoeld werd. In ieder geval altijd meer markt en minder overheid. 

Ook sociaalwetenschappelijke beschouwingen over de democratie waren sterk beïnvloed door de economische theorie van de democratie. Enig besef van het verband met menselijke morele gemeenschapsintuïties lijkt geheel te ontbreken. Neem Democratie. Theorie en praktijk onder redactie van J.J.A. Thomassen dat in 1981 verscheen. (Ik had het ooit in mijn boekenkast staan, maar viste een paar dagen geleden een exemplaar op uit de ruilboekenkast bij de supermarkt.) Alle toenmalige grootheden van de Nederlandse politicologie zijn vertegenwoordigd. Van alles komt aan de orde, behalve dat democratie ook iets te maken zou kunnen hebben met de menselijke moraal.

Omdat die morele gemeenschapsintuïties nu eenmaal deel uitmaken van de menselijke sociale natuur, was te verwachten dat ze bij de ontwikkeling van de meer gecentraliseerde nationale staten in de afgelopen paar eeuwen de kop zouden opsteken. Dat deden ze ook ten tijde van de Franse Revolutie aan het eind van de achttiende eeuw met zijn liberté, egalité, fraternité. Waarvan Piketty overigens laat zien dat weliswaar de oude privileges werden afgeschaft, maar dat nog tot begin twintigste eeuw de vermogensongelijkheid sterk toenam en dat het algemeen kiesrecht nog lang op zich liet wachten (Capital and Ideology, 126-155).

Maar we zagen dus dat diezelfde intuïties ook vallen aan te wijzen in het werk van Montesquieu een halve eeuw eerder. Met daarin, zoals in de meeste beschouwingen over democratie, natuurlijk de verwijzingen naar Aristoteles (384 v.Chr.- 322 v.Chr.). Die met zijn zoön politkon, de mens die op samenwerking met anderen is ingesteld, ook al die morele gemeenschapsintuïties onder woorden brengt. En natuurlijk gaan die intuïties terug tot het ontstaan van de mensheid, tot de lange periode dat we als jagers-verzamelaars afhankelijk waren van samenwerken en delen. 

Of we in staat zullen zijn om blijvend de stap te maken naar de democratie, en de mensenrechten, als uitingsvorm van die oeroude intuïties, dat is nu in 2021 inderdaad wel een een urgente en actuele vraag.

dinsdag 20 oktober 2020

De overheid is terug en dus de moraal. En twee vragen bij de morele rechtvaardiging van de neoliberale politiek

Na de barbarij van de Holocaust, die liet zien waar het statuscompetitiepatroon op kan uitlopen, was er de breed gedeelde overtuiging dat het nationaal en internationaal de kant moest opgaan van het gemeenschapsevenwicht. Dat kreeg vorm in de opbouw van de verzorgingsstaat en in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Zie het vorige bericht.

Die beweging in de richting van het gemeenschapsevenwicht hield in dat er een grote rol moest worden weggelegd voor wat mensen "met zijn allen" willen en kunnen. Dus voor overheden, die zich er op richten om de bestaanszekerheid van iedereen te garanderen, nationaal door sociale zekerheid en toegang tot het onderwijs, en internationaal door mensenrechtenverdragen  die moesten zorgen voor wereldwijde vrijheid van gebrek en onderdrukking.

Maar die beweging werd na enkele decennia een halt toegeroepen. Er ontwikkelde zich de wereldwijde backlash van het neoliberalisme. De overheid was niet de oplossing, maar juist het probleem. In plaats daarvan kwam "de markt" als oplossing van vrijwel alle problemen, als de voornaamste bron van welvaart. Het moest niet meer "met zijn allen", het kon integendeel worden uitbesteed aan het anonieme marktmechanisme. Het wij-met-zijn-allen denken werd vervangen door het marktdenken.

Terwijl dat "met zijn allen" appelleert aan de morele gemeenschapsintuïties, had dat amorele marktmechanisme het "voordeel" dat het voldoende was om op ieders eigenbelang te vertrouwen. Het menselijk vermogen tot moreel gedrag kon worden verwezen naar de persoonlijke levenssfeer van familie en vrienden, voor de collectieve welvaart werd hij niet van belang geacht. De markt, de beroemde onzichtbare hand, zorgt er wel voor dat al die individuele eigenbelangen uiteindelijk de meeste collectieve welvaart voortbrengen. De overheid moet niet meer doen dan zorgen voor de wetten om die markt goed te laten werken, zoals wetten die het recht op eigendom regelen.

Internationaal betekende dat zoveel mogelijk vrijhandel, globalisering dus. Hoewel die ook gunstige effecten had, maakte hij ruim baan voor de grote internationale ondernemingen, die machtiger werden dan staten en zo voor elkaar kregen dat ze niet of nauwelijks belastingen betalen.

Afijn, we weten ondertussen waar dat neoliberale regime op is uitgelopen. Extreme ongelijkheid, exorbitante rijkdom voor weinigen en stagnerende welvaart en bestaansonzekerheid voor velen. Daardoor tekortschietende vraag en tekortschietende investeringen. Overheden die stug volhardden in het huishoudboekjesdenken en dus hun tekorten terugdrongen in een tijd die juist vroeg om meer publieke investeringen. Door die vermogensophoping en overheden die weigerden te investeren ontwikkelde zich het monster van de financiële sector, dus van het aandeelhouderkapitalisme, een bron van economische instabiliteit.

En last but not least worden we ermee geconfronteerd dat dit economisch stelsel de natuurlijke hulpbronnen uitput, de biodiversiteit vernietigt en de aarde catastrofaal opwarmt. En ons blootstelt aan pandemieën, waarvan de corona-crisis waarschijnlijk slechts een voorbode is.

Geen wonder dat het inzicht doorbreekt dat "de overheid terug is", dat we voor opgaven zijn komen te staan die we met zijn allen moeten oplossen of waaraan we ten onder gaan. Waarmee de vraag opkomt wat dan de richtlijn moet zijn voor overheidshandelen. Nu we immers inzien dat we van de overheid meer moeten verwachten dan "het aan de markt overlaten". waar moeten we ons dan met zijn allen door laten leiden? In het bijzonder, wat hebben vakken als economie of sociologie, of algemener, wat heeft de toegepaste sociale wetenschap dan te bieden als wetenschappelijke bijdrage aan de politiek en de democratische besluitvorming. En kunnen daar morele oordelen buiten de deur blijven?

Dat die vraag zich nu opdringt, ligt eraan dat in de afgelopen periode van "uitbesteding aan de markt" de indruk kon ontstaan dat morele oordelen geen rol meer speelden. En ook niet meer mochten spelen. De allesoverheersende indruk was immers dat de politiek zich kon laten leiden door wat het vak economie als wetenschap voorschreef. Het vak economie had uitgevonden welk beleid het beste was. Dus viel daar eigenlijk niet meer over te discussiëren. Vandaar TINA: There is no alternative. 

Maar dat was natuurlijk alleen maar een indruk. Die weliswaar de neoliberale politiek een wetenschappelijk cachet gaf, waardoor velen er in meegingen, maar toch niet meer dan een indruk. Want als je beter kijkt, dan zie je wel degelijk morele oordelen. De vermeende superioriteit van het marktmechanisme wordt er immers door gerechtvaardigd dat het de optelsom is van alle vrijwillige transacties. Dat wil zeggen, bij volledige concurrentie. De markt zou niet alleen efficiënt zijn, maar ook moreel goed, omdat niemand tot iets wordt gedwongen. Er is geen overheersing, er is geen macht. En vrijheid van overheersing is inderdaad een van onze morele gemeenschapsintuïties. 

De neoliberale politiek kent dus wel degelijk een morele rechtvaardiging. Maar daar kun je meteen twee vragen bij stellen. Is vrijheid van overheersing dan de enige gemeenschapsintuïtie? Nee natuurlijk. En dat marktmechanisme, dat mag als een abstractie tegemoetkomen aan die morele eis van vrijheid van overheersing, maar wat betekent dat voor de praktische realiteit, waarin volledige concurrentie eigenlijk niet bestaat? Wat heb je aan vrijheid van overheersing in een fantasiewereld?

Over die vragen in het volgende bericht meer.

zaterdag 10 oktober 2020

Hoe zijn we hier terechtgekomen? De begintoestand: "De gemeenschap, georganiseerd in den Staat..." (13 april 1943)

 Van de twee vragen uit het vorige bericht:

  • hoe zijn we hier terecht gekomen?
  • nu de overheid terug is, kun je dan als toegepaste sociale wetenschap (sociologie, economie) morele oordelen buiten de deur blijven houden?
kun je de tweede beter begrijpen en dus beantwoorden als het antwoord op de eerste bekend is. 

Als achtergrond van dat antwoord kan de reeks berichten dienen over de mensheidsgeschiedenis-in-drie-stappen. Maar voor het antwoord zelf kunnen we teruggaan naar het einde van de Tweede Wereldoorlog.

Want toen begon de opbouw van de verzorgingsstaat. De plannen daarvoor werden al ontwikkeld tijdens de oorlog in Londen door de Commissie-Van Rhijn, met als voorbeeld het Engelse Beveridge-rapport. In het Rapport-Van Rhijn wordt de rechtsgrond voor de verzorgingsstaat omschreven als:

De gemeenschap, georganiseerd in den Staat, is aansprakelijk voor de sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek van al haar leden, op voorwaarde, dat alle leden zelf het redelijke doen om zich die sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek te verschaffen. (Geciteerd uit Ton Kappelhof, 'Omdat het historisch gegroeid is.' De Londense Commissie-Van Rhijn en de ontwikkeling van de sociale verzekeringen in Nederland (1937-1952.)

Die zin is nog vaak aangehaald, maar vaak zonder de portee ervan volledig te onderkennen. Want wat wordt daar in de eerste zes woorden eigenlijk gezegd? Dat er voorafgaand aan de staat al iets bestaat, dat met het woord gemeenschap wordt aangeduid. 

Waarmee kennelijk bedoeld is dat die leden die zich in de staat organiseren niet een losse verzameling individuen is, die nog niets met elkaar te maken hebben, maar die al in een gemeenschap met elkaar verbonden zijn. En dat kan niet anders betekenen dan dat ze over en weer morele aanspraken en verplichtingen erkennen. Geheel volgens de morele gemeenschapsintuïties van zorg voor elkaar, eerlijk delen en vrijheid van onderdrukking, die tot het menselijke gemeenschapspatroon behoren.

Dat is om over na te denken. De verzorgingsstaat, en de democratie die er onlosmakelijk mee verbonden is, vormen de institutionele vormgeving van bestaande morele intuïties. Die nu eenmaal nodig is omdat we niet meer in het kleine verband van de jagers-verzamelaarsgroep leven. Om toch recht te kunnen blijven doen aan wat die intuïties ons influisteren, moeten we ons organiseren in de democratische verzorgingsstaat.

Het is veelzeggend dat de breed samengestelde Commissie-Van Rhijn het er in zijn eerste vergadering op 13 april 1943 over die rechtsgrond snel eens was. Kappelhof daarover (p. 85):

Iedereen kon zich met deze formulering verenigen en op een onbetekenende wijziging na kwam deze ook in het eindrapport van de commissie te staan.

Dat was de begintoestand. In 1943. En in 1945, toen na de bevrijding het rapport van de commissie verscheen. 

Maar wat gebeurde er daarna? En hoe zijn we terechtgekomen waar we nu zijn, in 2020, nu we inzien dat de overheid terug is? Wordt vervolgd. Hier het vervolgbericht.

maandag 2 maart 2020

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 19 - Het gaat niet zo goed met de democratie - De strijd voor de democratie is de strijd voor gelijkheid

In de reeks berichten over de mensheidsgeschiedenis (zie hier het vorige bericht) zagen we al dat de strijd voor de democratie en de strijd tegen ongelijkheid samen op gaan.

Het zijn onze morele gemeenschapsintuïties, die we verwierven na de eerste stap in de mensheidsgeschiedenis en die het mogelijk maakten om als jagers-verzamelaars samen te werken en te delen, die ons er nu, in de derde stap van die geschiedenis, toe motiveren om op het niveau van de nationale staten de democratie te vestigen en te handhaven. (En om op het internationale niveau mensenrechten te verdedigen.)

Die gemeenschapsintuïties vertellen ons dat het goed is om rekening met elkaar te houden, dat het verkeerd is om op anderen neer te kijken en dat daarom iedereen gelijke rechten behoort te hebben. Sinds de ontwikkeling van nationale staten zien we dat die intuïties concrete uitwerkingen vinden in de democratische staatsvorm. (En in internationale mensenrechtenverdragen.)

Maar die ontwikkeling naar democratie en mensenrechten gaat met vallen en opstaan. Want hoewel de meeste mensen deugen, is het niet zo dat de meeste mensen alleen maar deugen. Tegenover die gemeenschapsintuïties zijn we ook nog steeds toegerust met de intuïties van de statuscompetitie en de statushiërarchie.

En sinds de tweede stap van de mensheidsgeschiedenis, die van de landbouwrevolutie, zijn we met zijn allen minder goed in staat om die tegengestelde drijfveren bij onszelf en bij elkaar te onderdrukken. Ze steken de kop op als we gaan denken dat ze bij anderen de kop opsteken, dus als we ons (door die anderen) bedreigd en onveilig voelen. vandaar dat toenemende bestaansonzekerheid zulke ontwrichtende maatschappelijke gevolgen heeft.

Dat betekent dus dat de strijd voor de democratie ook altijd een strijd is tegen de ongelijkheid. De ongelijkheid die eruit voortkomt dat sommigen of velen juist meer willen zijn en meer willen hebben dan anderen. En als ze er een keer in geslaagd zijn om meer te hebben, dan zijn die rijken al snel geneigd om te gaan geloven dat die rijkdom hen ook toekomt. Ze zijn "beter" dan de armen. Of ze hebben zich meer ingespannen. Of ze zien zelfs hun succes als een aanwijzing dat ze meer in de gunst staan van een god waarin ze geloven dan het arme, en dus zondige, volk.

Vandaag de dag is het samenvallen van de strijd voor de democratie en tegen de ongelijkheid wel heel duidelijk. Dat bedacht ik me toen ik een aantal recente berichten op een rijtje zette. Laten we ze bij langs lopen. Vandaag het eerste, later meer.

Volgens het Pew Research Center. Global Attitues and Trends hebben in veel landen burgers niet of niet meer het gevoel dat de overheid er is voor iedereen, dus voor het algemene belang. Dat betekent dus dat er in veel landen twijfel bestaat of de democratie wel werkt zoals hij zou moeten werken.

Als je "weet niet'' niet meetelt, ligt de mediaan van 34 landen op net iets meer dan 50 procent van de burgers die vinden dat hun overheid er niet voor iedereen is. Voor Nederland ligt dat op 30 procent. Ter vergelijking: Verenigde Staten 52 procent, Duitsland 51 procent, Griekenland 81 procent en opvallend: Filipijnen 15 procent en Indonesië 13 procent.

Ook zie je dat in 11 van 20 landen waarvoor gegevens bekend, zijn het percentage tussen 2000 en 2019 is afgenomen. Om de gedachten te bepalen: in Italië van 88 naar 30 procent, in Duitsland van 86 naar 48 procent en in Polen van 88 naar 56 procent.

Eerste indruk: het gaat niet zo goed met de democratie. Wordt vervolgd. Zie Een toename van inkomensongelijkheid bedreigt de democratie doordat het rechts-extremisme aanwakker.

dinsdag 7 januari 2020

Het gemeenschapsevenwicht en het Joodse begrip Arvut - Over de actualiteit van een tekst uit de Kabbalah

Mensen hebben als jagers-verzamelaars kunnen overleven, ja, zich zelfs over de continenten kunnen verspreiden, doordat ze in staat waren tot samenwerken en delen. Daarvoor was onderdrukking van de neiging tot statuscompetitie nodig. Dat lukte doordat er in die lange periode, bij benadering 98 procent van de duur van de mensheidsgeschiedenis tot nu toe, een selectie plaats vond op de ontwikkeling van de morele gemeenschapsintuïties. Aangevuld met de actieve selectie tegen statuscompetitiegedrag door middel van collectieve, zo nodig gewelddadige, sanctionering van dat gedrag.

Die unieke evolutionaire achtergrond vergroot het inzicht in hoe wij in onze huidige maatschappij samenleven. Want kenmerkend daarvoor is dat wij enerzijds nog steeds zijn toegerust met die morele gemeenschapsintuïties, maar anderzijds dat we sinds de overgang naar landbouw moeilijker onze eigen en elkaars neiging tot statuscompetitie kunnen onderdrukken.

Waardoor we in die ingewikkelde situatie zijn beland dat we met zijn allen zowel in een gemeenschapsevenwicht terecht kunnen komen als in een statuscompetitie-evenwicht. Zie het bericht
Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? En over wat de Dual Mode-theorie te bieden heeft - deel 2.Waarbij alles er op wijst dat mensen beter zouden gedijen in een gemeenschapsevenwicht dan in een statuscompetitie-evenwicht.

Nu zijn die twee evenwichten slechts theoretische constructies, omdat maatschappelijke toestanden, nogmaals, sinds de overgang naar landbouw, zowel gemeenschapsgedrag als statuscompetitie kennen.

Maar een veelheid van onderzoek laat zien dat mensen die meer gemeenschapsgedrag vertonen, waarschijnlijk mede doordat ze zich hebben weten te omringen met anderen die hetzelfde doen, daarvan profiteren met een zinvoller leven, een betere gezondheid en zelfs een hogere levensverwachting. Recent onderzoek in dat verband kwam ter sprake in het bericht
Door het volgen van de natuurlijke neiging tot zorgverlening leven mensen langer - nieuwe aanwijzingen.

Moos van Maris had op dat bericht een interessante reactie (zie onderaan dat bericht), met een verwijzing naar het Joodse begrip Arvut, dat staat voor wederzijdse verantwoordelijkheid. En een verwijzing naar een tekst uit de Kabbalah waarin dat wordt uitgelegd.

Daarin kom je een fraaie beschrijving tegen van wat ik een gemeenschapsevenwicht noem:
Because the Torah was not given to them before each and every one from Israel was asked if he agreed to take upon himself the Mitzva (precept) of loving others in the full measure, expressed in the words: “Love thy friend as thyself” (as explained in Items 2 and 3, examine it thoroughly there). This means that each and every one in Israel would take it upon himself to care and work for each member of the nation, and to satisfy all their every needs, no less than the measure imprinted in him to care for his own needs.
En dus ook de bepaling dat het bestaan van dat gemeenschapsevenwicht als voorwaarde gold voor het ontvangen van de Torah, met zijn (vele) geboden en verboden. Met als achterliggende gedachte dat die verboden en geboden op zich niet afdoende zijn. Er dient die bodem van wederzijdse verantwoordelijkheid te bestaan.

Fascinerend aan de tekst die daarop volgt is dat de problemen worden besproken van het leven in een maatschappij waarin dat gemeenschapsevenwicht, de Arvut, (nog) niet is bereikt. Een maatschappij die dus "onzuiver" is. Want:
It turns out that even after the reception of the Torah, if a handful from Israel betray and return to the filth of self-love, without consideration of their friends, that same amount of need that is put in the hands of those few would burden Israel with the need to provide for it themselves.
This is because those few will not pity them at all; hence, the fulfillment of the Mitzva of loving one’s friend will be prevented from the whole of Israel. Thus, these rebels cause those who keep the Torah to remain in their filth of self-love, for they will not be able to engage in the Mitzva, “Love thy friend as thyself,” and complete their love for others without their help.
As a result, all of Israel are responsible for one another, both on the positive side and on the negative side. On the positive side, if they keep the Arvut until each cares and satisfies the needs of his friends, they can fully keep the Torah and Mitzvot, meaning bring contentment to their Maker (Item 13). And on the negative side, if a part of the nation does not want to keep the Arvut, but rather chooses to wallow in self-love, they cause the rest of the nation to remain immersed in their filth and lowliness without ever finding a way out of their filth.
Het taalgebruik komt over als "gedateerd", maar het gaat over niets anders dan het ook nu nog heersende conflict tussen onze morele gemeenschapsintuïties en onze neigingen tot statuscompetitie.

dinsdag 24 september 2019

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 18 - Spannende tijden voor de democratie - en meer aanwijzingen voor de eerste twee stappen

In de loop van de negentiende, maar vooral vanaf het begin van de twintigste eeuw, zette zich in veel landen de beweging door in de richting van de democratische staatsvorm. Dat was een uiterst belangrijke ontwikkeling gezien vanuit het verloop tot dan toe van de mensheidsgeschiedenis.

Zie over de plaats van de democratie in die mensheidsgeschiedenis de vorige zeventien berichten op dit blog, die nu bijna een jaar geleden begon met De mensheidsgeschiedenis tot nu toe in drie stappen - 1. En hier is het vorige bericht: De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 17 - Over een politieke partij, de Amerikaanse Republikeinen, als verlengstuk van het Grote Geld. Je kunt die reeks, voorwaarts of achterwaarts, volgen door in die berichten op de links naar het volgende dan wel het vorige bericht te klikken.

Ik noemde die ontwikkeling naar de democratie de derde stap in de mensheidsgeschiedenis. De eerste stap bestaat eruit dat onze vroegste voorouders in staat bleken om zich te ontdoen van de sociale vorm van de statushiërarchie als organisatieprincipe van de onderlinge verhoudingen.

Die statushiërarchie, en de statuscompetitie die ermee gepaard gaat, kennen we als de bij de primaten, denk aan de chimpansees, overheersende sociale vorm. Hij staat bekend als het alfa-mannetjes model. Een mannetje vecht zich naar de top van de hiërarchie, beheerst de gang van zaken in de groep en monopoliseert de voortplanting.

Die eerste stap was inderdaad fundamenteel voor het ontstaan van de menselijke soort. Het was een sociale uitvinding, die een antwoord was op de uitdaging waaraan die eerste mensen werden blootgesteld, namelijk dat ze alleen door middel van samenwerken en delen van voedsel konden overleven. Dat lukte alleen door de ongelijkheid in de groep binnen de perken te houden, dus door een egalitaire samenlevingsvorm. En dus door de neiging tot statuscompetitie, die natuurlijk nog steeds aanwezig was, individueel en collectief te onderdrukken.

Dat laatste lukte door statuscompetitiegedrag af te keuren en er, collectief, als dat nodig was met sancties op te reageren. En als dat nodig was, met sociale uitsluiting of zelfs fysiek geweld tot executie aan toe. Denk wat dat laatste betreft aan Richard Wrangham's The Goodness Paradox. The Strange relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution.

Die collectieve onderdrukking bracht op den duur met zich mee dat geselecteerd kon worden op de vermogens om de morele intuïties van het gemeenschapsgedrag bij het opgroeien in de groep gemakkelijk aan te leren. Je hoort anderen als gelijken te beschouwen, je hoort met anderen rekening te houden, je hoort je voor anderen en voor de groep in te spannen en je hoort bij te dragen aan de sociale harmonie. Denk aan de Big Two van de persoonlijkheid van jagers-verzamelaars.

Daar kwam, zoals we zagen, verandering in bij de overgang naar de landbouwsamenlevingen, ongeveer 8000 tot 10.000 jaar geleden. Dat was de tweede stap in de mensheidsgeschiedenis. Uit het vierde bericht in deze reeks:
De sociale gevolgen van de Agrarische Revolutie zijn ronduit dramatisch te nomen. De nog altijd in de menselijke natuur aanwezige drang tot statuscompetitie, als erfenis meegegeven door de gemeenschappelijke voorouder van chimpansee en mensachtigen, kon in de nieuwe economische verhoudingen niet meer goed worden beteugeld.
Er ontstonden plotsklaps aanspraken op eigendom: land, water, werktuigen, gebouwen, voorraden, ja, zelfs vrouwen en slaven. En er ontstonden dynastieën, die hun bezittingen wilden doorgeven aan volgende generaties. De institutie van het eerstegeboorterecht ontwikkelde zich, maar ook de jongere zonen moesten tevreden worden gesteld. Waardoor elke dynastie een prikkel had om land en bezittingen uit te breiden. En dus kwamen legers en oorlogen de mensheidsgeschiedenis binnen.
Zo kwamen er de eerste staten, met een sterke man aan het roer, met belastingheffing, een bureaucratie, een onderdrukkingsapparaat en een leger. Zorgvuldig doordachte en uitgewerkte statushiërarchieën, maar wel gemodelleerd naar het Alfamannetjes-model van de primaten. Wat jagers-verzamelaars niet kenden en niet wilden kennen, grote ongelijkheid, armoede en rijkdom naast elkaar, werd hét kenmerk van de landbouwsamenleving.
Anders gezegd, het statuscompetitiepatroon overheerste het gemeenschapspatroon.
Waarna dus nog maar heel recent de derde stap in de mensheidsgeschiedenis zich begon te voltrekken, de overgang naar de democratie op het niveau van de nationale staten. En nog recenter de internationale erkenning van mensenrechten. Beide als collectieve pogingen om die nog steeds bestaande morele gemeenschapsintuïties van samenwerking en delen en gelijke rechten opnieuw vorm te geven. Nu niet in de kleine groep van jagers-verzamelaars, maar op het niveau van nationale staten en van de wereldbevolking.

En vandaag de dag maken we mee of die derde stap wel of niet bestendig is. Zal de democratie zich weten te handhaven? Nu hij in allerlei landen bedreigd wordt. In het Verenigd Koninkrijk is er vandaag het vonnis van het Hooggerechtshof dat het naar huis sturen van het parlement door de regering-Johnson onwettig was en moet worden beschouwd als niet te hebben plaats gevonden. In de Verenigde Staten zit de lang verwachte afzettingsprocedure van "president" Trump er nu aan te komen.

Ontwikkelingen die hoopvol stemmen, maar de tijden zijn spannender dan je zou wensen.

Laten we maar even weer afstand nemen en terugkijken op de grote lijn en dus op die eerste twee stappen in de mensheidsgeschiedenis.

Een mooi overzicht van alle aanwijzingen die er bestaan voor die stappen, voor die egalitaire verhoudingen in de jagers-verzamelaarsgroepen en voor de terugval in de statuscompetitie en -hiërarchie, dus in de ongelijkheid en de despotie van de landbouwsamenlevingen, valt te lezen in Making and unmaking egalitarianism in small-scale human societies van Chris von Rueden.

De meeste daarvan zijn hier op dit blog al eens langsgekomen. Maar misschien kom ik er nog een kee rop terug.

dinsdag 30 april 2019

De hang naar eerlijkheid berust op wederzijds respect en is verbonden met de noodzaak tot samenwerking

Jan Engelmann en Michael Tomasello vragen zich in het pas verschenen Children’s Sense of Fairness as Equal Respect af hoe en wanneer kinderen leren om eerlijk te zijn en eerlijkheid van anderen te verwachten.

Uit onderzoek is al bekend dat kinderen op vierjarige leeftijd een afkeer van ongelijkheid hebben ontwikkeld in die gevallen waarin zulks in hun nadeel is. En dat rond hun achtste levensjaar die afkeer zich heeft uitgebreid tot de gevallen waarin de ongelijkheid in hun voordeel is. Maar wat is er dan met jongere kinderen aan de hand. Hebben die nog geen besef van eerlijkheid (fairness)? En waarop berust die hang naar eerlijkheid eigenlijk?

In dat onderzoek bij vier- en achtjarige kinderen ging het erom welke verdelingen over zichzelf en een ander eerlijk werden gevonden. En uit recenter onderzoek blijkt dat ook driejarige kinderen al een hang naar eerlijkheid  hebben, maar alleen in die gevallen waarin ze samenwerken. In die context van samenwerking vinden ze zowel het minder krijgen dan de ander als het meer krijgen dan de ander onprettig.

En dat komt precies overeen met wat je vanuit een evolutionair gezichtspunt zou verwachten. Want onze morele intuïties vinden hun oorsprong in de lange periode waarin onze verre voorouders door samenwerking en (eerlijk) delen wisten te overleven en zich zelfs over de aardbol wisten te verspreiden. Die intuïtie van wat eerlijk is, veronderstelt dus een context van samenwerking.

Dat komt overeen met wat ander recent onderzoek laat zien, namelijk dat driejarigen niet zozeer gedreven worden door gelijkheid, maar door zoiets als wederzijds respect. Zo protesteren ze tegen een ongelijke verdeling niet omdat die ongelijk is, maar met een moreel oordeel, met een verwijzing naar een morele regel: omdat "het niet zo hoort". En ze gaan akkoord met een ongelijke verdeling ten gunste van iemand die zich meer heeft ingespannen. En met een ongelijke verdeling als de een meer behoeftig (armer) is dan de ander.

Bevestiging dus van het vermoeden dat onze morele gemeenschapsintuïties hun oorsprong vinden in de uitdagingen die voortkomen uit de noodzaak van samenwerking en delen om te overleven. Waardoor het niet verwondert dat je de werking van die intuïties bij jonge kinderen precies ziet in een context van samenwerking.

En het wijst erop dat het dus wel belangrijk is dat kinderen in hun vroege jeugd voldoende kansen krijgen om ervaringen op te doen in zulke samenwerkingscontexten.

Engelmann en Tomasello omschrijven dat wederzijdse respect als bestaande uit drie aspecten van het samenwerkingsproces:
  1. het besef van onderlinge afhankelijkheid
  2. het besef van gelijkwaardigheid, ook inhoudende dat je elkaars plaats kunt innemen
  3. het besef dat samenwerking bepaalde eisen stelt, die onpartijdig zijn.
Ik vind het een diepzinnig resultaat. Ons gevoel van wat eerlijk is, gaat niet over gelijkheid van resultaat, van wat ieder krijgt, maar over wederzijds respect. In de woorden van de auteurs:
The evidence thus suggests that children are not primarily preoccupied with the material ‘stuff’ in distributive contexts; they are concerned instead with the social meaning of the act of distribution, that is, whether they and others are being treated with equal respect. Any account that focuses only on the material stuff, no matter how nuanced, cannot capture this dimension of social meaning. Accounts that invoke a preference for equal distributions as the basic psychological mechanism, insofar as they focus mainly on the material stuff, are therefore descriptive only, not explanatory. The question is what underlies children’s aversion to inequity, and our claim is that the foundation of their aversion is not equality of resources per se, but rather equality of respect.
Misschien hebben we hier precies de essentie te pakken waarin de gemeenschap verschilt van de statuscompetitie en de statushiërarchie. Ooit konden onze verre voorouders ontsnappen aan dat statuscompetitiepatroon doordat ze ervaring opdeden met samenwerking en delen. Waardoor ze "ontdekten" dat daarvoor wederzijds respect nodig was, het besef van onderlinge afhankelijkheid, van gelijkwaardigheid en van onpartijdigheid.

En de geschiedenis daarna, en de actualiteit, leren dat die ontdekking steeds opnieuw moet worden gedaan. En moet worden bevochten.

zondag 21 september 2014

Over morele eilandjes in een boze buitenwereld - Onderzoek naar moreel gedrag in het dagelijks leven

Er is nieuw onderzoek dat inzicht verschaft in onze morele en immorele gedragingen in ons dagelijks leven en in het morele en immorele gedrag van anderen waarmee we in aanraking komen of waarvan we te horen krijgen.

De onderzoekers van de studie Morality in everyday life (betaalpoort) wisten 1252 volwassenen (Amerikanen en Canadezen) zover te krijgen dat ze drie dagen lang 5 keer per dag op willekeurige momenten een berichtje op hun smartphone kregen met een vragenlijstje. Daarin konden ze aangeven of ze in het voorafgaande uur zelf een morele of een immorele daad hadden verricht, of iemand anders hen moreel of immoreel had bejegend, of ze een morele of immorele daad van anderen hadden waargenomen en of ze van een morele of immorele daad via anderen of via media hadden gehoord.

Het lijkt voor het eerst dat we op deze manier heel direct een inkijkje krijgen in de rol van moreel gedrag in ons dagelijks leven. Het ging om de volgende 8 soorten gedragstegenstellingen, links moreel en rechts immoreel:

zorg hebben voor anderen - schade toebrengen aan anderen
 rechtvaardig zijn - onrechtvaardig zijn
loyaal (trouw) zijn - disloyaal (ontrouw) zijn
gezag aanvaarden - gezag ondermijnen
heiligheid respecteren - heiligheid onteren
vrijheid van anderen respecteren - anderen onderdrukken
 eerlijk zijn - oneerlijk zijn
zelfdiscipline opbrengen - gebrek aan zelfdiscipline

Verreweg de meeste van de gerapporteerde daden sloegen op die eerste tegenstelling: zorg hebben versus schade toebrengen.

Mij vielen een paar dingen op. In de eerste plaats meldden mensen van henzelf meer morele dan immorele daden. Ongeveer twee en een half maal zoveel. Misschien deden ze zich wat beter voor dan ze waren. Maar ze meldden ook wat vaker dat iemand anders hen moreel bejegende in plaats van immoreel. Dat wijst er op dat mensen in hun persoonlijke dagelijkse interacties meer met moreel dan met immoreel gedrag in directe aanraking komen.

En het valt op dat dat omslaat als je kijkt naar gedrag dat mensen van anderen waarnemen of waarvan ze te weten komen. Ze nemen iets meer immoreel gedrag waar dan moreel gedrag. En ze komen van ruim twee maal zoveel immorele daden te weten dan van morele daden.

Dat roept het beeld op van kleine morele eilandjes, morele gemeenschapjes, waarop elk van ons zich bevindt in een zee van vooral immoreel gedrag. Als die zee er niet was, dan leefden we in een overwegend morele sociale omgeving. Het is een boze buitenwereld waarmee we in aanraking komen als we wat verder om ons heen kijken.

En wat zijn de bronnen van die informatie die we over die buitenwereld krijgen? De Supplementary Materials bij het artikel geven daar enig zicht op. Naast de informatie die je van andere personen krijgt (zeg maar, roddel over derden of bekende persoonlijkheden) zijn het bovenal de sociale media, het internet, de televisie, de radio en de kranten, die overwegend berichten over immorele daden. De wereld om ons eigen eilandje heen is, lijkt het, een kwade wereld.

En dat is eigenlijk een merkwaardige toestand waarin we leven. Want uit dat zelfde onderzoek blijkt ook dat het morele gedrag waarmee we in aanraking komen en waarvan we te weten komen, besmettelijk is. De kans op moreel gedrag is groter als we daar voor moreel gedrag van anderen hebben meegemaakt of daarvan gehoord hebben. Maar het blijkt dus dat we die goede voorbeelden vooral dicht om ons heen aantreffen. De buitenwereld stuurt ons veel eerder de immorele kant op.

Bovendien voelen we ons beter als we moreel gedrag ervaren of meemaken. Maar dat goede gevoel komt dus meer voort uit wat we meemaken op ons eigen eilandje dan uit wat we over de buitenwereld horen.

Wat tragisch is dat wel. Want alle andere mensen hebben natuurlijk net als wij zo'n moreel eilandje om hen heen. Maar berichten daarover bereiken ons niet.

Die merkwaardige sociale omgeving waarin wij verkeren, dat is iets om nog lang over na te denken. Update. Zie hier het vervolg op dit bericht.

dinsdag 20 mei 2014

Discriminatie de wereld uit! Waarom dat waarschijnlijk nooit zal lukken

Onze afkeer van discriminatie van "anderen" is intens en algemeen. We vinden dat mensen gelijk horen te worden behandeld. Dat is onderdeel van onze morele gemeenschapsintuïties. Maar toch komt discriminatie veel voor. En het lijkt maar niet te lukken om discriminatoire praktijken met wetgeving de wereld uit te helpen. Hoe komt dat?

Een mogelijke verklaring geven Greenwald en Pettigrew in de studie With Malice Toward None and Charity for Some. Ingroup Favoritism Enables Discrimination (betaalpoort). Ze weerleggen de populaire gedachte dat discriminatie altijd voortkomt uit vijandigheid tegenover "anderen", leden van andere groepen of sociale categorieën, met negatieve stereotypen. Ze laten zien dat in het onderzoek deze gedachte altijd voorop heeft gestaan. Waardoor er weinig aandacht voor is geweest dat discriminatie ook kan optreden in situaties waarin mensen een voorkeur hebben voor leden van de eigen groep, zonder dat er enige vijandigheid bestaat tegenover leden van andere groepen.

Dat is herkenbaar. Het kan gemakkelijk gebeuren dat je iemand "voortrekt" boven een ander omdat hij/zij een kennis van een vriend is. Terwijl die ander een onbekende is, waar je neutraal tegenover staat. Vandaar dat we zo druk bezig zijn met "netwerken". Dat we dat doen, betekent dat we eigenlijk discriminatie beschouwen als iets wat nu eenmaal bestaat. Een moreel verwerpelijk gedrag, dat onderdeel is van het sociale leven.

Natuurlijk bestaat er ook discriminatie die voortkomt uit vijandigheid. Maar Greenwald en Pettigrew maken aannemelijk dat de niet-vijandige discriminatie veel meer voorkomt. Discriminatie dus op grond van ingroup favoritism.

Dat zal er mee te maken hebben dat onze morele gemeenschapsintuïties zijn ontstaan in de Paleo Sociale Omgeving, de omgeving van jagers-verzamelaars (volg de link!). In die omgeving groeiden we op te midden van bekenden en kwamen we nauwelijks met vreemden in aanraking. Omdat belendende groepen geregeld contact met elkaar hadden en er onderlinge uithuwelijking was, bestond er ook geen scherpe scheiding tussen "de onzen" en "de anderen". Enige voorkeur voor degenen die dichter bij je stonden dan anderen zal er wel geweest zijn. Maar teveel daarvan werd sociaal afgekeurd, want iedereen hoorde gelijk te worden behandeld.

In onze huidige samenleving komen we veel vaker in situaties terecht waarin die morele intuïtie dat je "elkaar hoort bij te staan" er onvermijdelijk toe leidt dat er ook anderen zijn die je (daardoor) niet bijstaat. Je kunt nu een keer niet iedereen omarmen. Dat is de tragiek van het uitgerust zijn met morele drijfveren die niet meer naadloos passen bij de sociale omgeving waarin je bent terecht gekomen.

Wat overigens helemaal niet wil zeggen dat die anti-discriminatie wetgeving nergens goed voor is. Want we kunnen en willen er met zijn allen, als overheid, wel iets tegen doen. En vijandige discriminatie bestaat ook.

maandag 6 januari 2014

Over de coöperatieve zorg voor kinderen in de evolutie van zoogdieren en van mensen

Dat onze verre voorouders, in de Paleo Sociale Omgeving, overgingen tot het coöperatief zorgen voor kinderen en moeders is een cruciale fase geweest in de menselijke evolutie. Daarzonder waren wij er nu niet geweest. Zie alle berichten onder het label cooperative breeding.

Maar is die sociale vorm van coöperatieve zorg zo uniek dat de kans op het ontstaan van de mensheid als heel klein moet worden ingeschat? Nee, dat is niet het geval, het patroon komt bij veel meer diersoorten voor. Wat weten we dan meer algemeen over de effecten er van? En over wat daarbinnen specifiek is voor mensen?

Karen Isler en Carel van Schaik proberen daar in de studie Allomaternal Care, Life History and Brain Size Evolution in Mammals (betaalpoort) antwoorden op te vinden. Ze gaan na wat voor 445 zoogdiersoorten bekend is over de mate van die coöperatieve zorg en andere kenmerken zoals hersenomvang, vruchtbaarheid en altricialiteit, de mate waarin jongen onrijp en zorgbehoeftig geboren worden. Welk beeld komt daaruit naar voren?

Allereerst valt op dat er in die zoogdiergroep als geheel zeker een verband is tussen de mate van coöperatieve zorg en de hersenomvang. Hoe meer zorg, hoe groter de hersenen (relatief aan de lichaamsomvang). Maar juist binnen de groep van de niet-menselijke primaten, dus onze naaste verwanten, is dat verband er niet. Wel zien we daar, net als bij de zoogdieren in het algemeen, dat coöperatieve zorg samen gaat met grotere vruchtbaarheid en altricialiteit. Het gaat hier in het bijzonder om de apen van de Nieuwe Wereld, de Callitrichidae, waartoe ook de Marmosets of klauwaapjes behoren, waar ik het eerder over had. Zij doen aan coöperatieve zorg zonder grote hersenomvang en hoge cognitieve vaardigheden.

Hoe zit dat dan met ons? Wij zijn tot die coöperatieve zorg overgegaan toen we (onze verre voorouders) al een intelligentie hadden ontwikkeld ongeveer op het niveau van de chimpansees. En dat moet voor een groot deel de sociale intelligentie geweest zijn van de statushiërarchie en de statuscompetitie. Als je die cognitieve vaardigheden al hebt en daar coöperatieve zorg aan toevoegt, ja, dan gebeuren er interessante dingen. Kinderen kunnen minder rijp worden geboren, omdat de moeder er niet meer in haar eentje voor hoeft te zorgen. Daardoor groeien de hersenen na de geboorte langer door, waardoor er ruimte ontstaat voor groeiende onderlinge tolerantie en voor sociale en morele ontwikkeling in de eerste levensjaren. De hersenen liggen als het ware klaar om dat hele groepsgebeuren van die coöperatieve zorg in zich op te nemen en te verwerken. Tot de sociale en morele intuïties van de gemeenschap.

En daardoor kon een menselijke samenleving ontstaan met wederzijdse zorg, ook tussen volwassenen. En met zorg voor ouderen. Waardoor een langere levensduur mogelijk werd, waar bovendien op geselecteerd werd omdat ouderen ook zelf zorgverleners waren. Denk aan de Grootmoeder Hypothese.

Maar dat wijst ons ook op die tragische complexiteit van de menselijke sociale natuur. Want doordat wij pas aan die coöperatieve zorg begonnen toen we al de vaardigheden van de statushiërarchie en de statuscompetitie onder de knie hadden, kan het met ons nog altijd twee kanten op. Als we opgroeien in een sociale gemeenschap van coöperatieve zorg, dan zorgen we er zonder problemen voor dat die gemeenschap in stand blijft en bloeit.

Maar als, zoals in onze huidige maatschappij, gezinnen vergaand sociaal geïsoleerd zijn en moeders er (weer) behoorlijk alleen voor staan, dan treffen onze kinderen een andere sociale omgeving aan. Dan groeien ze op zonder die gemeenschap. En dus vooral in die sociale omgeving van leeftijdsgenoten, die zoals bekend zo gemakkelijk uitnodigt tot het gebruik maken van die altijd slapend aanwezige vaardigheden van de statuscompetitie en de statushiërarchie. En ja, dan zijn we bezig met zijn allen een andere maatschappij te creëren.

dinsdag 17 december 2013

Pakketjes en pakketten van morele intuïties. Over Tim Harford, de verzorgingsstaat, sociale zeepbellen en sociaalwetenschappelijk onderzoek

Dat wij zo uiteenlopende opvattingen kunnen hebben over de wenselijkheid van de verzorgingsstaat, ligt er volgens Tim Harford aan dat wij twee verschillende pakketjes morele intuïties hebben, het pakketje van de jagers-verzamelaars en het pakketje van de landbouwers. En hij wijst er op dat die pakketjes (de term is van mij) meer of minder actief worden afhankelijk van omgevingskenmerken.

Als we sterk afhankelijk van elkaar zijn, zoals we waren in de Paleo Sociale Omgeving van de jagers en verzamelaars, dan wordt het pakketje "delen en samenwerken" actief. Anders gezegd, "we moeten hier samen wat van maken" of "we zijn op elkaar aangewezen". Het gaat dan om het delen van risico's.

Maar als iedereen zijn eigen voedsel verbouwt en de opbrengsten daarvan afhangen van de eigen inspanningen, dan activeert dat het pakketje "neem de verantwoordelijkheid voor je eigen lot" of "werk hard zodat je niet onnodig je hand hoeft op te houden".

In onze huidige maatschappij kunnen omgevingskenmerken dan weer het ene dan weer het andere pakketje activeren. Daarbij gaat het niet alleen over die kenmerken zelf, maar vooral ook over de informatie daarover die bij mensen meer of minder aanwezig is. Dat betekent bijvoorbeeld dat onze steun voor de verzorgingsstaat kan afhangen van wat we denken te weten over de mate waarin onze uitkomsten bepaald worden door eigen inspanningen dan wel door toeval en geluk. Hoe meer we geneigd zijn dat eerste te geloven, hoe minder we willen dat de overheid in de markt ingrijpt en hoe minder we de verzorgingsstaat steunen. We denken dan, aldus Tim Harford, als landbouwers.

Maar als we meer oog hebben voor de werking van geluk en toeval, dan schuift ons denken op naar de jagers-verzamelaars en ondersteunen we meer inkomensgelijkheid, inkomensherverdeling en sociale voorzieningen.

Dat maakt sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de rol van inspanningen versus geluk natuurlijk van groot belang. Zoals bijvoorbeeld het onderzoek van Kahneman dat uitwees dat de "prestaties" van financiële adviseurs vrijwel volledig op geluk en toeval berustten en daarmee dus ook hun bonussen. Hetzelfde blijkt ook in grote mate op te gaan voor de "prestaties" van CEO's. Onderzoek naar de "omgevingskenmerken" van onze huidige maatschappij is dus hard nodig om het juiste pakketje van morele intuïties actief te laten worden.

Maar daar komt meteen bij dat Tim Harfords onderscheiding van die twee pakketjes onvolledig is.

Want als je goed kijkt, dan blijkt dat "delen en samenwerken" en "werk hard zodat je niet onnodig je hand hoeft op te houden" allebei onderdeel te zijn van het grotere pakket van de morele gemeenschapsintuïties. In die Paleo Sociale Omgeving van de jagers-verzamelaars kon je op anderen rekenen als je het alleen niet redde, maar daar stond wel tegenover dat je niet van anderen hoorde te profiteren. Eigen inspanning werd verlangd, zowel ten bate van jezelf als ten bate van de groep. Vandaar onze negatieve houding tegenover profiteurs en meelifters en onze neiging om hen te sanctioneren. En de collectieve voordelen daarvan. Zie Elkaar bij de les houden in zelforganisatie.

Maar dat wijst ons dus meteen op het tweede grotere pakket, dat van de morele intuïties van de statushiërarchie, dat naast de gemeenschapsintuïties het morele kompas van mensen zo innerlijk tegenstrijdig maakt. Want wij hebben ook morele intuïties in ons die ons aanzetten tot het functioneren in een statushiërarchie als die er eenmaal is. We zijn geneigd om gezag te aanvaarden en verwachten dat van anderen. En we zijn geneigd om gezag te associëren met heiligheid en voelen weerstand tegen ontering en schennis daarvan. (En dan zie ik nog af van onze neigingen tot statuscompetitie, waarmee we buiten het terrein van morele intuïties terecht komen.)

Dat pakket van de statushiërarchie is een overblijfsel en menselijke uitwerking van het alfa mannetjes-model van wat waarschijnlijk de gemeenschappelijke voorouder was van de eerste mensachtigen en de chimpansees.

En het verwaarlozen daarvan zou een sterk onvolledig beeld scheppen van de huidige samenleving. We zouden bijvoorbeeld niet kunnen verklaren dat mensen vaak geneigd zijn om zich in hun denken door gezag te laten leiden in plaats van door de beschikbare informatie. Waardoor sociale zeepbellen zo gemakkelijk kunnen ontstaan. En waardoor sociaalwetenschappelijk onderzoek zo belangrijk is.

donderdag 7 februari 2013

Het beste middel tegen pesten: leeftijdsgemengde groepen

Het is de Week Tegen Het Pesten. Het wemelt van de ideeën en suggesties om pesten tegen te gaan. En het lijkt er op dat ze allemaal in dezelfde richting gaan: we moeten kinderen vertellen en duidelijk maken dat pesten niet goed is en dat ze er mee op moeten houden. Een voorbeeld is weerbaar.info, waar je leest:
Pesten kunnen we voorkomen door het kinderen op jonge leeftijd te leren herkennen; uitleg en inzicht te geven wat pesten is. Door duidelijke regels te stellen, kinderen uit te leggen dat pesten niet goed is, dat het niet zo hoort en hoe het anders kan.
Ik zie hierin enige overeenkomst met de mythe van de opvoedbaarheid, die o.a. inhoudt dat je door uitleg en instructie kinderen sociaal en moreel gedrag kunt bijbrengen. Je moet kinderen vertellen wat goed is en wat verkeerd is, en dan zullen ze zich beter gaan gedragen. Pesten is "niet goed" en het "hoort niet" en als je dat nu maar aan kinderen vertelt.....

Die benadering miskent dat kinderen morele intuïties vooral aanleren door er veel mee in aanraking te komen. Ze leren meer van wat ze mensen zien doen, dan van wat mensen hen vertellen dat ze moeten doen. Vandaar dat morele intuïties als vanzelf worden aangeleerd als kinderen opgroeien in een morele gemeenschap van vertrouwde anderen die zich onderling sociaal en moreel gedragen. Die simpel gezegd wel eens iets voor elkaar doen in plaats van elkaar te negeren of dwars te zitten.

Een kenmerk van zulke morele gemeenschappen is dat ze leeftijdsgemengd zijn. Dat maakt het mogelijk dat kinderen meer gelegenheid hebben om moreel gedrag van volwassenen (anders dan de eigen ouders) en van oudere kinderen te observeren en om er in te participeren. En ook zijn er daardoor meer gelegenheden voor oudere kinderen om jongere kinderen bij te staan en te ondersteunen. Zo worden ze als vanzelf getraind om voor anderen te zorgen.

Als je dat op je laat inwerken, kom je gemakkelijk op het idee dat het wel eens een belangrijke oorzaak van pesten zou kunnen zijn dat wij onze kinderen in extreme mate dwingen in het keurslijf van de naar leeftijd gesegregeerde groepen. Buiten de (steeds maar toenemende) tijd die kinderen met hun eigen ouders doorbrengen, verkeren ze vooral te midden van hun leeftijdsgenoootjes. En die sociale omgeving van kinderen van dezelfde leeftijd lokt gemakkelijk statuscompetitie uit. Het gaat er dan al snel om wie het populairst is, wie wel en wie  niet cool is, of stoer is, of wie weet hoe je intimideert en wie kwetsbaar is. Geen aangename omgeving voor kinderen met een vlekje.

Deze nadelen van naar leeftijd gesegregeerde groepen zijn overigens bekend. Zo is er het onderzoek Children's Social Behavior in Relation to Participation in Mixed-Age or Same-Age Classrooms, dat laat zien dat kinderen in leeftijdsgemengde groepen pro-socialer zijn, zich minder eenzaam voelen en minder vaak agressief zijn. Dat wijst er overduidelijk op dat in zulke groepen ook pesten minder vaak voorkomt.  En dan nog afgezien van andere positieve effecten van leeftijdsmenging op scholen, zoals op leerprestaties en cognitieve ontwikkeling.

Het verbaast me eigenlijk wel dat we zo vaak in de uitleg en instructie-reflex schieten. Of anders gezegd: de opvoedreflex. Een lespakket is snel gemaakt. In plaats van ons te verdiepen in wat de oorzaken van dat pesten zouden kunnen zijn. Want wat let ons om eens op te houden met die extreme leeftijdssegregatie die we onze kinderen aandoen?

Zie ook twee eerdere berichten over leeftijdssegregatie: hier en hier.
Update 1. En zie nu ook: Scholen wettelijk verplicht om pesten aan te pakken. Beter: kleinere scholen en leeftijdsmenging
Update 2. En nu ook: Er komt onderzoek naar de vraag of leeftijdsgemengde schoolklassen een goed middel zijn tegen pesten

vrijdag 25 januari 2013

Niet "pedagogische civil society", maar "buurten voor kinderen"

Als we het hebben over de noodzaak van het verbeteren van de sociale omgeving van kinderen, dus over het verminderen van het sociale isolement van gezinnen, dan pleit ik voor dat wat het meest voor de hand ligt, namelijk het kindvriendelijker maken van buurten waarin die kinderen en gezinnen wonen.

En een kindvriendelijke buurt is een buurt waar gelegenheid is om elkaar te ontmoeten, waar mensen elkaar (dus) kennen, waar kinderen weten dat ze gekend worden, waar mensen op elkaar betrokken zijn, waar ze wel eens iets samen en voor elkaar doen en waar kinderen daardoor als vanzelf leren dat andere mensen zijn te vertrouwen en als vanzelf leren hoe je met elkaar om hoort te gaan. Anders gezegd, een kindvriendelijke buurt is eerst en vooral een sociale buurt. Hoewel dat het belangrijkste is, gaat het natuurlijk ook om een gunstige fysieke inrichting, om speelplekken en groenvoorzieningen.

De aanwezigheid van zo een gemeenschap van kennen en gekend worden rond kinderen en gezinnen, waarin kinderen niet zoals nu zo uitsluitend met leeftijdsgenootjes omgaan, was tot voor kort in de mensheidsgeschiedenis veel meer vanzelfsprekend. En er zijn goede redenen om te denken dat die gemeenschap onmisbaar is voor een goede sociale en morele ontwikkeling van kinderen. En trouwens ook voor een plezierige en veilige jeugd, zonder eenzaamheid, pesten, verwaarlozing en wat dan ook waarvan we vinden dat kinderen er van gevrijwaard horen te blijven.

Daarom is het goed om op dat lokale niveau te streven naar buurten voor kinderen. Zie Niet (nog) beter opvoeden, maar: Buurten voor kinderen! en een reeks andere berichten op dit blog, zoals achter de labels buurtcohesie, mythe van de opvoedbaarheid en cooperative breeding.

Waarom schrijf ik dit (nog een keer) op? Omdat ik eergisteren die bijeenkomst over de pedagogische civil society bijwoonde, waar ik hier al melding van maakte. Want de ideeën achter die uitdrukking pedagogische civil society gaan natuurlijk aardig in de richting die ik hierboven omschrijf. Zie hier voor uitleg van het Nederlands Jeugd Instituut. Toch ben ik ongelukkig met die uitdrukking pedagogische civil society. Dat ligt er aan dat hij twee verkeerde associaties oproept: die met de "burgermaatschappij" en die met "opvoeding".

Die associatie met de burgermaatschappij is ongelukkig omdat daarmee meestal gedoeld wordt op de sfeer van de vrijwillige organisaties, zoals (buurt-)verenigingen, vakbonden, vrijwilligersorganisaties, coöperaties, non-profitorganisaties, liefdadigheidsinstellingen en kerken. Ik ontleen dit lijstje aan wikipedia, waar bovendien de burgermaatschappij met zoveel woorden wordt omschreven als (cursivering van mij):
het institutionele domein van vrijwillige associaties. Het is een aanduiding van organisaties of instituties buiten de sfeer van de overheid, de markt en de sfeer van familie en vrienden.
Maar bij die sociale omgeving die kinderen nodig hebben gaat het nu juist precies wel over dat laatste: alle persoonlijke en vertrouwde relaties waar een gezin onderdeel van is en die voor een kind de dagelijkse sociale leefwereld vormen of zouden moeten vormen. Het gaat om concrete personen, met naam en toenaam, die een gezamenlijke geschiedenis hebben, tante Annie, buurman Kees, vriend Nico, mevrouw Van Dijk die om de hoek woont. Die vormen het sociale verband waar opgroeiende kinderen hun observaties doen en waarin ze leren om mee te doen en een "persoon" te worden. Het is de persoonlijke sociale leefwereld, waarin kinderen hun sociale vaardigheden en morele intuïties ontwikkelen. En dat laatste gebeurt minder naarmate die leefwereld minder aanwezig is. Die persoonlijke sociale leefwereld hoort precies de associatie te zijn, niet die van de "burgermaatschappij".

Maar bovendien is de associatie met opvoeding ongelukkig. Want bij opvoeding denken mensen toch vooral aan het bijbrengen van wat wel en niet mag of wat wel en niet hoort. En mensen vinden dat opvoeding typisch een taak is van de ouders. Er is een buitengewoon grote terughoudendheid om zich met de opvoeding van andermans kinderen te bemoeien.

En daar is ook niets mis mee. Want het gaat bij die sociale en morele ontwikkeling van onze kinderen niet om opvoeding. De resultaten van opvoeding op het gedrag van kinderen zijn meestal oppervlakkig. Door opvoeding leren kinderen vooral hoe ze zich thuis en in aanwezigheid van de ouders maar het beste kunnen gedragen. Maar ze hebben al gauw door dat er in de wereld buiten het gezin andere regels kunnen gelden. En als die leefwereld heel anders is, dan is het effect van opvoeding nog maar heel beperkt. Kinderen worden al gauw veel meer beïnvloed door wat ze buitenshuis observeren en meemaken dan door de lessen van hun eigen ouders. Zie de berichten over de mythe van de opvoedbaarheid.

Juist daarom is die aanwezigheid van een gemeenschap rond het gezin zo cruciaal. En als die er niet is, dan valt dat niet te vervangen door van ouders te verwachten dat ze (nog) beter opvoeden. Dat is het onmogelijke verwachten. En het is krenkend voor verreweg de meeste ouders.

Bovendien breng je die gemeenschap niet tot stand door van buurtbewoners te vragen om mede-opvoeder te worden. Zoals gezegd, dat is voor mensen een stap te ver, omdat het een privacy-grens overschrijdt. Wat je daarentegen wel met succes van buurtbewoners kunt vragen, is of ze mee willen helpen aan een sociale en kindvriendelijke buurt. Zo een buurt wil eigenlijk iedereen wel, maar als hij er niet is, ontstaat hij niet vanzelf. Daar zijn voortrekkers voor nodig. Die zijn er ook vaak wel. Maar indien niet, dan kan een Centrum voor Jeugd en Gezin zo'n voortrekkersrol vervullen. Samen met andere professionals, zoals jongeren-, buurt- en welzijnswerkers (als die er nog zijn). En natuurlijk samen met een bewonersvereniging. In heel veel buurten die nu nog niet sociaal en kindvriendelijk zijn, is een groot potentieel aanwezig om dat te veranderen. Maar iemand moet beginnen. En dan is het aan mevrouw Van Dijk die om de hoek woont heel goed uit te leggen dat je een buurt voor kinderen wilt. Veel beter dan wanneer je aan mevrouw Van Dijk duidelijk moet maken dat er een "pedagogische civil society" gemaakt moet worden.

Daarin kan die "burgermaatschappij" wel een rol spelen, in het meehelpen bij het tot stand brengen van die persoonlijke, sociale leefwereld die kinderen nodig hebben. Als je dat doet, dan besef je dat je als (overheids-)instelling, dus als burgermaatschappij, die leefwereld natuurlijk nooit kunt vervangen, maar wel via een omweg kunt proberen om hem te laten bloeien. Die persoonlijke, sociale leefwereld, daar gaat het voor kinderen om. Dus: buurten voor kinderen!